Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201521501-02 nr. 1426

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1426 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 november 2014

Op dinsdag 18 en woensdag 19 november 2014 vindt in Brussel de Raad Algemene Zaken plaats. Deze brief gaat in op de agenda van 19 november, die volledig gewijd is aan het cohesiebeleid. Het Italiaanse voorzitterschap heeft twee hoofdonderwerpen op de agenda gezet, te weten de raadsconclusies naar aanleiding van het 6e cohesieverslag en een gedachtewisseling over de relatie tussen het cohesiebeleid en de voorgenomen herziening van de Europa 2020-strategie. Over de agenda van 18 november wordt uw Kamer separaat geïnformeerd door de Minister van Buitenlandse zaken.

6e cohesieverslag

Op 25 juli jl. heeft de Europese Commissie haar 6e verslag over economische, sociale en territoriale cohesie (hierna 6e cohesieverslag) gepubliceerd. Het rapport zet het cohesiebeleid in een bredere context van de economische en financiële crisis en beschrijft de toegevoegde waarde van het cohesiebeleid voor Europa in de periode 2007–2013. Er worden in het rapport geen conclusies getrokken of aanbevelingen gedaan.

In haar rapport stelt de Europese Commissie dat de convergentietrend van voor 2009 voor het BBP en de werkloosheid tussen regio’s door de economische crisis is omgekeerd, in het bijzonder in Zuid-Europa. De Europese Commissie signaleert dat het cohesiebeleid deze negatieve trend heeft gemitigeerd. Verder geeft het rapport aan hoe in de nieuwe verordeningen (2014–2020) tekortkomingen van de vorige periode worden geadresseerd. Over de nieuwe onderdelen van het cohesiebeleid heb ik uw Kamer reeds geïnformeerd (Kamerstuk 21 501-08, nr. 493). De Raad zal conclusies aannemen over hetgeen in het 6e cohesieverslag worden besproken en bevat drie hoofdonderdelen.

Ten eerste wordt het belang van goede economische beleidscoördinatie door lidstaten en de mogelijkheden tot afdwingen hiervan door de macro-economische conditionaliteit (MEC) van het cohesiebeleid geadresseerd. Over de werking van de MEC en het standpunt van het kabinet heb ik uw Kamer recentelijk al geïnformeerd (Kamerstuk21 501-08, nr. 526). Ten tweede wordt de Europese Commissie opgeroepen om de Operationele Programma’s (OP’s) spoedig goed te keuren. Een derde onderdeel in de conclusies is de wens tot een reguliere politieke discussie over het cohesiebeleid in de toekomst.

Inzet

Voor Nederland is een doortastende implementatie van structurele hervormingen en het verzekeren van gezonde overheidsfinanciën essentieel voor het bevorderen van het groeivermogen van de Europese economie. Met gelijkgestemde lidstaten zal Nederland zich dan ook inzetten voor strikte toepassing van de MEC en het nauw betrekken van de ECOFIN-raad. Over deze inzet heb ik de uw Kamer reeds eerder geïnformeerd (Kamerstuknr. 21 508-08, nr. 526). Tegelijkertijd blijft binnen dit kader het investeren door middel van de ESI-fondsen van groot belang om het fragiele herstel van de Europese economie verder te ondersteunen.

Ten aanzien van het tempo van goedkeuren van OP’s door de Europese Commissie is het kabinet van mening dat de programma’s spoedig moeten starten om op deze manier snel te kunnen bijdragen aan meer groei en banen in de Europese Unie. Deze urgentie mag er echter niet toe leiden dat de Europese Commissie in een positie wordt gebracht waar dit ten koste gaat van de kwaliteit. Ten aanzien van een reguliere politieke discussie over het cohesiebeleid vindt het kabinet dat met de bestaande afspraken, waaronder agendering in de RAZ, de mogelijkheid hiertoe goed geborgd is. Zoals ook eerder aangegeven (Kamerstuk 21 501-08, nr. 507) wil het kabinet hiervoor geen extra structuren optuigen.

Cohesiebeleid en Europa 2020 strategie

Het Italiaanse voorzitterschap heeft als tweede onderwerp cohesiebeleid en de Europa 2020-strategie geagendeerd. Het betreft een uitwisseling van gedachten en er zullen geen besluiten genomen worden. Het voorzitterschap heeft vragen voorgelegd die de lidstaten vragen in te gaan op het effect van de Europa 2020-strategie op het cohesiebeleid, of er een rol voor het cohesiebeleid is binnen het Europese Semester en hoe cohesiebeleid nog effectiever ingezet kan worden voor het behalen van de EU2020-doelen.

De kabinetsreactie op de consultatie van de Europese Commissie over de Europa 2020-strategie is reeds naar de Kamer gezonden (Kamerstuk 21 501-20, nr. 912). De kern van de kabinetsreactie geldt ook voor het cohesiebeleid: het verbeteren van het concurrentievermogen om te zorgen voor groei en banen. In de Raad zal Nederland drie punten uit deze kabinetsinzet benadrukken:

  • 1. Het kabinet is een groot voorstander van een duidelijke koppeling van de Europa 2020-doelen aan de hoofdthema’s voor het cohesiebeleid (Kamerstuk 21 501-08, nr. 335). Hierdoor is de mogelijkheid gecreëerd om de Europese middelen en uitdagingen te koppelen aan uitdagingen op nationaal en regionaal niveau, bijvoorbeeld op het gebied van innovatiestimulering. Net als voor de Europa 2020-strategie, geldt ook voor het cohesiebeleid dat voldoende focus essentieel is. Dit kan door de hoeveelheid middelen in te zetten teneinde een beperkt aantal doelen te bereiken.

  • 2. Het kabinet vindt het van groot belang dat lidstaten in hun beleid de nadruk leggen op haar kernuitdagingen en de structurele hervormingen die hieraan ten grondslag liggen. Als belangrijk investeringsinstrument van de Europese Unie kan het cohesiebeleid ook hier een bijdrage aan leveren. De bestaande mogelijkheden om een lidstaat te verzoeken om haar programma’s bij te stellen om nieuwe, grote belemmeringen in de economie aan te pakken kunnen het verschil maken bij het vergroten van het concurrentievermogen van de betreffende lidstaat en regio.

  • 3. Het betrekken van de partners is bij uitstek van belang voor het cohesiebeleid. Daar de uitvoering en de implementatie van het cohesiebeleid in grote mate op regionaal niveau plaatsvindt, is het essentieel om de juiste partners in een vroeg stadium te betrekken voor de juiste implementatiekeuzes. Het beter betrekken van bijvoorbeeld steden en stedelijke agglomeraties is ook één van de doelen van de Urban Agenda, waartoe Nederland samen met overige lidstaten het initiatief genomen heeft.

Diversen

Doordat de verordeningen voor het cohesiebeleid pas in december 2013 zijn aangenomen, heeft het proces voor het opstellen van de partnerschaps-overeenkomsten en de OP’s vertraging opgelopen. De Europese Commissie zal een toelichting geven op de gevolgen voor de Operationele Programma’s die niet voor het einde van het jaar goedgekeurd worden. Deze programma’s komen in een aparte procedure. De jaarlijkse financiële toewijzing voor de Operationele Programma’s ligt vast in het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Wanneer de goedkeuring van de OPs niet tijdig is geregeld, zouden op basis van het Financieel Reglement, de middelen niet kunnen worden opgenomen in de EU-begroting en daarmee komen te vervallen. Om dat te voorkomen lijkt een aanpassing van het MFK noodzakelijk, zodat een deel van de 2014 tranche kan worden overgeheveld naar 2015.

Inzet

Nederland zal de toelichting van de Commissie aanhoren. Het kabinet roept de lidstaten op tijdig goede programma’s in te dienen en de Europese Commissie om de beschikbare capaciteit in te zetten op de programma’s die naar verwachting nog voor het einde van het jaar afgerond kunnen worden.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma