22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 1572 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 februari 2013

Tijdens het Algemeen Overleg van 11 december 2012 (Kamerstuk 22 112, nr. 1540) met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de vaste commissie voor Europese Zaken inzake de Verordening statuut en financiering Europese politieke partijen en stichtingen heb ik toegezegd de Kamer tussentijds te rapporteren over de voortgang van de onderhandelingen over deze verordening.

Hierbij doe ik u verslag van het bezoek dat ik in dit kader op woensdag 6 februari 2013 heb gebracht aan het Europees Parlement in Straatsburg.

In Straatsburg heb ik gesproken met de volgende personen:

  • De heer Maros Sefcovic, Vice-President van de Europese Commissie, Commissaris voor Interinstitutionele Betrekkingen en Administratie, en vanuit de Commissie eerstverantwoordelijk voor deze verordening;

  • Een breed samengestelde delegatie van Nederlandse Europarlementariërs (CDA, ChristenUnie, D66, GroenLinks, PvdA, PVV, SP en VVD).

  • De heer Hannes Swoboda (Oostenrijk), voorzitter van de S&D-groep in het Europees Parlement;

  • Mevrouw Marietta Giannakou (EVP, Griekenland), rapporteur voor de Commissie Constitutionele Zaken van het Europees Parlement inzake dit voorstel;

  • De heer Enrique Guerrero Salom (S&D, Spanje), schaduwrapporteur voor de Commissie Constitutionele Zaken.

In de gesprekken heb ik het standpunt van het Nederlandse kabinet naar voren gebracht, zoals dat ook aan de orde is geweest in het Algemeen Overleg met uw Kamer op 11 december 2012. In de kern kan dit standpunt als volgt worden weergegeven:

  • Het kabinet ondersteunt in beginsel de versterking van de representatieve democratie in Europa en is derhalve voorstander van een registratiemogelijkheid voor Europese politieke partijen en de mogelijkheid van subsidiëring van hun activiteiten.

  • Gelet op de grote waarde die het kabinet toekent, voortvloeiend uit de vrijheid van vereniging, aan de onafhankelijkheid van politieke partijen, is het kabinet van mening dat bij de registratie alleen een marginale toets gehanteerd moet worden. De doelstelling van deze toets zou moeten zijn om te verifiëren of er sprake is van een werkelijk bestaande politieke partij, met politieke doelstellingen. Een toets ten aanzien van interne partijpolitieke processen dan wel ten aanzien van politieke opvattingen dient in de visie van het kabinet te worden vermeden.

  • Voor de marginale toets beoogt het kabinet de rol van het Europese Parlement bij de toetsing zoveel mogelijk te beperken. In het geval van toetsing dient een niet-politiek geprofileerde instantie te zijn geëquipeerd.

Voorts heb ik in het gesprek met de rapporteur, mevrouw Giannakou, de zorgen die de heer Segers (ChristenUnie) in het Algemeen Overleg verwoordde ten aanzien van het amendement dat door haar is voorgesteld om de verdeelsleutel voor de subsidiëring te wijzigen naar 10% (thans 15%) op basis van een vaste voet en 90% (thans 85%) op basis van het zetelaantal in het Europees Parlement, naar voren gebracht.

Uit de gesprekken is mij gebleken dat elementen van de Nederlandse positie werden herkend.

In de Commissie Constitutionele Zaken van het Europees Parlement (AFCO), waar het voorstel momenteel in behandeling is, zijn honderden amendementen op het voorstel ingediend en worden momenteel compromisamendementen voorbereid. Dit betekent dat behalve in de Raad ook in het Europees Parlement het debat nog volop gaande is. Een van de onderwerpen van discussie is de (formele) rol van het EP in het beoogde registratie- en subsidieverleningsproces.

Het is thans te vroeg om uitspraken te doen over de mogelijke uitkomsten van de discussie binnen het Europees Parlement en de Raad. Nadat het Europees Parlement in plenaire zitting haar standpunt heeft bepaald en ook de Raad een gezamenlijke positie heeft bereikt, zal na een triloog het voorstel in definitieve vorm moeten worden vastgesteld. Stemming in AFCO is voorzien voor 19 februari a.s.. Deze datum is mede gelet op de hoeveelheid ingediende amendementen en de voortgaande discussie een latere dan eerst werd beoogd. Het is nog niet bekend binnen welk tijdsbestek de Raad tot een gezamenlijke positie zal komen. Het debat binnen de Raad wordt intensief gevoerd, waarbij meerdere Lidstaten elementen van de Nederlandse positie ondersteunen. Voorts wordt binnen de Raad de juridische houdbaarheid van de in het voorstel van de Commissie beoogde (formele) rol van het Europees Parlement bezien. Het voorzitterschap streeft er wel nog steeds naar om voor de zomer van 2013 een onderhandelingsmandaat vast te stellen, zodat het voorstel in werking kan treden voor de nieuwe zittingsperiode van het Europees Parlement (2014–2019). Gelet op de aard van de discussie in de Raad en het Europees Parlement is het echter voorstelbaar dat het proces van het vaststellen van een onderhandelingsmandaat langer gaat duren.

Parallel aan de onderhandelingen over het voorstel van de Europese Commissie heeft de voorzitter van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad verzocht om een afgevaardigde aan te wijzen voor het comité van vooraanstaande personen. Dit comité van drie vooraanstaande personen (één namens de Raad, één namens het Europees Parlement en één namens de Europese Commissie) heeft conform het bepaalde in de bestaande verordening 2004/2003 een adviserende rol in de procedure die kan worden opgestart om te verifiëren of een politieke partij of een politieke stichting nog steeds voldoet aan de in de verordening gestelde eisen. Op basis van een rapport van dit comité zal het Europees Parlement stemmen of er wel of niet sprake is van een overtreding, hetgeen kan leiden tot stopzetting van de subsidie aan de betrokken partijen en/of stichtingen. Het verzoek van de voorzitter van het Europees Parlement kan een indicatie zijn dat het Europees Parlement voornemens is om een dergelijke procedure op te starten.

Ik zal u indien daar aanleiding toe is nader informeren over de voortgang van de onderhandelingen.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

Naar boven