21 501-28 Defensieraad

Nr. 140 BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 april 2016

De Raad Buitenlandse Zaken met Ministers van Defensie zijn op 18 en 19 april in Luxemburg bijeen gekomen. Hierbij bied ik u het verslag van deze vergadering aan. De Ministers van Defensie spraken op 18 april samen met de Ministers van Buitenlandse Zaken over de situatie in Libië. Daarbij werd ook stilgestaan bij mogelijke ondersteuning op veiligheidsgebied. Op 19 april vergaderden de Ministers van Defensie eerst als bestuursraad van het Europees Defensie Agentschap (EDA) en daarna in de gebruikelijke raadsformatie. Onderwerpen van gesprek waren hybride dreigingen en capaciteitsopbouw ter ondersteuning van veiligheid en ontwikkeling (CBSD).

In deze brief informeer ik u voorts over de verlenging van de Nederlandse bijdrage aan de capaciteitsopbouwmissie EUCAP Sahel Mali.

Gezamenlijk diner met Ministers van Buitenlandse Zaken over Libië voorafgaand aan de RBZ-Defensie

Voorafgaand aan het gezamenlijke diner over Libië met de Ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie vond via video-link een gesprek plaats met de heer Fayez Serraj, de premier van de Libische eenheidsregering en voorzitter van de Presidentiele Raad. Hoge Vertegenwoordiger (HV) Mogherini opende de sessie door de komst van de Presidentiele Raad naar Tripoli te verwelkomen en Serraj te verzekeren dat hij op de volledige steun van de EU kan rekenen. Daarbij verwees de HV naar het hulppakket van € 100 mln.

Serraj dankte de aanwezige Ministers voor de steun. In zijn betoog stond de boodschap centraal dat de Libische bevolking op korte termijn positieve effecten moet kunnen zien van de komst van de Presidentiele Raad naar Tripoli. Om die reden zijn de economische en veiligheidssituatie momenteel prioritair in zijn beleid, waarbij in het bijzonder wordt gewerkt aan herstel van de staatsinstellingen. Daarnaast erkende Serraj het belang van planning op de lange termijn, bijvoorbeeld op het gebied van de rechtstaat en mensenrechten. Voorts sprak Serraj de intentie uit om met de EU samen te werken op vlak van contra-terrorisme, mensensmokkel en smokkel van drugs en wapens. Hiertoe verwelkomde hij eventuele EU-steun voor de kustwacht. Als overige prioritaire terreinen voor samenwerking noemde Serraj het versterken van de veiligheidssector, de gezondheidssector, lokaal bestuur, grensbewaking en management, het versterken van het maatschappelijk middenveld, het ondersteunen van het midden- en kleinbedrijf en deelname van vrouwen aan het politieke proces.

Tijdens het diner onderstreepten de Ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie het belang van de aanwezigheid van de Presidentiele Raad in Tripoli. De Ministers waren tegelijkertijd eensgezind in hun bezorgdheid over het fragiele politieke proces, mede in het licht van de aanwezigheid van ISIS en de groeiende migratiestromen vanuit Libië. Het is nu zaak dat de eenheidsregering effectief leiderschap toont om het draagvlak onder de Libische bevolking te vergroten. Het op korte termijn voorzien in primaire levensbehoeften zoals voedsel, medicijnen, elektriciteit en brandstof, speelt daarbij een belangrijke rol. De Ministers herhaalden daarbij dat de EU de eenheidsregering als enige legitieme overheid in Libië beschouwt en riepen de House of Representatives en andere instituties, zoals de State Council, op de taken te vervullen die hun zijn toebedeeld in het Libische Politieke Akkoord.

De Ministers bespraken hoe de EU Libië kan ondersteunen. Verschillende lidstaten onderstreepten daarbij het belang van Libisch eigenaarschap (ownership). Daarbij heb ik onderstreept dat er met de eenheidsregering aan een gezamenlijke agenda moet worden gewerkt voor het versterken van de veiligheidssector. Ook het belang van nauwe samenwerking met de buurlanden van Libië, met name Egypte en Tunesië, werd door verschillende lidstaten onderstreept. HV Mogherini vroeg aandacht voor het beter coördineren van zowel EU-activiteiten als initiatieven van lidstaten en andere actoren.

Tijdens het diner kwamen tevens de planningsinitiatieven ter ondersteuning van de Libische veiligheidssector ter sprake. Op verzoek van de Libische autoriteiten zou een GVDB-missie de politie en justitiële keten kunnen versterken met daarbij een mogelijke focus op terreinen als contra-terrorisme, grensbewaking, irreguliere migratie en mensenhandel. Mogelijke aanvullende steun via operatie EUNAVFOR MED Sophia, bijvoorbeeld door capaciteitsopbouw van de kustwacht, werd ook besproken. Tot slot werd afgesproken dat bestaande GVDB-missies in de Sahel worden uitgebreid met het oog op een stabiele regionale veiligheidscontext.

EDA-bestuursraad

De Ministers van Defensie spraken als EDA bestuursraad over het beleidskader voor langdurige en structurele defensiesamenwerking, het begrip strategische autonomie en het Defensie Actieplan van de Europese Commissie.

Het uitvoerend hoofd van het EDA, de heer Domecq, wees op de uitkomsten van de tussentijdse evaluatie van het beleidskader. Domecq merkte op dat het beleidskader meer gewicht zou moeten krijgen, nadat de nieuwe Buitenland- en Veiligheidsstrategie is gepresenteerd. Het nieuwe ambitieniveau dat hierin wordt verwoord moet ook leiden tot een beschrijving van de benodigde militaire capaciteiten. Het beleidskader kan daarin een belangrijke rol spelen. Ik heb gesteld dat alle instrumenten voor het versterken van defensiesamenwerking in Europa binnen handbereik zijn. Het gaat er nu om dat deze ook worden toegepast. Dat vergt ook politieke bereidheid. Ik heb, evenals in februari in Amsterdam, gepleit voor een jaarlijks moment waarop Ministers van Defensie de stand van zaken van defensiesamenwerking bespreken (stock taking). Dit kan niet alleen lidstaten, maar ook de EU en de Navo helpen bij het versterken van defensiesamenwerking. Een aantal lidstaten deelde die mening.

Domecq introduceerde vervolgens het begrip «strategische autonomie» dat voort is gekomen uit de conclusies van de Europese Raad in december 2013. Volgens het EDA moet de EU over een «vrijheid van handelen» (freedom of action) beschikken. De EU moet in staat zijn om op sommige momenten onafhankelijk van anderen op te kunnen treden. Daar zijn kritische capaciteiten en technologieën voor nodig. Maar de trans-Atlantische band blijft van belang en het is geenszins de bedoeling om een «fortress Europe» te creëren. Deze opvatting werd breed gedeeld door de lidstaten. Ik heb hier benadrukt dat het niet alleen gaat om de mogelijkheid tot handelen, maar ook om de bereidheid tot inzet van de middelen. Lidstaten waren het erover eens dat strategische autonomie betekenis heeft voor zowel de beschikbaarheid van militaire capaciteiten als de defensie-industrie en de beschikbare technologieën in Europa. Deze discussie zal naar verwachting worden voortgezet bij de totstandkoming van de nieuwe Buitenland- en veiligheidsstrategie en de vervolgdocumenten.

Eurocommissaris Bienkowska ging in haar interventie in op het Europese Defensie Actie Plan. Zij verwees allereerst naar het belang van de goede uitvoering van de bestaande richtlijnen. De evaluatie later dit jaar van deze richtlijnen is daarbij richtinggevend. Ook ten aanzien van R&T (research & technology) zijn de verwachtingen hoog. De noodzaak voor speciaal onderzoeksprogramma voor defensie (European Defence Research Programme (EDRP)) groeit, maar daarvoor is de Preparatory Action (PA)van cruciaal belang, aldus Bienkowska. Als de PA niet slaagt, zal de weg naar een EDRP moeilijk worden. Een aantal lidstaten uitte zorgen over het bedrag dat beschikbaar zal komen voor de PA. Het lijkt er op dat dit lager zal uitvallen dan het bedrag dat in het advies van de Group of Personalities wordt genoemd.

Raad Buitenlandse Zaken met Ministers van Defensie

Agenda onderwerp 1: Capaciteitsopbouw ter ondersteuning van veiligheid en ontwikkeling (CBSD)

Eurocommissaris Bienkowska informeerde de Ministers van Defensie over CBSD en benadrukte dat de Commissie zich goed bewust is van de verwachtingen van de lidstaten, vooral ten aanzien van ondersteuning aan en financiering van militaire activiteiten. De Commissie heeft onlangs, volgens de procedures van betere regelgeving, een publieke consultatieprocedure gestart. Bienkowska sprak de hoop uit dat wanneer deze procedure is voltooid de Commissie in juni met concrete voorstellen kan komen.

De lidstaten waren teleurgesteld over het uitblijven van vooruitgang op dit onderwerp. Zij onderstreepten de operationele noodzaak, vooral bij de trainingsmissies in Mali, Somalië en de Centraal Afrikaanse Republiek. Een aantal lidstaten had vooraf voorstellen ingediend en de HV en de Commissie opgeroepen om op korte termijn gebruik te maken van bestaande financiële instrumenten. Op langere termijn kan dan worden gewerkt aan een speciaal instrument voor de financiering van activiteiten die ondersteunend zijn aan militaire operaties of missies. Ook ik heb gepleit voor een snelle oplossing van wat vooral een juridisch probleem lijkt. HV Mogherini zegde toe dit nog voor juni met haar collega’s in de Commissie te bespreken en te bezien welke oplossingen er zijn om financiering door de Commissie mogelijk te maken van activiteiten die ondersteunend zijn aan militaire operaties.

Agenda onderwerp 2: aanpak van hybride dreigingen

HV Mogherini presenteerde de gezamenlijke mededeling van de Commissie en EDEO over hybride dreigingen. Zij wees daarbij op vier aandachtsgebieden die relevant zijn voor defensie:

  • Het vergroten van situational awareness door het oprichten van een EU Hybrid Fusion Cell in het EU Intelligence and Situation Centre (INTCEN) binnen de EDEO;

  • Het versterken van de weerbaarheid van EU-instituties en de lidstaten;

  • Het onderzoeken van de bruikbaarheid van artikel 42.7 (wederzijdse bijstandsclausule) en artikel 222 (solidariteitsclausule);

  • Het verbeteren van de samenwerking met de Navo, vooral ten aanzien van crisis preventie, cyber veiligheid en strategische communicatie.

Ook Eurocommissaris Bienkowska verwelkomde de mededeling. Zij onderstreepte dat de Commissie een bijdrage kan leveren om de weerbaarheid van lidstaten te vergroten, vooral bij het beschermen van infrastructuur en transport en op het gebied van cyber. Het gaat hier grotendeels om reeds bestaand beleid.

De secretaris-generaal van de Navo, de heer Stoltenberg, toonde zich zeer tevreden over de gezamenlijke mededeling. Juist ten aanzien van hybride dreigingen moeten de EU en de Navo nauw samenwerking, aldus Stoltenberg. De Europese Raad in juni en de Navo-Top in Warschau in juli bieden een goede mogelijkheid om gezamenlijk een verklaring af te geven over deze samenwerking, vooral ten aanzien van hybride dreigingen. Daarnaast pleitte Stoltenberg voor concrete uitwerking van deze samenwerking door beide organisaties in de vorm van playbooks. Tot slot zouden de EU en de Navo ook de oefeningen zoveel mogelijk parallel moeten laten lopen. Uiteindelijk moet een gezamenlijke oefening worden nagestreefd. Stoltenberg en HV Mogherini wezen ook op de door Nederland georganiseerde scenario-based policy discussion die het belang van samenwerking tussen de EU en de Navo duidelijk had onderstreept.

De lidstaten verwelkomden allen de mededeling en onderstreepten het belang van EU-Navo samenwerking. Ik heb er verder voor gepleit dat de EU Hybrid Fusion Cell snel operationeel moet zijn. De HV bevestigde dat dit snel zal gebeuren. Verder heb ik het pleidooi van de secretaris-generaal van de Navo voor een gezamenlijke EU-Navo verklaring in juni en/of juli gesteund. Ook de oproep om de samenwerking snel te concretiseren heb ik gesteund. Tot slot heb ik opgeroepen om jaarlijks in EU-verband te bezien welke vooruitgang is geboekt. Dat is in de raadsconclusies over de EU-aanpak van hybride dreigingen vastgelegd. HV Mogherini zal in de zomer van 2017 een voortgangsrapportage moeten presenteren.

AOB: EUPOL Afghanistan

In aanwezigheid van SG Navo Stoltenberg werd kort stil gestaan bij het eerdere verzoek van de Navo aan de EU om aanwezig te blijven in Afghanistan en de Afghaanse Nationale Politie (ANP) te ondersteunen. HV Mogherini zegde toe dat de EU de ANP zal blijven ondersteunen, maar dat momenteel wordt bekeken in welke vorm dit mogelijk is.

Verlenging Nederlandse bijdrage aan EU CAP Sahel

Het kabinet heeft vorig jaar besloten tot een bijdrage aan de Europese capaciteitsopbouwmissie in de Sahel (EUCAP Sahel Mali). Deze missie heeft tot doel de Malinese veiligheidsdiensten te adviseren en te trainen. Het kabinet heeft besloten de huidige Nederlandse bijdrage, bestaande uit een functionaris van de Koninklijke Marechaussee en een civiel expert, te verlengen tot eind januari 2017. De totale Nederlandse bijdrage aan deze missie kan oplopen tot maximaal acht functionarissen.

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert

Naar boven