Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201521501-28 nr. 127

21 501-28 Defensieraad

Nr. 127 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 mei 2015

Hierbij bied ik u het verslag aan van de Raad Buitenlandse Zaken met Ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie van 18 mei 2015.

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert

VERSLAG RAAD BUITENLANDSE ZAKEN MET MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN VAN DEFENSIE VAN 18 MEI 2015

Op 18 mei jl. werd de Raad Buitenlandse Zaken met Ministers van Defensie gehouden in Brussel. In de ochtend kwamen de Ministers van Defensie samen als bestuursraad van het Europees Defensie Agentschap (EDA). Daarna spraken de Ministers van Defensie in de gebruikelijke Raadsformatie over de lopende militaire GVDB-missies en operaties.

Tijdens de gezamenlijke vergadersessies met Ministers van Defensie en Ministers van Buitenlandse Zaken is gesproken over de veiligheidssituatie in het nabuurschap, de voorbereidingen op de Europese Raad (ER) van 25 en 26 juni aanstaande, de strategic review en de follow-up van de buitengewone Europese Raad (ER) van 23 april jl. over migratie. Tijdens de sessie over migratie is het Crises Management Concept voor de nieuwe militaire GVDB-operatie EUNAVFOR MED en het raadsbesluit om de operatie op te richten aangenomen. Tot slot hebben de Ministers van Buitenlandse Zaken gesproken over het Vredesproces in het Midden-Oosten en de situatie in Burundi en Macedonië.

De EDA Bestuursraad

De Ministers van Defensie bespraken tijdens de EDA Bestuursraad hun bijdrage voor de Europese Raad in juni. Zij constateerden dat de vier lopende projecten (air-to-air refuelling, satellietcommunicatie, RPAS en cyber) volgens schema verlopen, maar ook de nodige aandacht vergen de komende tijd. Het voorstel van het EDA om nieuwe projecten te starten werd met enige terughoudendheid ontvangen. Lidstaten benadrukten dat nieuwe projecten voort moeten komen uit de tekorten die zijn geïdentificeerd in het aangepaste Capability Development Plan. Nederland heeft dit punt gesteund. De Bestuursraad heeft verder een herzien actieplan aangenomen om de toegang van het midden en kleinbedrijf (MKB) tot de defensiemarkt te stimuleren. Nederland heeft dit hernieuwde actieplan gesteund en heeft ook het belang onderstreept van de adviesgroep die zich onder leiding van de Commissie over dit vraagstuk buigt.

Lopende GVDB-missies en operaties

In het bijzijn van de Secretaris-generaal van de Navo, de heer Stoltenberg, bespraken de Ministers van Defensie de lopende GVDB-missies en operaties. De vijf militaire GVDB-missies en operaties (EUFOR Althea, EUNAVFOR Atalanta, EUMAM CAR, EUTM Mali en EUTM Somalië) stonden daarbij centraal. Een aantal lidstaten wees op destabilisering in de westelijke Balkan en noemde daarbij expliciet het belang van verlenging van het executief mandaat van EUFOR Althea.

HV Mogherini sprak haar waardering uit voor het werk van de 7000 mannen en vrouwen die deelnemen aan de EU-missies en operaties. Zij noemde het positief dat het werk van de EU in toenemende mate geïntegreerd en in afstemming met andere organisaties en EU-instrumentaria wordt gepland en uitgevoerd. HV Mogherini vroeg vervolgens nadrukkelijk aandacht voor de moeizame force generation en verzocht de lidstaten politieke toezeggingen na te komen door actief met mensen en middelen bij te dragen aan de GVDB-missies en operaties. Zij stelde dat er in de huidige veiligheidssituatie steeds meer een beroep zal worden gedaan op de EU en dat de EU hierop voorbereid dient te zijn.

HV Mogherini onderstreepte verder dat er gestreefd moet worden naar het zo effectief en duurzaam mogelijk maken van de missies en operaties. Het versterken van de capaciteitsopbouw van het ontvangende land door het train and equip vormt in deze een zinvolle bijdrage.

De Secretaris-generaal van de Navo, de heer Stoltenberg, sprak over de noodzaak voor verdere EU-Navo samenwerking. Hij benadrukte dat zowel de EU als de Navo worden geconfronteerd met dezelfde veiligheidssituatie en dreigingen en dat de aanpak daarvan complementair dient te zijn. De beleidsinstrumenten en middelen van beide organisaties dienen op een gecoördineerde wijze te worden ingezet. Stoltenberg ziet ook graag dat de samenwerking met EU-lidstaten die niet lid zijn van de Navo wordt verbeterd.

Voorbereiding van de Europese Raad op 25–26 juni aanstaande

De Ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie bespraken in een gezamenlijke sessie de voortgang op het gebied van het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB) in aanloop naar de Europese Raad van 25 en 26 juni 2015.

Ten aanzien van cluster 1 (effectiviteit en zichtbaarheid van het GVDB) onderstreepten de Ministers het belang van de samenwerking met verschillende partners en internationale organisaties, waaronder de VN, de Navo, de OVSE, de Afrikaanse Unie, de Arabische Liga, ASEAN en andere regionale partners.

In de conclusies onderstreept de Raad het belang om de koppeling tussen externe en interne veiligheid verder te versterken, waarbij zij ook verwijzen naar de huidige herziening van de Europese Agenda voor Veiligheid. De Raad heeft HV Mogherini verzocht om voor het eind van 2015 voorstellen te ontwikkelen voor een adequate reactie op hybride dreigingen, in het licht van de huidige ontwikkelingen. In de conclusies staat de Raad ook stil bij het werk op het gebied van cyber. De belangrijke positie die het internationaal recht inneemt bij de regulering van cyberspace is daarbij specifiek benoemd, mede in het licht van de uitkomsten van de in Nederland georganiseerde Global Conference on Cyberspace 2015.

In de raadsconclusies worden HV Mogherini en de Europese Commissie uitgenodigd om voor de zomer van 2016 een EU-breed strategisch raamwerk te ontwikkelen voor veiligheidssectorhervorming in derde landen in het kader van de geïntegreerde benadering van de EU. Ook verwelkomde de Raad de recente presentatie van de Gezamenlijke Mededeling over «Train & Equip» waardoor derde landen in staat moeten worden gesteld om zelf beter crises te managen en voorkomen. Lidstaten kijken uit naar voorstellen voor implementatie op korte termijn en de proefprojecten die in dit kader in Mali en Somalië worden opgezet. Nederland onderstreepte hierbij dat het «Train & Equip» initiatief in de bredere context van veiligheidssectorhervorming moet worden bezien. Een BNC-fiche over de mededeling zal uw Kamer in juni toekomen.

De Raad verwelkomde het nieuwe militaire Rapid Response Concept en bevestigde dat de EU Battlegroup (EU BG) het primaire militaire instrument van de EU blijft voor snelle inzetbaarheid. Het feit dat de EU BG nog niet is ingezet, bedreigt volgens verschillende lidstaten de geloofwaardigheid van de EU. Een aantal lidstaten opperde voorstellen om duidelijke afspraken te maken over de financiering van de inzet van de EU BG zodat het instrument gemakkelijker kan worden ingezet.

HV Mogherini stelde dat 70 procent van de Europese burgers verdere samenwerking op het gebied van het EU buitenlands- en defensiebeleid ondersteunt. Regeringsleiders en staatshoofden moeten volgens haar dit signaal serieus nemen en tijdens de Europese Raad in juni politieke wil tonen om het GVDB verder te versterken. Hiertoe benadrukt de Raad in de raadsconclusies het belang van toereikende defensiebestedingen en het zo efficiënt mogelijk gebruik hiervan voor versterking van capaciteitenontwikkeling, defensieonderzoek en samenwerking. Daarbij werden de vrijwillige criteria voor investeringen in materieel en research & technology (EDA benchmarks) die in 2007 zijn afgesproken, in herinnering gebracht.

Ten aanzien van cluster 2 (defensiesamenwerking) sprak de Raad over de noodzaak om civiele capaciteiten verder te verbeteren en de ontwikkeling hiervan te versnellen. De Raad moedigde het EDA aan om door te gaan met de ondersteuning van projecten voor collectieve capaciteiten door enablers en incentives te ontwikkelen in nauwe samenwerking met lidstaten. Daarbij werd het belang benadrukt van de ontwikkeling van concrete voorstellen die hun toegevoegde waarde laten zien. Nederland zei dat de EU en lidstaten het zich niet meer kunnen veroorloven om samenwerking slechts te baseren op vrijwillige inspanningen. Tot slot moedigde de Raad de lidstaten aan om het beleidskader voor systematische en lange termijn defensiesamenwerking – aangenomen in november 2014 – verder te implementeren.

Ten aanzien van cluster 3 (defensiemarkt en -industrie) verwelkomde de Raad het consultatieproces over de Preparatory Action (PA) voor GVDB-gerelateerd onderzoek dat in 2017 door de Europese Commissie wordt gelanceerd. De PA moet leiden tot een voorstel voor een breder onderzoeksprogramma onder het volgende Meerjarig Financieel Kader. De Group of Personalities zal hierover adviseren. Ook herhaalde de Raad de noodzaak voor het maximaliseren van dual-use synergiën in onderzoek en technologie op het gebied van defensie. De Raad verwelkomde verder de inspanningen van de Europese Commissie en het EDA om de European Defence Technological and Industrial Base (EDTIB) te ondersteunen, waarbij aangemoedigd werd investeringen in de Europese defensie-industrie te koppelen aan de bredere groei- en investeringsagenda van de voorzitter van de Europese Commissie Juncker.

In de raadsconclusies is het belang van toegang voor het MKB tot internationale toeleveringsketens onderstreept. De Raad heeft de oprichting van de adviesgroep voor grensoverschrijdende toegang voor het MKB verwelkomd. Nederland stelde dat er nog meer stappen moeten worden gezet om concrete resultaten te behalen.

EU strategic review

De Ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie bespraken in een gezamenlijke sessie de stand van zaken ten aanzien van de strategische herziening van het Europese buitenland- en veiligheidsbeleid («strategic review») in aanloop naar de Europese Raad van 25 en 26 juni a.s. De discussie vond plaats op basis van de samenvatting van de analyse (assessment) van de veranderende geopolitieke en veiligheidscontext en het beschikbare EU-instrumentarium van HV Mogherini. Zij voorzag het nieuwe strategische kader tijdens het Nederlands voorzitterschap van de EU in de eerste helft van 2016 gereed te hebben, nadat de Europese Raad van juni a.s. daartoe een opdracht verleend heeft. Daarbij zei zij het proces minstens zo belangrijk te vinden als het uiteindelijke resultaat. Nederland benadrukte het belang van een ambitieus tijdpad zodat al vroeg in 2016 over uitvoering hiervan kan worden gesproken. HV Mogherini voorziet een inclusief consultatieproces met naast bijdragen van de lidstaten betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, parlementen, academici en denktanks. Wel wil zij een gezamenlijke schrijfexercitie met de 28 lidstaten voorkomen.

Veel lidstaten vroegen in hun reactie aandacht voor «nieuwe» dreigingen, waaronder cyber en hybride oorlogsvoering/conflicten. Ook werd het belang van EU-Navo samenwerking onderstreept. Tevens noemden lidstaten het belang van geïntegreerd optreden, gebruik makend van het al beschikbare instrumentarium. Nederland benadrukte het belang van het GVDB in de geïntegreerde benadering en vroeg daarbij expliciet aandacht voor de «D» van defensie.

Follow-up buitengewone Europese Raad van 23 april over migratie

De Ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie bespraken ook de follow-up van de buitengewone Europese Raad (ER) van 23 april jl. over migratie. Tijdens deze Europese Raad, die bijeengeroepen was naar aanleiding van een aantal tragische ongevallen op de Middellandse Zee, werden verschillende concrete stappen besproken (en na afloop uitgewerkt in een roadmap) die de EU kan zetten om de migratieproblematiek aan te pakken.

Verschillende lidstaten benadrukten dat een geïntegreerde EU-aanpak noodzakelijk is, waarbij de verschillende voorhanden staande EU-instrumenten op coherente wijze worden ingezet. Ook voor Nederland is het belangrijk dat in de volle breedte naar de migratieproblematiek wordt gekeken, inclusief de aanpak van grondoorzaken van migratie en de noodzaak van actieve samenwerking met de landen van herkomst en doortocht. In dit verband kwam ook kort de op 13 mei jl. door de Europese Commissie gepresenteerde Agenda on Migration aan de orde. Het kabinet zal uw Kamer op korte termijn de appreciatie van de agenda toesturen.

De Ministers benadrukten dat het bereiken van stabiliteit in Libië essentieel is om de bredere migratieproblematiek aan te kunnen pakken. HV Mogherini gaf aan dat de EU het politieke proces om tot een regering van nationale eenheid te komen blijft steunen, terwijl de posities van de onderhandelende partijen ten aanzien van het door VN Speciaal Gezant Léon verspreide ontwerpakkoord nog ver uit elkaar liggen. Tijdens haar ontmoeting met de verschillende Libische partijen in Tunis op 30 april jl., heeft de HV hen opgeroepen om met het ontwerpakkoord in te stemmen en aangegeven dat de EU klaarstaat om een toekomstige eenheidsregering actief te steunen.

De Raad sprak over de aanpak van mensensmokkel via de Middellandse Zee. Deze smokkelroutes lopen vaak via Libië. De Raad heeft besloten tot oprichting van een EU maritieme operatie (EUNAVFOR MED) met als doel het «business model» van mensensmokkelaars te verstoren. Mede op verzoek van lid Pechtold tijdens de Regeling van Werkzaamheden d.d. 19 mei jl., informeer ik u hierbij nader over deze operatie. In eerste instantie zal worden ingezet op het in kaart brengen van mensensmokkelnetwerken door het verzamelen en delen van inlichtingen. Als mogelijke smokkelschepen geïdentificeerd zijn, kunnen deze onderzocht en in beslag genomen of onklaar gemaakt worden, om te voorkomen dat smokkelaars ze in gebruik kunnen nemen. Wanneer dit op zee gebeurt, zal de veiligheid van eventuele migranten aan boord voorop staan. Voor het enteren van schepen op volle zee of in territoriale wateren van een derde land, is een (volkenrechtelijk) mandaat nodig. Dit kan bijvoorbeeld een VN-Veiligheidsraadresolutie zijn of toestemming van de vlaggenstaat of kuststaat binnen wiens jurisdictie wordt opgetreden. In dit verband gaf de HV een terugkoppeling van haar recente bezoeken aan de VN Veiligheidsraad in New York, waar zij het voornemen tot oprichting van deze operatie heeft toegelicht. De Veiligheidsraad beraadt zich momenteel op het aannemen van een resolutie onder Hoofdstuk 7 van het VN-Handvest. Mede op aandringen van Nederland zal de Raad besluiten of er een adequaat volkenrechtelijk mandaat is, voordat naar een volgende fase in de operatie wordt overgegaan.

De operationalisering en invulling van deze operatie zal de komende tijd moeten worden uitgewerkt, met als inzet de formele lancering van de operatie tijdens de Europese Raad in juni. In Rome is het Operationeel Hoofdkwartier van de operatie geactiveerd. Nederland zal hier overeenkomstig de geldende afspraken twee militairen voor leveren. Deze zullen de komende week naar Rome afreizen. Dit hoofdkwartier moet in kaart brengen welke capaciteiten nodig zijn voor de nieuwe operatie, die complementair moet zijn aan de lopende operaties Frontex en Triton. Het leveren van de benodigde capaciteiten aan dit soort operaties is een gedeelde verantwoordelijkheid van alle EU-landen. Nederland levert al jaren een substantiële bijdrage aan Frontex en vanaf begin mei werkt een Nederlandse militaire planner in de liaison cell van de EU Delegatie in Tunis om de werkzaamheden van de United Nations Support Mission in Libya (UNSMIL) te ondersteunen.

In het kader van de follow-up van de Europese Raad van 23 april jl. werkt de Raad verder aan de versterking van de EU-grensbewakingsmissie in Noord-Niger (EUCAP Sahel Niger), in samenspraak met UNHCR en IOM, zodat mensensmokkel kan worden bestreden voordat de migranten Libië bereiken.

Midden-Oosten Vredesproces

De Ministers van Buitenlandse Zaken bespraken de situatie met betrekking tot het Midden-Oosten Vredesproces (MOVP). De Hoge Vertegenwoordiger opende de sessie met de opmerking dat het huidige gesternte (regionale instabiliteit, politiek klimaat in Israël, Palestijnse verdeeldheid) niet bemoedigend is, maar dat zij zal blijven streven naar een duurzame twee-statenoplossing. Mede in dat licht bezoekt zij, samen met EU Speciaal Vertegenwoordiger Gentilini, op 20 en 21 mei Israël en de Palestijnse Gebieden met als inzet om eerste stappen te zetten op weg naar verbetering van het vertrouwen tussen de betrokken partijen. Alleen op die manier kan sprake zijn van een geloofwaardig politiek proces. Als onderdeel hiervan moest worden gewerkt aan een nieuw raamwerk voor onderhandelingen in samenwerking met regionale spelers en de VS.

Vele lidstaten herhaalden het belang van het blijven vasthouden aan een twee-statenoplossing. De EU moet druk blijven uitoefenen op de partijen zodat zij geëngageerd blijven aan een duurzame oplossing en contraproductieve stappen, zoals uitbreiding van nederzettingen, afkeuren. HV Mogherini informeerde de Raad dat zij werkt aan een reactie op de brief van 16 Lidstaten over etikettering.

De situatie in Gaza kwam tevens ter sprake, onder meer tijdens de Nederlandse interventie waarin werd benadrukt dat de Palestijnse Autoriteit zijn verantwoordelijkheid moet nemen en de EU een actievere rol zou moeten spelen ten aanzien van Gaza. Commissaris Hahn gaf aan dat verbetering van de humanitaire situatie van groot belang is. Inmiddels is 82% van de toegezegde Europese bijdrage voor Gaza geleverd.

Burundi

De Raad heeft kort stil gestaan bij de situatie in Burundi na de poging tot staatsgreep van de afgelopen week. De Raad heeft deze unaniem veroordeeld en sprak zorgen uit over de zeer instabiele situatie in het land. De EU riep alle partijen in Burundi op om af te zien van acties die de ontstane spanning in het land verder doen oplopen en actief deel te nemen aan de door de VN en de AU gefaciliteerde inclusieve dialoog, die als doel heeft een vreedzame, politieke uitweg uit de crisis te bewerkstelligen. De Ministers constateerden dat onder de huidige omstandigheden geen vrije, eerlijke en inclusieve verkiezingen kunnen worden gehouden en riepen daarom op tot uitstel van de parlementaire en presidentiële verkiezingen in Burundi die gepland zijn op respectievelijk 26 mei en 25 juni 2015.

Macedonië

Naar aanleiding van de recente ontwikkelingen werd kort stilgestaan bij de situatie in Macedonië. HV Mogherini uitte zorgen over de huidige situatie en gaf aan dat de Raad bij een volgende bijeenkomst uitgebreider stil zal staan bij de situatie in het land. Lidstaten benadrukten het belang van nauwe EU-betrokkenheid en ondersteunden de actieve rol van Commissaris Hahn (EU Toetredingsonderhandelingen en Nabuurschapbeleid). Ook Nederland stelde bezorgd te zijn over de huidige situatie in Macedonië en de bredere trend op het gebied van democratische principes en de rechtstaat. Een actieve rol van de Commissie blijft nodig, in samenwerking met andere betrokken organisaties zoals de OVSE.

Toezeggingen

EUCAP Sahel Mali

Het kabinet maakt van de gelegenheid gebruik uw Kamer te informeren dat Nederland vanaf mei 2015 gedurende één jaar een aanvullende bijdrage (Kmar en Politie) van ongeveer 8 personen zal leveren aan EUCAP Sahel Mali, de civiele EU capaciteitsopbouwmissie in Mali. EUCAP Sahel Mali is sinds begin dit jaar operationeel en richt zich op de verbetering van de binnenlandse veiligheidssector door middel van training en advisering van politie, gendarmerie en de nationale garde. Versterking van de Malinese binnenlandse veiligheidssector moet er uiteindelijk onder meer toe bijdragen dat Mali beter in staat wordt gesteld grensoverschrijdende criminaliteit als drugs- en mensensmokkel aan te pakken. Omdat EUCAP de Malinese binnenlandse veiligheidsdiensten op strategisch niveau adviseert, zal Nederland met deelname aan deze missie ook bijdragen aan verduurzaming van de trainingsactiviteiten van zowel EUCAP Sahel Mali als MINUSMA. De bijdrage aan EUCAP Sahel is daarmee complementair aan de Nederlandse politie-inzet in MINUSMA. Nederland draagt op dit moment reeds een senior liaison and coordination officer bij aan EUCAP die toeziet op de samenhang van de activiteiten van de missie met andere internationale actoren in Mali.

Clingendael rapport «Defence matters: more urgent than ever»

Tijdens het algemeen overleg op 30 april jl. heeft uw Kamer het kabinet gevraagd een korte appreciatie te geven van het Clingendael-rapport «Defence matters: more urgent than ever». In dit rapport wordt de voortgang van de drie clusters beschreven, veelal op basis van open bronnen. De voortgangsrapportages van Hoge Vertegenwoordiger Mogherini en eurocommissaris Bienkowska waren ten tijde van publicatie van het Clingendael-rapport nog niet beschikbaar. Deze voortgangsrapportages zijn inmiddels openbaar en uw Kamer heeft op 15 mei jl. een appreciatie van deze rapporten ontvangen, inclusief een tabel waar per onderwerp op de implementatie van de gemaakte afspraken wordt ingegaan. Voor een groot deel is de analyse van Clingendael over de gemaakte vooruitgang juist. Het kabinet deelt echter niet de mening van Clingendael dat er ten aanzien van cluster 1 te weinig vooruitgang is geboekt. Zoals reeds eerder aan uw Kamer vermeld zijn er behoorlijke stappen gezet ten aanzien van de geïntegreerde benadering, Europese maritieme veiligheid en cyber. Het kabinet is van mening dat het hier nu vooral op de uitvoering van de overeengekomen beleidsdocumenten aan komt. De opmerking dat defensiesamenwerking vooral moet geschieden in de vorm van bilaterale regionale samenwerkingsverbanden deelt het kabinet, maar het kabinet is het ook eens met de toevoeging van Clingendael dat het Europees Defensie Agentschap een belangrijke rol speelt in het bij elkaar brengen van deze samenwerkingsverbanden. Ten slotte deelt het kabinet verreweg de meeste aanbevelingen van Clingendael, vooral ook ten aanzien van de noodzaak voor een nieuw strategisch kader voor de EU.

Overzicht Europese defensiesamenwerkingsverbanden

Zoals toegezegd tijdens het AO op 30 april jl, is een beschrijving van de Europese defensiesamenwerkingsverbanden als aparte bijlage van deze brief opgenomen.

Bijlage

Naar aanleiding van het verzoek van het lid Eijsink tijdens het algemeen overleg over de Raad Buitenlandse Zaken met Ministers van Defensie van 30 april jl., wordt in deze bijlage ingegaan op enkele Europese samenwerkingsverbanden op defensiegebied waarbij Nederland niet is betrokken.

Nordefco

Dit is een samenwerkingsverband op defensiegebied van Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden. Het betreft samenwerking op de gebieden van militaire capaciteiten, materieelprogramma’s, personeel en onderwijs, opleiding en training, en operaties. De landen werken bijvoorbeeld samen bij luchttransport, C-IED, cyber, simulatoren, mijnenbestrijding, de ontwikkeling van een bataljonstaakgroep, veteranenzorg, en in Afghanistan op het gebied van Medevac en de mentoring van het Afghaanse leger.

Visegrad-groep

Hongarije, Polen, Tsjechië en Slowakije werken op uiteenlopende gebieden samen waaronder op defensiegebied. Daarbij streven zij naar samenwerking bij de versterking van defensiecapaciteiten, waaronder de gezamenlijke ontwikkeling en aanschaf van materieel en samenwerking op industriegebied, naar de samenstelling van multinationale eenheden, naar grensoverschrijdende samenwerking, en naar samenwerking bij opleidingen en training waaronder gezamenlijke oefeningen. Bij de meest recente bijeenkomst van de Ministers van Defensie op 23 april jl. werden als kansrijke gebieden benoemd: gezamenlijke training en oefeningen, een gezamenlijke logistieke ondersteuningseenheid, bescherming tegen chemische, bacteriologische, radiologische en nucleaire wapens, Joint Terminal Attack Controllers en training voor speciale eenheden. Verder bestuderen de landen de gezamenlijke ontwikkeling van een nieuw pantservoertuig en de gezamenlijke luchtruimbewaking.

Frans-Britse samenwerking

Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk hebben in 2010 met de «Lancaster House» overeenkomsten afspraken gemaakt over een versterking van de defensiesamenwerking op uiteenlopende gebieden, waaronder materieel en terrorismebestrijding. Tevens is besloten tot de oprichting van een gezamenlijke operationele eenheid voor inzet in crisissituaties, de Combined Joint Expeditionary Force (CJEF). Het betreft een eenheid die per geval zal worden samengesteld uit beschikbare eenheden van beide marines, landmachten en luchtmachten als de situatie daar om vraagt. De CJEF kan worden ingezet in het kader van operaties van Navo, EU of VN maar ook als binationale operatie. De taken van de CJEF kunnen bijvoorbeeld betreffen een interventie in een crisisgebied, maar ook de evacuatie van eigen burgers of hulpverlening bij rampen. De CJEF moet in 2016 operationeel inzetbaar zijn en is in taken en opzet vergelijkbaar met de door het Verenigd Koninkrijk geleide Joint Expeditionary Force (JEF) in oprichting waaraan Nederland meedoet.

Duits-Poolse samenwerking

Behalve met Nederland werkt Duitsland intensief samen met vooral Frankrijk en Polen. Duitsland en Polen hebben in oktober 2014 een intentieverklaring getekend over de versterking van de onderlinge defensiesamenwerking, nadat in mei 2013 de marines van de twee landen dat al hadden gedaan. Het betreft onder meer samenwerking bij tank- en verkenningseenheden van de landmacht, eenheden voor inzet in hooggebergte en artillerie-eenheden. Verder heeft Polen Leopard-tanks van Duitsland overgenomen. Bij de marines gaat het onder meer om samenwerking op het gebied van onderzeeboten en geleide raketten. De twee landen zijn samen met Denemarken de leidende landen van het Navo-hoofdkwartier Multinational Corps North East in het Poolse Szczecin. In maart 2015 kondigden de Ministers van Defensie van de twee landen aan dat een Duits bataljon onder Pools bevel zou worden gesteld en een Pools bataljon onder Duits bevel. Ook wordt gestreefd naar een geïntegreerde bemanning van een onderzeeboot.

Franse-Duitse samenwerking

Frankrijk en Duitsland werken op uiteenlopende gebieden samen. Het meest zichtbare resultaat van de Frans-Duitse defensiesamenwerking is de gezamenlijke infanteriebrigade van ongeveer 6.000 militairen. De brigade bestaat uit twee Franse en twee Duitse infanteriebataljons plus ondersteunende eenheden en de commandant is afwisselend een Franse of een Duitse officier. Deze eenheid is het voornaamste bestanddeel van het Eurokorps (zie onder). De brigade is enkele malen ingezet voor operaties op de Balkan en in Afghanistan.

Eurokorps

Het Eurokorps is een gezamenlijk legerkorpshoofdkwartier van België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Spanje en vanaf 2016 ook Polen. De Frans-Duitse brigade vormt de kern van het Eurokorps en daarnaast kunnen de genoemde landen eenheden ter beschikking stellen indien daar behoefte aan is. Het Eurokorps is maakt geen deel uit van de Navo of EU-structuren maar kan wel voor een bepaalde periode voor deze organisaties worden ingezet, zoals in het verleden is gebeurd voor ISAF in Afghanistan of de NATO Response Force.