Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201621501-32 nr. 926

21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 926 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 juni 2016

Graag informeer ik u over de uitkomsten van de informele Landbouwraad die plaatsvond van 29 tot en met 31 mei 2016 te Eindhoven en Amsterdam.

Uitkomsten van de informele Raad

Zoals ik u in de geannoteerde agenda voor deze informele Raad (Kamerstuk 21 501-32 nr. 921) al meldde was de informele Raad volledig gewijd aan het thema «Food of the Future, the Future of Food». Binnen dit thema hebben mijn collega-ministers en ik een eerste discussie op Raadsniveau gevoerd over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2020.

Op 30 mei jongstleden hebben wij in omgeving Eindhoven een programma gevolgd dat toegespitst was op innovatie in de landbouw. De dag startte met een bezoek aan de expositie «Food to be». Deze expositie toonde Nederlandse innovaties van zowel grotere als kleinere bedrijven en ontwerpers op het gebied van voedsel en voedselproductie. Tot en met 5 juni was deze expositie gratis te bezoeken voor het publiek. Vervolgens bezochten wij GrowWise, een onderdeel van Philips Lighting, dat internationaal toeleverancier is van LED-verlichting voor de tuinbouw en experimenteert met kweken van groenten in een gesloten omgeving. De dag werd afgesloten met een bezoek aan een innovatieve melkveehouderij die dierenwelzijn en moderne techniek combineert. Tijdens deze dag kwam de belangrijke rol die Nederlandse landbouwers en innovaties spelen in voedselzekerheid sterk naar voren.

De ervaringen van deze dag vormden inspiratie voor de vergadering op 31 mei jongstleden. Op deze dag hebben wij van gedachten gewisseld over de toekomst van het GLB na 2020 op basis van het paper dat ik heb opgesteld in mijn rol als voorzitter (bijlage bij Kamerstuk 21 501-32 nr. 921). Allereerst vond een informele discussie plaats in kleine groepjes ministers. Hierna volgde een plenaire terugkoppeling en discussie.

Uiteraard lopen de inzichten, zeker omdat we aan het begin van dit traject staan, nog uiteen. De vergadering heeft echter een aantal gemeenschappelijke inzichten opgeleverd over de uitdagingen en doelen voor het GLB. Hieronder ga ik daar op in aan de hand van de discussiepunten die ik in het paper benoemd heb.

1. Verschuiving naar een integraal landbouw- en voedselbeleid

Verschillende lidstaten wezen op de verbondenheid van het GLB met voedsel en voedselbeleid. Over de wenselijkheid van verdere omvorming van het GLB naar een landbouw- en voedselbeleid liepen de meningen dan ook uiteen. Verschillende lidstaten gaven aan dat een goed inkomen voor boeren het primaire doel voor het GLB moet blijven. Ook benadrukten sommige lidstaten in dit verband het belang van de gemeenschappelijke markt, met het oog op een gelijk speelveld. Er is wel brede overeenstemming over het feit dat het GLB moet bijdragen aan voedselzekerheid.

Vereenvoudiging van het GLB blijft voor vele lidstaten een aandachtspunt. Meerdere lidstaten gaven aan van mening te zijn dat volledige implementatie van het huidige GLB nodig is voordat verdere hervorming aan de orde kan zijn.

2. Grotere inzet op innovatie

Het inzicht dat innovatie en onderzoek nodig zijn om de uitdagingen van de toekomst het hoofd te bieden werd breed gedeeld. Wel werd aangegeven dat het wenselijk is om met elkaar het gesprek aan te gaan over de doelen waarvoor deze innovatie nodig is. Als voorbeeld van een gewenste innovatie werd precisielandbouw genoemd: dit heeft voordelen voor zowel boer, milieu als voedselzekerheid. Sommige lidstaten gaven aan dat toegang tot kennis en innovatie kleinere landbouwbedrijven kan helpen zich te ontwikkelen en concurrerender te worden.

3. Verduurzaming

Lidstaten gaven aan dat vergroening een belangrijk legitimerend onderdeel van het huidige GLB is. Bredere verduurzaming van het GLB wordt in principe gesteund, met het oog op het zekerstellen van voedselzekerheid van toekomstige generaties. Behalve met biodiversiteit, waar de huidige vergroening zich op richt, hangt landbouw immers samen met een breed scala aan duurzaamheidsvraagstukken, zoals circulaire economie, biomassa, biodiversiteit en klimaatverandering. Coherentie tussen Europees landbouw- en milieubeleid is van groot belang. In al deze dossiers zou landbouw ingezet moeten worden als onderdeel van de oplossing voor het probleem. Ook is het zaak om toe te werken naar een klimaatslimme landbouw die opgewassen is tegen extreme weersomstandigheden.

4. Marktoriëntatie en voedselketens

In het licht van de huidige marktsituatie wezen veel lidstaten op de vangnetfunctie van het GLB als het gaat om inkomens van boeren. Sommige lidstaten bepleitten een uitbreiding van het vangnetinstrumentarium met nieuwe instrumenten voor inkomensstabilisatie, waarbij onderscheid gemaakt kan worden tussen tijden met goede prijzen en tijden met slechte prijzen met het oog op het verminderen van de negatieve effecten van markt- en prijsvolatiliteit. Om de sector structureel sterker en minder afhankelijk van subsidies te maken werd gewezen op het belang van marktoriëntatie, verbetering van de concurrentiekracht en verbetering van de positie van de primaire producent in de keten.

Tegelijkertijd wezen sommige lidstaten ook op het grote belang van het GLB voor plattelandsregio’s in Europa. Plattelandsontwikkeling blijft voor hen een belangrijk doel van het GLB. Niet alle lidstaten hebben de financiële middelen om dit binnen de tweede pijler vorm te geven. Zij pleitten dan ook voor het behoud van directe inkomenssteun.

5. Van inkomenssteun naar steun voor maatschappelijke opgaven

De lidstaten zagen een verantwoordelijkheid voor de landbouw om, ook via het GLB, bij te dragen aan de oplossing van maatschappelijke opgaven. Over de vormgeving daarvan in het toekomstige GLB liepen de meningen uiteen. Waar sommige lidstaten hechten aan subsidiariteit en lidstaten zelf een grote rol willen geven in de invulling hiervan, wijzen anderen op het belang van een gelijk speelveld. Ook in dit verband wezen veel lidstaten op de primaire functie die het GLB voor hen heeft in de inkomensondersteuning van boeren.

6. Versterking externe dimensie

Lidstaten gaven aan dat het GLB kan bijdragen aan mondiale voedselzekerheid door ontwikkelingslanden te helpen om op een duurzame manier te produceren. Het feit dat geïmporteerde goederen uit die landen daardoor eerder aan de hoge milieu en dierenwelzijnsstandaarden van de EU kunnen voldoen werd als een positief neveneffect gezien. Daarmee is versterking van de externe dimensie ook in het belang van de Europese boer.

We staan slechts aan het begin van de discussie over het GLB na 2020. Hier zullen wij nog uitgebreid over komen te spreken, zowel op nationaal als Europees niveau. Ik ben voornemens de resultaten van deze informele Raad samen te vatten en met het Slowaaks en Maltees voorzitterschap te overleggen hoe het op basis hiervan vervolg kan geven aan de discussie.

Tenslotte is tijdens de informele Raad behalve over de toekomst ook over het heden gesproken. Door de slechte marktsituatie hebben veel boeren in de EU het moeilijk. In de Landbouw- en Visserijraad van 27 en 28 juni zullen wij uitgebreid spreken over de marktsituatie en de steunmaatregelen die in dat kader door de Europese Commissie getroffen zijn. Ook zal de Agricultural Markets Taskforce, die onder leiding staat van Cees Veerman en die zich buigt over de versterking van de positie van de primaire producent in de keten, een tussenstand van haar werkzaamheden presenteren. Ik zal u zoals gebruikelijk nader informeren over deze Raad in de geannoteerde agenda.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam