Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201421501-20 nr. 841

21 501-20 Europese Raad

Nr. 841 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 maart 2014

Hierbij bied ik u aan, mede namens de Minister-President, de gecombineerde geannoteerde agenda van de Europese Raad van 20–21 maart 2014 en de Raad Algemene Zaken van 18 maart 2014.

De Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans

GEANNOTEERDE AGENDA EUROPESE RAAD VAN 20–21 MAART 2014 EN RAAD ALGEMENE ZAKEN VAN 18 MAART 2014

Europese Raad 20–21 maart 2014

Europees Semester

De ER zal op basis van de Annual Growth Survey (AGS) en de bijdragen van de verschillende vakraden (samengevat in een nog te verschijnen «synthese-rapport» van het Griekse voorzitterschap dat door de RAZ van 18 maart a.s. besproken zal worden) richtsnoeren vaststellen voor de uitvoering van de economische prioriteiten zoals overeengekomen tijdens de ER van december 2013.

De prioriteiten die de Commissie in de AGS beschrijft, sluiten goed aan bij de uitdagingen waarvoor de EU staat (conform kabinetsappreciatie van de Commissiepublicaties in het kader van het Europees Semester (Kamerstuk 21 501-20 nr. 817). Nederland zal er tijdens de ER voor pleiten dat zowel de lidstaten als de EU ambitieus invulling geven aan de prioriteiten die in het kader van het Europees Semester zijn geïdentificeerd.

Daarnaast zal de ER spreken over de voortgang in de uitvoering van de landenspecifieke aanbevelingen voor 2013. Het kabinet hecht groot belang aan uitvoering van de landenspecifieke aanbevelingen. Het betreft een belangrijk instrument om elkaar binnen de Unie aan te spreken op de noodzaak van verstandig economisch en budgettair beleid. Nederland zal tijdens de ER het belang van implementatie en monitoring van de gemaakte afspraken benadrukken.

Ten slotte zal worden gesproken over de voorgenomen eerste (tussentijdse) evaluatie van de Europa 2020 strategie, waarover op 5 maart 2014 een Mededeling van de Commissie is verschenen.1 De Commissie zal een publieke consultatie over de Europa 2020 strategie houden, op basis waarvan zij begin 2015 mogelijke voorstellen zal doen voor de aanpassing van de Europa 2020 strategie. Ook het kabinet zal reageren op deze publieke consultatie. Uw Kamer zal vroegtijdig geïnformeerd worden over de kabinetsreactie op de consultatie.

In voorliggende mededeling beschrijft de Commissie dat de Europa 2020 strategie in de afgelopen jaren gemengde resultaten heeft gehad. De concrete doelen van de Europa 2020 strategie hebben bijgedragen aan een gefocuste inzet van Europese middelen, door deze zo veel mogelijk te richten op het bevorderen van slimme, duurzame en inclusieve economische groei. Daarnaast hebben deze doelen en de bijbehorende kerninitiatieven lidstaten en de Commissie geholpen om maatregelen te treffen met het oog op het versterken van het langetermijn groeivermogen van de EU. Zo is via het kerninitiatief «innovatie unie» het innovatiegericht inkopen EU-breed op de kaart gezet, waardoor overheidsbestedingen meer gaan bijdragen aan het stimuleren van innovatie. Ook zijn met het kerninitiatief voor een hulpbronnenefficiënt Europa stappen gezet, waarbij de Commissie wel constateert dat met het oog op concurrentiekracht en economische groei verdergaand beleid nodig is op dit terrein. Tegelijkertijd zijn er ook elementen waar de Europa 2020 strategie (nog) niet het gewenste resultaat boekt. Als lidstaten hun nationale ambities niet verhogen, zullen drie van de vijf de Europa 2020 doelen niet behaald worden: werkgelegenheid, investeringen in innovatie en armoedebestrijding.

Nederland zal tijdens de Europese Raad aangeven dat het van belang is dat alle stakeholders, waaronder sociale partners en decentrale overheden, betrokken zijn bij de consultatie over de Europa 2020 strategie. Hierdoor kunnen verbeteringen geïdentificeerd worden die leiden tot een meer effectieve Europese groeistrategie. Dit is van belang omdat de effecten van de crisis, zoals hoge schulden en de hoge werkloosheid, ook in de komende jaren op het groeiherstel zullen blijven drukken. Structureel hogere groeicijfers zullen bijdragen aan de afbouw van schulden en het herstel van werkgelegenheid.

Industrieel concurrentievermogen

Tijdens de ER zal een beleidsdebat worden gevoerd over het industrieel concurrentievermogen.

Op 22 januari jl. heeft de Commissie de mededeling «For A European Industrial Renaissance» uitgebracht. In deze mededeling stelt de Commissie prioriteiten voor het Europese industriebeleid. Zij bouwt daarmee voort op twee eerdere mededelingen inzake het Europese industriebeleid uit 2010 en 2012. De Commissie onderstreept in de mededeling het belang van de industrie voor het creëren van groei en banen. De Commissie geeft een overzicht van reeds genomen maatregelen en beschrijft nieuwe acties om het concurrentievermogen van de industrie te versterken.

Het kabinet ondersteunt de doelstelling van de Commissie om het concurrentievermogen van de Europese industrie te versterken, waarbij de focus dient te liggen op het moderniseren van de economie.

De invulling van het industriebeleid is daarbij allereerst de taak van de individuele lidstaten. In aanvulling hierop moet ook op Europees niveau verder worden gewerkt aan een concurrerend bedrijfsleven op die terreinen waar juist Europese samenwerking het verschil maakt. Ambitieuze inzet op Europees niveau is nodig bij versterking van de interne markt, verlaging van de regeldruk, verbetering van de toegang tot financiering voor bedrijven, stimulering van onderzoek en innovatie en de realisatie van open markten. Gezien de verwevenheid van industrie en diensten vindt het kabinet het van belang dat bij versterking van het concurrentievermogen van de industrie tevens wordt gekeken naar de (aanverwante) dienstensector. Het kabinet benadrukt met name het belang van een evenwichtig en gelijk speelveld met betrekking tot overheidsingrijpen, waarbij internationale monitoring en een systematische competitiveness proofing van groot belang zijn. Terecht wees de Europese Commissie bijvoorbeeld in de mededeling over de ontwikkeling van energieprijzen in Europa (d.d. 22 januari jl) op de concurrentiepositie van Europese bedrijven in vergelijking met andere landen. Voor een deel zijn de verschillen in prijzen van productiefactoren een onderdeel van de economische werkelijkheid en daarmee een gegeven. Niettemin is het belangrijk mogelijke negatieve effecten van nieuwe regelgeving in kaart te brengen. Het kabinet acht het dan ook van belang om binnen Europa systematischer te monitoren wat de effecten van beleidsvoorstellen zijn voor de concurrentiekracht van het Nederlandse en Europese bedrijfsleven (competitiveness proofing). Hierbij kan worden voortgebouwd op de ervaring in Europa en in Nederland bij het in kaart brengen van de administratieve lasten van voorstellen.

Klimaat en energie

De ER zal spreken over het op 22 januari jl. door de Europese Commissie gepubliceerde witboek Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020–2030. Over dit beleidskader heeft reeds een gedachtewisseling plaatsgevonden tijdens de Milieuraad en de Energieraad van respectievelijk 3 en 4 maart jl. Ook voor de Ecofin-Raad van 11 maart a.s. staat een gedachtewisseling op de agenda.

Daarnaast zal de ER spreken over de interne energiemarkt, mede op basis van de mededeling energieprijzen en concurrentiekracht die onderdeel van het witboek uitmaakt. Hierover heeft reeds een gedachtewisseling plaatsgevonden tijdens de Energieraad van 4 maart jl.

Witboek Beleidskader klimaat en energie 2020–2030

De Commissie doet in het witboek een voorstel voor bindend doel voor reductie van de uitstoot van broeikasgassen (40% in 2030 t.o.v. 1990). Daarnaast stelt de Commissie een doel voor op EU-niveau voor het aandeel hernieuwbare energie van 27% in 2030 in combinatie met een nieuw governance systeem: lidstaten zouden nationale energieplannen moeten opstellen en er zou op regionaal niveau overleg gevoerd moeten worden om het nationale beleid van de lidstaten op elkaar af te stemmen. Verder bevat het witboek een voorstel tot versterking van het Europese emissiehandelssysteem (ETS). Er wordt geen doel voor energie-efficiëntie voorgesteld; de Commissie wil eerst een evaluatie van de Richtlijn Energie-efficiëntie afwachten die later dit jaar zal verschijnen.

Op 7 februari jl. is de kabinetsreactie op het witboek aan uw Kamer verzonden. Op 18 en 20 februari hebben de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en de Minister van Economische Zaken hierover met uw Kamer van gedachten gewisseld tijdens het AO Behandelvoorbehoud. De belangrijkste elementen uit de kabinetsreactie zijn:

  • Het kabinet vindt het voorgestelde bindende doel van 40% emissiereductie van broeikasgassen in 2030 t.o.v. 1990 acceptabel als minimale uitkomst van de onderhandelingen binnen de EU.

  • Het kabinet kan instemmen met het voorstel voor een hernieuwbaar energiedoel voor de EU als geheel en ook met de voorgestelde hoogte daarvan (27%). De doelstelling mag het ETS niet verstoren, het kabinet vindt dat dit nog verder moet worden uitgewerkt.

  • Het kabinet vindt dat het voorgestelde governance systeem voordelen kan bieden, maar dat de Commissie meer duidelijkheid dient te geven over welke acties en maatregelen de Commissie overweegt indien na evaluatie van de nationale energieplannen blijkt dat het EU-doel van 27% hernieuwbare energie niet wordt gehaald. Het kabinet heeft als voorkeur dat in dat geval wordt gestuurd op het behalen van de reductiedoelstelling voor broeikasgassen.

  • Het kabinet acht het voorstel van de Commissie om de hoeveelheid te veilen emissierechten jaarlijks te verminderen met 2,20% en om een stabiliteitsreserve in te voeren, goede elementen om het ETS te versterken die goed kunnen passen bij het nationale SER Energieakkoord.

  • Het kabinet is teleurgesteld dat de Commissie heeft besloten de specifieke doelen gericht op de reductie van CO2 in transport niet te continueren en zal daarom in EU-verband aandringen op het behoud van de CO2-reductiedoelstelling in de richtlijn Brandstofkwaliteit.

Het kabinet wil dat de EU zo snel mogelijk een ambitieus Europees reductiedoel voor broeikasgassen voor 2030 vastlegt, bij voorkeur al op de ER van 20–21 maart. Gelet op het feit dat een aantal lidstaten terughoudend is bij het snel vaststellen van een reductiedoel, is het geenszins zeker dat besluitvorming ook daadwerkelijk op deze ER zal kunnen plaatsvinden.

Interne energiemarkt

Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op de mededeling van de Europese Commissie over energieprijzen in Europa (Kamerstuk 33 858 nr. 3), steunt het kabinet de aanbevelingen die de Commissie doet over de interne energiemarkt. De stijgende energieprijzen zijn een bron van zorg voor Europa: ze tasten de koopkracht van burgers aan en verhogen de lasten van bedrijven, waardoor de Europese concurrentiekracht verslechtert. Het kabinet pleit daarom voor:

  • 1. Het voltooien van de interne energiemarkt. Versnippering van beleid gaat ten koste van de Europese concurrentiekracht. Betere Europese en regionale coördinatie van energiebeleid is daarom cruciaal.

  • 2. Betere coördinatie van steunregelingen voor hernieuwbare energie binnen Europa om verdere negatieve grensoverschrijdende effecten op korte termijn te voorkomen. Hernieuwbare energie moet uiteindelijk integraal onderdeel worden van de energiemarkt, zodat gebruikers geconfronteerd worden met reële prijzen van energie.

  • 3. Regionaal oplossen van vraagstukken omtrent leveringszekerheid. Voorkomen moet worden dat nationale oplossingen in de vorm van capaciteitsmechanismen de werking van de interne markt verstoren.

Daarnaast is wat het kabinet betreft het waarborgen van een gelijk speelveld van cruciaal belang, zowel binnen de EU als daarbuiten. Ontheffingen en speciale belastingregimes kunnen specifieke Europese industrieën beschermen tegen de effecten van internationaal uiteenlopende energieprijzen, op voorwaarde dat deze niet marktverstorend zijn en passen binnen de geldende staatssteunregels.

Belastingen

De ER in december 2013 concludeerde dat de aangepaste spaartegoedenrichtlijn in maart 2014 dient te worden aangenomen. Definitieve besluitvorming is voorzien voor de Ecofin-Raad van 11 maart a.s. Het kabinet ziet graag snelle aanname van de aangepaste spaartegoedenrichtlijn.

Mogelijk neemt de ER tevens kennis van de voortgang ten aanzien van andere fiscale dossiers, zoals de Administratieve Samenwerkingsrichtlijn, de werkgroep over belastingen in relatie tot de digitale economie en de aanpak van belastingfraude en belastingontwijking.

Bankenunie

Indien de Raad en het Europees Parlement tot overeenstemming komen over de verordening inzake het Single Resolution Mechanism, zal de ER dit verwelkomen.

Oekraïne

De Raad kwam in de afgelopen weken twee maal in bijzondere sessie bijeen om te spreken over ontwikkelingen in Oekraïne: op 20 februari en op 3 maart. Meest recentelijk werd uw Kamer geïnformeerd over de situatie in Oekraïne en de Nederlandse inzet op 2 maart (inzet voor ingelaste Raad van 3 maart) en 3 maart (verslag van ingelaste Raad) en 5 maart jl. (kamerbrief inzake steun aan Oekraïne). Op 6 maart kwamen Europese regeringsleiders bijeen om te spreken over de situatie in Oekraïne. In het verslag van deze bijeenkomst, dat uw Kamer heden tezamen met de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse zaken van 17 maart a.s. toegaat, wordt de meest actuele stand van zaken weergegeven, alsmede de Nederlandse appreciatie hiervan en de vervolgstappen die de Europese regeringsleiders zijn overeengekomen. Mochten zich tussentijds ontwikkelingen voordoen dan zal uw Kamer, conform mijn toezegging tijdens het algemeen overleg over Oekraïne van 4 maart en in lijn met staand beleid, hiervan onverwijld op de hoogte worden gebracht.

EU-Afrika Top

De ER zal de top van de Europese Unie met Afrikaanse landen voorbereiden die op 2 en 3 april a.s. in Brussel zal plaatsvinden. De Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken zullen de top bijwonen. De inzet van het kabinet met betrekking tot deze top is beschreven in de geannoteerde agenda van de Raad Buitenlandse Zaken van 16 maart 2014, die uw Kamer heden toegaat.

Raad Algemene Zaken 17 maart 2014

Naast de voorbereiding van de Europese Raad spreekt de Raad Algemene Zaken over de volgende onderwerpen.

Subsidiariteit

Naar aanleiding van het Nederlandse verzoek tijdens de RAZ van 19 november jl. om – in aanloop naar de EP-verkiezingen – op Raadsniveau een debat te voeren over subsidiariteit en de prioriteitsstelling binnen de EU, heeft het Griekse voorzitterschap ingestemd met bespreking van dit onderwerptijdens de lunch van deze RAZ.

Nederland zal uiteenzetten op welke wijze aan het begin van de nieuwe institutionele cyclus van de EU invulling zou kunnen worden gegeven aan de, inmiddels breder gevoelde, wens om tot een betere focus van de initiatieven van de Unie te komen, conform het adagium «Europees wat moet, nationaal wat kan».

Tijdens het op 23 januari jl. door het instituut Clingendael en het Brusselse Centre for European Policy Studies (CEPS) georganiseerde seminar over dit onderwerp was er onder lidstaten brede belangstelling. Sindsdien is met een groot aantal lidstaten, alsook met de Europese Commissie contact geweest. Belangrijke randvoorwaarden voor de steun van de meeste lidstaten zijn dat dit initiatief binnen de bestaande institutionele kaders blijft (geen Verdragswijziging), dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de communautaire methode en dat wordt benadrukt dat de gewenste betere focus een kwestie is van twee-richtingenverkeer. Het kabinet zet zich in voor een oproep van de (Europese) Raad aan de nieuwe Commissie om een betere focus aan te brengen in haar werkzaamheden. Deze inzet kabinet voldoet zoals bekend al vanaf het begin aan alle drie deze randvoorwaarden. De instituten CEPS en Clingendael hebben naar aanleiding van het genoemde seminar een publicatie uitgebracht die toegankelijk is via http://www.clingendael.nl/publication/first-steps-towards-practical-reform-agenda-eu . De discussie tijdens de RAZ zal worden gevoerd mede op basis van deze publicatie.

Afhankelijk van het verloop van het debat streeft het kabinet naar een voortzetting van de discussie, op basis van consensus tussen de 28 lidstaten en naar zo concreet mogelijke werkafspraken voor de komende periode.

Commissiemededeling rechtsstatelijkheid

De RAZ zal naar verwachting kort spreken over de mededeling van de Commissie over het versterken van de rechtsstatelijkheid in de Unie, die naar verwachting op 11 maart a.s. gepubliceerd wordt – een jaar na de oproep van Denemarken, Duitsland, Finland en Nederland hiertoe. Het kabinetsstandpunt hierover zal uw Kamer zo spoedig mogelijk toegaan, in combinatie met de kabinetsreactie op het AIV advies «De rechtsstaat: waarborg voor Europese burgers en fundament van Europese samenwerking» dat op 24 februari jl. aan uw Kamer is aangeboden.

Rapporten Coöperatie- en Verificatiemechanisme Roemenië en Bulgarije

Tijdens de RAZ worden conclusies aangenomen over de stand van zaken in Roemenië en Bulgarije met betrekking tot de voortgang in de hervormingen in het kader van het Coöperatie- en Verificatiemechanisme. Deze Raadsconclusies weerspiegelen de analyse en conclusies van de rapporten, erkennen de reeds gerealiseerde resultaten en dringen aan op spoedige en strikte opvolging van de aanbevelingen. Zij verwijzen naar het belang van de waarden en principes van de Europese Unie, en onderstrepen dat beide landen nog stappen moeten zetten om de duurzaamheid van de hervormingen te waarborgen. Tevens wordt benadrukt dat het CVM dient te worden gecontinueerd totdat alle ijkpunten zijn verwezenlijkt. De Commissie zal over zes maanden rapporteren over de ontwikkelingen in het kader van het CVM.


X Noot
1

De geannoteerde agenda vervangt een BNC-fiche over de mededeling «taking stock of the Europe 2020 strategy». Uw Kamer zal nader geïnformeerd worden over het kabinetsstandpunt via de Nederlandse reactie op de consultatie over de Europa 2020 strategie die na de Europese Raad gelanceerd wordt.