Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 februari 2012
Hierbij heb ik het genoegen u de beleidsevaluatie van de Twinningfaciliteit Suriname
– Nederland aan te bieden. Een samenvatting van deze evaluatie en de beleidsreactie
op het rapport gaan u hierbij eveneens toe.1
De minister van Buitenlandse Zaken,
U. Rosenthal
De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
H. P. M. Knapen
Beleidsreactie
1. Opzet en methodologie
In 2008 startte de Nederlandse regering de Twinningfaciliteit Suriname – Nederland:
een fonds voor de versterking van de samenwerking tussen Nederlandse en Surinaamse
organisaties. Nederland wilde daarmee een nieuwe inhoud geven aan de relaties met
Suriname in het post-Verdragsmiddelentijdperk. Doel van deze evaluatie was inzicht
te verkrijgen in hoeverre Twinning voldoet aan de eisen om invulling te geven aan
die nieuwe, op gelijkwaardigheid en vermaatschappelijking gebaseerde relatie met Suriname.
Daartoe heeft IOB naast documenten van de Uitvoeringsorganisatie Twinningfaciliteit
Suriname – Nederland (UTSN), ook Nederlandse en Surinaamse partners van de projecten
onder de loep genomen. 38 van de in totaal 108 goedgekeurde projecten zijn nader onderzocht.
2. Algemeen Nederlands beleid
Bij het onafhankelijk worden van Suriname in 1975 heeft Nederland omgerekend € 1,6
miljard aan hulp toegezegd, de zogeheten verdragsmiddelen. Inmiddels is voor al deze
middelen een bestemming gevonden. Hierdoor ontstond ruimte voor een andere relatie
met Suriname. Een relatie die uitgaat van de begrippen zakelijk, betrokken, gelijkwaardig.
De overheid doet waar mogelijk een stap terug. Wel blijft Nederland samenwerking,
uitwisseling van contacten en kennis tussen de beide samenlevingen faciliteren. Uitgangspunt
daarbij is dat Suriname belangrijk blijft voor Nederland, zowel vanwege de historische
verbondenheid als de aanwezigheid van een grote Surinaamse gemeenschap in Nederland.
Stimulering van de maatschappelijke contacten heeft de afgelopen jaren vorm gekregen
vanuit de Twinningfaciliteit.
3. Appreciatie van de hoofdbevindingen en consequenties voor het Nederlands beleid
De Twinningfaciliteit kende een experimenteel karakter. De inzet bij de start van
het fonds was om al doende te leren, en waar mogelijk de uitvoering geleidelijk bij
te stellen. Een ander belangrijk uitgangspunt was dat de Nederlandse overheid bij
de vormgeving van het beleidskader voor de toekenning van financieringsaanvragen binnen
de Twinningsfaciliteit zoveel mogelijk op de achtergrond zou blijven. Reden hiervoor
was dat de Twinningfaciliteit opgestart werd om samenwerking tussen maatschappelijke
organisaties zonder inmenging van de overheid te stimuleren.
IOB concludeert dat in belangrijke mate is voldaan aan de verwachting dat de Twinningfaciliteit
zou bijdragen aan de verdieping van de samenwerking tussen Nederlandse en Surinaamse
organisaties. Daarnaast is er sprake van verbreding van de samenwerking doordat er
ook nieuwe contacten werden aangegaan.
IOB geeft aan dat niet alle organisaties en niet alle projecten per definitie gebaat
zijn bij twinning. Wanneer er sprake is van vertrouwen, thematische overeenkomst en
wederzijdse belangen en draagvlak binnen de organisaties, kan twinning succesvol zijn.
Aanscherping van het beleidskader zal bijdragen aan een gefocuste inzet van de Twinningfaciliteit.
Matching van de partners gericht op duurzame samenwerking vormt een belangrijk aandachtspunt.
Daarnaast dienen onder andere ook de kwaliteit van de projectaanvragen met het oog
op de duurzaamheid en de inbedding in de institutionele, regionale of sectorale omgeving
punten van aandacht te zijn. Ook zal scherp gekeken moeten worden naar het penvoerderschap,
de gewenste omvang van projecten en welke sectoren de beste mogelijkheden bieden om
samenwerking te verdiepen en uit te breiden.
Door de verdieping en verbreding van de samenwerking tussen Nederlandse en Surinaamse
organisaties heeft de Twinningfaciliteit bijgedragen aan de door de regering gewenste
verdere vermaatschappelijking van de relatie met Suriname. Een vervolgfase van de
Twinningfaciliteit ligt dan ook in de rede en past binnen het beleid zoals dit in
de brief aan de Tweede Kamer inzake de relatie Nederland – Suriname d.d. 26 augustus
2011 (TK 20 361, nr. 147) is vastgelegd. De vaststelling dat het instrument Twinningfaciliteit een helder
beleidskader vereist, wordt gedeeld. De evaluatie geeft daartoe waardevolle aanbevelingen
voor de toekomst. Op welke wijze de vervolgfase van de Twinningfaciliteit vorm krijgt,
zal de komende maanden nader worden uitgewerkt. Hierbij kan ondernemerschap als mogelijk
aanknopingspunt worden meegenomen. Waar mogelijk zullen Nederlandse en Surinaamse
stakeholders bij deze vormgeving worden betrokken.