21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 475 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 april 2011

Op 16 maart jl. heb ik met uw Kamer gesproken over de motie-Jacobi c.s. over het weer toelaten van diermeel in veevoer (TK 21 501-32, nr. 456). Deze motie is aangehouden. Bij dezen stuur ik u zoals toegezegd, een schriftelijke reactie op die motie.

BSE is een dierziekte die een enorme impact heeft gehad op de veehouderij en de samenleving. Toen de BSE-crisis uitbrak, was vrijwel niets bekend van de verwekker, behalve dat hij ongevoelig was voor alle bekende sterilisatietechnieken en dat hij zich wellicht al geruisloos had kunnen verspreiden onder dieren en mensen. Sindsdien is de kennis over deze prionziekte enorm vergroot. Daardoor zijn wij nu in staat de ziekte effectief te bestrijden en de verdere verspreiding te voorkomen. Het Europese voedselveiligheidsagentschap (EFSA) heeft daarbij met zijn risicoanalyses en wetenschappelijke evaluaties een doorslaggevende rol gespeeld. Die rol heeft EFSA tot op de dag van vandaag.

Sinds enige jaren verloopt de bestrijding zeer succesvol. Toch verdient de preventie van nieuwe uitbraken nog steeds een hoge prioriteit vanwege de potentiële gevolgen voor de volksgezondheid. Terecht vindt uw Kamer daarom de eventuele toelating van diermelen in diervoeders in de Europese Unie (EU) een belangrijk punt. Diermelen van herkauwers vormden immers de oorsprong van de BSE-epidemie. Sinds 1 januari 2001 is het verwerken van alle diermelen in diervoeders voor voedselproducerende dieren, behoudens enkele uitzonderingen, volledig verboden in de EU. Door deze maatregel is de BSE-epidemie sterk op zijn retour.

Ik sprak met uw Kamer over het pleidooi van Polen voor toelating van diermelen in diervoeders en het feit dat de Europese Commissie voornemens is daarvoor komend najaar een uitgewerkt voorstel te doen. Ik wil benadrukken dat het voorstel van de Commissie uitsluitend betrekking heeft op specifieke diermelen die geen BSE-prionen bevatten. Ik ga daar nader op in. Krantenberichten dat in diervoeders diermelen van kadavers verwerkt gaan worden, zijn pertinent onjuist.

Bovendien heeft dit voorstel uitsluitend betrekking op de voederproductie voor varkens, pluimvee en vissen. Dit zijn diersoorten die in de praktijk geen overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE’s) kennen.

Vanaf 2005 heeft de Europese Commissie met instemming van het Europese Parlement en de Raad de eerste stappen gezet in de richting van een voorzichtige en stapsgewijze afbouw van de Europese BSE-maatregelen. Daarbij is altijd het uitgangspunt geweest dat elke stap gebaseerd moet zijn op een wetenschappelijk advies van EFSA. Daarmee is gewaarborgd dat het hoge beschermingsniveau van voedselveiligheid gehandhaafd blijft. In 2010 heeft de Europese Commissie haar visie voor een verdere afbouw in de periode tot 2016 voorgelegd aan de Raad en het Parlement. Behalve dat elke stap genomen moet worden op basis van een EFSA-advies, stelde de Commissie toen ook nadrukkelijk dat voortdurend gewaakt moet worden voor het eventuele opleven van de BSE-epidemie of het ontstaan van nieuwe TSE-agentia. Ook moet rekening worden gehouden met milieu- of sociaaleconomische gevolgen. Het Nederlandse standpunt over deze zogenaamde TSE Roadmap 2 is op 30 augustus 2010, in overleg met het ministerie van VWS aan uw Kamer voorgelegd (TK 22 112, nr. 1049).

Mijn standpunt over de TSE Roadmap 2 heb ik op 7 december 2010 nader toegelicht in antwoord op vragen uit de Eerste Kamer (EK 32 570, nr. A).

Daarbij wees ik erop dat EFSA al in 2007 het risico voor de mens verwaarloosbaar klein noemde wanneer diermelen op basis van slachtafvallen van goedgekeurde slachtvarkens (categorie III materiaal) aan pluimvee worden gevoederd of omgekeerd. Desondanks heeft de Commissie al die tijd geen voorstel gedaan om deze diermelen weer toe te laten. Het ontbrak namelijk nog aan goede testmethodes waarmee gebruiksklare voeders te controleren zijn op illegale of onbedoelde bijmenging van niet toegelaten diermelen. Op 21 februari jl. kondigde de Commissie aan dat ze in het najaar met een voorstel komt om het verwerken van categorie III varkensmelen in pluimveevoeders en omgekeerd, onder strenge voorwaarden aan kwaliteitsborging en controles te gaan toestaan. Het voorstel kan ook betrekking hebben op de verwerking van categorie III varkens- of pluimveemelen in voeders voor kweekvissen. De directe aanleiding is de vooruitgang die is geboekt bij de ontwikkeling van de noodzakelijke testmethodes. Met die ontwikkeling zou een belangrijk beletsel voor het kunnen benutten van deze specifieke diermelen zijn weggenomen. Ik verwacht dat de Commissie bij de presentatie van haar voorstel uitsluitsel zal geven over die nieuwe testmethodes. Ik benadruk dat het voorstel uitsluitend betrekking heeft op diermelen die afkomstig zijn van dieren die in het slachthuis zijn goedgekeurd voor consumptie door de mens. Ook wil ik benadrukken dat kannibalisme («intraspecies recycling») in de EU ontoelaatbaar is en blijft. Het hoge niveau van bescherming van mens en dier blijft dus onverkort gehandhaafd.

In de loop der tijd is gebleken dat het kunnen benutten van bovenbedoelde diermelen in diervoeders grote voordelen kan hebben. Momenteel wordt diermeel veelal verbrand als bijstook in energiecentrales. Dat is de meest laagwaardige benutting van een hoogwaardige eiwitrijke grondstof. De Universiteit Groningen toonde in 2006 aan dat door het diermeelverbod circa 16 miljoen ton diermeel in de EU werd vervangen door 23 miljoen ton soja als grondstof voor diervoeders.

Die wordt voornamelijk ingevoerd uit Brazilië en komt overeen met een teeltoppervlakte van circa 10 miljoen hectare. Uit oogpunt van verduurzaming van de veehouderij is dat een ongewenste situatie. Een ander voordeel is dat de toevoeging van diermelen in vooral kippenvoeders kan leiden tot een betere darmgezondheid en een beter welzijn van de dieren en een verminderde mestproductie. Tot slot wees Polen op het valide voordeel dat ook een verlaging van de kostprijs van veevoeders mogelijk is. Ik heb in mijn eerdere reacties ook op al deze voordelen gewezen. De Europese Commissie en veel andere lidstaten zijn in de loop der tijd tot een vergelijkbaar inzicht gekomen. Zij zijn net als Nederland van mening dat hoewel de bestrijding en preventie van BSE in de EU de hoogste prioriteit blijft behouden, het zoeken naar een verantwoorde en hoogwaardigere toepassing voor diermelen in diervoeders nu eveneens prioriteit heeft. Een verantwoorde benutting van diermelen in diervoeders is dus een zinvolle stap in het streven naar duurzaamheid.

Zoals bekend ondersteun ik net als mijn voorganger het beleid van de Europese Unie voor een geleidelijke stapsgewijze afbouw van de BSE-maatregelen op geleide van wetenschappelijke adviezen van EFSA. Een verantwoorde toelating van bovenbedoelde diermelen kan uitsluitend wanneer gebruiksklare voeders effectief gecontroleerd kunnen worden op illegale of onbedoelde bijmenging van niet toegelaten diermelen. Bovendien is een systeem van kanalisatie nodig om de vermenging van diermelen of diervoeders te voorkomen. Dat betekent een kanalisatie van de productie, handel en verwerking van diermelen bestemd voor diervoeders en wellicht ook van de productie, opslag en transport van diervoeders voor de verschillende diersoorten. Ik zal niet instemmen met een voorstel van de Europese Commissie dat geen sluitende waarborgen biedt dat de desbetreffende diermelen op een correcte wijze worden verwerkt in diervoeders of als anderszins een kans bestaat dat de preventie van BSE wordt bemoeilijkt.

Ik herhaal dat er niet getornd mag worden aan het huidige hoge beschermingsniveau voor de volks- en diergezondheid en dat het kannibalismeverbod als een paal boven water blijft staan. Het hoogwaardig kunnen benutten van een eiwitrijke diervoedergrondstof heeft grote voordelen uit oogpunt van duurzaamheid, inclusief voordelen voor diergezondheid en -welzijn. Nederland zal de voorstellen van de Commissie kritisch beoordelen en alleen akkoord gaan als aangetoond is dat verwerking van diermelen omgeven is door effectieve controles en waarborgen.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker

Naar boven