Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201421501-08 nr. 504

21 501-08 Milieuraad

Nr. 504 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 februari 2014

Naar aanleiding van het verzoek van 12 februari 2014 van de vaste commissie voor Economische Zaken van uw Kamer om een brief waarin uiteengezet wordt hoe het kabinet omgaat met het resultaat van de stemmingen in de Europese Unie betreffende maïs 1507 en het verzoek van de vaste commissie voor Europese Zaken van 18 februari 2014 om antwoord te geven op de vraag waarom Nederland niet heeft meegetekend met de brief van een aantal lidstaten dat de Commissie verzoekt om het ontwerpbesluit in te trekken, bericht ik u mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken het volgende.

De Raad Algemene Zaken sprak op 11 februari 2014 over het ontwerpbesluit van de Europese Commissie over de Europese toelating voor de teelt van genetisch gemodificeerde maïs 1507. Tijdens de discussie over dit onderwerp bleek dat, conform de verwachting, er bij stemming geen gekwalificeerde meerderheid voor of tegen toelating behaald zou worden. In totaal 19 landen, waaronder Nederland (conform de aangenomen Motie Ouwehand, Kamerstuk 33 750 XIII, nr. 113), gaven aan tegen het voorstel te zullen stemmen. Formele stemming heeft daarna niet in de Raad Algemene Zaken plaatsgevonden. Als gevolg daarvan heeft de Raad geen besluit genomen op het ontwerpbesluit van de Europese Commissie. Zoals beschreven in de brief aan uw Kamer van 16 januari jl.1 betekent dit dat de Europese Commissie verplicht is om de vergunning te verlenen.

Naar aanleiding van de discussie in de Raad hebben op 12 februari jl. 12 lidstaten de Commissie per brief verzocht om het voorstel tot toelating tot de markt in te trekken. Nederland heeft deze brief niet mede ondertekend omdat conform de voor deze situatie geldende procedure het besluit nu automatisch door de Commissie wordt vastgesteld. Dit blijkt ook uit de reactie van de Commissie van 13 februari jl. op de brief van de 12 lidstaten (zie bijlage2). In deze reactie wijst de Commissie op de uitspraak van het EU-Gerecht waarin de Commissie is veroordeeld vanwege het niet indienen bij de Raad van een voorstel over de toelating van maïs 1507. In het licht van deze uitspraak en ook gelet op de door de Raad vastgestelde procedurele regels, geeft de Commissie aan dat zij het besluit voor de toelating van maïs 1507 moet vaststellen. In haar reactie roept de Commissie de lidstaten vervolgens op om snel tot overeenstemming te komen over het voorstel voor de nationale teeltbevoegdheid waarmee lidstaten de mogelijkheid krijgen om de teelt van ggo’s op hun grondgebied te beperken of te verbieden.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Kamerstuk 27 428, nr. 261.

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer