21 501-33 Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie

Nr. 939 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR KLIMAAT EN ENERGIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 juni 2022

Hierbij stuur ik u de geannoteerde agenda van de formele Energieraad die op 27 juni a.s. onder Frans voorzitterschap in Luxemburg zal plaatsvinden.

Er zullen onderhandelingen plaatsvinden over de herzieningen van de richtlijn hernieuwbare energie (RED) en van de richtlijn energie-efficiëntie (EED). Daarnaast zal er een informele gedachtewisseling zijn over de energiesituatie in de EU in de context van de oorlog in Oekraïne (REPowerEU). Ook zal het Franse voorzitterschap een update geven over de onderhandelingen omtrent de methaanverordening en de richtlijn energieprestatie gebouwen (EPBD). Hierbij is geen discussie op de Energieraad voorzien. Tevens staat een aantal diversenpunten op de agenda.

Het kabinet zal deelnemen aan deze Energieraad.

De Minister voor Klimaat en Energie, R.A.A. Jetten

Geannoteerde agenda formele Energieraad 27 juni

De formele energieraad van 27 juni 2022 zal plaatsvinden in Luxemburg onder het Franse voorzitterschap. Op moment van schrijven is de agenda nog niet bekend. Hoogstwaarschijnlijk zal er sprake zijn van een informele gedachtewisseling over het REPowerEU-plan waarbij geen besluitvorming plaatsvindt. Daarnaast zullen er onderhandelingen plaatsvinden over twee voorstellen van het Fit-for-55-pakket die onder de Energieraad vallen: de richtlijn hernieuwbare energie (RED) en de richtlijn energie-efficiëntie (EED). Hierbij zal het Franse voorzitterschap inzetten op het bereiken van een gezamenlijk standpunt van de lidstaten, een zogenaamde Algemene Oriëntatie, voor deze voorstellen. De besluitvorming op deze agendapunten geschiedt op basis van gekwalificeerde meerderheid.

Energiesituatie in de EU in relatie tot de oorlog in Oekraïne (REPowerEU)

Tijdens de Raad vindt een gedachtewisseling plaats over de energiesituatie in de EU in relatie tot de oorlog in Oekraïne. Dit kan volgens het kabinet niet los worden gezien van het recent gepubliceerde REPowerEU-plan, dat op aanvraag van de Europese regeringsleiders is gemaakt om afhankelijkheden van de Russische Federatie versneld af te bouwen. Het kabinet werkt momenteel aan een Kamerbrief (die medio juni wordt verstuurd), waarin het kabinet de inhoud van het REPowerEU-plan apprecieert. Hieronder volgt een korte omschrijving van de voorgenomen positie van het kabinet inzake dit voorstel. Over het krachtenveld binnen de EU is nog weinig bekend.

In het REPowerEU-plan stelt de Commissie tot doel de afhankelijkheid van Russische fossiele brandstoffen op korte termijn te verminderen, door de transitie naar schone energie te versnellen en de krachten te bundelen om een veerkrachtiger energiesysteem creëren. Het plan bestaat uit een overkoepelende mededeling (hierna: mededeling) waarin de Commissie het REPowerEU-plan uitwerkt langs vijf actielijnen, namelijk (1) energiebesparing; (2) diversificatie van invoer van energie; (3) vervanging van fossiele brandstoffen en versnelling van de transitie naar schone energie in Europa; (4) slimme investeringen; (5) versterking van de paraatheid.

Het kabinet deelt de urgentie die de Commissie hecht om versneld de afhankelijkheid van Russische fossiele brandstoffen af te bouwen. De oorlog in Oekraïne heeft aangetoond dat dit hoogstnoodzakelijk is, aangezien energieprijzen als pressiemiddel worden ingezet en de Russische Federatie energie-inkomsten gebruikt ter financiering van de oorlog. Daarbij passen verhoogde ambities voor de omvang en versnelling van de inzet van hernieuwbare energie en energiebesparing bij de ambities die dit kabinet stelt. Daarbij moet wel goed gekeken worden wat haalbaar is. Voorts kan het kabinet zich vinden in de benadering van de Commissie wat betreft diversificatie van energie-import, om in haar contacten met internationale partners te streven naar samenwerking die voor beide partijen voordelig is, lock-ins voorkomt en bijdraagt aan de energietransitie.

Het kabinet acht de aandacht voor risicoparaatheid inzake gas van groot belang en neemt hiervoor zelf reeds veel maatregelen. Zo heeft het kabinet een grootschalige energiebesparingscampagne uitgerold, is het kabinet reeds bezig om zowel het Preventative Action Plan Gas als het Bescherm en Herstelplan Gas bij te werken. Daarnaast is recent overeenstemming met betrekking tot de verordening over gasopslagen bereikt. Het kabinet is geïnteresseerd in de prioriteitscriteria en het gecoördineerde EU-vraagreductieplan, en wil hier graag meer informatie over ontvangen van de Commissie. Voor het kabinet is het uitgangspunt dat dergelijke plannen vrijwillig van aard moeten zijn, en er geen aanvullende bevoegdheidsoverdracht naar de Commissie plaatsvindt.

Met betrekking tot de financiering van de uitvoering van het plan is het kabinet gematigd positief over inzet van het RRF-raamwerk voor de uitvoering van REPowerEU-plan, omdat het gebruik van dit raamwerk het optuigen van een nieuwe structuur voorkomt en ambitie en monitoring borgt van de REPowerEU-doelstellingen. Daarbij is de verdeelsleutel van het RRF-raamwerk gericht op herstel van de economie na de coronapandemie en niet direct op de energietransitie. Ook is het kabinet positief over de oproep om ongebruikte RRF-leningen in te zetten ten behoeve van RePowerEU. Het kabinet is geen voorstander van het veilen van extra ETS-rechten om € 20 miljard te genereren voor de RRF. De noodzaak van dit aanvullende bedrag is niet aangetoond, en de omvang is bescheiden ten opzichte van de alternatieve bronnen die de Commissie voorstelt. Daarbij heeft het veilen van te annuleren emissierechten een negatief effect op de effectiviteit en betrouwbaarheid van het ETS en daarmee het klimaatbeleid.

Fit-for-55 pakket

Het Franse voorzitterschap heeft de afgelopen tijd veel vooruitgang weten te boeken op de Fit-for-55-dossiers die onder de Energieraad vallen. In aanloop naar de Raad zullen er nog discussies plaatsvinden, maar het voorzitterschap streeft ernaar om op de voorstellen RED en EED een algemene oriëntatie te bereiken. Over veel onderdelen van de richtlijnvoorstellen zijn de technische discussies afgerond, waarbij grotendeels overeenstemming is gevonden, maar er staan in beide dossiers nog politieke punten open die naar verwachting pas op de Raad beslecht zullen kunnen worden.

De overkoepelende inzet van het kabinet is – conform de inzet van het Frans voorzitterschap – om te sturen op een algemene oriëntatie met voldoende ambitie bij de Energieraad op beide dossiers. Hoe sneller er een Raadspositie ligt, hoe eerder de trilogen met het Europees Parlement en de Commissie van start kunnen gaan, en hoe eerder de wetgeving in werking kan treden. Dat is belangrijk, omdat implementatie van deze richtlijnen een belangrijke bijdrage zal leveren aan het behalen van klimaatdoelen en versterking van de energie-onafhankelijkheid van de EU. Vertraging van de onderhandelingen zou het moeilijker maken om deze doelen te behalen. Hierbij is het belangrijk dat de ambitie van de voorstellen als onderdeel van het Fit-for-55-pakket behouden blijft. Gezien de richting waar de compromissen op beide voorstellen heen gaan, lijkt dit haalbaar. Het kabinet is van mening dat een hoger aandeel hernieuwbare energie in de energiemix en meer energie-efficiëntie belangrijke bijdragen zullen leveren aan het behalen van het EU-doel voor ten minste 55% emissiereductie in 2030. Om die reden is de inzet van het kabinet gericht op spoedige afronding van de RED-onderhandelingen. Nederland maakt onderdeel uit van de kopgroep van EU-lidstaten die het ambitieniveau van het Commissievoorstel zo veel mogelijk wil behouden. Daar passen ook bindende subdoelen bij, omdat deze meer stimulans bieden voor het behalen van de doelen en op die manier meer bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelen en het verminderen van de afhankelijkheid van Russisch gas. Hierbij moet wel oog zijn voor de uitvoerbaarheid en voorspelbaarheid van de subdoelen.

U bent eerder geïnformeerd over de inzet op beide dossiers middels de verschillende BNC-fiches als ook de periodieke brieven over de stand van zaken van het Fit-for-55-pakket. Hieronder beschrijft het kabinet de laatste stand in de onderhandelingen en wordt de Nederlandse inzet geschetst met inachtneming van het krachtenveld.

Hernieuwbare energierichtlijn (RED)

Stand van zaken onderhandelingen en krachtenveld

Het Franse voorzitterschap heeft in de RED-onderhandelingen veel vooruitgang geboekt in de afgelopen maanden en streeft ernaar om tijdens de Energieraad tot een algemene oriëntatie te komen. Er is onder EU-lidstaten brede steun voor het algemene ambitieniveau en het voorgestelde overkoepelende doel van 40% hernieuwbare energie. Bij een grote groep lidstaten bestaan nog wel zorgen over de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van diverse bindende subdoelen. Deze groep lidstaten pleit voor meer flexibiliteit voor lidstaten en ook voor het formuleren van indicatieve doelen voor de diverse sectoren (met name voor industrie, transport, en de warmte/koude-sector). Daarnaast is er een groep lidstaten, waaronder ook Nederland, die zich inzet voor behoud van voldoende ambitie en daarom voorstander is voor het instellen van bindende subdoelen voor hernieuwbare energie. Volgens deze landen zou het volledig loslaten van bindende subdoelen het ambitieniveau te veel ondermijnen en zou dit in de huidige geopolitieke context niet de juiste weg voorwaarts zijn.

Wat betreft specifieke onderwerpen in het RED-voorstel is er in deze fase van de onderhandelingen met name nog discussie over de doelen voor de industrie (gebruik hernieuwbare waterstof), de transportsector, en de warmte/koude-sector. Het lijkt erop dat over de subdoelen voor deze sectoren een compromis bereikt zal worden, waarbij het ambitieniveau van het Commissievoorstel mogelijk enigszins naar beneden wordt bijgesteld. Op dit moment is nog niet duidelijk of het daarbij zal gaan om aanpassing van de aard van de subdoelen (indicatief versus bindend), van de hoogte ervan, of dat lidstaten op andere wijze meer flexibiliteit wordt geboden bij de invulling ervan. Tot slot zijn de meningen van EU-lidstaten over de voorstellen tot strengere duurzaamheidscriteria voor biogrondstoffen nog steeds sterk verdeeld. Een brede groep lidstaten is tegen de voorgestelde aanscherpingen van de duurzaamheidscriteria voor biogrondstoffen terwijl andere lidstaten, waaronder Nederland, juist voorstander zijn van nog verdere aanscherping van deze criteria dan door de Commissie is voorgesteld. Gezien het huidige EU-krachtenveld is er te weinig draagvlak voor significante verdere aanscherping van de criteria, zoals voorgesteld door de Commissie.

Inzet kabinet

Nederland heeft zich in de afgelopen periode, naast de hierboven toegelichte inzet op ambitieuze en bindende subdoelen, sterk ingezet voor aanpassingen in de formulering van een aantal subdoelen om deze beter uitvoerbaar en haalbaar te maken. Dit geldt bijvoorbeeld voor de voorgestelde bindende subdoelen voor het gebruik van hernieuwbare waterstof in de industrie en voor hernieuwbare energie in de warmte- en koudesector. Voor wat betreft het industriedoel heeft ook uw Kamer het kabinet opgeroepen om te pleiten voor meer flexibiliteit (motie van het lid Bontenbal, Kamerstuk 22 112, nr. 3375 van 12 april 2022). Daarbij kijkt het kabinet goed naar de specifieke gevolgen voor de Nederlandse industrie van het voorgestelde doel, bijvoorbeeld ten aanzien van waterstofproductie uit restgassen, zoals benoemd in het recente rapport van CE Delft, ook op verzoek van uw Kamer.

Daarnaast steunt het kabinet de voorgestelde doelen voor de gebouwde omgeving en voor de transportsector. Het transportdoel is uitgebreid naar een doelstelling voor CO2-reductie over alle brandstoffen en alle modaliteiten. Om te zorgen dat alle transportsectoren evenrediger bijdragen aan deze opgave blijft het kabinet ervoor pleiten dat de bijdragen van luchtvaart (ReFuel) en zeevaart (FuelEU) meer in lijn worden gebracht met het RED-transportdoel. Naar aanleiding van de toezegging aan lid Madlener1 wil ik daarnaast meegeven dat de analyses van de Commissie, net als het Duurzaamheidskader Biogrondstoffen, aantonen dat er voldoende grondstoffen zijn om het voorgestelde transportdoel in de RED te halen. Ook Europese grondstoffen kunnen significant bijdragen. Hierdoor kan import, en de kans op verdringing van grondstoffen die in derde landen ook benut kunnen worden, beperkt blijven. Alle energiedragers zijn nodig om de doelen te halen, maar vanuit efficiencyoogpunt wordt directe elektrificatie het meest beloond. Tot slot heeft het kabinet zich sterk ingezet voor versteviging van publiek toezicht op de inzet van biobrandstoffen. Dit is geland in de recente Implementing Regulation van de Commissie.2 Ik streef ernaar ook in dit voorstel hier nadruk op te leggen. De verbetering van toezicht, samen met de Uniedatabank voor transparantie, stelt ons in staat om de risico’s in de keten actief te monitoren conform uw Kamermotie (Kamerstuk 35 626, nr. 17).

Het kabinet staat positief tegenover de Commissievoorstellen tot verdere aanscherping van duurzaamheidscriteria voor biogrondstoffen in de RED en heeft al vanaf de start van de onderhandelingen sterk gepleit voor nog verdere aanscherping hiervan. Het kabinet heeft daartoe meerdere voorstellen gedaan gericht op strengere EU-regels voor het gebruik van houtige biomassa en een rapportageplicht voor de CO2-uitstoot van houtige biomassa – conform de motie van de leden Teunissen en Van Raan (Kamerstuk 32 813, nr. 784) – gericht op aanvulling met criteria van sociaaleconomische aard en gericht op verduidelijking van de toepassing van het cascaderingsbeginsel. Zoals al eerder gemeld aan uw Kamer zijn EU-lidstaten hierover sterk verdeeld en lijkt er te weinig draagvlak te zijn voor verdere aanscherping. Er is zelfs een significante groep lidstaten die pleit voor sterke afzwakking van de duurzaamheidscriteria voor biomassa waarbij zij het afbouwen van de afhankelijkheid van Russische energie als argument aanhaalt.

Energie-efficiëntierichtlijn (EED)

Stand van zaken onderhandelingen en krachtenveld

Het Franse voorzitterschap heeft vooruitgang geboekt de afgelopen maanden op de EED en hoopt tijdens de Energieraad tot een algemene oriëntatie te komen. Er is echter nog discussie over verschillende onderdelen van het voorstel. Een groep lidstaten (waaronder Nederland) pleit voor ambitieuze doelen conform het originele commissievoorstel, terwijl een andere groep lidstaten pleit voor meer flexibiliteit en ambitieverlaging. Volgens de groep ambitieuze lidstaten zou het volledig loslaten van (bindende) subdoelen het ambitieniveau te veel ondermijnen en dit in de huidige geopolitieke context niet de juiste weg voorwaarts zijn.

Met betrekking tot het hoofddoel (9% reductie van het energieverbruik in 2030 ten opzichte van prognoses uit het 2020 referentiescenario) gaat de discussie in deze fase van de onderhandelingen met name over de indicatieve nationale bijdrages. Het originele Commissievoorstel schrijft een vaste formule voor waarmee deze bijdrages vastgesteld worden, maar een groep lidstaten wil meer flexibiliteit in het vaststellen van hun nationale bijdrage. De groep landen waar Nederland zich in bevindt pleit voor het bindende gebruik van de formule, omdat hiermee de indicatieve nationale bijdrage op uniforme wijze bij de lidstaten wordt vastgesteld en de collectieve ambitie gewaarborgd blijft. Met deze aanpak wordt er nog steeds rekening gehouden met de relatieve capaciteit van de lidstaten.

Met betrekking tot de verschillende subdoelen gaan de discussies in deze fase van de onderhandelingen hoofdzakelijk over het nationaal bindende doel voor energiebesparing van 1,5% per jaar (artikel 8). De groep lidstaten die pleit voor flexibiliteit en ambitieverlaging, vindt de 1,5% te hoog en wil deze verlagen. De groep lidstaten waar Nederland zich in bevindt wil aan de 1,5% vasthouden, maar vraagt wel aandacht voor welke zaken mee mogen tellen voor deze verplichting. Daarnaast is er discussie over de renovatieverplichting voor gebouwen in eigendom van publieke instellingen (artikel 6). Hierbij gaat de discussie over de scope van de verplichting en de wijze waarop lidstaten invulling kunnen geven aan het doel. Ten slotte is er aandacht voor het doel voor warmte/koude (artikel 24). Hierbij is de definitie van efficiënte warmte/koude belangrijk.

Inzet kabinet

Het kabinet zet zich in voor het snel bereiken van een algemene oriëntatie op de EED in de Energieraad en pleit voor ambitieuze doelstellingen. Nederland bevindt zich hierbij in een «kopgroep» van ambitieuze lidstaten. Dat betekent dat het kabinet het originele Commissievoorstel met een bindend EU-doel en indicatieve nationale bijdrages voor 9% reductie van het energieverbruik in 2030 steunt. Daarnaast is het kabinet voorstander van de bindende toepassing van de formule in de EED om de nationale bijdrages van lidstaten vast te stellen die bijdragen aan het collectieve doel in artikel 4. Dit zorgt voor uniformiteit en waarborging van de ambitie. Daarnaast verlicht het de administratieve lasten, omdat de Commissie nationale bijdrages niet achteraf hoeft bij te stellen indien deze niet voldoende zijn voor het collectieve doel.

Het kabinet is voorstander van verschillende ambitieuze subdoelen, waaronder de 1,5% energiebesparingsverplichting (artikel 8). Wel wordt kritisch gekeken naar welke maatregelen mogen meetellen voor deze doelstelling. Daarnaast steunt het kabinet de voorbeeldrol voor de publieke sector op het gebied van energiebesparing en energetische renovaties van gebouwen. De renovatieverplichting (artikel 6) voor gebouwen in eigendom van publieke instellingen sluit goed aan bij de ambities van het kabinet. Hierbij is het van belang dat er wel voldoende flexibiliteit in maatregelkeuze is en woningen mogen worden uitgezonderd van de verplichting. Met betrekking tot publieke aanbestedingen (artikel 7) zet het kabinet in op goede uitvoering en stroomlijning met de andere aanbestedingsrichtlijnen. Het kabinet is daarnaast voorstander van de auditverplichting (artikel 11) en pleit daar voor een strengere implementatie van deze maatregelen. Ten slotte is het kabinet voorstander van het meer toepassen van efficiënte warmte/koude systemen, waarbij hernieuwbare energie een steeds belangrijkere rol dient te spelen (artikel 24). Het kabinet benadrukt hierbij wel het belang van restwarmte en pleit ervoor om efficiëntie ook in termen uit te drukken van CO2-uitstoot en niet uitsluitend aandeel hernieuwbare energie.

Methaanverordening

Het Franse voorzitterschap zal de Raad een update geven over de onderhandelingen omtrent het voorstel voor de methaanverordening. Op dit moment wordt dit voorstel in Raadsverband besproken op technisch niveau. Hier zijn nog geen grote vorderingen gemaakt en tijdens de Energieraad is geen discussie voorzien. Hoogstwaarschijnlijk zullen de onderhandelingen voortgezet worden onder het aankomend Tsjechisch voorzitterschap.

Inzet kabinet

Het BNC-fiche over de methaanverordening is u op 21 februari 2022 toegezonden (Kamerstuk 22 112, nr. 3273). Het kabinet steunt de doelstelling van de verordening en ondersteunt wetgeving die gericht is op het in kaart brengen en reduceren van methaanemissies in de energiesector. Het vastleggen van de standaardisering zal bijdragen aan een gelijk speelveld voor de sector binnen de EU, waar partijen die nog weinig hebben gedaan aan emissiereductie nu verplicht zijn om dit te verbeteren en te versnellen. Het kabinet steunt de verordening, mits de proportionaliteit en uitvoerbaarheid van de verordening worden verbeterd zoals nader toegelicht in het voorgenoemde BNC-fiche.

Krachtenveld

Er is nog geen duidelijk beeld van het krachtenveld omdat lidstaten zich nog beraden op hun positie over deze nieuwe verordening. De EU, en het merendeel van haar lidstaten, heeft de Global Methane Pledge ondertekend tijdens de klimaattop van de Verenigde Naties in Glasgow najaar 2021. Op basis daarvan is de inschatting dat het merendeel van de lidstaten achter de doelstelling van de verordening zal staan.

Richtlijn energieprestatie gebouwen (EPBD) – BZK

Het Franse voorzitterschap zal de Raad een update geven over de onderhandelingen omtrent het voorstel voor de richtlijn energieprestatie gebouwen (EPBD). Op dit moment wordt dit voorstel in Raadsverband besproken op technisch niveau. Lidstaten hebben hun standpunten kenbaar gemaakt en de eerste alternatieve tekstvoorstellen zijn ingediend bij het voorzitterschap. Tijdens de Energieraad is geen discussie voorzien. Hoogstwaarschijnlijk zullen de onderhandelingen voortgezet worden onder het aankomend Tsjechisch voorzitterschap.

Inzet kabinet

Zoals beschreven in de laatste Kamerbrief over de stand van zaken Fit-for-55-pakket (Kamerstuk 22 112, nr. 3409), is de Nederlandse inbreng voor de EPBD gericht op het behouden van het ambitieniveau en het creëren van meer flexibiliteit voor lidstaten om zelf te kunnen bepalen hoe ze de hogere doelstellingen in de gebouwde omgeving gaan behalen. Dit is conform de lijn van het betreffende BNC-fiche dat u op 21 januari jl. heeft ontvangen (Kamerstuk 36 012, nr. 2). Waar mogelijk zal hiertoe samen met andere lidstaten worden opgetrokken.

Krachtenveld

Er zijn meerdere lidstaten die in deze fase nog een behandelvoorbehoud plaatsen en nog bezig zijn met de ontwikkeling van definitieve standpunten. Het krachtenveld binnen de EU is nog in beweging, maar wordt op een aantal onderdelen duidelijker. De verbreding van de reikwijdte van de EPBD naar broeikasgas-emissiereductie wordt gesteund door de meeste lidstaten. Over de subsidiariteit van het algemene voorstel is relatief weinig commentaar. Meer kritiek is er over de proportionaliteit van de voorstellen. Enkele lidstaten pleiten net als Nederland voor voldoende flexibiliteit om zelf te kunnen bepalen hoe ze op lidstaatniveau de hogere doelstellingen in de gebouwde omgeving gaan behalen.

Specifiek ten aanzien van de juridische basis voor het uitfaseren van fossiele brandstofinstallaties en het voorgestelde subsidieverbod hierop zijn de meningen verdeeld. Een aantal lidstaten, waaronder Nederland, omarmt het Commissievoorstel op dit punt en ziet graag een eerdere ingangsdatum ten aanzien van het subsidieverbod. De Commissie roept lidstaten op om te onderzoeken of meer ambitie op dit onderdeel mogelijk is, gelet op de gewijzigde geopolitieke situatie en de wens om niet afhankelijk te zijn van fossiele brandstoffen uit Rusland. Ten slotte uiten vrijwel alle lidstaten zorgen over de benodigde mensen, middelen en materialen om het voorstel als zodanig te kunnen uitvoeren. Ook Nederland ziet dit als een uitdaging.

Diversenpunten

Naast bovengenoemde onderwerpen, staan er een aantal diversenpunten op de agenda van de Energieraad. De Europese Commissie zal de Raad informeren over ontwikkelingen op het terrein van externe energiebetrekkingen. Daarnaast zal de Tsjechische delegatie de Energieraad informeren over het werkprogramma voor haar aankomend voorzitterschap.

Tot slot zal het Franse voorzitterschap een toelichting geven op het bereikte akkoord voor de gasopslagverordening. Tussen de Raad, het Europees Parlement en de Commissie is inmiddels een akkoord bereikt over de tekst van de verordening. Dit akkoord zal de komende weken worden bekrachtigd door alle partijen waarna bekendmaking via het Publicatieblad van de Unie zal plaatsvinden. De dag daarna treedt de verordening inwerking. De verwachting is dat dit voor eind juni zal plaatsvinden.

Volgens het akkoord dienen lidstaten ervoor te zorgen dat de capaciteit van alle op hun grondgebied aanwezige opslagen, inclusief de capaciteit van de opslagen die direct met hun netwerk zijn verbonden, per 1 november 2022 voor 80% en in latere jaren voor 90% is gevuld. Daarbij geldt dat lidstaten met opslagcapaciteit deze «slechts» hoeven te vullen tot 35% van hun gemiddelde gasverbruik over de afgelopen vijf jaar. Daarnaast mogen lidstaten met opslagcapaciteit waar vanuit gas wordt geleverd aan derde landen de te vullen capaciteit verminderen met de hoeveelheid gas die in de afgelopen vijf jaar in de periode oktober t/m april gemiddeld is geleverd aan die derde landen, mits dit meer was dan gemiddeld 15 TWh. In de kabinetsreactie op de schriftelijke Kamervragen omtrent deze verordening wordt nader ingegaan op de inhoud van het bereikte akkoord.

Het kabinet is akkoord gegaan met deze verordening mede omdat deze invulling geeft aan het voornemen uit het Coalitieakkoord om te komen tot verplichte vulpercentages voor de gasvoorraden. Verder ondersteunt de verordening de solidariteit tussen lidstaten in crisistijd, maar ook daarna om zo bestendiger te zijn tegen eventuele leveringsschokken. Het kabinet vond een proportionele verdeling van kosten tussen landen met en landen zonder gasopslagen van belang bij de onderhandelingen en was in eerste instantie niet overtuigd dat dit geborgd zou worden. Echter, met de mogelijkheid om de voor Nederland geldende vulverplichting te kunnen inperken met de hoeveelheid gas die in de afgelopen vijf jaar in de periode oktober t/m april gemiddeld is geleverd aan derde landen, blijven de kosten beheersbaar en dit resulteert in een positief oordeel.

Naar boven