Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201822054 nr. 300

22 054 Wapenexportbeleid

Nr. 300 BRIEF VAN DE MINISTERS VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING EN VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 juli 2018

Conform het op 10 juni 2011 per brief gemelde aangescherpte wapenexportbeleid (Kamerstuk 22 054, nr. 165) en de motie van het lid El Fassed c.s. van 22 december 2011 over verlaging van de drempelwaarde voor de versnelde parlementaire controle bij specifieke wapenexportaanvragen naar € 2.000.000,– (Kamerstuk 22 054, nr. 181), ontvangt uw Kamer onderstaande informatie over een door Nederland afgegeven vergunning ter waarde van € 2.275.000,– voor uitvoer van militair materieel naar Indonesië.

Een Nederlands bedrijf heeft onlangs een exportvergunning verkregen voor de uitvoer naar Indonesië van een bevoorradingssysteem op een bevoorradingsschip.

Eindgebruiker van onderhavig goed is de Indonesische marine. Het betreft de uitvoer van een «Fueling At Sea» bevoorradingssysteem bestemd voor een bevoorradingsschip. Dit schip wordt gebouwd door scheepswerf Batamec, Batam Indonesië.

De vergunningaanvraag is getoetst aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport1. Deze toetsing, waarvan de essentie ten aanzien van de meest relevante criteria hieronder wordt weergegeven, leidde tot het afgeven van de vergunning op basis van de volgende argumenten:

Mensenrechten (CR2)

De mensenrechtensituatie in Indonesië kent de nodige aandachtspunten. Bescherming van mensenrechten is grondwettelijk vastgelegd, maar de naleving daarvan is echter een punt van zorg. Voorbeelden hiervan zijn de veelvuldige straffeloosheid rondom optreden van veiligheidsdiensten, de disproportioneel hoge straffen voor politieke activisten in met name de Molukken en Papua, de positie van mensenrechtenverdedigers, de situatie in penitentiaire inrichtingen, de doodstraf.

Er zijn incidenten bekend van mensenrechtenschendingen door militairen in bijvoorbeeld Papua. Het gaat hierbij echter niet om structurele of door de legerleiding gesanctioneerde schendingen. De kans dat onderhavig goed (bevoorradingssysteem) wordt ingezet bij de geconstateerde mensenrechtenschendingen is gezien de aard van het systeem onwaarschijnlijk. Daarnaast is de eindgebruiker van de goederen, de Indonesische marine, niet betrokken bij de geconstateerde schendingen.

Regionale stabiliteit (CR4)

Indonesië heeft een aantal lopende grensgeschillen. Indonesië en Maleisië werken aan een diplomatieke oplossing voor hun grensgeschil, o.a. via het Internationaal Gerechtshof. Dit geldt ook voor de grensgeschillen tussen Indonesië en Oost-Timor, Singapore en de Filippijnen.

In de Zuid-Chinese zee is al geruime tijd sprake van diverse maritieme geschillen, in het bijzonder over de eilanden in het gebied. Een gevolg hiervan is dat de maritieme capaciteiten van de betrokken landen worden uitgebreid. De Indonesische marine is hierin niet direct betrokken en Indonesië maakt geen directe territoriale claims op de eilanden. De kans dat een bevoorradingssysteem voor de Indonesische marine een negatieve invloed heeft op de regionale stabiliteit is zeer gering.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.A.M. Kaag

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok


X Noot
1

GS 2008/944 van 8 december 2008