Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201821501-07 nr. 1513

21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken

Nr. 1513 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 mei 2018

Hierbij zend ik u het verslag van de Eurogroep en informele Ecofin van 27 en 28 april 2018 te Sofia.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Verslag Eurogroep en informele Ecofin van 27 en 28 april 2018 in Sofia

Eurogroep

Activiteiten van SSM en SRB

Danièle Nouy, de voorzitter van het Single Supervisory Mechanism (SSM), en Elke König, de voorzitter van de Single Resolution Board (SRB), gaven zoals elk half jaar een update aan de Eurogroep. Hierbij gingen ze beide in op de activiteiten van respectievelijk het SSM en de SRB en de recente ontwikkelingen in de Europese bankensector. Het SSM is belast met het toezicht op alle Europese banken. Binnen het SSM houdt de Europese Centrale Bank direct toezicht op significante banken, in Nederland zijn dit er zes. De ECB is ook eindverantwoordelijk voor alle kleinere banken. Nouy gaf hierbij aan dat er positief nieuws te melden is over stijgende kapitaalratio’s van de banken, dat de hoeveelheid NPLs dalen en de winsten stijgen. Verder vroeg Nouy aandacht voor het belang van het afmaken van de bankenunie.

De SRB is belast met het opstellen van de resolutie van banken wanneer ze eventueel in de problemen komen. König vertelde de Eurogroep dat er opvolging wordt gegeven aan de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer onder andere over het versterken van interne procedures. Ook gaf König een toelichting over de implementatie van de instellingspecifieke minimumeis voor de bail-inbare buffers (de zogenaamde Minimum Requirement for own funds and Eligible Liabilities, MREL). Daarnaast is er gesproken over het uitwisselen van informatie tussen toezichthouders ten aanzien van antiwitwassen, mede naar aanleiding van de casus met de Letse bank ABVL. In november zullen de twee instituties weer deelnemen aan de Eurogroep.

Thematische discussie – loonontwikkelingen

In de Eurogroep is een thematische discussie gehouden over de loonontwikkelingen in de eurozone. De Commissie (Valdis Dombrovskis) gaf een inleiding hierover. Hierbij gaf hij aan dat de recente loonontwikkelingen zwakker zijn dan gedacht. De oorzaken hiervan zouden in de lage inflatie en extra beschikbaar, onaangeboord arbeidsaanbod kunnen liggen. Verder gaf hij ook aan dat er grote verschillen binnen de Eurozone zijn, waarbij er ook lidstaten zijn met sterke loonstijgingen.

Daarnaast gaf Tito Boeri, voorzitter van het Italiaanse sociale zekerheidsinstituut, een presentatie over dit onderwerp. In de daaropvolgende gedachtewisseling benadrukten verschillende lidstaten de rol van sociale partners in het proces van loonontwikkelingen. Verder werd gewezen op andere ontwikkelingen die invloed hebben op de loonontwikkeling zoals mondialisering en technologische ontwikkelingen. Ook deelden ministers hun ervaringen met loonontwikkelingen en werd ingegaan op arbeidsmobiliteit. Nederland gaf hierbij aan dat de ontwikkeling van lonen en productiviteit al langere tijd, reeds voor de totstandkoming van de Eurozone, niet gelijk oplopen en dat hier verdere analyse naar de oorzaken welkom is. Uit de gedachtewisseling kwam naar voren dat dit een breed fenomeen is dat niet beperkt is tot Nederland. Bij de Eurogroep in juni zal wederom over onderwerpen aangaande de arbeidsmarkt worden gesproken.

Griekenland – stand van zaken

De Eurogroep heeft de stand van zaken besproken over Griekenland. Hierbij werd genoemd dat Griekenland een primair overschot van meer dan 4% van het BPP heeft behaald in 2017 en ook een feitelijk begrotingsoverschot. De instituties gaven een terugkoppeling over de voortgang van de vierde voortgangsmissie.

De lopende voortgangsmissie is de laatste in het Griekse programma, dat deze zomer afloopt. De volgende missie van de instituties naar Athene in het kader van deze vierde voortgangsmissie zal waarschijnlijk op 14 mei plaatsvinden. De instituties hebben aangegeven voornemens te zijn om voor de Eurogroep van 24 mei te proberen om afspraken te maken over het pakket aan prior actions dat geïmplementeerd moet worden voor de afronding van de vierde voortgangsmissie.

Daarnaast heeft de Eurogroep gesproken over de periode na afloop van het programma. Na afronding van een ESM-programma krijgen landen post-programma surveillance. De Eurogroep heeft gesproken over de vormgeving van het raamwerk voor deze surveillance. Daarnaast gaf de Griekse Minister een presentatie van de groeistrategie voor de Griekse economie voor de jaren na afronding van het programma. De strategie richt zich op een vergroting van het langetermijngroeipotentieel en verbetering van het investeringsklimaat.

De Eurogroep heeft tot slot een terugkoppeling gekregen van het technisch werk dat tot nu toe gedaan is met betrekking tot een koppeling van de herprofilering van EFSF-leningen aan de groeirealisaties in de Griekse economie. In het statement van de Eurogroep van 22 januari jl. (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1481) is aangegeven dat de Eurogroup Working Group (EWG) kon starten met het technische werk aan dit groeimechanisme dat onderdeel is van de middellangetermijnschuldmaatregelen, zoals door de Eurogroep vastgesteld op 15 juni 2017 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1447). Deze schuldmaatregelen kunnen alleen plaatsvinden aan het einde van het ESM-programma, op voorwaarde dat het ESM-programma succesvol is afgerond en dat schuldmaatregelen daadwerkelijk noodzakelijk zijn.

De voorzitter van de Eurogroep sprak tijdens de Eurogroep de intentie uit om tijdens de Eurogroep van juni een akkoord te bereiken over de implementatie van prior actions die onderdeel uitmaken van de vierde voortgangsmissie. In dat geval zou de Eurogroep van juni ook kunnen spreken over de vormgeving van het post-programma raamwerk en de inzet van schuldmaatregelen.

Informele Ecofin

Verdieping EMU – Routekaart ter voltooiing van de bankenunie en ESM

Bij de lunchbijeenkomst op de informele Ecofin is verder gesproken over de toekomst van de Economische en Monetaire Unie (EMU), in het bijzonder over de routekaart voor de voltooiing van de bankenunie en de versterking van het ESM. Deze discussie wordt voortgezet in de komende vergaderingen richting de Europese Raad van eind juni.

De routekaart is in juni 2016 overeengekomen onder het Nederlands voorzitterschap van de Raad. In de periode van 2012 tot 2016 zijn veel maatregelen genomen die hebben bijgedragen aan de financiële stabiliteit, het verkleinen van het morele risico en de afname van het risico op de noodzaak van publieke middelen. Daarbij is in de routekaart wat Nederland betreft afgesproken dat verdere stappen nodig zijn met betrekking tot het reduceren van risico’s voorafgaande aan het delen van risico's in de bankensector.

Verschillende lidstaten gaven hun visie over de voortgang van de voltooiing van de bankenunie. Hierbij benadrukten verschillende lidstaten in toenemende mate het belang van risicoreductie als onderdeel van een totaalpakket. Ook gaven veel lidstaten aan het ESM als de logische optie als backstop voor het Single Resolution Fund (SRF) te beschouwen. De Commissie benadrukte, net als meerdere lidstaten, het belang om stappen te zetten ten aanzien van de backstop en het sluitstuk van de bankenunie, een Europees depositoverzekeringstelsel (EDIS). Het voorzitterschap van de Raad gaf aan te werken aan het pakket aan voorstellen inzake risicoreductie. Het gaat hierbij onder andere om de buffers voor bail-in en de leverage ratio. De voorkeur van het voorzitterschap is om hierop in de Ecofin van mei al een akkoord te bereiken.

Nederland benadrukte duidelijk voor een EDIS te zijn, maar dat eerst stappen nodig zijn op het gebied van risicoreductie. Risicoreductie is daarbij wat Nederland betreft breder dan alleen de omvang van niet-presterende leningen (NPLs). Zo moet bijvoorbeeld ook worden gekeken naar de buffers voor bail-in (MREL). Nederland heeft ook aangegeven dat een mechanisme voor de herstructurering van schulden (SDRM) onderdeel zou moeten zijn van een eventuele toekomstige herziening van het ESM verdrag.

Tot slot werden de lidstaten op de hoogte gebracht dat het ESM en de Commissie een Memorandum of Understanding (MoU) met elkaar hebben getekend over de onderlinge samenwerking bij financiële hulpprogramma’s onder het huidige wettelijke kader.

Convergentie in de EU

Daniel Gros, directeur van Denktank CEPS, was door het voorzitterschap uitgenodigd om een presentatie te geven over een aan u reeds toegestuurde paper over convergentie in de EU.1 Hierin komt naar voren dat er duidelijk convergentie van reële inkomensniveaus heeft plaatsgevonden in de EU. Gemiddeld genomen kenden de EU-lidstaten met een lager inkomen per hoofd een inhaalgroei, in het bijzonder de lidstaten in Centraal- en Oost Europa. Hierbij merken de onderzoekers op dat deze trend bij zowel de lidstaten die de euro hebben aangenomen aanwezig is geweest als bij de lidstaten die een eigen munt voeren. Het effect van de euro hierop is niet heel sprekend maar lijkt neutraal tot licht positief te zijn voor de convergentie.

Veel lidstaten gaven hun visie over dit onderwerp en benadrukten dat convergentie van groot belang is voor lidstaten en voor de EU als geheel. Daarnaast gingen veel lidstaten in op de instrumenten die convergentie kunnen bevorderen. Hierbij benadrukten lidstaten verschillende manieren om convergentie te bevorderen. Veel lidstaten benadrukten dat het nationaal doorvoeren van structurele hervormingen en het voeren van goed nationaal economisch beleid een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan convergentie en dat dit een nationale verantwoordelijkheid is. Hierbij gaven sommige lidstaten aan dat het initiatief om de technische steun bij het doorvoeren van hervormingen uit te breiden (SRSP, structural reform support programme) hierbij kan helpen. De rol van het Europees semester en de nationale hervormingprogramma’s werden hierbij ook genoemd. Verder gaven verschillende lidstaten aan dat de interne markt en het verdiepen hiervan kan bijdragen aan convergentie. Het verder ontwikkelen van een kapitaalmarktunie biedt hierbij in het bijzonder veel potentieel. Andere lidstaten wezen op de rol van structuur- en cohesiefondsen bij het bevorderen van convergentie. De voorzitter concludeerde dat convergentie een veelzijdig onderwerp is dat van groot belang blijft voor lidstaten zowel binnen als buiten de eurozone.

Het reduceren van fragmentatie in de kapitaalmarktunie

Denktank Bruegel was uitgenodigd om een paper over dit onderwerp te presenteren.2 Hierbij bracht Guntram Wolff, directeur van de denktank, in herinnering waarom de ontwikkeling van een kapitaalmarktunie van belang is. Hij noemde hierbij het gemakkelijker verbinden van vraag en aanbod op de financieringsmarkt, het groeivriendelijker maken van financiële markten en de private risicodeling als gunstige effecten. In de EU hangt financiële activiteit vooral aan leningen vanuit banken en spaartegoeden in de vorm van deposito’s die huishoudens aanhouden. Daarnaast zijn de investeringen die worden gedaan nu vooral nationaal, hetgeen een belemmering vormt voor private risicodeling in de EU.

Wolff stelde dat er verschillende wetgevingsvoorstellen zijn gedaan door de Commissie maar dat het aannemen hiervan nog langzaam gaat. Met de verkiezingen van het Europees parlement op komst stelde hij dat er prioriteiten gesteld moeten worden op basis van wat van wezenlijk belang en tevens haalbaar is. Hierbij noemde hij het versterken van ESMA (European Securities and Markets Authority), insolventiewetgeving en PEPP (pan-European personal pension product) als de drie belangrijkste focuspunten.

Bij de rondgang werd brede steun uitgesproken voor de kapitaalmarktunie. Ook de notie dat de ontwikkeling van de kapitaalmarktunie een groot potentieel heeft om private risicodeling te vergroten werd bijna universeel genoemd. Hierbij gaven sommige lidstaten aan dat private risicodeling meer potentie heeft dan publieke private risicodeling. Hierbij werd ook verwezen naar de VS waar private kanalen voor meer risicodeling zorgen dan publieke kanalen.

Op het punt van het versterken van ESMA waren de meningen meer verdeeld. Een aantal lidstaten, waaronder Nederland, sprak hier duidelijk steun voor uit. Verschillende lidstaten gaven aan zorgen te hebben bij een te grote rol voor ESMA om uiteenlopende redenen. Zo wezen sommigen op de samenloop tussen de rol van de toezichthouder en de convergentie van de regelgeving, anderen wezen erop dat nationale toezichthouders beter bekend zijn met lokale omstandigheden.

Ook voor wat betreft PEPP was het beeld verdeeld. Nederland is geen voorstander van dit voorstel en heeft dit duidelijk aangegeven.

Veel aanwezigen zagen in Brexit een extra argument voor de verdere ontwikkeling van de kapitaalmarktunie. Daarbij kondigde de Commissie en het VK aan dat ze de ECB en de Bank of England hebben gevraagd een technische werkgroep op te zetten om de risicobeheersing rond de uittredingsdatum van 30 maart 2019 op het gebied van financiële dienstverlening te onderzoeken.

Versterking van de administratieve samenwerking op het gebied van de btw

De ministers hebben uitgebreid stilgestaan bij de noodzaak van de aanpassing van de verordening administratieve samenwerking temeer omdat er alleen al, volgens de inschatting van de Commissie, door BTW fraude 50 miljard euro aan belastinginkomsten wordt misgelopen. Vrijwel alle landen erkenden dat meer maatregelen ter verbetering van de inning van BTW genomen moeten worden en dat het vertrouwen tussen belastingautoriteiten verder moet worden versterkt. Wel waren enkele kleinere lidstaten kritisch over de uitwerking van de joint audits op hun beperkte capaciteit. Nederland heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om steun uit te spreken voor de implementatie van Transaction Network Analysis (TNA). Nederland heeft tevens opgeroepen om prioriteit te geven aan efficiënte en effectieve maatregelen om BTW fraude aan te pakken en niet teveel stil te staan bij onderwerpen die vooruitlopen op de discussie over het definitieve BTW systeem zoals Certified Tax Payer (CTP). De Voorzitter concludeerde dat er brede steun vanuit de lidstaten was voor betere samenwerking.

Belastingheffing van de digitale economie

De voorzitter van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de heer Angel Gurría, leidde dit onderwerp in en gaf aan dat wereldwijd het besef opkomt dat het huidige fiscale stelsel niet in staat is om digitale diensten adequaat in de heffing te betrekken. De OESO ziet daarom nu een goede kans om een wereldwijde oplossing ten aanzien van de digitale economie te ontwikkelen. Verder zegde de heer Gurría toe dat de OESO in 2019 al een voorstel zal presenteren in plaats van de eerder geplande datum van 2020. De heer Gurría hoopt dat deze toezeggingen meegenomen kunnen worden in de overwegingen van de EU lidstaten tijdens de bespreking van de voorstellen over de digitale economie. Een groot aantal lidstaten gaf daarna aan zorgen te hebben over de gevolgen van de interim-oplossing. Zo waren er zorgen dat de interim-belasting zal leiden tot dubbele belasting en een negatieve werking zal hebben op het innovatievermogen van de EU op het gebied van digitale economie. Verder vroegen enkele landen zich af of deze interim- belasting geen ongewenst precedent kan zijn voor landen buiten de EU om soortgelijke omzet gerelateerde belastingen te gaan introduceren. Daarnaast werd de vrees uitgesproken dat deze belasting onderdeel kan worden van de oplopende spanning tussen de EU en de VS over vrije handel. Enkele lidstaten spraken wel steun uit voor de interim--oplossing. In hun ogen kan een wereldwijde oplossing nog lang op zich laten wachten, hetgeen volgens hen een ongewenst belastingvoordeel betekent voor de grote internetbedrijven. De voorzitter gaf aan alle meningen mee te nemen in de beoordeling hoe nu verder te gaan met dit dossier.


X Noot
1

Zie Kamerstuk 21 501-07, nr. 1511.

X Noot
2

Dit paper is reeds aan de kamer gezonden, zie Kamerstuk 21 501-07, nr. 1511.