21 501-08 Milieuraad

Nr. 443 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 1 november 2012

Binnen de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie hebben enkele fracties de behoefte om enige vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over de brief van 24 oktober 2012 inzake de Geannoteerde agenda informele raad cohesiebeleid 6 november 2012 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 441)

De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 1 november 2012.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Paulus Jansen

Adjunct-griffier van de commissie, Van de Wiel

Inhoudsopgave

   

Blz.

     

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

 

Vragen van de leden van de VVD-fractie

2

 

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

2

 

Vragen van de leden van de CDA-fractie

3

     

II

Antwoord / Reactie van de minister

5

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Informele Bijeenkomst van ministers verantwoordelijk voor cohesiebeleid. Zij hebben hierbij nog enkele vragen.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI) schrijft dat de Raad Algemene Zaken op 16 oktober jl. heeft ingestemd met de verplichting dat bij de keuzes voor de inzet van structuurfondsen ook rekening moet worden gehouden met de relevante landenspecifieke aanbevelingen die horen bij de Europa 2020-strategie en het Nationaal Hervormingsprogramma. Hoe wordt dit precies vormgegeven in Nederland en wat zijn dan de eisen die concreet worden gesteld?

De leden van de VVD-fractie zijn groot voorstander van zogenoemde macro-economische conditionaliteiten, waarbij (cohesie)fondsen kunnen worden opgeschort als een lidstaat zich niet houdt aan vereisten van het Stabiliteits- en groeipact, de macro-economische onevenwichtighedenprocedure of financiële steun uit bijvoorbeeld het ESM. Denkt de staatssecretaris in dezen aan een volledige opschorting, of gedeeltelijke? Momenteel voldoen veel lidstaten niet aan allerlei conditionaliteiten, kan de staatssecretaris een inschatting geven wat dat zou betekenen voor de uitkering van cohesiefondsen? Zou de uitkering van cohesiefondsen dan bijvoorbeeld grotendeels tot stilstand kunnen komen en wat vindt de staatssecretaris daarvan?

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de fractie van de PvdA zijn verheugd over de door de staatssecretaris gemelde resultaten van de cohesie fondsen; het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en Economisch Sociaal Fond (ESF)). Kan de staatssecretaris aangeven hoe, wanneer Nederland minder of geen gelden uit deze Europese fondsen zou ontvangen hij voornemens is de «gaten» die ontstaan in de financiering van het topsectorenbeleid op te vangen?

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat de fondsen van het cohesiebeleid vooral ten goede moeten komen aan de minst welvarende regio’s, in de minst welvarende landen. Is het kabinet voornemens hier tijdens onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) op in te zetten? Zo ja, op welke wijze en tijdens welke gelegenheden (EU overleggen, bilaterale gesprekken) is het kabinet voornemens dit te doen?

Daarnaast vragen de leden van de PvdA-fractie welk deel van € 830 miljoen aan Europese cohesie gelden voor Nederland nog niet is gecommitteerd en hoe groot het deel van de projecten is dat niet aansluit op de topsectoren en het bedrijfslevenbeleid? Welk deel van deze gelden gaat naar het midden- en kleinbedrijf (MKB)? De leden willen ook weten waar het resterende deel naar toe gaat als per landsdeel minder dan 100 procent van de innovatiemiddelen naar de Topsectoren gaat?

De leden van de PvdA-fractie vinden het positief dat de private cofinanciering zo veel hoger uitgevallen is dan werd verwacht. Zij vragen in welke regio’s in Nederland de meeste van de 25 000 arbeidsplaatsen zijn gecreëerd? Tevens vragen zij in welke landsdelen de innovatiemiddelen in relatief hogere mate naar de Topsectoren gaan en waarom de staatssecretaris denkt dat dit juist voor deze gebieden het geval is? Liggen de percentages per landsdeel ver uit elkaar?

De leden van de fractie van de PvdA vragen daarnaast op welke wijze wordt toegezien op daadwerkelijke verlaging van administratieve lasten en uitvoeringskosten bij de implementatie van projecten in Nederland? Aangegeven is dat minimaal 20% moet worden ingezet op het thema «low carbon»: hoe wordt deze verdeling gecontroleerd? Wat gebeurt er als de doelen niet worden gehaald?

Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie welke «best practices» Nederland zal noemen tijdens de Informele Bijeenkomst op Cyprus? Welke verbeterpunten zijn er volgens de staatssecretaris? Tevens vragen deze leden zich af wat de staatssecretaris verstaat onder goede samenwerking met de stakeholders?

Waarom is het derde hoofdpunt (administratieve lasten) niet «behaald»? Welke inspanningen gaat het kabinet plegen om deze wel te halen? Welke landen ondersteunen de Nederlandse regering op dit punt, en welke niet?

Voorts vragen de leden van de fractie van de PvdA op welke wijze het kabinet zou willen dat de Europese Commissie opschorting van fondsen «zo automatisch mogelijk» kan toepassen? Welke voorstellen zal zij hier toe doen?

Kan de staatssecretaris toezeggen dat de Kamer geïnformeerd zal worden over het verloop van de onderhandelingen, ook als deze zich in de fase van het informele triloog bevinden? Kan de staatssecretaris daarbij aangeven wat de knelpunten zijn en wat (de ontwikkeling van) de Nederlandse positie daarbij is?

Hoe zal het kabinet in relatie tot het Gemeenschappelijk Strategisch Kader (GSK) de positie van de decentrale overheden in het Nederlandse standpunt verdisconteren, en in hoeverre verwacht zij dat de interne verdeeldheid de effectiviteit van de Nederlandse belangenbehartiging schade toebrengt?

Vragen van de leden van de CDA-fractie

Algemeen

De leden van de CDA-fractie zien het Cohesiebeleid als een instrument om economische kracht in de regio’s te versterken. Doel van de Europese Structuurfondsen is de versterking van de economische concurrentiekracht, werkgelegenheid en cohesie binnen Europa. Een doelstelling die met de huidige schuldencrisis binnen de Eurozone alleen maar actueler en noodzakelijker is geworden. De leden van de CDA-fractie bereiken echter geluiden dat veel van de middelen wel correct verdeeld worden aan lidstaten, maar dat deze middelen in veel gevallen niet worden uitgekeerd. Een voorbeeld hiervan is Griekenland. Kan de staatssecretaris aangeven in hoeverre deze problematiek speelt en welke stappen er worden ondernomen om de uitkering van de middelen te bevorderen?

Daarnaast wordt in de brief aangegeven dat pas na een akkoord over het MFK de onderhandelingen over de verordeningen over het cohesiebeleid worden afgerond. De leden van de CDA-fractie vragen wat eventuele vertraging in het onderhandelingsproces rondom het MFK kan betekenen voor de continuatie van de cohesiefondsen? Immers, de EU-meerjarenbegroting (MFK) bestaat voor bijna 40% uit Structuurfondsen. Een verlaging van de MFK leidt volgens de Europese Commissie tot een bezuiniging van ongeveer € 5,5 miljard uit de cohesiebegroting.

De leden van de CDA-fractie zouden graag van de staatssecretaris willen weten wat de knelpunten zijn en wat de Nederlandse positie exact is in het verloop van de onderhandelingen. Ook als deze zich in de fase van het informele triloog bevinden. Immers, als er al een akkoord is bereikt heeft de Kamer geen kans meer om invloed uit te oefenen.

Decentrale overheden

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het voor de decentrale overheden van groot belang is dat Nederland in de komende Europese begrotingsperiode (2014–2020) in aanmerking blijft komen voor gelden uit de Europese Structuurfondsen. Zij roepen het kabinet op zich in te zetten voor voldoende flexibiliteit binnen de programmering van de fondsen per lidstaat. De leden van de CDA-fractie benadrukken dat de strijd om de fondsen nog niet is gestreden en vragen het kabinet zich in te zetten voor deze fondsen tijdens de MFK top van 22 november a.s. Vandaar de volgende vragen. Hoeveel regionale projectgelden in Nederland worden gefinancierd en om welk totaal bedrag gaat dit? De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat in de onderhandelingen over het MFK de regionale gelden voor Nederland beschikbaar dienen te blijven. In de verordeningen wordt groot belang gehecht aan het partnerschapsprincipe, waarbij de nationale overheid samen met de regionale overheid het investeringsbeleid bepaalt. Hoe beoordeelt het kabinet de samenwerking met de nationale overheden tot nu toe? Op welke manier is het kabinet van plan te waarborgen in de periode 2007–2013 dat de decentrale overheden en de sociale en economische partners betrokken blijven? Heeft het kabinet inzicht in de verdeling van de regionale fondsen (EFRO) per lidstaat onder de huidige budgettaire voorstellen van de Europese Commissie 2014–2020? Kan het kabinet aan de hand van deze budgettaire voorstellen een doorrekening laten maken en deze presenteren aan de Kamer voor het debat voorafgaand aan de MFK top van 22 november 2012?

Topsectoren

Hoe legt het kabinet de verbinding met het Nederlandse topsectorenbeleid en de regionale EU-fondsen? Op welke manier kunnen de structuurfondsen het topsectorenbeleid aanvullen dan wel ondersteunen? Wat voor effect heeft het wegvallen van de structuurfondsen, waarnaar de leden van de CDA-fractie hierboven ook hebben gerefereerd, voor het totale investeringsbudget van de topsectoren?

II Antwoord / Reactie van de minister

VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Informele Bijeenkomst van ministers verantwoordelijk voor cohesiebeleid. Zij hebben hierbij nog enkele vragen.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI) schrijft dat de Raad Algemene Zaken op 16 oktober jl. heeft ingestemd met de verplichting dat bij de keuzes voor de inzet van structuurfondsen ook rekening moet worden gehouden met de relevante landenspecifieke aanbevelingen die horen bij de Europa 2020-strategie en het Nationaal Hervormingsprogramma. Hoe wordt dit precies vormgegeven in Nederland en wat zijn dan de eisen die concreet worden gesteld?

Antwoord

De eisen in de Europese regelgeving zijn dat aan het begin van en gedurende de programmaperiode rekening wordt gehouden met de Europese en nationale doelen van Europa2020, met het Nationaal Hervormingsprogramma en met de relevante landenspecifieke aanbevelingen van Europa2020. Bij het opstellen van de Operationele Programma’s wordt dit mede als uitgangspunt genomen. Zo heeft Nederland als belangrijke uitdagingen het verhogen van het aandeel duurzame energie en het verhogen van de investeringen in innovatie, onderzoek en ontwikkeling. In de Operationele Programma’s wordt opgenomen hoe de inzet van EFRO bijdraagt aan het bereiken van deze doelen. De Europese Commissie zal op dit punt expliciet toetsen en de Operationele Programma’s alleen goedkeuren als aan de eisen van Europa2020 is voldaan. Gedurende de periode kan de lidstaat een wijziging van het Operationeel Programma aan de Commissie voorleggen, hierbij wordt dan tevens rekening gehouden met nieuwe jaarlijkse landenspecifieke aanbevelingen en een nieuw Nationaal Hervormingsprogramma.

De leden van de VVD-fractie zijn groot voorstander van zogenoemde macro-economische conditionaliteiten, waarbij (cohesie)fondsen kunnen worden opgeschort als een lidstaat zich niet houdt aan vereisten van het Stabiliteits- en groeipact, de macro-economische onevenwichtighedenprocedure of financiële steun uit bijvoorbeeld het ESM. Denkt de staatssecretaris in dezen aan een volledige opschorting, of gedeeltelijke? Momenteel voldoen veel lidstaten niet aan allerlei conditionaliteiten, kan de staatssecretaris een inschatting geven wat dat zou betekenen voor de uitkering van cohesiefondsen? Zou de uitkering van cohesiefondsen dan bijvoorbeeld grotendeels tot stilstand kunnen komen en wat vindt de staatssecretaris daarvan?

Antwoord

De Europese Commissie stelt de mogelijkheid voor om committeringen en betalingen uit de structuurfondsen gedeeltelijk en volledig te kunnen opschorten, indien lidstaten zich niet houden aan de vereisten uit het Stabiliteits- en Groeipact, de macro-economische onevenwichtighedenprocedure (MEOP) en/of additionele steunprogramma’s, zoals het ESM. Het kabinet is sterk voorstander van strikte conditionaliteiten en steunt daarom het Commissievoorstel. Sommige landen willen een maximum voor de schorsing vastleggen en in dat geval is volledige schorsing niet aan de orde. Het kabinet steunt dit voorstel niet en vindt dat de Europese Commissie aangewezen is om zelf te bepalen of een opschorting proportioneel is.

De precieze gevolgen voor de uitkering van cohesiefondsen zijn niet te voorspellen. Mijn inschatting is dat de macro-economische conditionaliteiten er niet toe zullen leiden dat de uitkering van cohesiefondsen grotendeels tot stilstand zal komen. Het Commissievoorstel voorziet in een zorgvuldige procedure. Bij overtreding van de normen wordt eerst een waarschuwing gegeven, waarna de lidstaat de gelegenheid krijgt de situatie op orde te brengen. Indien de Raad constateert dat de lidstaat zich bij voortduring niet houdt aan de afspraken, kan de Commissie de uitkeringen uit de structuurfondsen opschorten. In eerste instantie zal het hier een gedeeltelijke opschorting van de committeringen betreffen, namelijk een jaartranche. In dit geval kunnen verplichtingen die al aangegaan zijn uitbetaald worden, maar kunnen geen nieuwe committeringen aangegaan worden. Een uiterste maatregel is schorsing van de betalingen, waarbij de uitkeringen uit de structuurfondsen voorlopig stil komen te liggen. In elke fase is er de gelegenheid om de situatie op orde te brengen en zo de schorsing ongedaan te maken.

PvdA-fractie

De leden van de fractie van de PvdA zijn verheugd over de door de staatssecretaris gemelde resultaten van de cohesie fondsen; het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en Economisch Sociaal Fond (ESF)). Kan de staatssecretaris aangeven hoe, wanneer Nederland minder of geen gelden uit deze Europese fondsen zou ontvangen hij voornemens is de «gaten» die ontstaan in de financiering van het topsectorenbeleid op te vangen?

Antwoord

Europese middelen hebben niet tot doel om «gaten» in de nationale begroting of nationaal beleid te dichten. Het zijn additionele middelen, die ingezet worden voor de nationale doelen van de Europa2020 strategie. EFRO vormt wel een verbinding tussen regionaal en nationaal beleid, onder andere via de topsectoren.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat de fondsen van het cohesiebeleid vooral ten goede moeten komen aan de minst welvarende regio’s, in de minst welvarende landen. Is het kabinet voornemens hier tijdens onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) op in te zetten? Zo ja, op welke wijze en tijdens welke gelegenheden (EU overleggen, bilaterale gesprekken) is het kabinet voornemens dit te doen?

Antwoord

Het kabinetsstandpunt is dat Structuurfondsen idealiter beperkt zouden moeten blijven tot de armste regio’s in de armste lidstaten. Het kabinet ziet wel een rol weggelegd voor grensoverschrijdende samenwerking, ook voor rijke lidstaten. Deze inzet moet er onder andere toe leiden dat de hoofddoelstelling van het kabinet, te weten een substantiële vermindering van de Nederlandse afdrachten, wordt gerealiseerd. Deze inzet is onderdeel van de inbreng in de MFK-onderhandelingen. Het kabinet zal hierop blijven inzetten op alle relevante momenten, bijvoorbeeld in de Raad en tijdens bilaterale gesprekken.

Daarnaast vragen de leden van de PvdA-fractie welk deel van € 830 miljoen aan Europese cohesie gelden voor Nederland nog niet is gecommitteerd en hoe groot het deel van de projecten is dat niet aansluit op de topsectoren en het bedrijfslevenbeleid? Welk deel van deze gelden gaat naar het midden- en kleinbedrijf (MKB)? De leden willen ook weten waar het resterende deel naar toe gaat als per landsdeel minder dan 100 procent van de innovatiemiddelen naar de topsectoren gaat? Tevens vragen zij in welke landsdelen de innovatiemiddelen in relatief hogere mate naar de topsectoren gaan en waarom de staatssecretaris denkt dat dit juist voor deze gebieden het geval is? Liggen de percentages per landsdeel ver uit elkaar?

De leden van de PvdA-fractie vinden het positief dat de private cofinanciering zo veel hoger uitgevallen is dan werd verwacht. Zij vragen in welke regio’s in Nederland de meeste van de 25 000 arbeidsplaatsen zijn gecreëerd?

Antwoord

De beschikbare EFRO middelen zijn zo goed als volledig gecommitteerd en de verwachting is dat de budgetten dan ook volledig besteed zullen worden. In antwoord op de vraag welk deel van de projecten niet aansluit op de topsectoren en het bedrijfslevenbeleid merk ik allereerst op dat de topsectoren ten tijde van het opstellen van de huidige programma’s nog niet als zodanig benoemd en uitgewerkt waren en de programma’s dus ook niet als zodanig gelabeld zijn. Uit een eerste analyse van de projecten blijkt dat desalniettemin in alle landsdelen ruim de helft van de innovatiemiddelen ten goede komt aan topsectoren. Projecten die niet direct ten goede komen aan topsectoren sluiten op een andere manier aan op het bedrijfslevenbeleid, bijvoorbeeld door het bevorderen van ondernemerschap, het oprichten van incubators en het begeleiden van starters. Ongeveer veertig procent van de innovatiemiddelen is specifiek gericht op het MKB. De overige zestig procent is gericht op innovatie en kennisontwikkeling en hierin participeren MKB, grotere bedrijven en kennisinstellingen.

In antwoord op de vraag in welke regio’s de meeste arbeidsplaatsen zijn gecreëerd komt uit de Midterm Evaluatie naar voren dat alle landsdelen op koers liggen om de streefwaarden met betrekking tot de creatie van arbeidsplaatsen te realiseren. De gecreëerde arbeidsplaatsen zijn gelijkmatig verdeeld over de vier landsdelen.

Waarom is het derde hoofdpunt (administratieve lasten) niet «behaald»? Welke inspanningen gaat het kabinet plegen om deze wel te halen? Welke landen ondersteunen de Nederlandse regering op dit punt, en welke niet? De leden van de fractie van de PvdA vragen daarnaast op welke wijze wordt toegezien op daadwerkelijke verlaging van administratieve lasten en uitvoeringskosten bij de implementatie van projecten in Nederland?

Antwoord

Verlaging van administratieve lasten voor bedrijven en uitvoeringskosten voor overheden is een belangrijk aandachtspunt voor Nederland, onder andere omdat het kan bijdragen aan een meer resultaatgericht cohesiebeleid. Bij brief van 20 juni 2012 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 21 501, nr. 431) heb ik u het onderzoek naar de impact van de concept Europese Structuurfondsverordeningen 2014–2020 op de administratieve lasten en uitvoeringskosten in Nederland gezonden. Uit het onderzoek bleek dat er geen significante daling van de administratieve lasten en uitvoeringskosten is en dat een deel van de administratieve lasten en uitvoeringskosten uit andere (Europese) regelgeving voortvloeit dan de Structuurfondsverordeningen. Een belangrijke reden is dat lasten soms noodzakelijk zijn om een ander doel te behalen, zoals het beter sturen op resultaat en een goede controle over de bestedingen. In het algemeen zijn de Scandinavische landen, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk gelijkgestemd aan Nederland wat betreft het terugdringen van bureaucratie. Ook diverse Oost-Europese lidstaten zetten zich hier actief voor in. De verwachting is dat deze landen Nederland zullen steunen bij de inzet om de administratieve lasten en uitvoeringskosten te verlagen bij de onderhandelingen over de gedelegeerde handelingen en uitvoeringskosten.

Bij de implementatie in Nederland wordt gestuurd op verlaging van administratieve lasten en uitvoeringskosten. Zo zal er op worden toegezien dat de mogelijkheden die de Europese Commissie biedt voor versimpeling, zoals het toepassen van flatrates, ook daadwerkelijk worden benut door de autoriteiten die EFRO uitvoeren. Dit betekent veelal dat deze mogelijkheden in nationale regelgeving dienen te worden opgenomen. Hierbij mogen dan geen extra eisen of regels gesteld worden. Ook het optimaal benutten en verder uitbouwen van elektronische gegevensuitwisseling draagt bij aan verlaging van administratieve lasten en uitvoeringskosten.

Aangegeven is dat minimaal 20% moet worden ingezet op het thema «low carbon»: hoe wordt deze verdeling gecontroleerd?

Antwoord

Low carbon is één van de elf thematische doelen die de Commissie heeft voorgesteld – in lijn met de Europa2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei – waarvoor structuurfondsen kunnen worden ingezet. De Commissie stelt een aantal verplichte bestedingspercentages voor, zoals 20% voor low carbon. De thematische doelstellingen moeten in de Operationele Programma’s (OP’s) worden uitgewerkt in investeringsprioriteiten.

Daarnaast moet de procentuele verdeling van de middelen over de thematische doelstellingen in het OP worden opgenomen. De OP’s worden door de lidstaat Nederland pas verzonden aan de Europese Commissie als ze aan alle Europese eisen voldoen. De Europese Commissie zal een OP afkeuren als hierin niet aan de 20% eis wordt voldaan.

Wat gebeurt er als de doelen niet worden gehaald?

Antwoord

In juni 2012 heeft de Raad een principeakkoord bereikt over het prestatieraamwerk (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1163). Lidstaten moeten vooraf duidelijk aangeven welke concrete doelen het land en de regio na zeven jaar bereikt willen hebben en hoe de voortgang gemeten wordt («resultaatindicatoren»). Op basis van dit raamwerk wordt de voortgang van de programma’s bijgehouden en jaarlijks gerapporteerd aan de Europese Commissie. De Europese Commissie kan in geval van achterblijvende prestaties de uitkering van fondsen opschorten en/of korten. Overigens, als de doelen helder en realistisch zijn en er regelmatig overleg met de Europese Commissie is, is er slechts een beperkt risico dat geld ingeleverd moet worden. Hiervan is alleen sprake bij serieus falen, waarbij de lidstaat nalaat dit te corrigeren.

Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie welke «best practices» Nederland zal noemen tijdens de Informele Bijeenkomst op Cyprus? Welke verbeterpunten zijn er volgens de staatssecretaris? Tevens vragen deze leden zich af wat de staatssecretaris verstaat onder goede samenwerking met de stakeholders?

Antwoord

Tijdens de informele bijeenkomst op Cyprus brengt Nederland enkele «best practices’in. Centraal staat de vraagsturing bij het opstellen van de Operationele Programma’s. Bij vraagsturing zijn de investeringsagenda’s en consultaties van kennisinstellingen, bedrijfsleven en andere stakeholders een belangrijke basis voor de OP’s. De investeringsagenda’s van de topsectoren zijn op vergelijkbare wijze tot stand gekomen.

In de huidige periode heeft het vroegtijdig betrekken van het bedrijfsleven en de kennisinstellingen in Nederland geleid tot zeer hoge uitgelokte private investeringen. Deze ervaringen zal ik benutten voor de volgende periode.

Een verbeterpunt is het verlagen van administratieve lasten voor het bedrijfsleven en van uitvoeringskosten voor overheden.

Onder goede samenwerking versta ik de vraagsturing en goede en tijdige betrokkenheid van de relevante stakeholders bij de opstelling en implementatie van de programma’s. Een voorbeeld hiervan zijn de informele bijeenkomsten die Nederland regelmatig organiseert met deskundigen van Rijk, regio en Commissie. Deze bijeenkomsten zorgen voor een betere voorbereiding en uitvoering van de programma’s.

Voorts vragen de leden van de fractie van de PvdA op welke wijze het kabinet zou willen dat de Europese Commissie opschorting van fondsen «zo automatisch mogelijk» kan toepassen? Welke voorstellen zal zij hier toe doen?

Antwoord

Het kabinet stelt voor om vast te houden aan het Commissievoorstel, waarin het besluit tot opschorten bij de Commissie ligt. Sommige landen willen dat dit besluit bij de Raad ligt of dat de Raad de mogelijkheid heeft om binnen een maand het besluit van de Commissie ongedaan te maken. Het kabinet is hier geen voorstander van.

Kan de staatssecretaris toezeggen dat de Kamer geïnformeerd zal worden over het verloop van de onderhandelingen, ook als deze zich in de fase van het informele triloog bevinden? Kan de staatssecretaris daarbij aangeven wat de knelpunten zijn en wat (de ontwikkeling van) de Nederlandse positie daarbij is?

Antwoord

Tijdens het Algemeen Overleg op 16 november 2011 heb ik toegezegd de Kamer regelmatig te informeren over de onderhandelingen. Dit zal ik blijven doen, ook in de laatste fase van de onderhandelingen informeer ik u over de zaken die bij mij bekend zijn. De triloog is een informeel traject waarin het voorzitterschap zelfstandig optreedt op basis van de Raadspositie. De (ontwikkeling van) Nederlandse positie over de triloog is dus gelijk aan de Nederlandse positie over het Raadscompromis, waarover ik u op meerdere momenten heb geïnformeerd. Vooralsnog voorzie ik geen knelpunten in de triloog. Voor zover er verschillen zijn tussen de standpunten van het EP en de Raad, zijn deze naar verwachting te overbruggen.

Hoe zal het kabinet in relatie tot het Gemeenschappelijk Strategisch Kader (GSK) de positie van de decentrale overheden in het Nederlandse standpunt verdisconteren, en in hoeverre verwacht zij dat de interne verdeeldheid de effectiviteit van de Nederlandse belangenbehartiging schade toebrengt?

Antwoord

Het kabinet hecht grote waarde aan de afstemming van de inzet in de onderhandelingen met de decentrale overheden, ook in relatie tot het GSK. Op het gebied van de inhoud ligt er een gezamenlijk kader dat nu nog altijd de basis vormt voor de inzet van Nederland in de onderhandelingen over het cohesiepakket (gezamenlijk Position Paper Toekomst Cohesiebeleid van de Nederlandse Rijksoverheid, provincies en gemeenten Kamerstuk 21 501-08, nr. 335). Ook bij de totstandkoming van het initiële Nederlandse standpunt is overlegd met de decentrale overheden (BNC fiche Verordeningen Cohesiebeleid programmaperiode 2014–2020 Kamerstuk 22 112 nr. 1246), Gezien de bijzondere rol van de decentrale overheden bij EFRO vindt er gedurende de onderhandelingen zeer regelmatig overleg en informatie-uitwisseling plaats tussen Rijk en regio.

Over de inhoud van het GSK en van de structuurfondsenverordeningen in den brede is er geen verdeeldheid tussen Rijk en regio, de Nederlandse overheden zitten op één lijn.

CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie zien het Cohesiebeleid als een instrument om economische kracht in de regio’s te versterken. Doel van de Europese Structuurfondsen is de versterking van de economische concurrentiekracht, werkgelegenheid en cohesie binnen Europa. Een doelstelling die met de huidige schuldencrisis binnen de Eurozone alleen maar actueler en noodzakelijker is geworden. De leden van de CDA-fractie bereiken echter geluiden dat veel van de middelen wel correct verdeeld worden aan lidstaten, maar dat deze middelen in veel gevallen niet worden uitgekeerd. Een voorbeeld hiervan is Griekenland. Kan de staatssecretaris aangeven in hoeverre deze problematiek speelt en welke stappen er worden ondernomen om de uitkering van de middelen te bevorderen?

Antwoord

Het totaalbudget voor de structuurfondsen en de verdeling daarvan zijn zeven jaar geleden uitonderhandeld in het kader van het huidige Meerjarig Financieel Kader (voorheen: Financiële perspectieven genaamd). Vervolgens moet de lidstaat zelf op basis van Operationele Programma’s concrete projecten aandragen waarvoor het gebruik wil maken van deze Europese financiering. De Europese middelen moeten worden gematched met nationale middelen (cofinanciering). Voor landen met een bruto nationaal inkomen dat lager is dan 90% van het EU-gemiddelde, zoals Griekenland, geldt een nationale cofinanciering van tenminste 15%. Cofinanciering was in sommige van deze landen desalniettemin een probleem. Hierdoor kwamen projecten niet van de grond. Om dit probleem aan te pakken is vorig jaar de Europese bijdrage tijdelijk verhoogd met 10 procentpunten, zodat er slecht 5% nationale middelen vereist zijn.

Daarnaast speelt voor Griekenland de Taskforce Greece een belangrijke rol. Deze heeft 181 projecten geselecteerd en levert technische assistentie om deze ten uitvoer te brengen. Bovendien is er door de EIB speciaal voor Griekenland een kredietlijn in het leven geroepen die financiering van het Midden- en Kleinbedrijf op gang moet helpen. Uit cijfers van de Commissie van september 2012 blijkt dat de uitbetaling van middelen uit de fondsen aan Griekenland inmiddels op hetzelfde niveau zit als Nederland: ruim 50% van de totale middelen is uitbetaald.

Daarnaast wordt in de brief aangegeven dat pas na een akkoord over het MFK de onderhandelingen over de verordeningen over het cohesiebeleid worden afgerond. De leden van de CDA-fractie vragen wat eventuele vertraging in het onderhandelingsproces rondom het MFK kan betekenen voor de continuatie van de cohesiefondsen? Immers, de EU-meerjarenbegroting (MFK) bestaat voor bijna 40% uit Structuurfondsen. Een verlaging van de MFK leidt volgens de Europese Commissie tot een bezuiniging van ongeveer € 5,5 miljard uit de cohesiebegroting.

Antwoord

Het principe «nothing is agreed until everything is agreed» houdt in dat de Raadspositie over de verordeningen van cohesiebeleid nog kan veranderen als de onderhandelingen over het MFK hiertoe aanleiding geven. Eventuele vertraging in het onderhandelingsproces over het MFK hoeft de continuering van de Cohesiefondsen niet te bedreigen. Om deze reden zijn Rijk en regio tijdig begonnen met de voorbereidingen voor de periode 2014–2020. De inhoudelijke lijnen van de inzet van structuurfondsen zijn inmiddels voor het overgrote deel bekend. Wel leidt eventuele vertraging tot langer durende onduidelijkheid over de omvang van de financiële middelen voor de Operationele Programma’s. Mocht de besluitvorming over het MFK (inclusief de onderhandelingen met het EP) niet voor het einde van 2013 zijn afgerond, dan moet de startdatum voor de uitvoering van structuurfondsen in de gehele EU worden uitgesteld.

De leden van de CDA-fractie zouden graag van de staatssecretaris willen weten wat de knelpunten zijn en wat de Nederlandse positie exact is in het verloop van de onderhandelingen. Ook als deze zich in de fase van het informele triloog bevinden. Immers, als er al een akkoord is bereikt heeft de Kamer geen kans meer om invloed uit te oefenen.

Antwoord

Voor het antwoord op deze vragen over de triloog, verwijs ik u naar mijn antwoord op de gelijkluidende vraag van de PvdA.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het voor de decentrale overheden van groot belang is dat Nederland in de komende Europese begrotingsperiode (2014–2020) in aanmerking blijft komen voor gelden uit de Europese Structuurfondsen. Zij roepen het kabinet op zich in te zetten voor voldoende flexibiliteit binnen de programmering van de fondsen per lidstaat. De leden van de CDA-fractie benadrukken dat de strijd om de fondsen nog niet is gestreden en vragen het kabinet zich in te zetten voor deze fondsen tijdens de MFK top van 22 november a.s. Vandaar de volgende vragen. Hoeveel regionale projectgelden in Nederland worden gefinancierd en om welk totaal bedrag gaat dit? De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat in de onderhandelingen over het MFK de regionale gelden voor Nederland beschikbaar dienen te blijven.

Antwoord

Het kabinetsstandpunt is dat structuurfondsen idealiter beperkt zouden moeten blijven tot de armste regio’s in de armste lidstaten. Het kabinet ziet wel een rol weggelegd voor grensoverschrijdende samenwerking, ook voor rijke lidstaten. Deze inzet moet er onder andere toe leiden dat de hoofddoelstelling van het kabinet, te weten een substantiële vermindering van de Nederlandse afdrachten, wordt gerealiseerd. Mochten rijke lidstaten, inclusief Nederland, EFRO blijven ontvangen, dan wil Nederland daarin een redelijk aandeel. Voorop staat de doelstelling om de afdrachten aan de EU substantieel te verminderen.

In de huidige periode zijn rond de 500 projecten gecommitteerd in de vier landsdelen en ongeveer 300 projecten in de grensoverschrijdende samenwerking. Concrete voorbeelden van deze regionale projecten zijn te vinden op www.europaomdehoek.nl. Nederland ontvangt voor de vier landsdelige EFRO programma’s € 830 mln. in de huidige periode 2007–2013. Samen met nationale publieke en private cofinanciering geeft dit een investeringsvolume van naar verwachting in totaal ruim € 2 mld. voor projecten die bijdragen aan de versterking van de regionale concurrentiekracht.

In de verordeningen wordt groot belang gehecht aan het partnerschapsprincipe, waarbij de nationale overheid samen met de regionale overheid het investeringsbeleid bepaalt. Hoe beoordeelt het kabinet de samenwerking met de nationale overheden tot nu toe? Op welke manier is het kabinet van plan te waarborgen in de periode 2007–2013 dat de decentrale overheden en de sociale en economische partners betrokken blijven?

Antwoord

Nederland omarmt het partnerschapsprincipe. De samenwerking tussen nationale, regionale en lokale overheden (multi-level governance) verloopt soepel in de huidige periode. Gezien de bijzondere rol van de decentrale overheden bij EFRO vindt er zeer regelmatig overleg en informatie-uitwisseling plaats tussen Rijk en regio, zowel over de Europese onderhandelingen als over de voorbereiding van de toekomstige periode.

De decentrale overheden en de sociale en economische partners zijn nauw betrokken bij EFRO en ESF in de periode 2007–2013. De OP’s zijn opgesteld in samenspraak met de decentrale overheden en de sociale en economische partners. Deze partijen zijn vertegenwoordigd in de verschillende stuurgroepen en Comités van Toezicht. Tot slot jagen de decentrale overheden en de sociale en economische partners projecten aan, dragen zij zorg voor cofinanciering en zijn zij in bepaalde gevallen eindbegunstigde.

Heeft het kabinet inzicht in de verdeling van de regionale fondsen (EFRO) per lidstaat onder de huidige budgettaire voorstellen van de Europese Commissie 2014–2020? Kan het kabinet aan de hand van deze budgettaire voorstellen een doorrekening laten maken en deze presenteren aan de Kamer voor het debat voorafgaand aan de MFK top van 22 november 2012?

Antwoord

In de Europese Raad zal tot op het laatste moment worden onderhandeld over de hoogte van de begroting, de verdeling van structuurfondsen over arme en rijke regio’s en de allocatiecriteria per regio. Een schatting van de budgettaire gevolgen is daarom nu niet mogelijk. Duidelijk is dat het totaalbudget voor structuurfondsen omlaag zal gaan ten opzichte van het Commissievoorstel en dat een aanzienlijk deel van die verlaging gevonden zal worden in de fondsen voor rijke landen.

Hoe legt het kabinet de verbinding met het Nederlandse topsectorenbeleid en de regionale EU-fondsen? Op welke manier kunnen de structuurfondsen het topsectorenbeleid aanvullen dan wel ondersteunen? Wat voor effect heeft het wegvallen van de structuurfondsen, waarnaar de leden van de CDA-fractie hierboven ook hebben gerefereerd, voor het totale investeringsbudget van de topsectoren?

Antwoord

Ik heb regelmatig overleg met de regio’s over de voorbereidingen van de periode 2014–2020. In dat verband is onder andere afgesproken dat EFRO kan worden ingezet voor de bijdrage van de regio aan de topsectoren en dat de agenda's van de topteams belangrijke input vormen voor de EFRO programma's. De belangrijkste thema’s voor de besteding van EFRO middelen (innovatie, MKB en «low carbon») sluiten bovendien nauw aan bij het topsectorenbeleid. Voor het antwoord op de vraag over het wegvallen van structuurfondsen verwijs ik u naar mijn antwoord op de gelijkluidende vraag van de PvdA.

Naar boven