Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201422112 nr. 1706

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 1706 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 oktober 2013

Overeenkomstig de bestaande afspraken heb ik de eer u hierbij twee fiches aan te bieden die werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC).

Fiche 1: Verordening interbancaire vergoedingen (Kamerstuk 22 112, nr. 1705)

Fiche 2: Wijziging Verordening rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging beslissingen in burgerlijke en handelszaken(Brussel I)

De Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans

Fiche: Wijziging Verordening rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I)

1. Algemene gegevens

Titel voorstel

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I)

Datum ontvangst Commissiedocument

26 juli 2013

Nr. Commissiedocument

COM (2013) 554

Nr. Impact Assessment Commissie en Opinie Impact Assessment Board

Niet opgesteld.

Behandelingstraject Raad

JBZ-Raad

Eerstverantwoordelijk ministerie

Ministerie van Veiligheid en Justitie

Rechtsbasis, besluitvormingsprocedure Raad, rol Europees Parlement, gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen

a) Rechtsbasis

Artikel 67 lid 4 en artikel 81 lid 2 onder a), c) en e) VWEU

b) Besluitvormingsprocedure Raad en rol Europees Parlement

Gewone wetgevingsprocedure: gekwalificeerde meerderheid in de Raad, medebeslissing Europees Parlement.

c) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen

Niet van toepassing.

2. Samenvatting BNC-fiche

– Korte inhoud voorstel

Brussel I (verordening (EG) nr. 44/2001) bevat regels voor het bepalen van de internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten en regels voor de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen van die gerechten. De voorgestelde wijzigingen in de Brussel I verordening bestaan uit bepalingen die de verhouding regelen tussen gemeenschappelijke gerechten die voortvloeien uit de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht (hierna UPC-overeenkomst) en het Protocol bij het Benelux-Gerechtshofverdrag uit 1965 (hierna het BenGH-verdrag) enerzijds en de verordening Brussel I anderzijds. Daarnaast zien de wijzigingen van de Brussel I verordening op bepalingen die de uniforme jurisdictieregels aanvullen in geschillen, aanhangig gemaakt bij gemeenschappelijke gerechten, zoals het eengemaakt octrooigerecht (hierna UPC) en het Benelux-Gerechtshof (hierna BenGH) met betrekking tot verweerders afkomstig uit landen die geen partij zijn bij de overeenkomsten tot oprichting van die gemeenschappelijke gerechten.

– Bevoegdheidsvaststelling en subsidiariteits- en proportionaliteitsoordeel

Nederland is het eens met de bevoegdheidsgrondslag en beoordeelt de proportionaliteit en subsidiariteit van het nemen van de maatregelen als positief. De EU is als enige in staat de Brussel I verordening aan te passen. De afhandeling van grensoverschrijdende civiele geschillen is gebaat bij een EU aanpak en de aanpassing van Brussel I is noodzakelijk om de werking van gemeenschappelijke gerechten te faciliteren en de rechtspraktijk duidelijkheid te bieden. De wijzigingen zijn beperkt van aard. Bij de technische uitwerking heeft Nederland nog enige vragen.

– Implicaties/risico’s/kansen

Nederland is voorstander van een snelle inwerkingtreding van de UPC-overeenkomst. Aanpassing van Brussel I is in artikel 89 van de UPC-overeenkomst als voorwaarde gesteld voor de inwerkingtreding van de UPC-overeenkomst. Vertraging in de afhandeling van dit voorstel leidt dus tot vertraging voor de inwerkingtreding van de UPC-overeenkomst.

– Nederlandse positie

Met het oog op een snelle inwerkingtreding van de UPC-overeenkomst staat Nederland positief tegenover de aanpassing van Brussel I mits dit beperkt blijft tot technische aanpassingen die noodzakelijk zijn om te verduidelijken hoe wordt omgegaan met gemeenschappelijke gerechten zoals de gerechten die voortvloeien uit de UPC-overeenkomst en het BenGH-verdrag.

3. Samenvatting voorstel

– Inhoud voorstel

Brussel I (verordening (EG) nr. 44/2001) bevat regels voor het bepalen van de internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten en regels voor de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen van die gerechten. Verordening (EU) 2015/2012 is een herschikking van Brussel I en zal op 10 januari 2015 van kracht worden.

In december 2012 is overeenstemming bereikt over een zogeheten octrooipakket, een wetgevingsinitiatief dat bestaat uit twee verordeningen (Verordening (EU) nr. 1257/2012 en Verordening (EU) nr. 1260/2012) en een Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht (de UPC-overeenkomst) waarmee de basis is gelegd voor de invoering van eenheidsoctrooibescherming in (een groot gedeelte van) de EU. Het UPC wordt de exclusief bevoegde rechter voor geschillen die onder de reikwijdte van de UPC-overeenkomst vallen.

Daarnaast hebben de Benelux-landen op 15 oktober 2012 het Protocol tot wijziging van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-gerechtshof1 (het BenGH-verdrag en het BenGH) ondertekend op grond waarvan de bevoegdheid van het BenGH wordt uitgebreid zodat dit exclusieve rechtsprekende bevoegdheid kan krijgen ten aanzien van bepaalde onderwerpen die onder de werkingssfeer van Brussel I vallen. Naar verwachting zal dit in de nabije toekomst van toepassing zijn bij bepaalde geschillen inzake het Beneluxverdrag inzake intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen).

Het onderhavige wijzigingsvoorstel dient ervoor te zorgen dat Brussel I in overeenstemming wordt gebracht met zowel de UPC-overeenkomst en het BenGH-verdrag. Dit gebeurt door de introductie van 4 nieuwe artikelen in Brussel I:

  • artikel 71 bis bepaalt dat een voor meerdere lidstaten gemeenschappelijk gerecht ook onder het begrip gerecht valt;

  • artikel 71 ter gaat nader in op bevoegdheid van een gemeenschappelijk gerecht ten aanzien van verweerders uit lidstaten die geen partij zijn bij de UPC-overeenkomst resp. het BenGH-verdrag;

  • artikel 71 quater verklaart de samenloopregeling van Brussel I van toepassing op procedures bij een gemeenschappelijk gerecht en procedures in EU lidstaten die geen partij zijn bij de overeenkomst tot oprichting van het gemeenschappelijk gerecht; en

  • artikel 71 quinquis bepaalt dat beslissingen van het octrooigerecht en het BenGH voor erkenning en tenuitvoerlegging in aanmerking komen in die lidstaten die geen partij zijn bij de UPC-overeenkomst respectievelijk het BenGH-verdrag.

– Impact assessment Commissie

Niet opgesteld. In de toelichting op het voorstel wordt gewezen op de uitgebreide raadpleging die over het octrooipakket heeft plaatsgevonden en op de effectbeoordeling van de Commissie bij de herziening van Brussel I.

4. Bevoegdheidsvaststelling en subsidiariteits- en proportionaliteitsoordeel

a) Bevoegdheid

De rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 67 lid 4 en artikel 81 lid 2 onder a), c) en e) Verdrag inzake de Werking van de Europese Unie (VWEU)2. Nederland kan zich vinden in deze artikelen als bevoegdheidsgrondslag voor het voorstel.

b) Subsidiariteits- en proportionaliteitsoordeel

Gelet op artikel 89 van de UPC-overeenkomst, dat wijziging van de Brussel I verordening als voorwaarde stelt voor inwerkingtreding van de overeenkomst, is er een noodzaak tot gezamenlijk optreden op EU-niveau. De afhandeling van grensoverschrijdende civiele geschillen is gebaat bij een EU-aanpak en de aanpassing van Brussel I is noodzakelijk om de werking van gemeenschappelijke gerechten te faciliteren en de rechtspraktijk duidelijkheid te bieden. Dit geldt ook ten aanzien van het Benelux gerechtshof. Het kabinet beoordeelt de subsidiariteit derhalve positief. Dit geldt ook voor de proportionaliteit. De voorgestelde wijzigingen staan in een juiste verhouding tot het te bereiken doel en helpen te verhelderen hoe de definitie van een gemeenschappelijk gerecht gelezen moet worden.

Ten aanzien van de proportionaliteit acht het kabinet de bepalingen inzake samenloop en erkenning en tenuitvoerlegging strikt genomen niet noodzakelijk nu in de definitiebepalingen is aangegeven dat een voor meerdere lidstaten gemeenschappelijk gerecht onder de definitie van gerecht valt in de zin van Brussel I.

c) Nederlands oordeel over de voorstellen op het gebied van gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen

Niet van toepassing.

5. Financiële implicaties, gevolgen voor regeldruk en administratieve lasten

a) Consequenties EU-begroting

Geen.

b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of decentrale overheden

Geen.

c) Financiële consequenties (incl. personele) voor bedrijfsleven en burger

Geen.

d) Gevolgen voor regeldruk/administratieve lasten voor rijksoverheid, decentrale overheden, bedrijfsleven en burger

Geen.

6. Implicaties juridisch

a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

Geen.

b) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

De verordening is van toepassing met ingang van 10 januari 2015. Nu dit voorstel niet tot aanpassing van nationale uitvoeringswetgeving leidt is deze inwerkingtredingsdatum haalbaar.

c) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

Dit is een wijzigingsverordening. De Brussel I verordening bevat een algemene evaluatiebepaling (artikel 79 Brussel I) welke voorziet in de indiening van een verslag over de toepassing van de verordening uiterlijk op 11 januari 2022.

7. Implicaties voor uitvoering en handhaving

a) Uitvoerbaarheid

Nederland ziet geen bezwaren ten aanzien van uitvoerbaarheid.

b) Handhaafbaarheid

Nederland ziet geen bezwaren ten aanzien van handhaafbaarheid.

8. Implicaties voor ontwikkelingslanden

Geen.

9. Nederlandse positie

Met het oog op een snelle inwerkingtreding van de UPC-overeenkomst staat Nederland positief tegenover de aanpassing van Brussel I, mits dit beperkt blijft tot technische aanpassingen die noodzakelijk zijn om te verduidelijken hoe wordt omgegaan met gemeenschappelijke gerechten zoals de gerechten die voortvloeien uit de UPC-overeenkomst en het BenGH-verdrag. De voorgestelde bepalingen inzake samenloop en erkenning en tenuitvoerlegging acht het kabinet strikt genomen niet noodzakelijk, nu in de definitiebepalingen al is aangegeven dat een voor meerdere lidstaten gemeenschappelijk gerecht onder de definitie van gerecht valt in de zin van Brussel I. Nederland zal hier in de onderhandelingen aandacht voor vragen.


X Noot
1

Trb. 2013, 12 en Kamerstuk 33 543

X Noot
2

De Nederlandse vertaling van de Verordening bevat op dit punt een kennelijke verschrijving. Per abuis is daarin opgenomen artikel 67, lid 4, onder a), c) en e) en artikel 81, lid 2.