Op 29 en 30 augustus vond de Informele Raad Algemene Zaken plaats in Vilnius. Gesproken
werd over de aanloop naar de verkiezingen van het Europees Parlement in mei 2014 en
over de relaties tussen Europees Parlement en de Raad na de inwerkingtreding van het
Verdrag van Lissabon. Bij het eerste deel van de bijeenkomst namen naast de lidstaten
ook vertegenwoordigers van het Europees Parlement (de leden Brok, Casini en Gualtieri)
deel aan de discussie. Nederland was vertegenwoordigd op hoog ambtelijk niveau omdat
de Minister vanwege het Algemeen Overleg Syrië verhinderd was (Kamerstuk 32 623, nr. 107).
Ten aanzien van de verkiezingen van het Europees Parlement is gesproken over de mogelijkheden
om de interesse van de burger voor de Europese verkiezingen te vergroten. Vele lidstaten
gaven aan zich zorgen te maken over de opkomst, gezien de telkens afnemende opkomstpercentages
bij eerdere verkiezingen van het Europees Parlement, mede in het licht van de huidige
financieel-economische crisis. Benadrukt werd dat er een belangrijke taak lag voor
de politieke families om hun visie over hoe Europa eruit zou moeten zien duidelijk
kenbaar te maken. Ook zouden alle stakeholders, de Europese instellingen en de nationale
regeringen en parlementen, proactief duidelijk moeten maken welke impact de Europese
samenwerking heeft op het dagelijks leven van de Europese burger, wat het belang van
de Unie in een globaliserende wereld is, wat de Unie al bereikt heeft en welke uitdagingen
er nog liggen. De focus zou moeten liggen op het belang en de inhoud van de EU, en
niet op een simpel voor of tegen de EU dan wel op inter-institutionele discussies.
Het idee van de «Spitzenkandidaat» voor het Commissie-Voorzitterschap werd door vele
lidstaten omarmd als mogelijkheid om de verkiezingen een concreet «gezicht» te geven.
Hierbij werd echter aangetekend, onder andere door Nederland, dat de rol voor de Europese
Raad en Raad zoals neergelegd in de Verdragen bij de samenstelling van de nieuwe Commissie
moet worden gewaarborgd.
Naast de discussie over de Europese verkiezingen is, ten behoeve van vergroting van
de democratische legitimiteit van de Unie in den brede, in het eerste deel van de
bijeenkomst eveneens gesproken over versterking van transparantie in de Raad en ten
aanzien van EU-documenten. Door verschillende lidstaten is bovendien gewezen op het
belang van een (sterkere) rol van nationale parlementen en versterking van de COSAC
samenwerking van nationale parlementen en het Europees Parlement. Deze interventies
waren in lijn met de ideeën die het kabinet hierover heeft ontvouwd in de Staat van
de Unie. In deze context werd uitgekeken naar de eerste bijeenkomst van de interparlementaire
conferentie op financieel-economisch terrein (art. 13 Begrotingspact) die in oktober
zal plaatsvinden. Volgens de Commissie worden nationale parlementen al steeds assertiever,
hetgeen blijkt uit de exponentiële groei van de contacten tussen nationale parlementen
en de Commissie. De Commissie gaf aan bereid te zijn naar nationale parlementen toe
te komen en verantwoording af te leggen over haar werk.
Verschillende lidstaten, waaronder Nederland, wezen bovendien op het belang van het
beginsel van subsidiariteit voor de versterking van de democratische legitimiteit
van de Unie. Opgeroepen werd tot het voeren van een debat over wat de Unie wel zou
moeten doen en niet zou moeten doen. De Nederlandse ideeën naar aanleiding van de
subsidiariteits-exercitie zouden hiervoor een belangrijke impuls kunnen geven.
Het tweede deel van de bijeenkomst richtte zich op de relaties tussen het Europees
Parlement en de Raad. Deze werden als niet altijd gemakkelijk, maar cruciaal bestempeld
voor het goed functioneren van de Unie. Recente voorzitterschappen deden verslag van
hun ervaringen met samenwerking met het Europees Parlement. Terugkerend thema daarbij
was de assertiviteit van het Europees Parlement, dat met het Verdrag van Lissabon
veel nieuwe bevoegdheden heeft gekregen. In het streven naar verdere vergroting van
invloed maakt het Europees Parlement creatief gebruik van deze bevoegdheden. Door
lidstaten, waaronder Nederland, werd benadrukt dat vanuit de Raad hiertegenover een
assertieve eigen agenda, gebaseerd op respect voor de Verdragen en de daarin neergelegde
inter-institutionele balans, moest worden gesteld. Daarnaast werd door uitgaande Voorzitterschappen
een aantal praktische aanbevelingen gedaan over verloop van onderhandelingen in trilogen,
optredens in het Europees Parlement en betrokkenheid van het inkomend Voorzitterschap
bij de trilogen.
In deze context is ook gesproken over de mogelijkheid van een geheel nieuw Inter-Institutioneel
Akkoord (IIA) voor langere termijn tussen Europees Parlement, Commissie en Raad. Een
dergelijk IIA zou het Raamwerkakkoord tussen Europees Parlement en Commissie, gesloten
in 2010, moeten vervangen. Hierin zouden duidelijke afspraken moeten worden gemaakt
tussen de drie instellingen over de onderlinge samenwerking en het verloop van het
besluitvormingsproces. Het Litouws Voorzitterschap zal op basis van de discussie in
de Informele Raad hierop terugkomen in Raadsverband.