Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-04 nr. 121

21 501-04 Ontwikkelingsraad

Nr. 121 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 februari 2011

Conform de bestaande afspraken heb ik de eer u hierbij aan te bieden de geannoteerde agenda van de Informele Bijeenkomst van de Europese bewindspersonen verantwoordelijk voor ontwikkelingssamenwerking (Informele OS-Raad) op 22 februari 2011 te Brussel.

Tevens maak ik gebruik van deze gelegenheid om u te informeren over de mid term review van het tiende EOF (Europees Ontwikkelingsfonds), n.a.v. de toezegging van mijn ambtsvoorganger op 12 november 2009.

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

H. P. M. Knapen

Geannoteerde agenda van de Informele Bijeenkomst van de Europese bewindspersonen verantwoordelijk voor ontwikkelingssamenwerking (Informele OS-Raad) op 22 februari 2011 te Brussel.

Op initiatief van het Hongaarse voorzitterschap en onder leiding van de Hoge Vertegenwoordiger (HV), Catherine Ashton, vindt op 22 februari 2011 in Brussel een korte Informele OS-Raad plaats. De volgende punten zullen aan de orde komen: toekomst EU-ontwikkelingsbeleid; veiligheid en ontwikkeling; internationale bijeenkomsten.

Toekomst EU-ontwikkelingsbeleid

Op de Informele OS-raad zal gesproken worden over de toekomst van het EU-ontwikkelingsbeleid. De Commissie zal rapporteren over de voorlopige uitkomsten van de consultatie die eind januari 2011 werd afgesloten over het Groenboek «EU-ontwikkelingsbeleid ter ondersteuning van groei voor iedereen en duurzame ontwikkeling; Het EU-ontwikkelingsbeleid trefzekerder maken» (COM(2010) 629, 10 november 2010).

Nederland zal in de bespreking de hoofdpunten inbrengen van de kabinetsreactie op het groenboek, die op basis van het schriftelijk overleg met de Kamer (kamerstuk 22 112 nr. 1121) nog op enkele onderdelen is aangepast. Nederland is voorstander van modernisering van het EU-ontwikkelingsbeleid. De Commissie moet zich richten op gebieden waar het internationaal verschil kan maken. Nederland juicht toe dat de Commissie meer nadruk wil leggen op het ondersteunen van inclusieve economische groei in ontwikkelingslanden, energie, infrastructuur, landbouw/voedsel en «Aid for Trade».

Ook zal ik refereren aan de Nederlandse terughoudende positie over verstrekking van begrotingssteun (kabinetsreactie op het Groenboek begrotingssteun, kamerstuk 22 112 nr. 1094).

Verder zijn voor de bespreking in de Informele OS-Raad bepaalde elementen relevant van de kabinetsreactie die is opgesteld in het kader van de consultatie «What funding for EU external action after 2013?». Nederland heeft gesteld dat de externe instrumenten van de EU moeten zijn toegesneden op het geven van een antwoord op de mondiale veranderingen in het komende decennium. Het Europese belang moet daarbij nadrukkelijk meespelen.

Nederland pleit voor een sobere meerjarenbegroting van de EU. Er zullen derhalve in de financiering van het externe beleid scherpe keuzes moeten worden gemaakt. Nederland heeft aangegeven drie hoofdprioriteiten te zien voor de financiering van het externe beleid in de periode 2014–2020:

  • 1) nabuurschapsbeleid;

  • 2) armoedebestrijding in de armste landen;

  • 3) stabiliteit, veiligheid en crisisbeheersing.

In de groep snel opkomende middeninkomenslanden (zoals India, China, Zuid-Afrika, veel landen in Zuidoost Azië en Latijns Amerika) zou de EU geen grote (en klassieke) ontwikkelingsprogramma’s meer moeten uitvoeren. Ook de omvang van de EU-hulp aan Turkije (bijna € 1 miljard per jaar, nagenoeg geheel ODA-toerekenbaar) kan tegen het licht worden gehouden.

Nederland heeft ook gesteld dat tegenover Europese inspanningen concrete verplichtingen moeten staan voor ontwikkelingspartners op het gebied van onder meer goed bestuur, goed macro-economisch beleid, mensenrechten en het nakomen van internationale afspraken (o.m. op het gebied van migratie en terugkeerbeleid). Nederland is voorstander van het onder de EU-begroting brengen van het EOF. Ook heeft Nederland gesteld dat de EU en haar lidstaten beter waar krijgen voor hun geld bij een scherpere werkverdeling tussen EU-donoren (lidstaten en Commissie). Ik zal en marge van de Informele OS-Raad met enkele gelijkgezinde lidstaten overleg voeren over onderlinge werkverdeling, naar aanleiding van de veranderingen in het Nederlandse beleid.

Voor de goede orde treft u bijgaand aan de definitieve versies van de drie genoemde kabinetsstandpunten over: 1) EU-begrotingssteun; 2) de toekomst van het EU-ontwikkelingsbeleid; 3) financiering van het externe beleid van de EU na 2013.1

Veiligheid en ontwikkeling

In haar capaciteit als coördinator van het externe beleid van de EU wil de HV met de bewindpersonen verantwoordelijk voor ontwikkelingssamenwerking van gedachten wisselen over een geïntegreerde EU strategie op het terrein van veiligheid en ontwikkeling. De Sahel en Zuid Soedan zullen hierbij waarschijnlijk bijzondere aandacht krijgen.

Mogelijk zal tijdens de Informele OS-raad de binnenkort te verschijnen EU Sahel Strategie besproken kunnen worden. Deze strategie zal voorstellen bevatten voor een geïntegreerde benadering van de regio ter ondersteuning van de sociaaleconomische ontwikkeling en ter verbetering van de veiligheidssituatie. Verder zal mogelijk gesproken worden over een geïntegreerd EU-beleid voor Zuid Soedan, nu de bevolking daar in het referendum heeft gekozen voor afscheiding. Een EU-missie zal binnenkort naar Khartoem en Juba reizen om te onderzoeken hoe de situatie in het Zuiden het beste gestabiliseerd kan worden. De HV zal met de ministers van gedachten willen wisselen over de ondersteuning die de EU kan geven in Zuid Soedan, mocht dit binnenkort een apart land worden.

Nederland juicht toe dat de HV de discussie over een geïntegreerd beleid op het gebied van ontwikkeling en veiligheid een impuls wil geven. Na presentatie van de EU Sahel Strategie zal het kabinet zijn visie bepalen en bezien of en, zo ja, hoe Nederland aan de uitvoering hiervan kan bijdragen. Wat betreft Zuid Soedan is Nederland is voorstander van een substantiële bijdrage vanuit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF-10) aan de opbouw van de toekomstige staat in Zuid Soedan.

Internationale bijeenkomsten

Frankrijk zal als voorzitter van de G-8 als de G-20 verslag doen van de voorbereidingen van de beoogde toppen in Cannes. Wat betreft ontwikkelingssamenwerking vragen de Fransen aandacht voor voedselproductie en prijsschommelingen op de wereldmarkt. Ook zal Frankrijk waarschijnlijk op het belang van innovatieve financiering voor ontwikkeling wijzen.

De Mid Term Review van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds

In vervolg op de toezegging van de minister voor ontwikkelingssamenwerking, gedaan tijdens het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer op 12 november 2009, geef ik u hieronder informatie over de voorlopige uitkomsten van de Mid Term Review (MTR) van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) in de ACS-landen (Afrika, Cariben, Stille Oceaan).

De MTR is uitgevoerd door de EU-delegaties in de ACS-landen op basis van richtlijnen die zijn vastgesteld in overleg met de EU lidstaten. Op grond van de resultaten van de MTR konden de landenallocaties onder het 10e EOF worden aangepast. Uw kamer is op 25 augustus 2009 per brief ingelicht over de aanpak van de MTR (21 501-04, nr. 112).

Medio 2010 heeft de Commissie de MTR gekoppeld aan het zogenaamde MDG Initiatief. Over dit initiatief is uw kamer op 7 juni 2010 geïnformeerd (21 501-02, nr. 970). Commissievoorzitter Barroso heeft het initiatief op 8 september 2010 officieel aangekondigd tijdens de MDG Top in New York. Onder het MDG initiatief stelt de Commissie tot € 1 miljard aan fondsen beschikbaar uit EOF-10 (d.m.v. herschikking binnen het bestaande budget) voor het bereiken van achterlopende millennium ontwikkelingsdoelen. Tijdens de MDG top zijn met name MDG 4 (kindersterfte), MDG 5 (moedersterfte), 7c (drinkwater & sanitatie) and 1c (ondervoeding, voedselzekerheid) aangewezen als achterblijvende doelen. De Commissie heeft vervolgens € 300 miljoen van het MDG initiatief gereserveerd voor de ACS-landen die het beste scoren in de MTR.

De Commissie heeft eind december 2010 de voorlopige uitkomsten van de MTR aan de lidstaten gepresenteerd. Resultaten van de MTR van de regionale programma’s en van de intra-ACS programma’s zijn in een later stadium voorzien.

In totaal zijn in de MTR 64 ACS-landen beoordeeld. In een 13-tal ACS-landen heeft geen MTR plaatsgevonden of wordt deze op een later stadium voorzien. Zimbabwe, Madagaskar, Fiji, Guinee, Mauritanië en Niger zijn niet opgenomen als gevolg van een artikel 96 procedure, waardoor de hulp bij aanvang van de MTR was opgeschort. Soedan en Equatoriaal Guinee zijn uitgesloten omdat deze landen het herziene Verdrag van Cotonou niet hebben goedgekeurd. In Nigeria vond geen MTR plaats vanwege vertraging van de ondertekening van de landenstrategie. De MTR voor Haïti is uitgesteld na de aardbeving begin 2010. De MTR in Somalië is uitgesteld vanwege de algehele situatie in deze failed state. Afronding van de MTR in Angola is afhankelijk van de uitkomsten van de politieke dialoog met de Angolese overheid. Hetzelfde geldt voor Eritrea.

De Commissie heeft de landen beoordeeld wat betreft de voortgang op vier onderwerpen: (i) kwaliteit van bestuur; (ii) het macro-economische beleid; (iii) het sociale en armoedebestrijdingsbeleid; (iv) implementatie van het EOF en samenwerking met de Commissie. De toegekende scores op deze vier elementen zijn naast elkaar gelegd. Goed presterende landen krijgen een verhoging, slecht presterende landen worden gekort en de allocatie blijft gelijk bij gemiddelde voortgang. Daarnaast verdisconteert de Commissie verzachtende omstandigheden indien landen onevenredig zijn getroffen door externe factoren (mn hoge voedsel- en energieprijzen in 2008 en de financiële crisis) of in een fragiele situatie zijn geraakt.

De Commissie komt tot de volgende indeling van die 64 ACS-landen.

  • (I) De 19 best presterende landen:

    Antigua & Barbuda, Botswana, Burkina Faso, Kaapverdië, Cook Islands, Jamaica, Kiribati, Malawi, Marshall Islands, Mauritius, Namibië, Nauru, Niue, Rwanda, Samoa, Sao Tome & Principe, Solomon Islands, Tonga, Tuvalu.

  • (II) Landen (35) met gemiddelde voortgang:

    Bahamas, Barbados, Belize, Benin, Burundi, Kameroen, Centraal Afrikaanse Republiek, Congo (BR), Congo (DRC), Ivoorkust, Dominica, Dominicaanse Republiek, Ethiopië, Ghana, Grenada, Guyana, Liberië, Mali, Micronesië, Mozambique, Oeganda, Palau, Saint Kitts & Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent & The Grenadines, Seychellen, Senegal, Sierra Leone, Suriname, Tanzania, Tsjaad, Togo, Trinidad & Tobago, Vanuatu, Zambia.

    Tevens: Comoren, Djibouti, Guinee Bissau, Kenia, Lesotho, Swaziland, Oost Timor. Deze 7 landen scoorden in eerste instantie onder de maat, maar de Commissie heeft de resultaten naar boven bijgesteld vanwege overwegende externe factoren, met name de financiële crisis.

  • (III) Landen die negatief scoren in de MTR:

    Gambia, Gabon, Papua Nieuw Guinea.

De Commissie heeft de ACS-landen onlangs geïnformeerd over deze uitkomst en de mogelijkheid om in te tekenen op het MDG-initiatief. De 19 best presterende ACS-landen krijgen een ophoging van de toegewezen middelen onder EOF-10 van ongeveer 20% (in totaal die € 300 miljoen), waarbij verwacht wordt dat zij in overleg met de Commissie bestedingen aangeven op het gebied van MDG 4 (kindersterfte), MDG 5 (moedersterfte), 7c (drinkwater & sanitatie) and 1c (ondervoeding). Daarnaast kunnen zij en de andere ACS-landen meedingen naar de overige € 700 miljoen onder het MDG-initiatief, waarbij deze landen kwalitatief goede voorstellen (met hoge impact, haalbaarheid en effectiviteit) moeten formuleren voor de aanpak van de vier achterblijvende MDGs. Al deze middelen vallen binnen het in 2007 vastgestelde financiële plafond voor EOF-10.

In de brief van mijn ambtsvoorganger aan de Tweede Kamer van 25 augustus 2009 werd gesteld dat de Europese Commissie geen ingrijpende nieuwe beleidsvoorstellen zou doen in het kader van de Mid Term Review. Zoals verwacht is de MTR in de eerste plaats een relatief beperkte bijstelling van de landenprogramma’s.

Nederland kan zich op hoofdlijnen vinden in de uiteindelijke aanpak van de MTR door de Commissie en de verbinding die daarbij is gemaakt met het MDG-initiatief. Het is nuttig dat de – op basis van de door de Commissie gehanteerde criteria – best presterende ACS-landen in de MTR zo in staat worden gesteld om een extra inspanning te leveren op de meest achterlopende MDGs met behulp van bestaande middelen uit het EOF.

Wat betreft de details van de exercitie valt hier en daar wellicht af te dingen op het oordeel van de Commissie (zoals bv de positieve score van Rwanda op het gebied van governance). Zoals ik ook stelde in het Algemeen Overleg met uw Kamer op 9 december 2010 is dit echter inherent aan de wijze waarop in Europa wordt samengewerkt en tot besluitvorming wordt gekomen.

Ten aanzien van de allocatie van de overige middelen van het MDG-initiatief heeft Nederland aangedrongen op het alleen belonen van voorstellen die een grote waarschijnlijkheid van resultaat en impact hebben. Nederland zal hierop strikt toezien bij de beoordeling van de uiteindelijke voorstellen in het EOF-comité.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.