Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201721501-20 nr. 1170

21 501-20 Europese Raad

Nr. 1170 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN FINANCIËN EN VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 november 2016

De Europese Commissie heeft op woensdag 16 november de start van het Europees Semester van 20171 ingeluid met de publicatie van de jaarlijkse analyse van groeiprioriteiten van de Europese Unie voor 2017 (Annual Growth Survey, AGS), het jaarlijkse rapport over het waarschuwingsmechanisme (Alert Mechanism Report, AMR) in het kader van de macro-economische onevenwichtighedenprocedure (MEOP), en de aanbevelingen voor de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten van de eurozone. De aanbeveling over de zogenoemde fiscal stance voor de eurozone is uitgewerkt in een aparte mededeling, die de Commissie als onderdeel van het pakket heeft uitgebracht. Daarnaast heeft de Commissie oordelen over de Draft Budgetary Plans uitgebracht. De Kamer wordt hierover geïnformeerd in de geannoteerde agenda van de Eurogroep van 5 december aanstaande (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1406).

De prioriteiten van de Commissie worden in 2017 voortgezet: verantwoord begrotingsbeleid, structurele hervormingen en productieve investeringen en de samenhang ertussen. Lidstaten dienen zelf invulling te geven aan de EU-brede prioriteiten en de uitdagingen die de Commissie aan het begin van het Semester van 2017 heeft vastgesteld. Met de mededeling over de fiscal stance voor de eurozone roept de Commissie lidstaten die binnen de begrotingsregels ruimte hebben op om daar ook gebruik van te maken als ze daar nationaal mogelijkheden voor zien.

Deze brief geeft de visie van het kabinet weer op de analyse en economische beleidsprioriteiten die in de mededelingen van de Commissie toegelicht worden.

Stand van zaken van de economie

De Commissie is over het geheel genomen positief over de economische ontwikkelingen in de eurozone. Vergeleken met de crisis staan de economieën er beter voor. Ook is de Commissie positief over de prestaties van de Nederlandse economie. Volgens de meest recente ramingen van de Commissie groeit de Nederlandse economie naar verwachting met 1,7% in zowel 2016 als in 2017. Het Centraal Planbureau raamt identieke groeicijfers. De laatste realisatiecijfers van de economische groei in de eerste drie kwartalen van 2016 geven echter aanleiding om aan te nemen dat de economische groei dit jaar hoger zal uitvallen.2 Daarmee hoort Nederland bij de best presterende lidstaten van Europa.

Annual Growth Survey

In de Annual Growth Survey blikt de Commissie vooruit op de belangrijkste economische beleidsuitdagingen voor het komende jaar. De Commissie stelt voor om in 2017 verder te werken aan de drie prioriteiten die ook al in voorgaande jaren centraal stonden: 1) bevorderen van investeringen, 2) implementatie van structurele hervormingen en 3) verantwoord begrotingsbeleid. Lidstaten zouden daarbij volgens de Commissie moeten inzetten op eerlijke sociale uitkomsten en inclusieve groei. Hieronder volgt per prioriteit een omschrijving van de insteek van de Commissie en de reactie van het kabinet.

1. Bevorderen van investeringen

De Commissie constateert dat de investeringen in de Europese Unie weliswaar toenemen, maar dat inspanningen moeten worden vergroot om het verdienpotentieel van de Europese economie verder te versterken. De Commissie acht voortgang op een aantal terreinen noodzakelijk om investeringen te bevorderen. Zo is het van belang dat de financiële sector goed functioneert. Daarnaast dienen EU-fondsen zich meer te richten op investeringen in de context van het Europese Investeringsplan. Verder is het van belang dat lidstaten stappen ondernemen om investeringsbarrières op nationaal, regionaal en lokaal niveau weg te nemen.

Het kabinet is het met de Commissie eens dat gerichte investeringen het groeipotentieel van de economie kunnen versterken. Zoals reeds aangegeven door middel van een BNC-fiche3 staat het kabinet constructief tegenover het commissievoorstel voor wijziging van de EFSI-verordening. De onafhankelijk evaluatie door een externe partij is inmiddels afgerond. De Kamer wordt hierover geïnformeerd in de Geannoteerde Agenda van de Ecofin Raad van 6 december aanstaande (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1406). Het kabinet acht het daarnaast van belang dat er voldoende progressie wordt geboekt met de derde pijler van het Europese Investeringsplan, gericht op verbetering van het investeringsklimaat. Voor het bevorderen van investeringen is het immers allereerst van belang dat er sprake is van een gezond investeringsklimaat en dat investeringsbarrières worden weggenomen. Het belang van investeringen in kennis en innovatie staan daarbij hoog op de agenda. Dit sluit aan bij de Nederlandse inzet om op dit vlak tot de voorhoede van de wereld te blijven behoren. Het kabinet spant zich hiervoor in, in nauw partnerschap met bedrijven, kennisinstellingen en medeoverheden.

Het kabinet onderschrijft de mening van de Commissie dat vervolmaking van de kapitaalmarktunie kan bijdragen aan betere financieringstoegang voor bedrijven en derhalve productieve investeringen en economische groei kan bevorderen. Daarnaast benoemt de Commissie dat vervolmaking van de bankenunie naast risicodeling ook risicoreductie vergt en stelt de Commissie dat banken moeten worden aangemoedigd om hun operationele efficiëntie te verbeteren. Het kabinet onderschrijft deze inzet van de Commissie, waarbij de kabinetsinzet ten aanzien van de bankenunie nader uiteen wordt gezet in de paragraaf over de aanbevelingen voor de eurozone.

Het kabinet deelt ook de analyse van de Commissie dat het aantal niet-presterende leningen op bankbalansen momenteel een rem op investeringen en groei in het eurogebied vormt. Hierbij verwelkomt het kabinet de inzet van de Commissie dat verbetering van insolventieraamwerken kan bijdragen aan het afbouwen van niet-presterende leningen op bankbalansen en dat inzet van publieke middelen vermeden moet worden bij het terugdringen van niet-presterende leningen. Daarnaast onderstreept het kabinet het belang van het nemen van voldoende voorzieningen door banken zelf. Adequaat toezicht inclusief een balansdoorlichting kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren.

2. Structurele hervormingen

De Commissie stelt dat lidstaten meer energie moeten steken in goed functionerende arbeids-, product-, en kapitaalmarkten, kwalitatief goed onderwijs en training en moderne en efficiënte sociale zekerheidsstelsels die innovatie en ondernemerschap stimuleren. Efficiënt functionerende economieën zijn nodig voor het aantrekken van investeringen en het scheppen van banen. De Commissie onderscheidt acties langs drie lijnen: 1) creëren van werkgelegenheid en het verbeteren van vaardigheden, 2) moderniseren van welvaartstaten en 3) vervolmaken van de interne markt.

Het kabinet deelt de inzet van de Commissie ten aanzien van het belang van hervormingen. Teveel lidstaten hebben een onvoldoende dynamische arbeidsmarkt, waardoor het scheppen van banen wordt beperkt. In Nederland is de arbeidsmarkt de afgelopen jaren verder versterkt. Verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd en hervormingen op de arbeidsmarkt – waaronder de modernisering van het ontslagrecht, een meer activerende inrichting van de Werkloosheidswet en de invoering van de Participatiewet – leiden aan de hand van hogere arbeidsmobiliteit en -participatie tot een beter functionerende arbeidsmarkt. Daarnaast is de belasting op arbeid structureel verlaagd.

Verder is ook de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt van belang. In Nederland werken we aan ambitieus onderwijs, dat leerlingen uitdaagt en voorbereidt op hun toekomst. Het is daarbij belangrijk om gelijke kansen te creëren en adequate vaardigheden mee te geven. Ook tijdens het werkzame leven dienen de vaardigheden voortdurend op peil te worden gehouden. Ten slotte sluit de nadruk van de Commissie op acties ter vervolmaking van de interne markt aan bij het grote belang dat het kabinet hecht aan het versterken van een diepere en eerlijkere Interne Markt als motor voor banen en economische groei in de Europese Unie. Snelle voortgang op terreinen als de digitale interne markt, die dienstenmarkt en de kapitaalmarktunie zal een substantiële bijdrage leveren aan een verhoging van de economische groei en de werkgelegenheid.

3. Verantwoord begrotingsbeleid

De Commissie legt meer dan in voorgaande jaren de nadruk op een «fiscal stance» voor de eurozone (de begrotingssituatie van eurolidstaten op geaggregeerd niveau). De Commissie pleit in de AGS, net zoals in de aanbevelingen voor de eurozone, voor een positieve fiscal stance voor 2017.

Het kabinet is geen voorstander voor een centrale rol voor het concept fiscal stance. Voor een uitgebreidere appreciatie hiervan wordt verwezen naar de paragraaf verderop in deze brief over de aanbevelingen voor de eurozone.

Joint Employment Report

Als bijlage bij de AGS heeft de Commissie het jaarlijks terugkerende Joint Employment Report (JER) gepubliceerd. De JER schetst de belangrijkste trends en uitdagingen voor werkgelegenheid en sociaal beleid en bevat een scorebord met indicatoren op werkgelegenheids- en sociaal gebied.

De Commissie schetst in dit document dat het economische herstel in toenemende mate gepaard gaat met groeiende werkgelegenheid, mede dankzij recente structurele hervormingen die lidstaten hebben doorgevoerd. Zo is de werkloosheid in de EU verder afgenomen tot 8,5% in september 2016 (10% in de eurozone), het laagste niveau sinds 2009 (2011 voor de eurozone). Ook staat de participatiegraad met 71,1% voor het eerst boven het niveau van 2008. Het percentage personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting is ook afgenomen, maar blijft met 23,7% in 2015 (24,4% in 2014) nog steeds hoog en iets boven het niveau van 2008. Ook blijven er verschillen bestaan tussen lidstaten: in sommige lidstaten zijn de armoede en werkloosheid veel hoger dan in andere.

Het rapport biedt ook een overzicht van de mate van hervormingsinspanningen in de EU lidstaten. De Commissie spoort lidstaten aan om verdergaande arbeidsmarkthervormingen door te voeren die bijdragen aan een krachtige en inclusieve arbeidsmarkt, die banengroei en arbeidsparticipatie stimuleren en een adequate balans vinden tussen zekerheid en flexibiliteit.

De Commissie gebruikt het scorebord met werkgelegenheids- en sociale indicatoren om ontwikkelingen op de arbeidsmarkten van de lidstaten beter zichtbaar te maken. De analyse die verbonden is aan dit scorebord wordt door de Commissie gebruikt in de analyses en documenten die zij publiceert in het kader van het Europees Semester, waaronder de landenrapporten en de landenspecifieke aanbevelingen. Aan de hand van het sociaal scorebord illustreert de Commissie dat er nog steeds grote verschillen tussen de lidstaten bestaan op sociaal gebied.

Uit het scorebord blijkt dat Nederland het in relatief opzicht zeer goed doet op sociaal gebied. Ten aanzien van alle hoofdindicatoren presteert Nederland op of boven het gemiddelde, en ten aanzien van de «NEET-rate» (percentage jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen) behoort Nederland tot de absolute kopgroep.

Het kabinet deelt de analyse van de Commissie dat de situatie op de arbeidsmarkt en op het sociale terrein vragen om continue beleidsinspanningen en aanhoudende hervormingen om de economische groei verder aan te jagen en baancreatie te ondersteunen. Ook de analyse dat de sociaaleconomische situatie in de EU nog gepaard gaat met de nodige uitdagingen wordt door het kabinet gedeeld. Overtuigende beleidsmaatregelen zijn nodig om inclusieve groei te bevorderen, banen te creëren en armoede te verminderen. Het kabinet ziet de beleidsmix zoals eerder in deze brief beschreven als de juiste aanpak om dit te bewerkstelligen.

Alert Mechanism Report

In het Alert Mechanism Report (AMR) worden aan de hand van een scoreboard met indicatoren en indicatieve drempelwaarden mogelijke macro-economische onevenwichtigheden opgespoord (zoals bubbels op de woningmarkt en private kredietgroei). Aan de hand van het scoreboard wordt bepaald welke lidstaten onderworpen worden aan nader onderzoek. Deze diepteonderzoeken moeten uitwijzen of en in welke mate de betreffende lidstaten te kampen hebben met macro-economische onevenwichtigheden en in hoeverre deze een risico vormen voor de lidstaten zelf en de Europese Unie als geheel.

De Commissie is voornemens om dit Semester dertien lidstaten nader te onderzoeken om vast te stellen in welke mate zij kampen met onevenwichtigheden. Dit zijn Bulgarije, Cyprus, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Kroatië, Nederland, Slovenië, Spanje, Portugal en Zweden. Vorig jaar betrof dit negentien lidstaten. Een aantal landen heeft te kampen met meervoudige onevenwichtigheden. In Cyprus, Kroatië en Portugal is er sprake van een combinatie van hoge private en publieke schulden, kwetsbare bankenstelsels en hoge negatieve netto-investeringsposities. In Italië speelt de combinatie van hoge overheidsschulden en zorgen over de concurrentiekracht en het hoge aantal slechte leningen op de bankbalansen. Verder zijn er ook landen die tekenen vertonen van oververhitting. Zo zijn in Denemarken, Zweden, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk de huizenprijzen sterk gestegen. Griekenland is voor de duur van haar macro-economisch aanpassingsprogramma uitgezonderd, omdat voortgang in de afbouw van onevenwichtigheden hier al op een andere manier gemonitord wordt. De resultaten van de diepteonderzoeken worden in het voorjaar van 2017 verwacht.

De Commissie zal voor het vijfde jaar op rij een diepteonderzoek uitvoeren naar mogelijke onevenwichtigheden in de Nederlandse economie die verband houden met de hoge schulden van huishoudens, voornamelijk als gevolg van de situatie op de woningmarkt. De Commissie constateert dat schulden langzaam worden afgebouwd, onder andere door de hervormingen op de woningmarkt. Daarnaast zal de Commissie kijken naar het overschot op de lopende rekening en de onderliggende onbalans tussen besparingen en investeringen.

Het kabinet heeft er begrip voor dat de Commissie de situatie ten aanzien van de hoge schulden van huishoudens ook nog in 2017 wil monitoren. De woningmarkthervormingen die door het kabinet zijn ingezet zullen komende jaren doorwerken zodat de stijging van de hypotheekschulden van huishoudens op een evenwichtige wijze verder wordt beperkt.

Indien een diepteonderzoek uitwijst dat een lidstaat met onevenwichtigheden kampt, kan de Raad op voorstel van de Commissie aanbevelingen doen of, bij buitensporige onevenwichtigheden die een risico vormen voor de stabiliteit van de eurozone, overgaan tot plaatsing van een lidstaat in de buitensporige onevenwichtighedenprocedure (de correctieve arm van de MEOP). In de praktijk krijgen lidstaten met buitensporige onevenwichtigheden de kans om in hun Nationaal Hervormingsprogramma (NHP) beleid aan te kondigen voor de aanpak van de geïdentificeerde onevenwichtigheden. Op basis van deze programma’s kan de Commissie alsnog voorstellen een lidstaat in de correctieve arm van de MEOP te plaatsen. Bij plaatsing in de correctieve arm worden lidstaten verplicht om hun onevenwichtigheden aan te pakken.

Aanbevelingen voor de eurozone

In de aanbevelingen voor het eurogebied benoemt de Commissie gezamenlijke beleidsuitdagingen voor het eurogebied. De Commissie heeft de volgende aanbevelingen voor de eurozone voorgesteld:

  • 1. Bevorderen van groei, aanpassingsvermogen, herbalancering en convergentie;

  • 2. Begrotingsbeleid en de fiscal stance voor de eurozone;

  • 3. Banencreatie en arbeidsmarkthervormingen;

  • 4. Voltooiing van de bankenunie en risicoreductie in de bankensector;

  • 5. Voltooiing van de EMU.

Hieronder volgt per aanbeveling een omschrijving van de insteek van de Commissie en een beschrijving van de wijze waarop het kabinet deze wil invullen.

1. Bevorderen van groei, aanpassingsvermogen, herbalancering en convergentie

Het kabinet steunt de inzet van de Commissie op beleid dat groei, convergentie en aanpassingsvermogen binnen het eurogebied bevordert. In de overwegingen bij de aanbevelingen roept de Commissie de Eurogroep bijvoorbeeld op om thematische discussies te blijven voeren en hierbij gebruik te maken van gedeelde principes en benchmarking. Het kabinet deelt de mening van de Commissie dat inzet van deze instrumenten een gedeeld begrip van beleidsuitdagingen kan creëren en kan bijdragen aan implementatie van hervormingen. De Eurogroep heeft goede ervaringen met thematische besprekingen, onder meer op het vlak van de belastingdruk op arbeid, pensioenen en insolventieprocedures.

De Commissie stelt dat lidstaten met een groot overschot op de lopende rekening versneld maatregelen moeten doorvoeren om de binnenlandse vraag, en in het bijzonder investeringen, te stimuleren. Nederland heeft van oudsher een relatief groot lopende rekeningoverschot, wat betekent dat Nederland meer spaart dan het in eigen land investeert. Dit overschot is deels te verklaren door structurele factoren als vergrijzingsgerelateerde besparingen (onder meer door pensioenfondsen), grote multinationals die tegoeden in Nederland aanhouden en de uitvoer van gas. Er zijn vooralsnog geen signalen dat het Nederlandse spaaroverschot te wijten is aan beleidsmatige verstoringen die leiden tot te hoge besparingen of te lage investeringen en die verholpen moeten of kunnen worden. Dat neemt natuurlijk niet weg dat het in voorkomende gevallen verstandig kan zijn voor overheden om meer te investeren. Het argument hiervoor moet niet in het terugbrengen van het overschot op de lopende rekening worden gezocht, maar in het bevorderen van duurzame groei. In deze context heeft bijvoorbeeld de interdepartementale Studiegroep Duurzame Groei investeringen geïnventariseerd ter versterking van het economisch groeipotentieel. Op dit moment werkt het kabinet aan de oprichting van een nationale investerings- en ontwikkelingsbank.

Daarnaast volgt uit de najaarsraming van de Commissie dat het Nederlandse overschot op de lopende rekening al geleidelijk afneemt van ruim 10% bbp in 2012 en 2013 naar 8,5% bbp in 2016 en 7,7% bbp in 2018. Deze afname wordt, naast de daling van de gasuitvoer, gedreven door een toename van de binnenlandse vraag. Zo groeit het investeringsniveau volgens de herfstraming in 2016 en 2017 met respectievelijk 6,9% en 4,4%. Op termijn zal ook de demografische ontwikkeling naar verwachting een drukkend effect op het overschot op de lopende rekening hebben naarmate meer pensioenbesparingen tot uitkering komen.

2. Begrotingsbeleid en de fiscal stance voor de eurozone

De Commissie besteedt in de aanbevelingen veel aandacht aan de budgettaire oriëntatie van het eurogebied als geheel (de fiscal stance) en heeft een separate mededeling over dit onderwerp uitgebracht. De Commissie definieert de fiscal stance van het eurogebied als de ontwikkeling van het geaggregeerde structureel saldo van alle eurolanden en stelt voor 2017 een budgettaire verruiming van 0,5% van het bbp voor de eurozone voor. Om deze verruiming te bereiken adviseert de Commissie: 1) aan lidstaten die hun budgettaire doelstelling overtreffen om budgettaire ruimte ten opzichte van hun doelstelling in te zetten, 2) aan lidstaten die een begrotingsopdracht hebben in de preventieve arm van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) om «broadly compliant» te zijn, 3) aan lidstaten in de correctieve arm van het SGP om hun tekorten tijdig terug te dringen en daarbij een buffer aan te houden voor onvoorziene omstandigheden.

Begrotingsafspraken in het SGP zijn leidend voor de coördinatie van het budgettaire beleid in het eurogebied. Het SGP kent een duidelijk regelgevend kader op basis van het «Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie» (VWEU) en de verordeningen. De Commissie verwijst bij de aanbevelingen voor de eurozone als juridische basis naar artikel 121(2) VWEU en 136 (VWEU). Dit betekent dat de Commissie voor wat betreft de fiscal stance wel een analyse mag uitvoeren en aanbevelingen mag doen, maar deze niet bindend zijn.

Zolang begrotingsbeleid binnen de regels van het SGP blijft, is het een nationale bevoegdheid. Daar waar lidstaten binnen de regels van het SGP ruimte hebben voor expansief begrotingsbeleid, is dit een afweging die op nationaal niveau gemaakt moet worden. Zo kan het in voorkomende gevallen verstandig zijn voor overheden om productieve en welvaartverhogende investeringen te doen.

Daarnaast is volgens het kabinet niet duidelijk waarom de Commissie dit jaar een fiscal stance van 0,5% van het bbp voorstelt, terwijl vorig jaar een neutrale fiscal stance passend werd geacht. De Commissie stelt in de mededeling dat economische activiteit, overcapaciteit, werkloosheid en inflatie in het eurogebied aanleiding geven voor een verruiming van de fiscal stance. Het kabinet merkt daarbij op dat de output gap, de mate van onderbezetting in de economie, voor de eurozone aan het sluiten is en de werkloosheid terugloopt.4 Dat geldt ook voor Nederland. Daarnaast is er een onverminderde noodzaak voor het herstellen van buffers, aangezien publieke schuldniveaus in het eurogebied gemiddeld nog steeds boven de 90% van het bbp liggen.

Het kabinet vindt het evenwel positief dat de Commissie benoemt dat een ondersteunende budgettaire oriëntatie ook bereikt kan worden door naar een meer groeivriendelijke compositie van overheidsfinanciën toe te werken. Vanuit het versterken van de arbeidsproductiviteit zijn vooral investeringen in human capital, kennis en innovatie kansrijk. Dit sluit tevens aan bij de thematische besprekingen die in de Eurogroep gevoerd worden over bijvoorbeeld de belastingdruk op arbeid en over spending reviews.

3. Banencreatie en arbeidsmarkthervormingen

De Commissie roept lidstaten op om hervormingen door te voeren die bancreatie, sociale convergentie en eerlijke sociale uitkomsten stimuleren, ondersteund door middel van een effectieve sociale dialoog. Hierbij dient ingezet te worden op arbeidscontracten die zekerheid en flexibiliteit bieden, een verbeterde aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, actief arbeidsmarktbeleid gericht op arbeidsparticipatie en moderne en adequate sociale zekerheidsstelsels die de meest kwetsbaren ondersteunen en arbeidsparticipatie stimuleren. De belastingdruk op arbeid moet worden verminderd, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt en in landen met een relatief laag concurrentievermogen.

Het kabinet kan zich goed vinden in deze aanbeveling. Het kabinet heeft in de afgelopen jaren reeds diverse hervormingen geïmplementeerd om de arbeidsparticipatie te verhogen en de arbeidsmarkt dynamischer en inclusiever te maken. Ook heeft het kabinet werk meer lonend gemaakt door middel van een verlichting van de structurele lasten op arbeid.

4. Voltooiing van de bankenunie en reductie van risico’s in de bankensector

Ten aanzien van de bankensector beveelt de Commissie aan om een Europees Depositoverzekeringsstelsel (EDIS) overeen te komen en te beginnen met het werk aan een gezamenlijk vangnet voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds. Daarnaast wordt gevraagd om een gezamenlijke strategie om risico’s aan te pakken in de bankensector, zoals probleemleningen, inefficiënte business modellen en overcapaciteit. Ook wordt ten aanzien van landen met hoge private schulden gewezen op het belang van een gecontroleerde afbouw ervan.

Het kabinet deelt de observatie van de Commissie dat de bankenunie nog niet is voltooid. Het kabinet benadrukt daarbij dat om dit doel te realiseren de routekaart voor de voltooiing van de Bankenunie gevolgd dient te worden zoals overgekomen door de Raad van 17 juni jl. De aangewezen volgorde uit de routekaart ten aanzien van alle maatregelen (inclusief risicoverminderende maatregelen) dienen derhalve in acht te worden genomen. Dit betekent allereerst dat ten aanzien van de verwachte Commissievoorstellen inzake risicovermindering onmiddellijk na verschijning de onderhandelingen dienen te starten met het oog op een spoedige uitvoering. Pas wanneer er voldoende verdere vooruitgang is geboekt op het terrein van risicovermindering, kunnen onderhandelingen ten aanzien van EDIS op politiek niveau plaatsvinden.

5. Voltooiing van de EMU

Ten aanzien van de voorstellen voor vervolmaking van de muntunie, waarmee volgens de Commissie voortgang dient te worden geboekt, zal het kabinet de voorstellen in het witboek, dat de Commissie naar verwachting in maart zal publiceren, afwachten en beoordelen.

Planning Europees Semester 2017

In onderstaande tabel is een weergave van de geplande besprekingen van de documenten in de verschillende Europese gremia.

December 2016

Start van het Europees Semester 2017 met de publicatie van:

– Annual Growth Survey 2017

– Alert Mechanism Report 2017

– Aanbevelingen voor de eurozone 2017

De publicaties worden besproken in de Ecofin-raad

De sociale en werkgelegenheidselementen van de aanbevelingen voor de eurozone worden besproken in de Raad WSBV (Ministers van Werkgelegenheid en Sociale Zaken).

Januari 2017

De Ecofin-Raad neemt conclusies aan over de Annual Growth Survey, het Alert Mechanism Report en bespreekt de aanbevelingen voor de eurozone (op basis van behandeling in de eurogroep).

Februari 2017

De Europese Commissie publiceert de landenrapporten, inclusief de diepteonderzoeken in het kader van de macro-economische onevenwichtigheden procedure.

Maart 2017

De Europese Raad bekrachtigt de aanbevelingen voor de eurozone en de Annual Growth Survey op basis van de verschillende Raadsformaties.

De Ecofin-Raad neemt de aanbevelingen voor de eurozone formeel aan.

De WSBV neemt conclusies aan over de Annual Growth Survey en het Joint Employment Report.

April 2017

De lidstaten dienen een Stabiliteits- of Convergentieprogramma en het Nationaal Hervormingsprogramma in bij de Europese Commissie

Mei 2017

Op basis van de landenrapporten en de programma’s van de lidstaten publiceert de Commissie haar voorstel voor de landenspecifieke aanbevelingen, die in de daaropvolgende maanden zullen worden behandeld in de relevante Raadsformaties.

De Ecofin-Raad neemt conclusies aan over de landenrapporten en diepteonderzoeken.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Het Europees Semester is het kader voor de afstemming van het economisch- en begrotingsbeleid van de lidstaten van de Europese Unie.

X Noot
2

CBS 15-11-2016.

X Noot
3

Kamerstuk 22 112, nr. 2221.

X Noot
4

De output gap wordt berekend als het verschil tussen het feitelijke bbp en het potentiële bbp.