Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201821501-08 nr. 730

21 501-08 Milieuraad

Nr. 730 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 mei 2018

Hierbij bied ik u het verslag aan van de Raad Algemene Zaken Cohesiebeleid van 12 april 2018.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer

Verslag Raad Algemene Zaken (RAZ) d.d. 12 april 2018

De agenda van deze Raad was volledig gewijd aan het Cohesiebeleid en de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESI-fondsen).

Er stonden twee hoofdpunten op de agenda:

  • 1. Een discussie over de strategische context en prioriteiten van het Cohesiebeleid na 2020.

  • 2. Een informatief punt met betrekking tot de communicatie over het Cohesiebeleid.

Strategische context en prioriteiten van het Cohesiebeleid na 2020

De Raad werd voor het overgrote deel besteed aan het eerste inhoudelijke agendapunt; een discussie over de strategische context en prioriteiten van het Cohesiebeleid na 2020. De Europese Commissie presenteerde op 2 mei 2018 haar voorstellen voor het nieuw Meerjarig Financieel Kader, waar het budget voor de Europese Structuur en Investeringsfondsen een significant deel van uitmaakt. Op 29 mei 2018 zal de Europese Commissie het beleidsvoorstel met betrekking tot het Cohesiebeleid presenteren.

Het voorzitterschap vroeg de lidstaten in te gaan op de volgende onderwerpen: de investeringsprioriteiten, de reikwijdte en de efficiëntie van het Cohesiebeleid post 2020. Nederland heeft tijdens de Raad gepleit voor: betere focus door het Cohesiebeleid te richten op minder thema’s en nadruk op innovatie, focus van het Cohesiebeleid op de minst welvarende lidstaten, het creëren van meer synergie tussen het Cohesiebeleid en het Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, als ook grotere Europese toegevoegde waarde door meer spillover creërende pan-Europese samenwerking. Daarnaast heeft Nederland aangegeven dat vereenvoudiging en differentiatie noodzakelijk zijn voor een efficiëntere uitvoering van het Cohesiebeleid (Kamerstuk 21 501-08, nr. 725).

Bij de behandeling van het agendapunt onderstreepte Eurocommissaris Creţu, verantwoordelijk voor Regionaal beleid, het belang van een voldoende omvang van de begroting. De Commissie streeft naar een Cohesiebeleid voor alle lidstaten, waarbij het BBP per hoofd van de bevolking een belangrijk criterium blijft voor de verdeling van middelen, maar ook andere criteria noodzakelijk zijn. Wat betreft de Commissie moet het Cohesiebeleid in de komende programmaperiode focussen op innovatie, sociale inclusie en klimaatverandering. Daarnaast moet meer worden gedaan aan de migratiecrisis.

De Eurocommissaris gaf verder aan dat de Europese Commissie zoekt naar een geïntegreerde benadering waarbij overlap tussen instrumenten wordt vermeden en de prioriteiten voldoende flexibel worden geformuleerd om in te spelen op nieuwe uitdagingen. Zij gaf aan dat we in de komende programmaperiode waarschijnlijk niet om een gedifferentieerde aanpak in de verantwoording heen kunnen, alsmede dat de Commissie in samenwerking met de Europese Rekenkamer werkt aan een balans tussen zekerheid en proportionaliteit in de controle.

Een groot aantal lidstaten benadrukte dat het betreurenswaardig is dat de EU voor de periode na 2020 geen overkoepelende lange termijn strategie kent om richting te geven aan de prioriteiten voor het Cohesiebeleid. Over hoe dit gebrek moet worden opgevuld zijn de meningen verdeeld. Als prioriteiten voor het Cohesiebeleid post 2020 werden innovatie, duurzaamheid, klimaat, concurrentiekracht en het reduceren van ongelijkheden herhaaldelijk genoemd.

De meeste lidstaten benoemden expliciet dat het Cohesiebeleid gefocust moet zijn op de minst ontwikkelde lidstaten, maar wel beschikbaar moet blijven voor alle EU regio’s. Het BBP per hoofd van de bevolking wordt gezien als de belangrijkste factor voor het verdelen van de middelen. Maar een aantal lidstaten gaf aan dat ook andere criteria zouden moeten meewegen. Concreet zijn hiervoor werkloosheid, migratie, en specifieke geografische kenmerken van bepaalde gebieden genoemd.

Met betrekking tot de hoogte van de nationale cofinanciering was een duidelijke scheidslijn tussen nettobetalers en netto-ontvangers zichtbaar. Nettobetalers, waaronder Nederland, gaven aan dat de nationale cofinanciering omhoog kan. Niet alleen omdat in verband met de hefboomwerking er meer mogelijk wordt, maar ook en vooral omdat dit het gevoel van eigenaarschap ten goede komt. Netto-ontvangers gaven echter veelal aan dat zij (nog) niet in staat zijn de daarmee samenhangende financiële gevolgen te dragen, en dat dit derhalve slecht zal uitpakken voor de uitvoering van het Cohesiebeleid.

Het belang van het vergroten van de effectiviteit van de fondsen werd door veel lidstaten onderstreept. Als middel hiervoor werd in veel gevallen vereenvoudiging van de regelgeving genoemd. Er was daarnaast veel steun voor een betere koppeling tussen Europees Semester en het Cohesiebeleid. Ex-ante conditionaliteiten kunnen aan een goede uitvoering daarvan bijdragen.

Over het nut van het koppelen van de fondsen aan vereisten omtrent rechtsstatelijkheid en migratie zijn de meningen duidelijk verdeeld. Een groot aantal lidstaten benadrukte expliciet dat rechtsstatelijkheid een plek verdient in het nieuwe MFK, waaronder binnen Cohesiebeleid. Een andere groep landen is hier duidelijk geen voorstander van.

Tenslotte werd differentiatie door enkele lidstaten benoemd als mogelijkheid om de efficiëntie van de fondsen te vergroten.

Communicatie over het Cohesiebeleid

Om het draagvlak voor het Cohesiebeleid te vergroten heeft de Europese Commissie tijdens de Raad van 25 april 2017 een gezamenlijk communicatieplan gepresenteerd. De Commissie heeft bij de bespreking van dit agendapunt een update geven over de uitvoering van de acties uit dit communicatieplan. Eurocommissaris Creţu concludeerde dat er veel is gebeurd, maar dat nog moet blijken wat dit concreet aan resultaat zal opleveren. Zij gaf aan dat de Commissie de zichtbaarheid van, en het draagvlak voor, het Cohesiebeleid niet kan vergroten zonder hulp van de lidstaten en roept de lidstaten op meer te doen op dit terrein.

Er was geen inbreng vanuit de lidstaten bij dit agendapunt.