Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201921501-33 nr. 769

21 501-33 Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie

Nr. 769 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 juli 2019

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brieven van 25 juni 2019 over de geannoteerde agenda Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid (WSBVC) van 8 juli 2019 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 533) en over het verslag van Raad WSBVC, onderdeel Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 13 juni 2019 (Kamerstuk 21 501-31, nr. 534),en over de brieven van 11 juni 2019 over antwoorden op vragen commissie over o.a. de geannoteerde agenda Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 13 juni 2019 ((Kamerstuk 21 501-31, nr. 532) en over antwoorden op vragen commissie over de toekomst van de sociale dimensie van de EU (Kamerstuk 21 501-31, nr. 531).

De vragen en opmerkingen zijn op 26 juni 2019 aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 2 juli 2019 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Rog

De adjunct-griffier van de commissie, Kraaijenoord

Inhoudsopgave

blz.

     

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

2

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

3

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

4

     

II

Antwoord/Reactie van de Minister

5

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de onderhavige stukken. Zij hebben daarover de volgende vragen en opmerkingen.

Geannoteerde agenda Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid (WSBVC) van 8 jul 2019

De leden van de VVD-fractie hebben de geannoteerde agenda met interesse waargenomen. Zij lezen dat de Europese Commissie (hierna Commissie) aanbeveelt om de prikkels voor zelfstandigen zonder personeel (zzp) te verminderen. Is de Minister van mening dat met het regeerakkoord deze aanbeveling wordt ingevuld? Hoe bekijkt de Minister in dat licht de conclusie die hij trekt over de zogenaamde Arbeidsovereenkomst bij laag tarief (ALT), de omzetting van een opdracht in een arbeidsovereenkomst beneden de 15–18 euro per uur, dat deze in strijd is met Europees recht? De leden van de VVD-fractie trekken de conclusie dat de politieke ambitie van de Commissie, van waaruit de aanbevelingen komen, dezelfde is als Nederland maar dat de invulling ervan door Nederland op strijdigheid met Europese regels duidt. Is de Minister het met de leden van de VVD-fractie eens dat dit de aanbevelingen van Europa op dit punt eigenlijk relativeert?

De leden van de VVD-fractie lezen dat de aanbeveling voor zzp in 2018 bestond uit «de prikkels om gebruik te maken van tijdelijke contracten en zelfstandigen zonder personeel verminderen» en dat de aanbeveling nu luidt «de prikkels voor zelfstandigen zonder personeel verminderen». Is dit het effect van de Wet Arbeidsmarkt in Balans? Hoe beoordeelt de Commissie de huidige plannen van Nederland ten aanzien van zzp’ers?

Kan de Minister de Nederlandse aanpak rond de werkgelegenheidseffecten van de energietransitie verder toelichten aan de hand van de concrete plannen die er nu liggen en welke hij voornemens is in te brengen tijdens het debat in de Raad?

Antwoorden op vragen commissie over o.a. de geannoteerde agenda Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 13 juni 2019

De leden van de VVD-fractie hebben de antwoorden op de vragen over de geannoteerde agenda van de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 13 juni 2019 met interesse waargenomen. In de beantwoording heeft de Minister zich uitgelaten over de coördinatieverordening 883. De Minister schrijft zich te blijven inzetten om de afspraken over het werkloosheidshoofdstuk dichterbij de Nederlandse inzet te brengen. Kan de Minister zijn volgende stappen toelichten die hij zal nemen wanneer het nieuwe Europees parlement (EP) is geïnstalleerd? Welke stappen heeft hij tot nu toe gezet met bijvoorbeeld de nieuwe Nederlandse EP-leden en de huidige Commissie? Kan de Minister een overzicht geven van de acties die hij heeft ondernomen?

De leden van de VVD-fractie lezen in de beantwoording dat de huidige Commissie heeft aangegeven in de haar resterende termijn te trachten om met de lidstaten en het nieuwe EP alsnog tot een akkoord te komen. Kan de Minister toelichten welk voorstel er nu voorligt? Ook schrijft de Minister het besluit van de Commissie te betreuren. Kan hij dit toelichten? Zijn er meer lidstaten die dit standpunt delen?

De leden van de VVD-fractie betreuren het om te lezen dat het besluit om verder te gaan met het herzieningsvoorstel bij de nieuwe Commissie ligt als er geen akkoord komt. Wat is de stand van zaken van dit voorstel? Kan de Minister de verhoudingen en verwachtingen toelichten? Deze leden lezen dat de nieuwe Commissie het herzieningsvoorstel kan aanpassen of er zelfs volledig van kan afzien als er geen akkoord komt. Kan de Minister toelichten of er een nieuw herzieningsvoorstel ligt? Is er zicht op welke aanpassingen de nieuwe Commissie zou willen doorvoeren? Wat zouden mogelijke wijzigingen betekenen voor het standpunt van Nederland? Ook lezen de leden van de VVD-fractie helaas dat de meerderheid van de lidstaten geen voorstander is van de door Nederland gewenste aanpassingen in het werkloosheidshoofdstuk. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat wanneer er een nieuw herzieningsvoorstel komt, de Nederlandse inzet gerealiseerd kan worden?

De leden van de VVD-fractie zijn blij om te lezen dat de Minister zich actief zal blijven inzetten om de Nederlandse inzet te realiseren. Zij lezen echter ook dat de Minister van mening is dat er meer tijd zou moeten worden genomen om aan fundamentele bezwaren tegemoet te komen. Over hoeveel tijd spreekt de Minister? Hoe groot acht de Minister de kans dat de Commissie aan deze bezwaren tegemoet komt? Heeft Nederland hiervoor steun bij andere lidstaten?

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse gelezen dat de Minister in gesprek is met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) over het bijhouden van beleidsinformatie op een geaggregeerd niveau. Wat is de stand van zaken van deze gesprekken?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de onderhavige stukken. Zij hebben daarover de volgende vragen en opmerkingen.

Geannoteerde Agenda Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid (WSBVC) van 8 juli 2019

De leden van de CDA-fractie lezen dat het discussiedocument ten behoeve van het agendapunt de economie van welzijn ten tijde van het opstellen van deze geannoteerde agenda nog niet is gepubliceerd. Wanneer kan de Kamer hier alsnog kennis van nemen? De «economy of wellbeing» is een breed concept. Is bekend welke concrete onderwerpen en/of maatregelen op het gebied van sociale zaken, werkgelegenheid, gendergelijkheid, gezondheid en onderwijs zullen worden besproken? Hebben lidstaten daar nog invloed op? Wat is de Nederlandse inzet?

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister de conceptaanbevelingen op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) één-op-één overneemt of dat hij nog voornemens is om wijzigingen aan te brengen ten behoeve van de definitieve vaststelling. De conceptaanbeveling ten aanzien van zzp’ers is vergelijkbaar met die van voorgaande jaren (2017 en 2018). Hoe duidt de Minister dit? Welke lidstaten van de Europese Unie (EU) hebben te maken met vergelijkbare vraagstukken rondom zzp’ers? Waar lopen die lidstaten tegenaan?

Ten aanzien van het werken als zelfstandige begrijpen de leden van de CDA-fractie dat omzetting naar een arbeidscontract onder een bepaald uurtarief Europeesrechtelijk niet kan. Klopt dit en kan de Minister uitleggen op grond van welke Europese wet- en regelgeving dit niet mogelijk is? Ziet de Minister aanleiding dit in EU-verband aan de orde te stellen?

De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd naar de opvolging van de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester. Hierover wisselen zij graag met de Minister van gedachten op het moment dat de aangekondigde maatregelen in de Kamer worden besproken.

De leden van de CDA-fractie lezen dat het discussiedocument ten behoeve van het agendapunt Schone planeet voor iedereen: strategische langetermijnvisie voor een klimaatneutrale economie – werkgelegenheidsaspecten ten tijde van het opstellen van deze geannoteerde agenda nog niet is gepubliceerd. Wanneer kan de Kamer hier alsnog kennis van nemen? Hoe ziet het tijdspad ten aanzien van de inrichting van de Voorziening werkgelegenheidseffecten energietransitie eruit? Deze leden lezen over de rol van de Europese Investeringsbank (EIB) bij het financieren van klimaatprojecten en het mobiliseren van private geldstromen. Heeft de nieuwe financieringsinstelling Invest-NL hierbij ook een rol?

Verslag van Raad WSBVC, onderdeel Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, van 13 juni 2019

De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland heeft voorgesteld om voor de besprekingen van het Europees Semester te kiezen voor een thematische aanpak. Hoezeer werd deze opvatting door andere lidstaten gedeeld?

Al sinds 2008 spreekt de EU over het richtlijnvoorstel gelijke behandeling buiten arbeid. Kern is gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of levensovertuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid buiten het terrein van de arbeid. Van dit richtlijnvoorstel is bekend dat twee grote EU-lidstaten er niet mee kunnen instemmen en het daarom geblokkeerd blijft (omdat de voor de besluitvorming benodigde unanimiteit ontbreekt). Welke lidstaten zijn dit en wat zijn hun beweegredenen om niet met het voorstel in te stemmen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie danken de Minister voor de geannoteerde agenda voor de WSB Raad van 8 juli en hebben daarover nog enkele vragen.

Geannoteerde Agenda Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid (WSBVC) van 8 juli 2019

De leden van de D66-fractie kijken met interesse naar het thema «the economy of wellbeing» dat het Finse Voorzitterschap wil agenderen. De Monitor Brede Welvaart kan hier een interessant instrument zijn. De leden van de D66-fractie vragen of de Minister ook het onderwerp kwaliteit van werk zou willen aankaarten. Op het gebied van arbeidsmarkt staan er een paar duidelijke indicatoren in de Monitor Brede Welvaart: netto arbeidsparticipatie, gewerkte uren, en tevredenheid met werk. Het zou interessant kunnen zijn om te kijken hoe andere landen sturen op de kwaliteit van werk of hoe zij dat monitoren. Finland heeft zelf bijvoorbeeld in 2012 als beleidsdoel geformuleerd dat het land in 2020 de beste arbeidsplaatsen van Europa moet hebben.

De leden van de D66-fractie zijn daarnaast zeer geïnteresseerd in het agendapunt over een strategische langetermijnvisie voor de werkgelegenheidsaspecten van een klimaatneutrale economie. Deze leden vragen of de Minister naar aanleiding van de bespreking in de Raad een overzicht kan geven van welke maatregelen andere landen nemen om de negatieve werkgelegenheidseffecten van de overgang naar een koolstofarme economie te beperken.

II Antwoord/Reactie van de Minister

VVD

Zzp

Vraag 1, 2

De leden van de VVD-fractie hebben de geannoteerde agenda met interesse waargenomen. Zij lezen dat de Europese Commissie (hierna Commissie) aanbeveelt om de prikkels voor zelfstandigen zonder personeel (zzp) te verminderen. Is de Minister van mening dat met het regeerakkoord deze aanbeveling wordt ingevuld? Hoe bekijkt de Minister in dat licht de conclusie die hij trekt over de zogenaamde Arbeidsovereenkomst bij laag tarief (ALT), de omzetting van een opdracht in een arbeidsovereenkomst beneden de 15–18 euro per uur, dat deze in strijd is met Europees recht?

De leden van de VVD-fractie trekken de conclusie dat de politieke ambitie van de Commissie, van waaruit de aanbevelingen komen, dezelfde is als Nederland maar dat de invulling ervan door Nederland op strijdigheid met Europese regels duidt. Is de Minister het met de leden van de VVD-fractie eens dat dit de aanbevelingen van Europa op dit punt eigenlijk relativeert?

Antwoord op vragen 1 en 2:

Het kabinet wil volop ruimte geven aan echte ondernemers. De groep zzp’ers is echter zeer divers. Het zzp-schap is bijvoorbeeld niet voor iedereen een vrije keuze. Ook vindt het kabinet het van belang dat zzp’ers om de juiste redenen kiezen voor het ondernemerschap, en er niet eigenlijk sprake is van een arbeidsovereenkomst. Door kostenvoordelen is het voor opdrachtgevers én voor de zzp’ers zelf aantrekkelijk om gebruik te maken van deze contractvorm, terwijl de aard van het werk en de kwaliteiten van de zzp’er het uitgangspunt zouden moeten zijn. Het voorgestelde minimumtarief draagt eraan bij dat om de juiste redenen wordt gekozen voor de inhuur van zelfstandigen. Door aftrekposten, waaronder de zelfstandigenaftrek, vanaf 2020 in vier jaarlijkse stappen van 3%-punt te verlagen naar het basistarief wordt ook bijgedragen aan het verminderen van de keuze voor zzp-schap enkel vanwege kostenvoordelen.

Daarnaast is afgesproken dat er een wettelijke verzekeringsplicht komt voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. Het doel van deze verzekeringsplicht is om naast de bestaande werknemersverzekering ook andere werkenden te beschermen tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid en te borgen dat iedereen zich kan verzekeren. Dit past in het bredere streven van het kabinet om toe te werken naar een situatie waarin niet instituties en kosten bepalend zijn voor de vorm waarin arbeid wordt aangeboden, maar de aard van het werk dat gedaan moet worden en de behoeften/wensen van werkgevers en werkenden. Met een verplichte verzekering wordt ook afwenteling van kosten en risico’s op de samenleving verminderd.

Bij de uitwerking van de plannen rond zzp’ers is gebleken dat de oorspronkelijk gekozen opzet van een omzetting van de overeenkomst van opdracht naar een arbeidsovereenkomst spanning oplevert met de Europese regels rond de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting. Die strijdigheid betreft echter de vormgeving van de maatregel (het ingrijpende karakter van de ALT), niet de achterliggende bedoeling daarvan. In Europa is men voorstander van het bieden van sociale bescherming van zelfstandigen, en het is dan ook niet alleen mogelijk, maar ook zeer gebruikelijk dat lidstaten daartoe maatregelen treffen. Die maatregelen mogen buitenlandse ondernemers echter niet onevenredig beperken bij het aanbieden van hun diensten. Het kabinet is van mening dat met de keuze voor een juridisch minder ingrijpend minimumtarief een vorm van bescherming is gekozen die niet alleen recht doet aan het regeerakkoord, maar naar verwachting ook past binnen het Europeesrechtelijk kader. Omtrent het primaire doel van deze maatregel, het beperken van het risico op armoede, waar ook de aanbeveling op ziet, bestaat tussen Europa en het kabinet zeker geen verschil van mening.

Wet arbeidsmarkt in balans

Vraag 3

De leden van de VVD-fractie lezen dat de aanbeveling voor zzp in 2018 bestond uit «de prikkels om gebruik te maken van tijdelijke contracten en zelfstandigen zonder personeel verminderen» en dat de aanbeveling nu luidt «de prikkels voor zelfstandigen zonder personeel verminderen». Is dit het effect van de Wet Arbeidsmarkt in Balans? Hoe beoordeelt de Commissie de huidige plannen van Nederland ten aanzien van zzp’ers?

Antwoord:

In het Nationaal Hervormingsprogramma 20191 heeft het kabinet aangegeven welke maatregelen op de arbeidsmarkt worden genomen om de verschillen tussen flex en vast te verkleinen en welke maatregelen worden uitgewerkt op het gebied van zzp. De Europese Commissie erkent dat de Wet arbeidsmarkt in balans een concrete stap is in een breder proces van arbeidsmarkthervormingen; ook de instelling van de Commissie Regulering heeft de aandacht van de Commissie. Deze vorderingen van Nederland heeft de Commissie meegenomen bij het opstellen van de aanbevelingen voor 2020. De Commissie is van mening dat er belangrijke arbeidsmarktuitdagingen liggen rond de positie van zzp’ers. De Commissie is op de hoogte van de inhoud van de Kamerbrief Voortgang uitwerking maatregelen «werken als zelfstandige» van 24 juni jl.2 Deze maatregelen konden echter niet meer worden meegewogen bij de landspecifieke aanbevelingen van dit jaar, die ruim voor het verschijnen van die brief, zijn voorbereid.

Energietransitie

Vraag 4

Kan de Minister de Nederlandse aanpak rond de werkgelegenheidseffecten van de energietransitie verder toelichten aan de hand van de concrete plannen die er nu liggen en welke hij voornemens is in te brengen tijdens het debat in de Raad?

Antwoord:

De energietransitie levert veel kansen op, maar kan ook leiden tot banenverlies in de fossiele sectoren. In het Klimaatakkoord wordt daarom uitgebreid aandacht besteed aan het thema arbeidsmarkt en scholing in relatie tot de energietransitie. Ik verwijs dan ook naar het Klimaatakkoord voor een uitputtend overzicht van alle concrete plannen die door de betrokken partijen op dit gebied worden uitgewerkt.

Op de korte termijn heeft het kabinet oog voor de werkgelegenheidseffecten van de sluiting van de Hemwegcentrale (Kamerstuk 35 167, nr. 7). In dat kader heeft op 5 juni jl. een overleg plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW, het UWV, de FNV en de VNO-NCW over het zogenaamde Westhavenarrangement. Vanuit dit arrangement zal worden bezien welke maatregelen nodig zijn om het risico op werkloosheid als gevolg van de sluiting van de Hemwegcentrale te mitigeren. Concreet is afgesproken dat een unit wordt opgericht van UWV en FNV die gaat werken aan de vormgeving van een dienstverleningspakket. Ook de werkgevers worden hier nauw bij betrokken.

Daarnaast neemt het kabinet zelf het initiatief door een Voorziening werkgelegenheidseffecten energietransitie in te richten, gericht op van-werk-naar-werk begeleiding en om- en bijscholing. Het kabinet heeft hiervoor tot en met 2030 € 22 miljoen gereserveerd, waarvan € 11 miljoen tot en met 2024. De voorziening wordt de komende tijd nader vormgegeven. Dat gebeurt in overleg met de sociale partners en met inachtneming van de lessen die worden geleerd bij de uitwerking van het Westhavenarrangement.

Coördinatieverordening sociale zekerheid

Vraag 5

De leden van de VVD-fractie hebben de antwoorden op de vragen over de geannoteerde agenda van de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 13 juni 2019 met interesse waargenomen. In de beantwoording heeft de Minister zich uitgelaten over de coördinatieverordening 883. De Minister schrijft zich te blijven inzetten om de afspraken over het werkloosheidshoofdstuk dichterbij de Nederlandse inzet te brengen. Kan de Minister zijn volgende stappen toelichten die hij zal nemen wanneer het nieuwe Europees parlement (EP) is geïnstalleerd? Welke stappen heeft hij tot nu toe gezet met bijvoorbeeld de nieuwe Nederlandse EP-leden en de huidige Commissie? Kan de Minister een overzicht geven van de acties die hij heeft ondernomen?

Antwoord:

Wanneer het nieuwe EP is geïnstalleerd en duidelijk is welke EP-leden zitting hebben in het EMPL-comité, wordt contact met de Nederlandse EP-leden in dit comité opgenomen om de Nederlandse positie en inzet nader toe te lichten en het belang daarvan te verduidelijken. Ook nu is sprake van contacten met het EP om een eerste beeld te krijgen van de mogelijke posities die de verschillende fracties binnen het EP zullen innemen ten aanzien van de herziening van de coördinatieverordening 883/2004. Richting de huidige Commissie is aangegeven dat er meer tijd genomen moet worden om aan fundamentele bezwaren, die bij een groot aantal lidstaten leven, tegemoet te komen. Ten slotte blijft Nederland samenwerken met gelijkgestemde landen om de Nederlandse inzet te kunnen realiseren.

Vraag 6

De leden van de VVD-fractie lezen in de beantwoording dat de huidige Commissie heeft aangegeven in de haar resterende termijn te trachten om met de lidstaten en het nieuwe EP alsnog tot een akkoord te komen. Kan de Minister toelichten welk voorstel er nu voorligt? Ook schrijft de Minister het besluit van de Commissie te betreuren. Kan hij dit toelichten? Zijn er meer lidstaten die dit standpunt delen?

Antwoord:

Op dit moment is er geen nieuw voorstel van de huidige Commissie. De instelling die nu eerst aan zet is, is het nieuwe EP. Het nieuwe EP zal moeten besluiten hoe het verder wil gaan met de onderhandelingen over de herziening. Het nieuwe EP heeft daarbij de keuze om het rapport van rapporteur Balas naast zich neer te leggen en onder leiding van een nieuwe rapporteur een nieuwe positie te bepalen ten aanzien van het herzieningsvoorstel van de Commissie. Mijn verwachting is dat de huidige Commissie, vanwege de beperkte tijd die rest tot het einde van haar termijn, het voorlopig akkoord van 19 maart jl. als basis zal nemen voor gesprekken met EP’ers en lidstaten en daarop beperkte aanpassingen zal voorstellen. Een aantal van de gelijkgezinde lidstaten betreurt, eveneens het besluit van de huidige Commissie om nog tijdens de resterende termijn een akkoord te willen afsluiten.

Vraag 7

De leden van de VVD-fractie betreuren het om te lezen dat het besluit om verder te gaan met het herzieningsvoorstel bij de nieuwe Commissie ligt als er geen akkoord komt. Wat is de stand van zaken van dit voorstel? Kan de Minister de verhoudingen en verwachtingen toelichten? Deze leden lezen dat de nieuwe Commissie het herzieningsvoorstel kan aanpassen of er zelfs volledig van kan afzien als er geen akkoord komt. Kan de Minister toelichten of er een nieuw herzieningsvoorstel ligt? Is er zicht op welke aanpassingen de nieuwe Commissie zou willen doorvoeren? Wat zouden mogelijke wijzigingen betekenen voor het standpunt van Nederland?

Antwoord:

Er zijn drie instellingen betrokken bij de herziening van de coördinatieverordening: De Raad, het EP en de Commissie. De huidige Commissie heeft de eerste stap gezet met de publicatie van het voorstel tot herziening van de verordening. Vervolgens heeft de Raad via de algemene oriëntatie zijn voorlopige standpunt kenbaar gemaakt. Het EP heeft zijn standpunt nog niet bepaald. Het herzieningsvoorstel verkeert daarom nog steeds in de fase voorafgaand aan een akkoord in eerste lezing. Er is op dit moment geen nieuw voorstel van de Commissie en er is geen zicht op eventuele aanpassingen die de nieuwe Commissie zou willen doorvoeren. De meest gebruikelijke aanpak is overigens dat een nieuwe Commissie verder gaat met het oorspronkelijke voorstel van de oude Commissie.

Vraag 8

Ook lezen de leden van de VVD-fractie helaas dat de meerderheid van de lidstaten geen voorstander is van de door Nederland gewenste aanpassingen in het werkloosheidshoofdstuk. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat wanneer er een nieuw herzieningsvoorstel komt, de Nederlandse inzet gerealiseerd kan worden?

Antwoord:

Ik blijf in gesprek met andere lidstaten, de Commissie en EP-leden om hen van onze bezwaren met betrekking tot het werkloosheidshoofdstuk te doordringen en de Nederlandse voorkeuren te bepleiten. Mocht de nieuwe Commissie een aangepast herzieningsvoorstel indienen, dan zal ik dat op zijn merites beoordelen.

Vraag 9

De leden van de VVD-fractie zijn blij om te lezen dat de Minister zich actief zal blijven inzetten om de Nederlandse inzet te realiseren. Zij lezen echter ook dat de Minister van mening is dat er meer tijd zou moeten worden genomen om aan fundamentele bezwaren tegemoet te komen. Over hoeveel tijd spreekt de Minister? Hoe groot acht de Minister de kans dat de Commissie aan deze bezwaren tegemoet komt? Heeft Nederland hiervoor steun bij andere lidstaten?

Antwoord:

Ik acht de kans klein dat de korte periode die nu nog resteert tot het einde van de zittingstermijn van de huidige Commissie (31 oktober a.s.), voldoende is om een oplossing voor de fundamentele problemen te vinden die Nederland en andere gelijkgestemde landen hebben met het werkloosheidshoofdstuk. Ik kan geen uitspraak doen over de hoeveelheid tijd die daarvoor in totaal nodig is en over de vraag of een nieuwe Commissie bereid zal zijn om aan de bezwaren tegemoet te komen.

Cijfers UWV/Polen

Vraag 10

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse gelezen dat de Minister in gesprek is met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) over het bijhouden van beleidsinformatie op een geaggregeerd niveau. Wat is de stand van zaken van deze gesprekken?

Antwoord:

Om op effectieve wijze het gesprek te voeren met andere lidstaten over werkhervatting en handhaving van geëxporteerde uitkeringen en om in te kunnen spelen op praktijksignalen (bijvoorbeeld over misbruik) is het van belang om te beschikken over beleidsinformatie over de toepassing van de Europese regelingen op het terrein van sociale zekerheid. Tegelijkertijd is het van belang om bij het verzamelen van beleidsinformatie de baten af te wegen tegen de kosten en lasten voor de uitvoering. Op dit moment wordt in kaart gebracht welke gegevens relevant zijn om op geaggregeerd niveau bij te houden. Vervolgens inventariseer ik samen met het UWV wat dit betekent voor de uitvoering. In mijn brief van 2 april 2019 (Kamerstuk 21 501–20, nr. 1430) heb ik aangegeven dat het UWV een pilot uitvoert gericht op werkloze werknemers die gebruik willen maken van de mogelijkheid om de WW te exporteren. Om de effectiviteit van de pilot te kunnen beoordelen en om meer zicht te krijgen op de groep uitkeringsgerechtigden die de WW exporteert worden in deze pilot een aantal extra gegevens bijgehouden. Bij de besluitvorming over de bij te houden beleidsinformatie wil ik ook de uitkomsten van de pilot betrekken. De pilot loopt naar verwachting tot december.

CDA

Economy of well-being

Vraag 11

De leden van de CDA-fractie lezen dat het discussiedocument ten behoeve van het agendapunt de economie van welzijn ten tijde van het opstellen van deze geannoteerde agenda nog niet is gepubliceerd. Wanneer kan de Kamer hier alsnog kennis van nemen? De «economy of wellbeing» is een breed concept. Is bekend welke concrete onderwerpen en/of maatregelen op het gebied van sociale zaken, werkgelegenheid, gendergelijkheid, gezondheid en onderwijs zullen worden besproken? Hebben lidstaten daar nog invloed op? Wat is de Nederlandse inzet?

Antwoord:

Inmiddels heeft het Fins voorzitterschap een discussiedocument onder de lidstaten verspreid. Dit discussiedocument is algemeen van aard en gaat niet op concrete onderwerpen en/of maatregelen in. Onder andere wordt genoemd dat de bevordering van het welzijn en de preventie van ziekten en sociale uitsluiting van groot belang zijn vanuit het oogpunt van de mens, maar ook als het gaat om het verminderen van toekomstige overheidsuitgaven, het verhogen van de productiviteit en het verlengen van het beroepsleven. Hoewel het menselijk welzijn een waarde op zichzelf is, is het ook van vitaal belang voor de economie. In het discussiedocument staan een aantal vragen voor het debat tijdens de Raad. Zo wordt gevraagd welke opvattingen de lidstaten hebben over het versterken van de economie van welzijn als richtsnoer voor beleid en besluitvorming; op welke manier het beleid en de besluitvorming van de EU kunnen worden ontwikkeld om het verband tussen economisch beleid en welzijnsbeleid te versterken; en wat de eerste stappen kunnen zijn om de principes van de economie van welzijn in de hele EU als lange termijn doelstelling te versterken.

Nederland zal tijdens het beleidsdebat in de Raad aangeven dat het welzijn van mensen belangrijk is voor economische groei en sociale en economische stabiliteit. Nederland zal in dat kader de Monitor Brede Welvaart & Sustainable Development Goals (SDG)3 noemen. Ten slotte zal Nederland aangeven voldoende ruimte te zien om in reeds bestaande instrumenten/strategieën het welzijnsaspect mee te nemen. Hierbij kan gedacht worden aan de Europese Pijler van Sociale Rechten, de Europese SDG strategie en de (mogelijke) opvolger van de EU-2020 strategie.

Europees Semester aanbeveling/zzp

Vraag 12

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister de conceptaanbevelingen op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) één-op-één overneemt of dat hij nog voornemens is om wijzigingen aan te brengen ten behoeve van de definitieve vaststelling. De conceptaanbeveling ten aanzien van zzp’ers is vergelijkbaar met die van voorgaande jaren (2017 en 2018). Hoe duidt de Minister dit? Welke lidstaten van de Europese Unie (EU) hebben te maken met vergelijkbare vraagstukken rondom zzp’ers? Waar lopen die lidstaten tegenaan?

Antwoord:

Ik neem de conceptaanbevelingen op het terrein van SZW één-op-één over en ben niet voornemens wijzigingen aan te brengen ten behoeve van de definitieve vaststelling. Het klopt dat de conceptaanbeveling ten aanzien van zzp’ers vergelijkbaar is met die van voorgaande jaren. Het betreft hier een complex vraagstuk en hervormingen kosten tijd. Op 24 juni heeft uw Kamer een voortgangsbrief ontvangen over de uitwerking maatregelen «werken als zelfstandige».4

In algemene zin kan gesteld worden dat de armoederisico’s in veel Europese lidstaten hoger zijn onder zzp’ers. Het kwalificatievraagstuk is eveneens in meer landen een issue. Daarbij is de groei van het aantal zzp’ers in Nederland in het laatste decennium uniek in de EU. Daardoor zijn er in ons land mogelijk meer gevolgen voor het stelsel van arbeidsverhoudingen, fiscaliteit en sociale zekerheid dan in andere Europese landen.

Vraag 13

De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd naar de opvolging van de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester. Hierover wisselen zij graag met de Minister van gedachten op het moment dat de aangekondigde maatregelen in de Kamer worden besproken.

Antwoord:

Ik verwacht regelmatig met uw Kamer van gedachten te wisselen over de thema’s van de landspecifieke aanbevelingen, zoals onlangs nog over pensioenen en zelfstandigen.

Vraag 14

De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland heeft voorgesteld om voor de besprekingen van het Europees Semester te kiezen voor een thematische aanpak. Hoezeer werd deze opvatting door andere lidstaten gedeeld?

Antwoord:

Andere lidstaten hebben niet direct op deze suggestie gereageerd tijdens het debat. Nederland zal deze suggestie herhalen, zoals in bijeenkomsten van het Sociaal Beschermings Comité en het Werkgelegenheids Comité.

Zzp

Vraag 15

Ten aanzien van het werken als zelfstandige begrijpen de leden van de CDA-fractie dat omzetting naar een arbeidscontract onder een bepaald uurtarief Europeesrechtelijk niet kan. Klopt dit en kan de Minister uitleggen op grond van welke Europese wet- en regelgeving dit niet mogelijk is? Ziet de Minister aanleiding dit in EU-verband aan de orde te stellen?

Antwoord:

Al eerder heeft het kabinet aangegeven dat het op basis van eigen analyse tot de conclusie is gekomen dat de kans substantieel is dat de ALT (Arbeidsovereenkomst bij laag tarief)-maatregel strijdig wordt bevonden met het EU-recht. Zekerheid daarover bestaat niet (een uiteindelijk oordeel daarover zou liggen bij het Europese Hof van Justitie). Het risico dat het voorstel in strijd is met het Europees recht en daarmee een grondslag vormt voor staatsaansprakelijkheid voor geleden schade wil het kabinet niet nemen. Het gaat dan met name om de vrijheid van vestiging (art. 49) en de vrijheid van dienstverrichting (art. 56) van zelfstandigen in het EU-Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Deze artikelen betreffen zeer fundamentele rechten van de Europese samenwerking, die het kabinet niet ter discussie stelt. Vandaar dat gekozen is voor een minimumtarief ter bestrijding van armoede, dat een geringer risico van strijdigheid met het Europese recht vormt.

Energietransitie

Vraag 16

De leden van de CDA-fractie lezen dat het discussiedocument ten behoeve van het agendapunt Schone planeet voor iedereen: strategische langetermijnvisie voor een klimaatneutrale economie – werkgelegenheidsaspecten ten tijde van het opstellen van deze geannoteerde agenda nog niet is gepubliceerd. Wanneer kan de Kamer hier alsnog kennis van nemen? Hoe ziet het tijdspad ten aanzien van de inrichting van de Voorziening werkgelegenheidseffecten energietransitie eruit? Deze leden lezen over de rol van de Europese Investeringsbank (EIB) bij het financieren van klimaatprojecten en het mobiliseren van private geldstromen. Heeft de nieuwe financieringsinstelling Invest-NL hierbij ook een rol?

Antwoord:

Inmiddels is een discussiedocument onder de lidstaten verspreid. Hierin wordt lidstaten gevraagd hoe het werkgelegenheids- en sociaal beleid op zowel EU- als lidstaat niveau moet worden opgezet zodat het de beste ondersteuning biedt voor een rechtvaardige overgang naar een concurrerende, milieuvriendelijke en klimaatneutrale economie. Daarnaast wordt aan lidstaten gevraagd welke acties het meest urgent zijn om de negatieve gevolgen van de overgang naar een klimaatneutrale economie te verzachten.

Met betrekking tot de Voorziening werkgelegenheidseffecten energietransitie verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.

Invest-nl wordt ingericht om optimaal gebruik te kunnen maken van Europese cofinanciering, waaronder die van de EIB. Invest-nl kan dus ook een rol spelen bij het financieren van klimaatprojecten en het mobiliseren van private geldstromen in samenwerking met deze Europese instellingen en programma’s. Voorwaarde voor financiering is dat deze past binnen de kaders die gelden voor Invest-NL, en er ook een Nederlands belang mee gediend is. Zo moet er onder meer sprake zijn van marktfalen, een positieve business case en moet de voorgenomen investering passen binnen de staatssteunkaders.

Richtlijn gelijke behandeling buiten arbeid

Vraag 17

Al sinds 2008 spreekt de EU over het richtlijnvoorstel gelijke behandeling buiten arbeid. Kern is gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of levensovertuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid buiten het terrein van de arbeid. Van dit richtlijnvoorstel is bekend dat twee grote EU-lidstaten er niet mee kunnen instemmen en het daarom geblokkeerd blijft (omdat de voor de besluitvorming benodigde unanimiteit ontbreekt). Welke lidstaten zijn dit en wat zijn hun beweegredenen om niet met het voorstel in te stemmen?

Antwoord:

Op dit moment zijn Duitsland en Polen de blokkerende lidstaten. Deze lidstaten kunnen niet akkoord gaan vanwege hun interpretatie van het subsidiariteitsbeginsel in relatie tot dit voorstel.

D66

The economy of wellbeing/monitor brede welvaart

Vraag 18

De leden van de D66-fractie kijken met interesse naar het thema «the economy of wellbeing» dat het Finse Voorzitterschap wil agenderen. De Monitor Brede Welvaart kan hier een interessant instrument zijn. De leden van de D66-fractie vragen of de Minister ook het onderwerp kwaliteit van werk zou willen aankaarten. Op het gebied van arbeidsmarkt staan er een paar duidelijke indicatoren in de Monitor Brede Welvaart: netto arbeidsparticipatie, gewerkte uren, en tevredenheid met werk. Het zou interessant kunnen zijn om te kijken hoe andere landen sturen op de kwaliteit van werk of hoe zij dat monitoren. Finland heeft zelf bijvoorbeeld in 2012 als beleidsdoel geformuleerd dat het land in 2020 de beste arbeidsplaatsen van Europa moet hebben.

Antwoord:

Ik deel de mening dat de Monitor Brede Welvaart goed aansluit bij het thema «the economy of wellbeing». Het is de eerste keer is dat dit thema besproken wordt in EU-verband. Nederland zal met interesse luisteren naar de inbreng van alle lidstaten. In het verslag van de Raad zal ik u een samenvatting van het beleidsdebat doen toekomen.

Opvolging bespreking klimaattransitie in de Raad

Vraag 19

De leden van de D66-fractie zijn daarnaast zeer geïnteresseerd in het agendapunt over een strategische langetermijnvisie voor de werkgelegenheidsaspecten van een klimaatneutrale economie. Deze leden vragen of de Minister naar aanleiding van de bespreking in de Raad een overzicht kan geven van welke maatregelen andere landen nemen om de negatieve werkgelegenheidseffecten van de overgang naar een koolstofarme economie te beperken.

Antwoord:

Hiernaar ben ik ook benieuwd. In het verslag van de Raad zal een samenvatting van het beleidsdebat opnemen.