Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201921501-32 nr. 1139

21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 1139 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 december 2018

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de uitkomsten van de Landbouw- en Visserijraad die op 19 november jl. plaatsvond te Brussel. In die context informeer ik u tevens, conform mijn toezegging tijdens het Algemeen Overleg (AO) Landbouw- en Visserijraad van 13 november jl., over wat is gewisseld met betrekking tot het advies van de Europese Rekenkamer over de Commissievoorstellen voor het toekomstige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB).

Verder informeer ik uw Kamer hierbij over de laatste stand van zaken in de onderhandelingen over de richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken.

Onderwerpen op de Landbouw- en Visserijraad

Vaststellen vangstmogelijkheden 2019 en 2020 voor bepaalde diepzeevissen

Politiek akkoord

De Raad heeft een politiek akkoord bereikt over de maximaal toegestane vangstmogelijkheden (Total Allowable Catches, TAC’s) voor 2019 en 2020 van bepaalde bestanden van diepzeevissen. Het definitieve compromisvoorstel is met unanimiteit door de Raad aangenomen.

In het akkoord staan onder meer TAC’s voor Zwarte haarstaartvis, Alfonsino’s, Rondneusgrenadier, Noordelijke grenadier en Zeebrasem. Daarnaast is een zeer geringe toegestane bijvangst voor diepzeehaaien vastgelegd. De TAC voor de Zeebrasem is met 20% verlaagd. Verder zijn voor drie visserijsoorten, waaronder Gaffelkabeljauw, de TAC’s uit het voorstel verwijderd.

Nederland heeft geen belangen in de diepzeevisserij, maar hecht eraan dat het beheer van visserijbestanden in alle Europese wateren op duurzame wijze wordt gerealiseerd. Ik ben tevreden met het bereikte akkoord, waarin wetenschap en het voorzorgsbeginsel leidend zijn.

Toekomst GLB: Verordening inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het GLB (Horizontale verordening)en Wijzigingsverordening gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten (GMO-verordening)

Voortgang en gedachtewisseling

Tijdens de Raad vond een gedachtewisseling plaats over de verordening inzake financiering, beheer en de monitoring van het GLB (Horizontale verordening) en de verordening gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten (GMO-verordening). Om het debat richting te geven had het Voorzitterschap de volgende vragen aan de delegaties voorgelegd: 1) wat is uw positie ten aanzien van de aanpassingen in de Horizontale verordening, met name wat betreft de toegenomen verantwoordelijkheden voor nationale autoriteiten? 2) Vindt u dat de jaarlijkse prestatiebeoordelingsrapporten leiden tot een efficiënter management van het GLB? 3) Wat vindt u van de huidige marktsteunmaatregelen en van hun effectiviteit in de afgelopen jaren? En 4) bent u van mening dat de huidige beschikbare instrumenten al afdoende zijn om flexibel en tijdig te reageren op een marktcrisis of vindt u het noodzakelijk om de bestaande instrumenten aan te vullen om hun reactievermogen en flexibiliteit te verbeteren?

Horizontale verordening

Commissaris Hogan herhaalde aan het begin van de tafelronde dat het nieuwe GLB beoogt de focus te leggen op prestaties, subsidiariteit en vereenvoudiging. De beoordeling door de Europese Commissie van de nationale strategische GLB-plannen moet zorgen voor een gelijk speelveld. Daarnaast moet deze inzet zorgen voor een verlichting van de controlelast bij de lidstaten aan de achterkant.

In grote lijnen was er brede steun vanuit de lidstaten voor de nieuwe prestatiegerichte benadering van het toekomstige GLB. Veel lidstaten, waaronder Nederland, waren echter van mening dat het voorliggende voorstel te verregaande en gedetailleerde middelvoorschriften bevat, waardoor lidstaten opgezadeld worden met onnodige administratieve lasten. Daar staat tegenover dat een aantal lidstaten op technisch niveau ook neigt naar behoud van de controle- en verantwoordingsmechanismen, met name door ervaringen met de financiële correcties. Veel delegaties hadden zorgen over de deadline van 15 februari voor het indienen van het jaarlijkse rapport over output- en resultaatindicatoren, een datum die tenminste voor de outputindicatoren voortvloeit uit de algemene Financiële Verordening. Daarnaast riep de verplichting om jaarlijks te rapporteren over resultaatindicatoren veel weerstand op. Tot slot zetten veel lidstaten vraagtekens bij het voorstel van de Commissie om zichzelf auditmogelijkheden toe te kennen die reiken tot op het boerenerf.

Ik heb tijdens de Raad de kabinetspositie conform het BNC-fiche (Kamerstuk 34 965, nr. 2) ingebracht. Ik heb steun uitgesproken voor de overgang naar een prestatiegericht GLB. Ik heb ook aangegeven dat Nederland voorstander is van het single audit systeem, waarbij de Europese Commissie zich baseert op de audits door de certificerende instantie van de lidstaat. Ik kon daarbij niet instemmen met de ruime mogelijkheden die de Commissie zichzelf toe-eigent om te beslissen wanneer afgeweken kan worden van het single audit model. Dergelijke beslissingen dienen de uitzondering op de regel te zijn en op basis van objectieve criteria genomen te worden. Ten aanzien van de rapportageverplichting ben ik van mening dat die past bij het nieuwe model, omdat het volgen en waar nodig tijdig bijsturen van resultaten daarin centraal staat.

Eurocommissaris Hogan verwelkomde de steun van de delegaties voor de prestatiegerichte benadering. Als reactie op de kritiek over de jaarlijkse resultaatbeoordelingsrapporten zei hij dat dit veel minder werk zal meebrengen dan de lidstaten op dit moment denken. Hij herhaalde nogmaals dat het doel van het nieuwe GLB juist vereenvoudiging van beleid en meer subsidiariteit is.

GMO-verordening

Ten aanzien van de GMO-verordening meldde Hogan dat de Europese Commissie zo dicht mogelijk bij de status quo wil blijven aangezien de Omnibusverordening al veel verbeteringen heeft gebracht die pas dit jaar van toepassing zijn geworden. Wel stelt de Commissie voor om de sectorale steunregelingen over te hevelen naar de Strategische GLB-plannenverordening om voor meer samenhang tussen de diverse interventies en een betere afbakening van de rollen tussen de EU en de lidstaten te zorgen.

Over het algemeen waren de meeste lidstaten eensgezind dat er geen fundamentele veranderingen nodig zijn in de interventiesystematiek van de GMO-verordening. De lidstaten waren van mening dat er op dit moment voldoende instrumenten voor handen zijn om te kunnen reageren op marktcrises. Wel vroeg een aantal lidstaten om het slagvaardiger maken van die instrumenten zodat er sneller en effectiever ingegrepen kan worden in geval van marktincidenten.

Nederland heeft ingebracht dat het huidige vangnet, bestaande uit de diverse marktmaatregelen, over het algemeen goed functioneert. Een fundamentele wijziging hiervan is dan ook niet nodig. Wel zijn er in de GMO-wijzigingsverordening aanpassingen nodig om de positie van de boeren te versterken zodat zij de risico’s zelf kunnen opvangen. Ik heb hier tijdens de Raad aandacht voor gevraagd. Er zou meer inspanning geleverd kunnen worden om het opzetten van verzekeringen en fondsen te stimuleren. Producentenorganisaties en brancheorganisaties kunnen hierbij een belangrijke rol vervullen, zowel op het gebied van verduurzaming als risicobeheer. Hoewel de Omnibusverordening veranderingen teweeg heeft gebracht op het gebied van producentenorganisaties, crisismaatregelen en verduidelijking van de uitzonderingen op de mededingingsregels, hebben we een diepgaander debat nodig over hoe producenten- en brancheorganisaties boeren kunnen helpen om risico’s het hoofd te bieden en of verdere verduidelijking van de mededingingsregels wenselijk is. Ik heb het Voorzitterschap gevraagd om deze discussie op de agenda te zetten.

Marktsituatie landbouwproducten

Informatie van de Europese Commissie en gedachtewisseling

Commissaris Hogan meldde dat de situatie in veel landbouwsectoren redelijk stabiel is, ondanks de moeilijke klimaatomstandigheden in de afgelopen zomer. De droogte heeft met name in Duitsland en grote delen van Frankrijk, de Benelux, Polen, Scandinavië en de Baltische staten gezorgd voor lagere opbrengsten.

De suikermarkt kreeg verreweg de meeste aandacht. Het Europese quotasysteem voor suiker is op 30 september 2017 afgelopen. Het areaal suikerbieten en de suikerproductie in de EU is in het productieseizoen 2017–2018 fors gestegen (rond 20%), waardoor de EU een netto-exporteur van suiker is geworden. In combinatie met de gestegen suikerproductie in andere belangrijke producerende landen is de suikerprijs echter sterk gedaald, met een dieptepunt in augustus jl.

Een aantal lidstaten uitte hier ernstige zorgen over en vroeg de Commissie om de private opslag van suiker te steunen. Andere lidstaten stelden dat de suikermarkt momenteel aan het stabiliseren is. Door de verwachte afname van de mondiale suikerproductie in het lopende seizoen 2018–2019 en meer nog in 2019–2020 hebben de suikerprijzen op de internationale termijnmarkten een stijgende lijn ingezet. Deze lidstaten zagen geen oplossing in private opslag aangezien dit de markt juist kan verstoren, waardoor herstel van de prijs langer kan duren.

Ik heb namens Nederland aangegeven geen voorstander te zijn van de inzet van het instrument private opslag omdat dit instrument geen oplossing is voor de kern van het probleem, namelijk het grote aanbod van suiker. De sector zal de productie op de vraag moeten afstemmen.

Ook de Europese Commissie gaf aan geen voorstander te zijn van interventies in de suikermarkt. Wel kondigde Hogan aan dat hij een High Level Meeting bijeen zal roepen om de situatie in de suikersector te bespreken.

Taskforce voor het Afrikaanse platteland (TFRA)

Gedachtewisseling

De Raad besprak ook de voortgang van het werk van de Taskforce voor het Afrikaanse platteland (TFRA). De TFRA bestaat uit elf internationale experts, met de taak om tot ideeën te komen over het bevorderen van de vitaliteit van het Afrikaanse platteland en het vergroten van de rol van de EU bij het creëren van banen in de Afrikaanse landbouwsector.

Tom Arnold, de voorzitter van de TFRA, zal op 18 december tijdens het EU-Afrika forum dat in Wenen plaatsvindt, een rapport presenteren met aanbevelingen en voorstellen voor initiatieven in het kader van de gezamenlijke Afrika-EU-strategie. Hoewel dit rapport nog niet klaar is, gaf Arnold een doorkijk naar de bevindingen uit dit rapport. Het genereren van banen voor jongeren is volgens Arnold de grootste prioriteit. De agro-industrie kan hier een sleutelrol in spelen.

Om ook de inbreng en ideeën van de lidstaten te verzamelen had de Europese Commissie een document opgesteld met twee vragen: welke prioriteiten ziet u op het gebied van een versterkte politieke dialoog met Afrika op het gebied van landbouw en voedselproductie? En, hoe kunnen de Commissie en lidstaten samenwerken om zo de impact van hun steun en investeringen in het Afrikaanse platteland en landbouwontwikkeling maximaliseren?

De meeste lidstaten juichten het werk van TFRA toe. De lidstaten waren zich ervan bewust dat een goede ontwikkeling van het Afrikaanse platteland ook belangrijk is voor de EU. Het opleiden van jongeren voor het produceren van voedsel, het versterken van de lokale agro-industrie, het versterken van gezinsbedrijven en het duurzaam inzetten van nationale hulpbronnen en plattelandsontwikkeling is een greep uit de suggesties die lidstaten voordroegen.

Nederland, dat in 2016 in Noordwijk de eerste High Level Ministeriële bijeenkomst tussen Afrikaanse Unie (AU), de EU en belangrijke partners over samenwerking op landbouwgebied heeft georganiseerd, steunt het partnerschap tussen EU en AU voor verbeterde landbouwsamenwerking. Een goede samenwerking tussen EU en AU kan bijdragen aan de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, de Malabo-verklaring1 en het Klimaatakkoord van Parijs. Nederland zou daarbij graag willen inzetten op jeugd, innovatie (digitalisering) en gendergelijkheid.

Daarnaast heb ik benadrukt dat het belangrijk is om voldoende aandacht te houden voor de vier gezamenlijk overeengekomen aandachtsgebieden tussen EU en AU, namelijk: verantwoorde private investeringen en markttoegang; onderzoek, innovatie en digitalisering in de landbouw; watergebruik en waterbeheer in de landbouw in een klimaatbestendige omgeving; en klimaatslimme landbouw en het verminderen van voedselverliezen en voedselverspilling. Ik heb ook aangegeven de Nederlandse ervaringen met kringlooplandbouw te willen delen met de lidstaten en de Europese Commissie.

Tot slot heb ik bepleit dat een nauwe samenwerking tussen de verschillende diensten van de Europese Commissie, de lidstaten, financiële instellingen, agro-industrie, academische wereld, NGO’s en internationale organisaties cruciaal is bij het verder helpen ontwikkelen van het Afrikaanse platteland.

Uitdagingen op het vlak van plantgezondheid en gewasbescherming

Gedachtewisseling

Het Oostenrijks Voorzitterschap had een gedachtewisseling geagendeerd over uitdagingen in het veld van plantgezondheid en gewasbescherming. Door mondialisering en klimaatverandering neemt volgens het Oostenrijkse voorzitterschap het risico op het introduceren van plantenziekten toe. Preventie is daarbij een van de hoekstenen van het nieuwe Europese plantgezondheidsbeleid. In dit verband vroeg het Voorzitterschap aan de delegaties welke acties volgens hen ondernomen moeten worden om de impact van nieuwe exotische plantenziekten op landbouw, bosbouw en het milieu te reduceren.

Daarnaast leidt het strenge goedkeuringsproces voor de werkzame stoffen tot vermindering van het aantal beschikbare gewasbeschermingsmiddelen, waardoor de Europese boeren bij het telen van gewassen in problemen kunnen komen. Dit leidt tot het steeds vaker verlenen van tijdelijke vrijstellingen door de lidstaten en dus tot een ongelijk speelveld. Het Voorzitterschap vroeg aan de lidstaten wat zij vinden van de huidige ontwikkelingen van het goedkeurings- en machtigingssysteem op EU-niveau, en wat volgens de lidstaten de gevolgen zijn voor de Europese landbouw en landbouwers van de niet-goedkeuring van bepaalde werkzame stoffen.

Commissaris Andriukaitis lichtte toe dat de nieuwe Plantgezondheidsverordening een verbetering inleidt. Het moet voorkomen dat er plantziekten zoals Xylella fastidiosa worden ingesleept. Xylella fastidiosa heeft sinds 2013 veel schade aangericht. Om dergelijke incidenten in de toekomst te voorkomen, zal het niveau van fytosanitaire bescherming maar ook van de bestrijding worden verhoogd. De nieuwe Plantgezondheidsverordening die in december 2019 in werking treedt, zal meer geharmoniseerde controles mogelijk maken. Andriukaitis riep lidstaten op om voldoende capaciteit te reserveren om deze hoge beschermingsniveau ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. Ook benadrukte hij dat er meer bewustzijn gecreëerd moet worden bij telers, handelaren en burgers ten aanzien van de noodzaak van voorzorgsmaatregelen die in de nieuwe verordening worden voorgeschreven.

De Commissaris meende verder dat de lidstaten het goedkeurings- en machtigingssysteem niet optimaal benutten. Lidstaten voldoen vaak niet aan de deadlines voor het verlenen van goedkeuringen of de erkenning van de door andere lidstaten goedgekeurde stoffen. Deze wederzijdse erkenningssysteem is juist bedoeld om de toegang van landbouwers tot geschikte gewasbeschermingsmiddelen te verbeteren. Verder sprak Andriukaitis zorg uit over het toenemende gebruik van tijdelijke vrijstellingen voor gewasbeschermingsmiddelen door de lidstaten.

De meeste lidstaten spraken hun steun uit voor de bewustwordingscampagnes. Een grote groep van lidstaten stelde zich op het standpunt dat er veel meer controles moeten komen op import uit derde landen. Deze groep lidstaten pleitte voor een zogenaamd «gesloten importsysteem» waarbij de import van planten en vruchten met hoog risico uit derde landen slechts wordt toegestaan na uitgebreide risicoanalyse. Ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen merkten enkele lidstaten op dat de Europese Commissie zelf voor de erkenning van stoffen moet zorgen. De tijdelijke vrijstellingen zouden daarnaast per regio moeten worden verleend zodat lidstaten niet afzonderlijk daarover beslissen.

Ik heb namens Nederland gemeld dat de nieuwe plantgezondheidsverordening voldoende handvatten biedt om de komende decennia het hoofd te kunnen bieden aan de effecten van de globalisering van de handel en de klimaatverandering. Daarbij is Nederland een groot voorstander van het zogenaamde «open importsysteem» waarbij via proportionele fytosanitaire maatregelen het verslepen van ernstige plantenziekten wordt tegengegaan zonder daarbij de internationale handel in planten en plantaardig materiaal onnodig te verstoren. Ik heb ook ingebracht dat Nederland zich richt op een zo breed mogelijke toepassen van geïntegreerde gewasbescherming. Hiervoor zijn naast een breed palet aan preventieve en niet-chemische maatregelen ook gewasbeschermingsmiddelen nodig. Verder heb ik de Commissie opgeroepen tot het vereenvoudigen van het proces voor de goedkeuring van laag-risicostoffen op Europees niveau en van het proces voor de toelating van laag-risicomiddelen op nationaal niveau. Ik heb ook aangegeven dat de «Minor Uses Coordination Facility» een mooi instrument is om de kosten voor gewasbescherming en registratie van middelen voor kleine teelten zo laag mogelijk te houden.

Diversenpunt: Uitvoering van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV)

De Raad besprak als diversenpunt de stand van zaken rond de uitvoering van het EFMZV. De Commissie gaf aan dat we naar het einde van de programmaperiode 2014–2020 gaan. Er is een aanzienlijk risico dat een deel van het fonds verloren raakt vanwege een lage benutting: de besteding zit nu op 13%. Daarmee loopt het fonds duidelijk achter op andere fondsen. Weliswaar zijn de regelgeving en programma’s laat aangenomen, maar dat mag volgens de Commissie vier jaar later geen excuus meer zijn.

Een aantal lidstaten gaf te kennen dat de nationale uitvoering van het EFMZV te wensen overlaat. Dit is mede te wijten aan de late totstandkoming van de verordening en de complexiteit aan regels. Een groep lidstaten gaf aan extra inzet te plegen om voortgang te boeken.

De Commissie wees erop dat de sector meer verwacht en dat we resultaten moeten laten zien. De Commissie vroeg met nadruk om politieke aandacht voor deze situatie.

Rapport Europese Rekenkamer over de voorstellen voor het nieuwe GLB

Tijdens het AO van 13 november jl. heb ik u toegezegd dat ik uw Kamer zou informeren over wat in de Landbouw- en Visserijraad van 19 november zou worden gewisseld over het advies van de Europese Rekenkamer (ERK) van 7 november 2018 over de voorstellen voor het toekomstige GLB.2 In tegenstelling tot eerdere signalen is hier in de Raad door de Commissie slechts zijdelings bij stilgestaan. Eurocommissaris Hogan gaf wel aan de kritiek van de Europese Rekenkamer op een aantal wezenlijke punten niet te delen.

In de vergadering van de Commissie Landbouw en Plattelandsontwikkeling van het Europese Parlement van 21 november jl. heeft Commissaris Hogan dit nader toegelicht en uitgebreid gereageerd op het advies van het ERK. Hogan verwerpt een aantal van de kritiekpunten van de ERK, omdat deze gebaseerd zijn op een naar de mening van de Commissaris deels onjuiste interpretatie en uitleg van de voorstellen. Hogan benadrukte in het Europees Parlement dat de voorstellen van de Commissie het resultaat zijn van een lange en grondige voorbereiding met een gedegen onderbouwing voor de gemaakte keuzes in de voorstellen. Volgens de Commissaris laat die onderbouwing zien dat de voorstellen voor de nieuwe groene architectuur van het toekomstige GLB zullen leiden tot betere realisatie van de doelen op het gebied van leefomgeving en klimaat. Commissaris Hogan gaf ten algemene aan dat de voorstellen van de Commissie doelen bevatten die aansluiten op de in de effectbeoordeling onderkende behoeften. De Commissaris gaf ook aan dat nut en noodzaak van de directe betalingen als bijdrage aan het landbouwinkomen en als instrument om publieke doelen te realiseren wel degelijk is aangetoond, in tegenstelling tot wat de ERK stelt. En verder meent hij dat de Commissie voorstellen voor de effectbeoordeling en verantwoording over het gemeenschappelijke landbouwbeleid heeft gedaan op basis waarvan een goede beoordeling van de werking van het gemeenschappelijk beleid mogelijk is. Commissaris Hogan gaf aan een uitgebreid antwoord aan de ERK te zullen schrijven en hierover met de ERK te overleggen.

In het AO van 13 november hebben verschillende leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit mij gevraagd naar mijn beoordeling van het ERK-advies over de GLB-voorstellen van de Europese Commissie. Over deze voorstellen wordt momenteel onderhandeld in Brussel. Het lijkt mij verstandig om het advies van de Europese Rekenkamer en de reactie van de Commissie daarbij te betrekken.

De ERK is kritisch over het instrument van de directe betalingen en meent dat de inzet hiervan niet goed onderbouwd is. Voorts meent de ERK, en ik ben het daarmee eens, dat het van belang is om gedegen invulling te geven aan de instrumenten op het gebied van leefomgeving en klimaat. Deze doelen moeten, mede in verband met het gelijke speelveld, Europees vastgelegd worden en mogen niet vrijblijvend zijn. Verbetering van de voorstellen op dit punt zijn wenselijk. Ik streef daarom naar een ambitieuzere inzet op EU-niveau voor het nastreven van leefomgeving- en klimaatdoelen. De inzet van het Regeerakkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) dat het GLB minder moet worden gericht op inkomenssteun en meer op het realiseren van publieke doelen is in lijn met beide punten van de ERK.

Ik deel echter niet het pleidooi van de ERK voor het handhaven van het 30 jaar oude «geïntegreerde beheers- en controlesysteem» met identieke voorschriften voor alle lidstaten. Ook bij de controles is meer subsidiariteit en een verschuiving van middelvoorschriften naar doelvoorschriften geboden om het systeem doelmatiger te maken. Voorwaarde is dat verantwoordelijkheden goed zijn belegd in de lidstaten. Ik ben het wel met de ERK eens dat daarvoor een gedegen systeem van doelen en indicatoren nodig is.

Ten slotte ben ik het met de ERK eens dat voor de beoordeling van de nationale strategische plannen van de lidstaten door de Commissie meer helderheid over criteria en transparantie nodig is.

Richtlijn oneerlijke handelspraktijken

Op 21 november jl. vond de derde triloog (onderhandeling tussen Europese Commissie, Europees Parlement en Raad) over het voorstel voor een richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (OHP’s) in de voedselvoorzieningsketen plaats. Het Oostenrijks voorzitterschap heeft op 26 november jl. aan het Speciaal Landbouwcomité, het voorportaal van de Landbouw- en Visserijraad, een terugkoppeling gegeven van deze onderhandelingsronde.

Zoals ik uw Kamer eerder bij brief van 9 november jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1137) meldde, heeft een groot deel van de amendementen van het Europees Parlement betrekking op uitbreiding van de lijst van verboden OHP’s. In de triloog is overeengekomen om de meer dan 40 door het Europees Parlement gewenste aanvullende OHP’s terug te brengen tot vijftien, boven op de acht OHP’s uit het oorspronkelijke Commissievoorstel. Het voorstel voor een verbod voor afnemers om bovenwettelijke eisen te stellen op het gebied van milieu of dierenwelzijn is daarmee van tafel. Verder is het Voorzitterschap met het Europees Parlement voorlopig overeengekomen om de mogelijkheid tot mediation of een andere wijze van alternatieve geschillenbeslechting in de richtlijn op te nemen. Het Europees Parlement houdt vooralsnog vast aan de wens om het toepassingsgebied te verruimen tot alle schakels in de voedselvoorzieningsketen, leveranciers én afnemers, ongeacht hun omvang. Ook houdt het Europees Parlement eraan vast dat het voorstel ook van toepassing is op afnemers die zich buiten de EU bevinden en producten afzetten binnen de EU, en dat «aan de verkooptransactie gekoppelde diensten» binnen het bereik van de richtlijn vallen.

Op 6 december vindt de vierde triloog plaats. Met het oog op die bespreking zal het Speciaal Comité Landbouw op 5 december worden gevraagd om aanpassing van het Raadsmandaat. Het Oostenrijks voorzitterschap zoekt daarin ruimte om de wensen van het Europees Parlement tot uitbreiding van het toepassingsgebied en de lijst van OHP’s gedeeltelijk te kunnen accommoderen om zodoende voor het einde van het jaar tot een compromis te kunnen komen. Nederland zal daarbij zoveel mogelijk vasthouden aan de uitgangspunten van bescherming van de zwakste schakels in de keten en minimumharmonisatie met ruimte voor nationale uitbreiding.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

The Malabo Declaration on Accelerated Agricultural Growth and Transformation for Shared Prosperity and Improved Livelihoods, is een set doelen van de AUC om tot de landbouwvisie voor het continent te komen met gedeelde welvaart en verbeterde leefomstandigheden.

X Noot
2

Opinion no 7/2018 (pursuant to Article 322(1)(a) TFEU) concerning Commission proposals for regulations relating to the Common Agricultural Policy for the post-2020 period (COM(2018) 392, 393 and 394 final, https://www.eca.europa.eu/nl/Pages/DocItem.aspx?did=47751.