Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Eerste Kamer der Staten-Generaal2009-201031953 nr. I

31 953
Vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht)

I
MOTIE VAN HET LID HUIJBREGTS-SCHIEDON C.S.

Voorgesteld 23 maart 2010

De Kamer,

gehoord de beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel,

overwegende, dat de doelstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de afhandeling van aanvragen die de fysieke leefomgeving betreffen, te vereenvoudigen, te stroomlijnen en te versnellen alsmede de dienstverlening te verbeteren, inhoudelijk wordt gedeeld;

overwegende, dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van die wet primair bij het lokaal en provinciaal bestuur ligt;

overwegende, dat de gemeenten en provincies daarbij tevens de verantwoordelijkheid hebben om een goede kwaliteit van de besluitvorming inzake vergunningverlening en handhaving te waarborgen;

overwegende, dat voor de fragmentatie bij het milieutoezicht en de milieuhandhaving en de vrijblijvendheid in de samenwerking, informatie-uitwisseling en uitvoering een oplossing moet worden gevonden;

van mening dat het primaat bij de gemeenten moet liggen om samen met de provincie inhoud, schaal en vorm van samenwerking, bijvoorbeeld in een regionale uitvoeringsdienst, te kiezen, en dat de regering daar geen hypotheek op mag leggen,

van mening dat gemeenten en provincies ruimte en gelegenheid moet worden gelaten om zelf uitvoering te geven aan hun verantwoordelijkheden voor de invoering van de Wabo;

spreekt uit dat de vormgeving en realisatie van de Regionale uitvoeringsstructuur (Rud’s) niet bij wet dient te worden opgelegd;

en gaat over tot de orde van de dag.

Huijbregts-Schiedon

Meindertsma

Janse de Jonge

Smaling

De Boer