Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201922112 nr. 2768

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 2768 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 februari 2019

Met deze brief wil ik uw Kamer informeren over de onderhandelingen over het Pan-Europees Persoonlijk Pensioenproduct (PEPP).

Op donderdag 13 december jl. heeft het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie hierover een onderhandelaarsakkoord bereikt met de rapporteur van het Europees Parlement. De technische details van dit akkoord zijn op 21 januari jl. aan de lidstaten verstrekt. Deze zijn nog niet definitief, maar zullen naar verwachting materieel niet meer veranderen. Nederland dient uiterlijk op 6 februari a.s. haar positie ten aanzien van het akkoord kenbaar te maken. Het akkoord wordt vervolgens, via Coreper, doorgeleid naar de Raad. Indien zowel een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten als een meerderheid in het Europees Parlement zich achter dit akkoord schaart, is de verordening aangenomen.

De Tweede Kamer heeft eerder het kabinet per motie verzocht om zich in de Europese onderhandelingen uit te spreken tegen een raamwerk voor Europese persoonlijke pensioenproducten in de derde pijler (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1435). Nederland heeft deze kritische houding uitgedragen tijdens de onderhandelingen over de PEPP-verordening. Daarnaast had Nederland vier prioriteiten in de onderhandelingen, die verwoord zijn in het BNC-fiche over het voorstel.1 Hieronder zet ik het akkoord af tegen deze vier hoofdpunten van de Nederlandse inzet.

1. De verordening dient niet te raken aan de verplichtstelling in de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel.

Het onderhandelaarsakkoord leidt er toe dat de PEPP-verordening geen invloed zal hebben op de verplichtstelling in de tweede pijler.

In het BNC-fiche is aangegeven dat het voorstel niet mag ingrijpen in het bestaande tweedepijlerstelsel. Het kunnen aanbieden van een PEPP door verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen zou een verruiming van hun uitvoeringsmogelijkheden hebben betekend. Dit zou risico’s meebrengen voor de houdbaarheid van de huidige verplichtstelling aan bedrijfstakpensioenfondsen. Deze fondsen genieten een exclusief uitvoeringsrecht onder de voorwaarde dat ze de dienstverlening beperken tot het organiseren van collectiviteit en solidariteit die bij vrije mededinging om de uitvoering van pensioenafspraken tussen werkgevers en werknemers niet tot stand kan komen. De verplichtstelling mag niet worden gebruikt voor activiteiten die ook door andere marktpartijen kunnen worden uitgevoerd (taakafbakening), zoals een PEPP.

In het akkoord is overeenstemming bereikt over het opnemen van een lidstaatoptie met betrekking tot instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IORP’s). Dit is conform het in juni door de Raad geformuleerde standpunt.2 De lidstaatoptie houdt in dat IORP’s in de interne markt alleen een PEPP mogen aanbieden, als ze op grond van nationale wet- en regelgeving dergelijke producten mogen aanbieden. Nederlandse IORP’s, zoals verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en premiepensioeninstellingen, mogen dat niet. Doordat Nederlandse verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen met dit onderhandelaarsakkoord een PEPP niet mogen aanbieden, worden de huidige uitvoeringsmogelijkheden van deze fondsen niet verruimd, waarmee de PEPP-verordening geen risico vormt voor de huidige verplichtstelling.

2. De verordening dient niet te raken aan de fiscaliteit.

Het onderhandelaarsakkoord bevat geen fiscale bepalingen. Spaarders kunnen met een PEPP alleen in aanmerking komen voor fiscale facilitering als de aanbieder het product zo vormgeeft dat het past binnen het bestaande fiscale kader van de betreffende lidstaat. Deze uitkomst is conform de Nederlandse inzet.

Tijdens het AO Ecofin van 17 januari jl. heeft het lid Omtzigt gevraagd of de PEPP-verordening kan leiden tot harmonisatie van de fiscale facilitering van de opbouw van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1572). De fiscale behandeling van deze opbouw valt buiten de reikwijdte van de PEPP-verordening. In het onderhandelaarsakkoord wordt expliciet vermeld dat de verordening geen inbreuk maakt op de nationale belastingwetgeving. Een belastingplichtige kan dus per land gecompartimenteerd een oudedagsvoorziening opbouwen op basis van de in dat land geldende regels (waaronder de fiscale regelgeving). Nationaal betekent dit dat op een PEPP dezelfde fiscale regels omtrent de lijfrenteopbouw en de uitkering ervan worden toegepast, zoals die gelden voor bestaande Nederlandse producten voor oudedagsvoorziening in de derde pijler. Op basis van de formuleringen in het onderhandelaarsakkoord zie ik dan ook geen aanknopingspunt waarmee op basis van de straks voorliggende PEPP-verordening Europese harmonisatie op fiscaal gebied kan worden afgedwongen.

3. Nederland staat kritisch tegenover een rol voor EIOPA als directe toezichthouder.

In het onderhandelaarsakkoord krijgt EIOPA wel bevoegdheden, namelijk om in uitzonderlijke gevallen een PEPP tijdelijk van de markt te weren.3 Deze rol is in lijn met bestaande bevoegdheden van EIOPA voor producten onder de PRIIPS-verordening4 en doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de nationale toezichthouders. Het toezicht op aanbieders van een PEPP wordt belegd bij nationale toezichthouders van de afzonderlijke lidstaten. Er komt geen directe rol voor de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) bij het autoriseren van aanbieders van PEPP’s op de markt.

4. Nederland spant zich in om de gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen in de verordening tot een minimum te beperken.

In het voorstel zijn verschillende grondslagen opgenomen op grond waarvan de Europese Commissie gedelegeerde handelingen kan vaststellen, dan wel uitvoeringshandelingen kan aannemen, waarmee ontwerpen van technische uitvoeringsnormen worden vastgesteld die door de Europese Toezichthoudende Autoriteiten zijn ontwikkeld. Nederland heeft zich ingezet om het aantal gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie terug te brengen. Het aantal grondslagen voor de totstandkoming van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen is met het akkoord echter niet verminderd. De gedelegeerde handelingen hebben betrekking op producten die als een PEPP worden aangeboden en strekken zich niet uit tot andere onderdelen van de pensioenmarkt.

Tot slot

Het kabinet constateert dat met dit akkoord de verplichtstelling in de tweede pijler en de fiscale autonomie van lidstaten onaangetast blijven. Wel krijgt EIOPA een rol in het toezicht op PEPP. Ook is het aantal gedelegeerde handelingen met het onderhandelaarsakkoord niet verminderd. Hoewel een groot deel van de Nederlandse onderhandelingsinzet is behaald, is het kabinet van mening dat de PEPP-verordening een beperkte meerwaarde heeft voor het pensioenaanbod in Nederland. Ook heeft de Tweede Kamer het kabinet gevraagd zich uit te spreken tegen een raamwerk voor Europese persoonlijke pensioenproducten in de derde pijler. Alles overwegende zal het kabinet niet instemmen met het onderhandelaarsakkoord. Ik verwacht overigens dat een ruime meerderheid van de andere lidstaten het onderhandelaarsakkoord steunt.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra


X Noot
1

Zie Kamerstuk 22 112, nr. 2384 en Kamerstuk 22 112, nr. 2549.

X Noot
2

Zie Kamerstuk 22 112, nr. 2587.

X Noot
3

EIOPA kan volgens het onderhandelaarsakkoord een product tijdelijk van de markt weren, indien het significante zorgen heeft over de bescherming van PEPP-spaarders, dan wel om een dreiging voor het functioneren of de integriteit van de financiële markten of van de stabiliteit van (een deel van) het financieel systeem in de Europese Unie, die niet wordt geadresseerd door bestaand EU-recht en waartegen niet (voldoende) wordt opgetreden door de nationale toezichthouders.

X Noot
4

Verordening (EU) Nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP's).