Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201321501-07 nr. 981

21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken

Nr. 981 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 december 2012

Hierbij zend ik u het verslag van de vergadering van de Ecofin Raad en Eurogroep van 12 en 13 december 2012 te Brussel. Tevens ga ik in deze brief in op de gemaakte afspraken over vervolgstappen naar een bankenunie, zoals toegezegd in het Kamerdebat van woensdag 19 december jongstleden.

De minister van Financiën, J.R.V.A Dijsselbloem

Verslag van de Ecofin Raad en Eurogroep van 12 en 13 december 2012 te Brussel

Het officiële verslag van de Ecofin Raad kunt u vinden op:

http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/ecofin/134287.pdf

1. Bankentoezicht

Tijdens een extra ingelaste Ecofin Raad is op 12 december met unanimiteit een algemene positie («general approach») van de Raad bereikt ten aanzien van de voorstellen van de Europese Commissie voor het oprichten van een Europees toezichtmechanisme voor banken («Banking Supervision Mechanism», BSM). Concreet ziet het akkoord op een voorstel voor een verordening waarmee de Europese Centrale Bank toezichttaken krijgt (ECB-verordening) en op een voorstel voor aanpassing van de bestaande verordening voor de Europese Bankenautoriteit (EBA-verordening). Met de algemene positie heeft de Raad een mandaat om de Triloog met het Europees Parlement (EP) in te gaan. De ECB-verordening vereist unanimiteit van de Raad waarbij het EP adviesrecht heeft. Bij de aanpassing van de EBA-verordening loopt de besluitvorming via de codecisieprocedure en is het EP dus medewetgever. Beide verordeningen moeten na de Triloog nog formeel worden aangenomen.

Een belangrijk punt van discussie betrof de tijdlijn en fasering van het toezichtmechanisme. De Raad is overeengekomen dat de ECB-verordening in beginsel op 1 maart 2013 in werking treedt en dat het toezicht één jaar daarna feitelijk van start gaat, zijnde per 1 maart 2014 (of later mocht de inwerkingtreding na 1 maart 2013 plaatsvinden). Dit jaar biedt de ECB de kans om het toezichtmechanisme in de praktijk te operationaliseren. Dit betreft onder meer het opbouwen van de benodigde toezichtfuncties binnen de ECB en het vaststellen van een raamwerk voor samenwerking tussen de ECB en nationale toezichthouders. Vanaf inwerkingtreding krijgt de ECB wel al bevoegdheden om bijvoorbeeld informatie van banken te vergaren opdat zij het toezicht kan voorbereiden. Vanaf inwerkingtreding stuurt de ECB elk kwartaal een rapport aan de Raad en het EP over de voortgang met de operationele implementatie. Op aandringen van onder meer Nederland, Duitsland, Luxemburg en Finland is overeengekomen dat als uit deze kwartaalrapportages blijkt dat de ECB op 1 maart 2014 niet klaar is met de operationele implementatie van het toezicht, de ECB de feitelijke start mag uitstellen totdat ze er klaar voor is. Reden hiervoor is het borgen van de kwaliteit van het toezicht. Tot slot heeft de ECB president tijdens de Ecofin en de Europese Raad aangegeven dat de nieuwe kapitaaleisenrichtlijn en -verordening (CRD IV en CRR) de basis vormen voor het Europese toezicht op banken.

Een ander belangrijk onderwerp betrof het onderscheid tussen direct en indirect toezicht door de ECB. Het maken van dit onderscheid was met name voor Duitsland een belangrijk punt. Bij het directe toezicht neemt de ECB de toezichtbesluiten, waarbij nationale toezichthouders helpen in de voorbereiding. Bij het indirecte toezicht nemen nationale toezichthouders de toezichtbesluiten. Zij staan daarbij onder toezicht van de ECB, die aan hen instructies geeft. Afgesproken is dat de ECB direct toezicht houdt op banken met totale activa van meer dan € 30 miljard of met activa van meer dan 20% van het nationale BBP. Voor banken die onder deze drempelwaarden vallen, geldt het indirecte toezicht. Niettemin moet de ECB hoe dan ook direct toezicht houden op de drie meest significante banken per lidstaat alsmede op banken die direct steun ontvangen van het ESM. Ongeacht het onderscheid tussen direct en indirect toezicht op basis van de genoemde criteria mag de ECB op eigen initiatief elke bank onder direct toezicht stellen als zij dit noodzakelijk acht om de kwaliteit van het toezicht te borgen of wanneer banken indirect gesteund zijn door het EFSF of het ESM. Dit recht voor de ECB om banken onder direct toezicht te stellen was met name voor Frankrijk en Nederland een belangrijk punt. De ECB krijgt daarnaast de bevoegdheid om informatie te vergaren van, en «on-site» inspecties te doen bij alle banken, dus ook bij banken die onder het indirecte toezicht vallen. Hiermee vallen alle banken onder het Europese toezichtmechanisme, met de ECB als centrale toezichthouder, en wordt invulling gegeven aan de motie Pechthold c.s. over een bankenunie d.d. 12 december jl.

Er is slechts kort gesproken over de functionele scheiding tussen toezicht en monetair beleid. Deze scheiding wordt bewerkstelligd door het opzetten van een aparte Toezichtraad binnen de ECB. De Toezichtraad bestaat uit vertegenwoordigers van nationale toezichthouders, enkele vertegenwoordigers van de ECB en een aparte voorzitter. De leden houden zich alleen bezig met toezicht en niet met monetair beleid. Binnen de kaders van het EU Verdrag is de «Governing Council» eindverantwoordelijk voor toezichtbesluiten. Om scheiding tussen toezicht en monetair beleid zo strikt mogelijk te maken, is afgesproken dat concept toezichtbesluiten van de Toezichtraad als aangenomen worden gezien behalve als de Governing Council binnen maximaal 10 dagen bezwaar maakt («silent procedure»), waarna het concept besluit wordt gewijzigd door de Toezichtraad. De voorzitter van de Toezichtraad komt van buiten de ECB en wordt op voorstel van de ECB en na consultatie van het EP aangewezen door de Raad.

De Raad heeft voorts gesproken over de stem van niet-eurolanden binnen de ECB. Doordat niet-eurolanden geen onderdeel uitmaken van de Governing Council kunnen zij wel feitelijk in de Toezichtraad, maar niet formeel in de Governing Council meebeslissen over toezichtbesluiten als zij ervoor kiezen om aan het BSM deel te nemen. Om niet-eurolanden tegemoet te komen is afgesproken dat in het geval zij het niet eens zouden zijn met een bezwaar van de Governing Council tegen een conceptbesluit van de Toezichtraad, zij de Governing Council hierover kunnen informeren. Ook kunnen zij terecht bij een «mediation panel» van de ECB dat verschil van inzicht tussen nationale autoriteiten en een bezwaar van de Governing Council zal behandelen. Daarnaast is door de ECB toegezegd dat niet-eurolanden worden uitgenodigd in de Governing Council als een besluit rondom een bank in het betreffende niet-euroland wordt besproken.

Er bestond veel discussie over de stemprocedure binnen de Toezichtraad. Op instigatie van de kleinere lidstaten waaronder Luxemburg is uiteindelijk afgesproken dat in de Toezichtraad wordt gestemd met eenvoudige meerderheid, waarbij elke deelnemer één stem heeft.1 Ook wordt er een «Steering Committee» opgericht die de Toezichtraad ondersteunt, onder meer door het voorbereiden van bijeenkomsten van de Toezichtraad. Deze zal bestaan uit een beperkt aantal, roterende vertegenwoordigers van nationale toezichthouders. De exacte samenstelling en het rotatieschema van de Steering Committee zal nader worden uitgewerkt door de ECB.

De Ecofin Raad heeft lang gesproken over de benodigde aanpassing van de stemprocedures binnen de EBA, waarvoor met name het VK en Zweden zich hard hebben gemaakt. Hierbij is de Raad de niet-eurolanden tegemoet gekomen. De huidige stemprocedures worden gewijzigd opdat lidstaten die deelnemen aan het BSM niet de overhand krijgen in stemmingen binnen de EBA. Er wordt een zogenaamde dubbele meerderheidsprocedure ingevoerd. Dit betekent dat binnen de EBA een besluit moet worden aangenomen door zowel een eenvoudige meerderheid van lidstaten die deelnemen aan het BSM als een eenvoudige meerderheid van lidstaten die niet deelnemen aan het BSM. Daarnaast is onder meer op verzoek van Nederland afgesproken dat de EBA haar rol als bindende geschillenbeslechter tussen toezichthouders behoudt, ook vis-à-vis de ECB.

Er is overeenstemming bereikt over de wijze van verantwoording door de ECB aan het EP en de Raad. Dit gebeurt middels jaarlijkse rapportages van de ECB aan het EP en de Raad. De voorzitter van de Toezichtraad licht deze rapportage tevens toe aan het EP en de Raad. De ECB moet daarnaast ook vragen die het EP zou hebben, beantwoorden. De genoemde rapportages worden doorgezonden aan nationale parlementen, die de ECB mogen vragen om schriftelijk te reageren op observaties of vragen van nationale parlementen. Nationale parlementen mogen ook een vertegenwoordiger van de Toezichtraad uitnodigen voor een gedachtewisseling ten aanzien van het toezicht op banken in de betreffende lidstaat.

Tot slot is ook overeenstemming bereikt over de toezichttaken die de ECB op zich neemt. Dit betreft alle reguliere prudentiële toezichttaken die momenteel bij nationale toezichthouders liggen. Daarbij behouden mede op aandringen van Nederland nationale toezichthouders het recht om extra kapitaalbuffers zoals buffers voor systeemrelevante instellingen op te leggen, waarbij de ECB als zij dit nodig acht hogere buffers mag opleggen. Ook is overeengekomen dat de ECB wel de bevoegdheid heeft om de vergunning in te trekken, maar dit moet afstemmen met nationale toezichthouders en hen de tijd moet geven om eventuele resolutiemaatregelen voor te bereiden. Zolang de bevoegdheid over resolutie nog nationaal ligt, kunnen nationale autoriteiten bezwaar maken tegen een ECB voorstel voor het intrekken van een vergunning indien dit adequate resolutiemaatregelen of de financiële stabiliteit in gevaar zou brengen, waarna de ECB met de nationale autoriteiten een periode overeenkomt waarbinnen adequate resolutiemaatregelen moeten zijn getroffen.

2. Routekaart naar een bankenunie

Zoals aangegeven in de kamerbrief van 1 oktober jl. met de Nederlandse inzet t.a.v. een bankenunie (Kamerstuk 21501–07, nr. 946) zou een bankenunie moeten bestaan uit Europees toezicht, uit een Europees resolutiefonds en resolutieautoriteit, eventueel in combinatie met een Europese publieke achtervang, en uit een Europees depositogarantiestelsel.

Met een Europees toezichtmechanisme voor banken is de eerste stap naar een Europese bankenunie gezet. Het juridisch kader voor Europees bankentoezicht wordt naar verwachting begin 2013 formeel aangenomen, waarna dit per 1 maart 2013 in werking treedt. De ECB zal met het feitelijke toezicht op z’n vroegst in maart 2014 starten. Voor Nederland vormt aanname van de kapitaaleisenrichtlijn en -verordening (CRD IV en CRR) een voorwaarde om met het toezicht te starten. De Europese Raad (ER) d.d.13 en 14 december heeft opgeroepen tot zo spoedig mogelijke aanname van CRD IV en CRR. De verwachting is dat dit in de eerste helft van 2013 gebeurt.

De momenteel in onderhandeling zijnde herstel- en resolutierichtlijn (RRD) en depositogarantiestelselrichtlijn (DGSD) zouden volgens de afspraken van de ER voor juni 2013 moeten zijn aangenomen. Ten behoeve van de Triloog met het Europese Parlement moet de Raad hierover een politiek akkoord bereiken voor maart 2013. Hiermee worden nationale resolutieraamwerken en depositogarantiestelsel vergaand geharmoniseerd.

Een volgende stap naar een bankenunie is risicodeling via directe herkapitalisatie van banken door het ESM. Volgens de uitkomsten van de ER zou in het eerste kwartaal van 2013 een akkoord moeten worden bereikt over de operationele criteria voor directe herkapitalisatie. De Nederlandse inzet ten aanzien van de vormgeving van dit instrument is weergegeven in de kamerbrief d.d. 1 oktober jl, waarbij voorop staat dat het ESM moet worden ingezet als laatste redmiddel. Vervolgens volgt introductie van het instrument via een reguliere unanieme beslissing door de «Board of Governors» van het ESM. Hieraan is de eis verbonden dat het toezichtmechanisme voor banken effectief is. Volgens Nederland kan van introductie van het instrument dan ook op zijn vroegst vanaf maart 2014 sprake zijn, mits de ECB dan aangeeft klaar te zijn met de operationele implementatie van het toezicht.

Een volgende stap naar een volledige bankenunie betreft het overgaan tot risicodeling via een Europees resolutiemechanisme (Single Resolution Mechanism, SRM, bestaande uit een Europese resolutieautoriteit, een privaat gefinancierd Europees resolutiefonds en een gemeenschappelijke publieke achtervang). De Europese Commissie komt in de loop van 2013 met een voorstel voor een Europees resolutiemechanisme. Over dit voorstel zou volgens de ER voor medio 2014 (het einde van de zittingsperiode van het huidige Europees Parlement) overeenstemming moeten zijn bereikt. Te zijner tijd zal Nederland de plannen voor een Europees resolutiemechanisme beoordelen op basis van de inzet zoals weergegeven in de kamerbrief d.d. 1 oktober jl.

Uiteindelijk zal er in een volledige bankenunie sprake moeten zijn van verdergaande harmonisatie en versterking van regels voor banken. Volgens Nederland is het van belang dat voordat overeenstemming wordt bereikt over een SRM, er afspraken worden gemaakt over het type regels dat nadere versterking en harmonisatie behoeft en het tijdpad dat hiervoor nodig is. Daarnaast moet er prioriteit worden gegeven aan verdere versterking van bankbalansen, opdat banken die uiteindelijk deelnemen aan het resolutiemechanisme gelijke uitgangsposities hebben.

Vooralsnog maakt risicodeling via een Europees depositogarantiestelsel (DGS) geen onderdeel uit van de plannen voor een bankenunie. In lijn met de motie Klaver c.s. d.d. 12 december jl. (Kamerstuk 21 501-07, nr. 723) zal Nederland zich als sluitstuk van een bankenunie blijven inzetten voor een Europees DGS, onder de voorwaarden genoemd in de kamerbrief d.d.1 oktober jl.

Het kabinet zal de Tweede Kamer ruim voorafgaand aan een besluit over introductie van het instrument voor directe herkapitalisatie van banken door het ESM betrekken. Tevens zal de Tweede Kamer via de reguliere procedures worden betrokken zodra de Europese Commissie met een voorstel voor een Europees resolutiemechanisme komt.

3. Griekenland

De Eurogroep heeft op 13 december definitief overeenstemming bereikt over de voortgang van het leningenprogramma aan Griekenland. Het akkoord kwam tot stand na de uitkomsten van de schuldterugkoop en nadat de nationale parlementaire procedures waren afgerond. De Eurogroep heeft ingestemd met de vrijgave van het volgende deel van het leningenprogramma.

Met deze brief stuur ik u ook de definitieve documentatie toe. In de bijlage vindt u:

  • 1) Verklaring van de Eurogroep van 13 december 20122.

  • 2) Verklaring IMF Managing Director Lagarde van 13 december 20123.

  • 3) The Second Economic Adjustment Programme for Greece – First Review 4. Dit is de finale voortgangsrapportage, onder andere de schuldhoudbaarheidsanalyse en de leningenvoorwaarden maken hier onderdeel van uit. Een concept van het document stuurde ik de Tweede Kamer eerder toe als bijlage bij het verslag van de Eurogroep van 26 november. Dit document vervangt dan ook de eerdere concept documentatie die ik de Tweede Kamer toe stuurde.

  • 4) Council Decision amending Decision2011/734/EU:5 dit is het voorstel van de Commissie waar de Ecofin Raad op 4 december jl. mee heeft ingestemd voor de verlenging van de deadline voor het corrigeren van het buitensporige tekort, zoals is vastgesteld in artikel 3 (5) van verordening EC/1467/97.

Schuldhoudbaarheid en financieringsbehoefte

Uitkomsten schuldterugkoop

Zoals ik u meldde in de Geannoteerde Agenda van de Eurogroep van 13 december (Kamerstuk 21 501-07, nr. 975, d.d. 10 december 2012) maakte de Griekse regering op 9 december jl. bekend de veiling te verlengen tot en met 11 december om de mogelijkheid aan investeerders te geven om alsnog aan de terugkoop van de Griekse obligaties deel te nemen. Op woensdag 12 december zijn vervolgens de resultaten van de schuldterugkoop van de Griekse obligaties bekend gemaakt. Er is in totaal voor 31,9 miljard euro aan biedingen ingelegd tegen een gemiddelde prijs van 33,8% van de nominale waarde van de obligatie. Door de terugkoop zal de schuldhoudbaarheid in 2020 met 9,5% BBP verbeteren. Tijdens de Eurogroep van 26 november werd gestreefd naar een verbetering van de schuldhoudbaarheid met 11% BBP in 2020 door de schuldterugkoop. Ondanks dat, kan de schuldterugkoop als succesvol worden bestempeld, omdat het leidt tot een significante schuldverlichting voor Griekenland in 2020.

In het licht van de wat minder dan beoogde opbrengst van de schuldterugkoop, heeft de Eurogroep, in overleg met het IMF, besloten op twee verschillende momenten te bezien of verdere maatregelen nodig zijn, zoals ik ook meldde in het plenaire debat van 12 december jl. met de Tweede Kamer over de Europese Raad van 13 en 14 december. Allereerst zullen, als gevolg van de wat minder dan beoogde opbrengst van de schuldterugkoop, de Eurogroep en het IMF in april 2014 bekijken of, wanneer Griekenland zich aan de voorwaarden van het leningenprogramma heeft gehouden en geen primair tekort meer heeft over 2013, er extra maatregelen ter verbetering van de schuldhoudbaarheid nodig zijn. Deze datum is gekozen omdat in april 2014 de door Eurostat geverifieerde statistieken over het jaar 2013 beschikbaar zijn. Daarnaast heeft de Eurogroep aangegeven dat als Griekenland zich blijft houden aan de afspraken en een jaarlijks primair overschot realiseert, opnieuw bekeken wordt of het pakket aan maatregelen ter verbetering van de schuldhoudbaarheid voldoende is om de schuld terug te dringen tot 124% BBP in 2020. Hierbij heeft de Eurogroep een verdere verlaging van de rente op de bilaterale leningen en een verlenging van de periode waarin Griekenland een lager co-financieringspercentage kan toepassen bij het gebruik van structuurfondsen genoemd als middelen waarmee de schuldpositie verder kan worden gereduceerd tot 124% in 2020. Hierbij merk ik tevens op dat er nog geen resultaten beschikbaar zijn van een mogelijke terugkoop van de zogenaamde hold-out obligatiehouders van de oude Griekse staatsobligaties (de obligatiehouders die niet hebben deelgenomen aan de obligatieomruil in februari jl.). Dit zou de schuldratio in 2020 mogelijk nog verder kunnen reduceren.

Uitstel van rentebetalingen van de EFSF-leningen

Zoals reeds in het verslag van de Eurogroep van 26 november beschreven (Kamerstuk 21 501-07, nr. 972, d.d. 28 november 2012) is de Eurogroep overeengekomen dat Griekenland de rentebetalingen aan het EFSF zal uitstellen met tien jaar. Tijdens de Eurogroep van 13 december is geconcludeerd dat dit uitstel van de rentebetalingen voorlopig niet geldt voor de leningen van het EFSF aan Griekenland die verstrekt zijn voor de financiering van de zogenaamde sweeteners (circa 30 miljard euro) en opgebouwde rente op de oude Griekse staatsobligaties (circa 5,5 miljard euro). Na akkoord van de aandeelhouders van deze obligaties, kan het uitstel van de rentebetalingen ook gaan gelden voor deze EFSF-leningen na 2014. De uitzondering heeft geen effect op de schuldhoudbaarheid.

Griekse investeringsportefeuille nationale centrale banken

Er zal tevens worden bezien of de obligaties die in handen zijn van de nationale centrale banken (NCBs) zouden kunnen worden doorgerold. Door het doorrollen van deze obligaties hoeft Griekenland deze niet op korte termijn af te lossen. Als gevolg daarvan zal de financieringsbehoefte in de periode 2012 tot en met 2016 significant dalen. De schuld zal in 2020 licht stijgen. Een besluit hiertoe zal nog genomen moeten worden door de nationale centrale banken.

Uitzonderingen

Als gemeld in het verslag van de Eurogroep van 26 november, zullen de landen die in een volledig macro-economisch programma zitten – momenteel Portugal en Ierland – niet hoeven bij te dragen aan de renteverlaging op de bilaterale leningen (Greek Loan Facility, GLF) en het doorgeven van de SMP-inkomsten aan Griekenland voor de periode waarin zij financiële steun uit de Europese noodfondsen ontvangen. Cyprus zal een gelijke behandeling krijgen vanaf het moment dat de Eurogroep positief zou besluiten over een macro-economisch aanpassingsprogramma voor Cyprus. Daarnaast heeft Slowakije tijdens de Eurogroep aangegeven dat de nationale centrale bank te kampen heeft met een negatieve kapitaalpositie. Vanwege de negatieve kapitaalpositie is de Slowaakse centrale bank niet in staat SMP-inkomsten aan Griekenland door te geven. De Eurogroep heeft aangegeven dat voor de periode waarin de Slowaakse centrale bank een negatieve kapitaalpositie heeft het Slowaakse aandeel in de SMP-portefeuille niet hoeft te worden door gegeven aan Griekenland. Daarnaast heeft de Eurogroep ingestemd met het verlenen van uitstel aan Malta voor het doorgeven van het aandeel 2013 in de SMP-portefeuille aan Griekenland. Malta geeft het aandeel van 2013 en 2014 in 2014 aan Griekenland door.

Uitkering volgende deel leningenprogramma

EFSF

De Eurogroep heeft besloten het volgende deel van het leningenprogramma vrij te geven. Dit deel bedraagt 49,1 miljard euro vanuit het EFSF. Het eerste deel bedraagt 34,3 miljard euro en wordt in december uitgekeerd. Dit eerste deel wordt geoormerkt voor verschillende doeleinden. Allereerst is 11,3 miljard euro bestemd voor de voorfinanciering van de schuldterugkoop. Zoals eerder aangegeven in het plenaire debat van 12 december jl. met de Tweede Kamer over de Europese Raad van 13 en 14 december (Handelingen II, 2012/2013, nr. 34, debat over de Europese top) wordt de schuldterugkoop binnen het bestaande programma van 109 miljard euro gefinancierd. Als gevolg daarvan zullen de toekomstige tranches kleiner uitvallen dan eerder gepland, waardoor nog binnen de programmaperiode deze uitkering wordt ingelopen. Daarnaast wordt 16 miljard euro, zoals reeds overeengekomen in maart jl. (zie Kamerbrief nieuw leningenprogramma Griekenland, Tweede Kamer Vergaderjaar 2011–2012, Kamerstuk 21501–07 nr. 893) gebruikt voor het herkapitaliseren en afwikkelen van Griekse banken. Het resterende deel, 7 miljard euro, wordt geoormerkt voor de begroting, aflossingen en rentebetalingen.

Het tweede deel komt in het eerste kwartaal van 2013 ter beschikking en bedraagt 14,8 miljard euro. Hiervan wordt 7,2 miljard euro geoormerkt voor het herkapitaliseren en afwikkelen van Griekse banken, opnieuw in lijn met de afspraken van maart jl. De overige 7,6 miljard euro wordt gebruikt voor de begroting, aflossingen en rentebetalingen. Deze 7,6 miljard euro wordt vervolgens in drie sub-tranches aan Griekenland uitgekeerd afhankelijk van het behalen van de doelstellingen waar Griekenland, in lijn met de vereisten uit het leningenprogramma, aan moet voldoen. Hierover informeerde ik u reeds in het verslag van de Eurogroep van 26 november. De hervorming van de inkomstenbelasting maakt hier onderdeel van uit.

IMF

Het IMF heeft tijdens de Eurogroep aangegeven akkoord te gaan met het overeengekomen pakket aan maatregelen en afronding van de voortgangsrapportage. IMF Managing Director Lagarde heeft aangegeven (zie bijgevoegde verklaring) dit pakket ter goedkeuring voor te leggen aan de Board. Zij stelt voor dat het IMF de twee tranches van 1,6 miljard euro die oorspronkelijk gepland stonden voor het tweede en derde kwartaal van 2012 nu in één keer zal over maken aan Griekenland en daarnaast de tranche van 1,6 miljard euro die oorspronkelijk gepland stond voor het vierde kwartaal van 2012 te verdelen over de resterende tranches. Dit betekent dat de tranches vanaf het eerste kwartaal van 2013 circa 1,8 miljard euro zullen bedragen. Naar verwachting zal de IMF Board in januari 2013 hier definitief mee in stemmen.

Ten slotte

Nederland heeft ook recent het Nederlandse aandeel in de beleggingsportefeuille van de nationale centrale banken, aan Griekenland doorgegeven. Deze afspraak maakt onderdeel uit van de besluitvorming waarover de Eurogroep op 12 maart jl. akkoord bereikte (zie Kamerbrief nieuw leningenprogramma Griekenland, Tweede Kamer Vergaderjaar 2011–2012, Kamerstuk 21 501-07 nr. 893) waarin werd afgesproken dat de lidstaten aan Griekenland een bedrag zouden doorgeven dat overeenkomt met de inkomsten van de nationale centrale banken uit hun Griekse investeringsportefeuille.

4. Cyprus

De Eurogroep van 13 december jl. heeft tevens gesproken over de stand van zaken met betrekking tot de aanvraag van financiële steun van Cyprus. Zie ook bijgevoegd de verklaring van de Eurogroep over Cyprus6.

Tijdens de Eurogroep is aangegeven dat er vooruitgang wordt geboekt richting een mogelijk macro-economisch aanpassingsprogramma voor Cyprus, die significante financiële, budgettaire en structurele maatregelen zal kennen. De Eurogroep verwelkomt de inzet die Cyprus toont; het Cypriotische parlement heeft maatregelen aangenomen met betrekking tot belastingen, structurele hervormingen, loonmatiging, belastingontduiking en witwassen. Deze maatregelen vloeien voort uit de besprekingen tussen de Trojka en Cyprus.

Daarnaast nam de eurogroep kennis van de tussentijdse resultaten van het onderzoek naar de stand van zaken en de financieringsbehoefte van de financiële sector. Het eindrapport wordt medio januari verwacht. Nederland heeft in de Eurogroep nogmaals aangegeven dat eerst alle informatie over Cyprus beschikbaar moet zijn en dat alle mogelijke opties moeten worden bekeken voor het oplossen van de problemen, voor er een besluit genomen kan worden. Daarnaast zet Nederland in op schuldhoudbaarheidsanalyse uitgevoerd in samenwerking met het IMF. Ook verdere IMF betrokkenheid is voor Nederland essentieel, zowel qua expertise als financieel.

De Tweede kamer wordt vooraf in de gelegenheid gesteld over het steunprogramma te oordelen alvorens het kabinet namens Nederland een definitief besluit kan nemen. De Tweede Kamer zal op de hoogte gehouden worden over de voortgang rond het steunprogramma.

5. Verordening betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie

Middels dit verslag wil ik ook mededelen dat in de Coreper van 5 december jl. overeenstemming is bereikt over een algemene inzet van de Ecofin Raad voor de Verordening betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik). Het in de Raad bereikte compromis doet recht aan de initiële zorgen van Nederland, zoals verwoord in het BNC-fiche van 29 november 2011 (Kamerstukken II 2011/12, 22 112, nr. 1 269, blz. 2–7).

Nederland was met name bezorgd over de inperking op de bevoegdheid van toezichthouders om de inhoud van telefoongesprekken en elektronische communicatie die bij beleggingsondernemingen aanwezig is op te vragen. Hoewel dit op basis van de huidige regels omtrent marktmisbruik wel mogelijk is, voorzag het initiële voorstel van de Europese Commissie niet langer in deze bevoegdheid. Het kunnen opvragen van dergelijke gegevens is van essentieel belang bij het onderzoeken van marktmisbruik. Nederland heeft zich daarom samen met enkele andere lidstaten sterk gemaakt voor het behoud van deze bevoegdheid, met als resultaat dat in de algemene inzet de bevoegdheid tot het opvragen van de inhoud van telefoongesprekken en elektronische communicatie is behouden.

Naar aanleiding van de vermeende manipulatie van EURIBOR en LIBOR heeft de Europese Commissie tijdens de Raadsonderhandelingen het voorstel voor de Verordening marktmisbruik aangevuld, waardoor manipulatie van benchmarks kwalificeert als marktmanipulatie en zodoende onder de marktmisbruikregels kan worden aangepakt. Deze aanvullingen zijn, behoudens enkele technische verbeteringen, ongewijzigd opgenomen in de algemene inzet. Zoals ik uw Kamer middels het BNC-fiche van 28 september 2012 (Kamerstukken II 2012/13, 22 112, nr. 1 478, blz. 2–8) heb bericht, beschouwt Nederland dit voorstel als een welkome aanvulling op het bestaande instrumentarium van de Nederlandse toezichthouders om dergelijke kwesties aan te pakken. De overeengekomen algemene inzet vormt een goede basis voor de Raad om de onderhandelingen met het Europees Parlement (de triloog) in te gaan.


X Noot
1

Er bestaat één uitzondering op deze stemprocedure. Wanneer er wordt gestemd over toezichtregels – bijvoorbeeld ten aanzien van de modaliteiten voor samenwerking tussen de ECB en nationale toezichthouders – geldt een stemprocedure waarbij er zowel een eenvoudige meerderheid van de lidstaten als een gekwalificeerde meerderheid moet zijn voordat een besluit wordt aangenomen.

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
4

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
5

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
6

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer