31 953
Vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht)

D
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEU / WONEN, WIJKEN EN INTEGRATIE1

Vastgesteld 22 december 2009

De memorie van antwoord heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende nadere opmerkingen en het stellen van de volgende nadere vragen.

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de memorie van antwoord van de regering bij de invoeringswet Wabo. Deze leden hebben aanvullend nog één enkele vraag.

De leden van de VVD-fractie hebben met bijzondere belangstelling kennis genomen van de memorie van antwoord d.d. 13 november 2009. De leden van de fractie van de PvdA zeggen de regering dank voor het uitvoerige antwoord op de vele vragen van o.a. de fractie van de PvdA maar hebben toch de behoefte tot het stellen van enkele nadere vragen.

De leden van de SP-fractie zijn de regering dankbaar voor de verhelderende antwoorden d.d. 13 november jl. n.a.v. het voorlopig verslag. Graag stellen deze leden nog enkele schriftelijke vragen.

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP hebben met belangstelling kennisgenomen van de memorie van antwoord bij wetsontwerp 31 953, die hun op 13 november 2009 werd toegezonden. De fracties danken de regering voor haar uitvoerige beantwoording, die inderdaad een aantal vragen op voldoende wijze heeft beantwoord. Toch hebben de leden van deze fracties er behoefte aan, om op enkele punten nog een nadere verduidelijking te vragen. Ze volgen bij deze vragen de nummering die in de memorie van antwoord wordt gebruikt.

2. Inspraak en rechtsbescherming

Met instemming hebben de leden van de fractie van de PvdA kennis genomen van de nadere uitleg door de regering van het Verdrag van Aarhus naar aanleiding van de vraag welke belanghebbenden recht op toegang naar de rechter hebben. Dat beroepsrecht geldt voor leden van het betrokken publiek die een voldoende belang hebben dan wel stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht. Onder betrokken publiek wordt verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming. En daar worden de milieuorganisaties zonder meer toe gerekend, zo begrijpen de leden van de fractie van de PvdA, uit het antwoord van de regering. Op grond daarvan verwachten de leden van de fractie van de PvdA dan ook dat de in discussie zijnde wijzigingen in het bestuursprocesrecht, waarvan een voorzet gegeven is in de crisis- en herstelwet met betrekking tot de toepassing van een relativiteitsvereiste niet zal leiden tot een inperking van het beroepsrecht van milieuorganisaties. Kan de regering dat bevestigen?

3. Bundeling van aanvragen

De leden van de fractie van de PvdA hebben zowel bij de Wabo, als nu ook in het verslag bij deze invoeringswet van de Wabo uitdrukkelijk gepleit voor het afgeven van de ene omgevingsvergunning en de opdeling in deelvergunningen voor projecten zoveel mogelijk tegen te gaan. In de memorie van antwoord zegt de regering dat de Wabo de aanvragers niet volledig vrij laat, het indienen van één aanvraag voor activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen is vereist. Dat stelt de leden van de fractie van de PvdA gerust, hoewel de definiëring van het begrip onlosmakelijk stellig tot discussie aanleiding geeft. Deze leden gaan er vanuit dat het voorbeeld onderaan pagina 5 waar gesuggereerd wordt dat de mogelijkheid van een gescheiden aanvraag voor de bouw van een schuur en het kappen van bomen op de plek waar de schuur geprojecteerd blijft bestaan juist bedoeld is als een voorbeeld van onlosmakelijke verbondenheid. Immers als geen kapvergunning voor de bomen gegeven wordt kan de schuur helemaal niet op die plaats geprojecteerd worden

4. Omgevingsdiensten

Package deal

De regering benadrukt in de memorie van antwoord – voor de leden van de leden van de VVD-fractie overigens ten overvloede – dat onderhavig voorstel slechts een aantal technische aanpassingen behelst en zeker niet de borging van de zgn. package-deal tussen gemeenten, provincies en Rijk. Evenals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel kondigt de regering de regeling van deze afspraken aan in een wetsvoorstel tot wijziging van de Wabo en van een wijziging van het Besluit omgevingsrecht. Juist door de herhaaldelijke verwijzing naar de package-deal en anticipatie op de uitvoeringsstructuur van de Wabo heeft naar de mening van de leden van de VVD-fractie de regering zelf de aanzet gegeven de uitvoeringsstructuur deel uit te laten maken van de beraadslagingen rondom Wabo-wetgeving, zo ook van de Invoeringswet.

De prominente rol die de inrichting van de uitvoeringsstructuur speelt in de invoering en effectuering van de Wabo komt zelfs tot uitdrukking in het besluit deze wettelijk te verankeren middels een voor te stellen wetswijziging! Graag zouden de leden van de VVD-fractie de redenering van de regering, die kortheidshalve neerkomt op «nu is er niks aan de hand, het gaat over wat anders», volgen. Inhoudelijk kan de leden van de VVD-fractie op hoofdlijnen met het voorstel instemmen, ware het niet dat de diffuse discussie en de toenemende verwarring over zowel vorm en status van de wettelijk beoogde uitvoeringsdiensten nog alom heerst en daarom voor de instemming vooralsnog een belemmering vormt. Naar de waarneming van de leden van de VVD-fractie komt vanuit een werkelijk «bottom-up» proces steeds meer regionaal en subregionaal maatwerk tot stand en komt de landelijke dekking van de uitvoeringsstructuur steeds verder af te staan van de beoogde congruentie met de 25 veiligheidsregio’s. Graag de reactie van de regering hierop.

In de memorie van antwoord (pag. 7) stipuleert de regering nogmaals de relatie tussen de invoering Wabo en de advisering Mans. Zij stelt dat de Wabo zich richt op de frontoffice en het dossier Mans/eindbeeld op de back-office. Met die stelling kunnen de leden van de VVD-fractie volledig instemmen: de front-office (Wabo) regelt als het ware de eenduidige landsbrede service- en vergunningverlening aan de burger. Dat is waar overheden op af mogen en moeten worden geregeld. Nu de regering echter met zoveel woorden de uitvoering (Mans/eindbeeld) definieert als backoffice dient zich met nog meer klem dan voorheen de vraag aan of en tot op welke hoogte de wetgever zich – naast uiteraard uniforme kwaliteitscriteria en het toezicht daarop – dient te mengen in de autonome uitvoeringsstructuur en -bevoegdheid van de overige overheden. In dat verband verwijzen de leden van de VVD-fractie graag naar de memorie van antwoord bij Beleidskader gemeentelijke herindeling, waarin de regering het navolgende stelt (zie pag.5):

«Effectieve intergemeentelijke samenwerking kan bijdragen aan versterking van de bestuurskracht van gemeenten. Of intergemeentelijke samenwerking bij een bepaalde taak nuttig of wenselijk is, is een aangelegenheid die ter beoordeling van de lokale democratie staat. De gemeenteraad speelt hierbij als volksvertegenwoordigend en controlerend orgaan een spilfunctie als het gaat om de totstandkoming van gemeenschappelijke regelingen en de controle van bestuurders».

En verder:

«Met het begrip verlengd lokaal bestuur wordt tot uitdrukking gebracht dat samenwerkingsverbanden beleidsmatig en institutioneel zijn geworteld in de gemeenten en daaraan hun taakopdracht en hun democratische legitimatie ontlenen».

De leden van de VVD-fractie nemen aan dat dezelfde uitgangspunten en overwegingen ten grondslag liggen aan de voorkeur van de regering tot het verplicht stellen van omgevingsdiensten. Kan de regering dan exact toelichten hoe de democratische legitimatie vorm krijgt? Gemeenten blijven immers bevoegd gezag, maar oefenen geen direct gezag (meer) uit op de back-office.

Op pagina 9 van de memorie van antwoord stelt de regering dat de provincies vanaf 2012 over doorzettingsmacht zullen beschikken ten aanzien van gemeenten die in gebreke blijven met de kwaliteitscriteria. Bedoelt de regering hiermee, zoals zij eerder deed, dat de provincies gemeenten kunnen dwingen aan te sluiten bij omgevingsdiensten?

Op pagina 12 van de memorie van antwoord maakt de regering een vergelijking met de zgn. shared service centers. Volgens de leden van de VVD-fractie zijn deze een voorbeeld van verstandige en vrijwillige samenwerking ter verbetering van zowel de kwaliteit als de efficiency voor de aangesloten deelnemers. De vergelijking met de wettelijk te verankeren omgevingsdiensten gaat dan ook mank: shared service centers bestaan er in vele (rechts)vormen en grootte en komen altijd autonoom tot stand vanuit de notie de back-office van bepaalde diensten efficiënter te organiseren. Mits de regering juist deze vorm van samenwerking serieus meent te bedoelen, bagatelliseert zij naar de mening van de leden van de VVD-fractie met deze vergelijking de principiële discussie over de omgevingsdiensten.

Graag ontvangen zij helderheid hierover.

Tenslotte stelt de regering op pagina 15 van de memorie van antwoord:

«De ontwikkeling van regionale uitvoeringsdiensten is geen noodzakelijke voorwaarde voor de in- en uitvoering van de Wabo. Ook ... etc».

Bij de indiening van wetsvoorstel Wabo was nog geen sprake van de discussie rondom de uitvoeringsstructuur. In- en uitvoering van de Wabo met verplichte omgevingsdiensten was daarin niet voorzien en kon niettemin op brede steun rekenen. Kan de regering een scenario schetsen waarin geen wettelijke regeling daarvan is vastgelegd?

De regering geeft aan, dat de invoering van de Wabo als front-office is te kwalificeren en het dossier Mans/eindbeeld als back office. Dat zijn de fracties van ChristenUnie en SGP met haar eens. Is het daarom niet des te klemmender, dat de back office helder en gereed is, voordat met succes gebruik kan worden gemaakt van de front-office? En zit daar nu juist niet de onduidelijkheid? De regering geeft immers aan, dat er voor 1 december 2009 binnen diverse provincies geen finale beslissingen zullen vallen inzake die noodzakelijke back-office. En in 2010 en 2011 zullen in het kader van de package deal «stappen voorwaarts» moeten worden gezet. Maar dat zijn toch niet voldoende vervulde voorwaarden voor het met succes aan het werk kunnen gaan met de front-office? Het standpunt van de minster in paragraaf 5, namelijk dat de ontwikkeling van regionale uitvoeringsdiensten geen noodzakelijke voorwaarde is voor de in- en uitvoering van de WABO lijkt ons dan ook nauwelijks houdbaar: wat is een front-office zonder goed functionerende back-office? Graag ontvangen deze leden hierop een reactie van de regering.

In dit verband haalt de regering ook de commissie Oosting aan, die één overheid en wel meestal de gemeente bestuurlijk verantwoordelijk wil maken. Maar hoe verhoudt zich dat tot de wettelijke regeling waaraan gewerkt wordt en die o.a. het basispakket zal omvatten van de omgevingsdiensten t.b.v. de controle van GS op de in de package deal overeengekomen afspraken? Dat wordt toch een wettelijke beperking van de autonomie van gemeenten, zeker als gemeenten niet vrij zijn in het kiezen van gebiedsindelingen, maar daartoe slechts voorstellen kunnen doen bij het rijk? En om deze vragen nog uit te breiden: het te ontwikkelen systeem wordt ook nog belast met vier bovenprovinciale organisaties voor BRZO-taken. Al met al is toch nauwelijks vol te houden, dat feitelijk geen sprake is van een extra bestuurslaag: besluitvorming door gemeente of provincie kan toch nauwelijks meer iets anders zijn dan ja zeggen? Graag ontvangen de leden van deze fracties hier duidelijkheid over.

Toekomstige uitvoeringsstructuur

De leden van de fractie van de PvdA hebben begrepen dat de organisatie en werkwijze van de uitvoeringsdiensten in een apart wetsvoorstel geregeld gaat worden. Hoewel deze leden nog vele vragen hebben bij de wijze waarop gemeenten gedwongen worden om, zelfs wanneer zij hun ambtelijke organisatie kwalitatief goed op orde hebben, het milieudeel van alle vergunningen bij het regionale uitvoeringsorgaan neer te leggen, zullen deze leden de vragen bij dat wetsvoorstel naar voren brengen. Kan de regering aangeven op welke termijn dat wetsvoorstel ingediend zal gaan worden? Is de regering het met de leden van de fractie van de PvdA eens dat ongelijktijdigheid tussen de daadwerkelijke invoeringsdatum van de Wabo en duidelijkheid over de organisatie van de uitvoering zoveel mogelijk vermeden dient te worden?

Kwaliteitscriteria

Eerder vroegen de leden van de SP-fractie: Zijn inmiddels de kwaliteitscriteria vastgesteld, waaraan vergunningverlening, toezicht en handhaving uiterlijk per 1 januari 2011 moeten voldoen (30 844, L, pag. 2)? Welke hebben betrekking op het proces, welke op de inhoud en welke op de kritische massa? Worden/zijn de criteria vertaald in meetbare indicatoren? Het antwoord op deze vragen was dat de eisen «stevig» zijn en dat het eindrapport in december 2009 beschikbaar zou komen. Graag ontvangen de leden van de SP-fractie meer tekst en uitleg, waarbij ook aangegeven wordt hoe realistisch het is voor kleine gemeenten om aan de criteria te voldoen. Met andere woorden: wordt de RUD op deze manier toch niet indirect opgelegd aan gemeenten en de motie Huijbregts-Schiedon omzeild?

5. Invoeringstraject

De regering schetst een interessant beeld van voorlopers, volgers en achterblijvers. De leden van de SP-fractie zouden dit graag nog doorvertaald zien per provinciegroep en wat gemeentes betreft in G-4, 100,000+ en de kleinere gemeenten, op basis van de volgende specifieke kwesties.

• Wat is de bandbreedte («zo doen we het» vs. maximaliseren draagvlak) in de huidige regievoering bij de provincie tussen die met weinig gemeentes (bv. Drenthe, Flevoland, Zeeland) en die met veel gemeentes (bijv. Noord-Holland, Zuid-Holland, Gelderland)?

• De relatie tussen grote gemeentes, RUD’s en provincie: waarom zouden de G-4 en de 100,000+ gemeentes taken aan een RUD moeten overhevelen, zeker wanneer het om een kleine provincie gaat (bijv. Flevoland – Almere)? Verder hebben Amsterdam en Rotterdam al hun Dienst Milieu- en Bouwtoezicht: maken die een RUD overbodig?

• Wat heeft de «bottom-up» benadering tot nog toe opgeleverd aan zelforganisatie? Ik wijs hierbij op het voorbeeld van «de Gelderse Maat». Kunnen de gemeentes in Noord-Holland Zuid gewoon blijven werken met de Milieudienst IJmond i.p.v. nieuwe werkkaders opgelegd te krijgen? Hoeveel (groepen van) gemeentes doen een beroep op de WGR?

• De vereiste deskundigheid zal per provincie en gemeente verschillen. Wat zal het effect zijn op het inhuren van externen? Dit neemt nu al een vlucht terwijl vacatures bij Bouw- en Woningtoezicht onvervuld blijven.

6. Inzicht in samenhang tussen huidige en toekomstige wet- en regelgeving aan aangekondigd beleid

Mede gelet op de argumenten van de regering in de thans aanhangige Crisis- en herstelwet (32 127), rijst bij de leden van de CDA-fractie de vraag waarom art. 5:20 van de Wabo wordt gehandhaafd (en er bij deze Invoeringswet niet wordt voorzien in schrapping althans aanpassing ervan). Zoals blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de in de Wro opgenomen vorderingsbevoegdheid van GS (om te vorderen dat door B&W wordt gehandhaafd), is deze opgenomen teneinde voor GS een beroepsmogelijkheid bij de bestuursrechter te creëren. De gedachte was dat, als in de wet is opgenomen dat GS dit kunnen vorderen, dit college belanghebbende ex art. 1:2 Awb is bij een afwijzing van zo’n verzoek. GS beschikken o.g.v. de Gemeentewet reeds over adequaat instrumentarium bij taakverwaarlozing (art. 125 jo. art. 134 Gemeentewet). Is de regering het met de leden van de CDA-fractie eens dat gelet op de argumentatie in het wetsvoorstel Crisis- en herstelwet het een goede reden is om artikel 5:20 Wabo niet in werking te laten treden?

Uitbreidingen van de reikwijdte van de Wabo zijn nu al in voorbereiding. Ook zal bezien worden of integratie van archeologische monumentenvergunning in de Wabo mogelijk is, aldus de regering. Wat is de reden om ook deze specifieke en overigens niet veelomvattende vergunningen onder te brengen in de container van de Wabo? De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP willen al nu aangeven dat zij deze ontwikkeling zeer kritisch zullen volgen, gezien het grote belang van de onvervangbare archeologische monumenten. Wij vragen daarbij de regering expliciet, dat niet nu en de komende jaren al zogenaamd pro-actief zal worden omgegaan met archeologische monumentenvergunningen, pro-actief in de zin van: dat komt toch onder de WABO en daar gaan we op voorhand maar vanuit.

7. Lex silencio positivo

De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP zijn geschrokken van de mededeling van de regering, dat wat betreft het toetsingskader voor een sloopvergunning in een beschermd stads- of dorpsgezicht uitsluitend wordt beoordeeld of het aannemelijk is dat ter plaatse van het te slopen bouwwerk de bouw van een ander bouwwerk zal plaatsvinden. En dat daarom het inwinnen van een extern deskundigenadvies niet direct voor de hand ligt. De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP begrijpen eigenlijk niet waarom, als het gaat om kwetsbare en onvervangbare situaties (zie ook onze vraag over archeologische monumentenvergunningen) de regering gaat zitten op de naar onze mening minimumlijn van toetsing. Wat is er tegen om wel extern deskundigenadvies in te roepen, zeker als we weten van de kwetsbaarheid van stads- en dorpsgezichten bijv. aan de rand van de beschermde gebieden? Moet dan een extra toets niet prevaleren boven wat meer snelheid in de tijd?

8. ICT-instrument

Het beeld dat de leden van de fracties toch wel hebben is dat van een Wabo, die moet worden ingevoerd terwijl de back-office nog niet gereed is en terwijl het ICT-instrumentarium ook nog niet compleet is. Daarom herhalen we onze vraag: is het aangegeven uitstel van invoering nu werkelijk voldoende? En is de regering bereid om bijv. in maart 2010 helderheid te geven of, gezien het belang van een goede uitvoering, verder uitstel tot bijv. 1 januari 2011 nodig en gewenst is? Voor alle helderheid: De leden van de fracties van ChristenUnie en SGP stellen deze vraag niet om de invoering van de Wabo op de lange baan te schuiven, maar om voor provincies en gemeenten, maar zeker voor de burgers in ons land, een instrument beschikbaar te hebben dat gewoonweg goed werkt en waar inderdaad (tijd)winst mee te behalen is ten opzichte van de huidige situatie.

Omgevingsloket Online (OLO)

De analyse over het OLO van Verdonck, Klooster & Associates geeft aan dat het Online Loket nog lang niet is waar het moet zijn. Uit eigen waarneming stellen de leden van de SP-fractie ook vast dat op de eerste grote keuzepagina bij wijze van spreken het bouwen van een fabriek en het bevestigen van een vlaggenmast aan de voorkant van de woning vlak onder elkaar staan. Is de aanbesteding van deze opdracht wel helemaal goed gegaan? Deze leden waren enigszins verbaasd over het nogal primitieve karakter van het programma en de traagheid bij het doorklikken naar vervolgpagina’s. Graag ontvangen deze leden een update.

9. Vergunningvrij bouwen

De leden van de fractie van de PvdA zijn bij het ontwerp besluit omgevingsrecht ingegaan op het vergunningvrij bouwen en op de betekenis van de motie Boelhouwer-Wiegman. Deze leden hadden zich gerust laten stellen door de uitleg van de regering dat vergunningvrij bouwen uitsluitend kan gelden in die gebieden waar dat planologisch geregeld is in het bestemmingsplan. Daarbuiten gelden de bestaande vormen van vergunningvrij bouwen. De leden van de fractie van de PvdA hebben echter begrepen dat op de Dag van de Wabo dhr. Ankersmit, een deskundige van de vereniging Bouw en Woningtoezicht, een aan deze leden onvermoede uitleg aan de Bor gegeven heeft. Naar de opvatting van dhr. Ankersmit is er, in de relatie tussen de Wabo en de Wro met betrekking tot het bestemmingsplan van alles veranderd. Er is volgens hem sprake van een«omkering» in de behandeling van ontheffingsmogelijkheden. Als een bestemmingsplan een binnenplanse ontheffingsmogelijkheid biedt, dan is er straks geen ruimte voor B en W meer om een afweging te maken: die ontheffing móet verleend worden, tenzij er expliciet beleid is geformuleerd waardoor die ontheffing onmogelijk is. Deze omkering geldt niet alleen voor binnenplanse ontheffing, maar ook voor afwijking van het bestemmingsplan op grond van een projectbesluit of voor toepassing van de «planologische kruimelregeling», die in art. 4 van bijlage 2 van het Bor is geregeld.

Wie iets wil bouwen dat in het bestemmingsplan niet is toegestaan heeft dus recht op ófwel een ontheffing, ófwel een projectbesluit, ófwel toepassing van de kruimelregeling.

De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering om op deze opvatting te reageren. Want wanneer deze leden deze uitleg gaan toepassen op de binnenterreinen van de Amsterdamse bouwblokken, dan zou het volgende beeld kunnen ontstaan. Dan zouden alle Amsterdamse bestemmingsplannen waarin achtergevelrooilijnen en de binnenterreinen bestemd worden tot «groenzone» (of tuin) onvoldoende beschermd zijn voor het bebouwen van de groene ruimte. Want ten eerste geldt de bestaande regeling voor vergunningvrij bouwen: de bewoner mag een serre van 2,5 meter bouwen, plus een schuur van 30 m2. Daar bovenop heeft hij recht op afwijking van het bestemmingsplan – tenzij expliciet gemeentelijk beleid zich daartegen verzet. Behalve een restrictief bestemmingsplan móet Amsterdam dus ook een beleidsnota over groene binnentuinen vaststellen. Is dit een juiste constatering, zo vragen de leden van de fractie van de PvdA? Gaat daarnaast de reikwijdte van die «planologische kruimelregeling» zover, dat die b&w niet alleen het recht geeft, maar ook de plicht, om, zonder wijziging van het bestemmingsplan, een strijdig bouwplan te honoreren tot een grootte van 150 m2? Is het juist dat in de Bor-regeling de huidige eis, dat daarmee het aantal woningen per perceel niet mag toenemen, verlaten is? En is het juist dat als het plan nog groter is dan de kruimel b&w het plan via een projectbesluit mogelijk moeten maken? Als dat zo is dan zou de waarde van de motie-Boelhouwer heel gering zijn en heeft deze alleen maar effect als de gemeente én een heel stringent bestemmingsplan schrijft, én expliciet beleid formuleert waardoor vergunningvrij bouwen op grond van dat beleid onmogelijk kan worden toegestaan. Graag een reactie van de regering op dit punt.

Dhr. Ankersmit wees op nog twee andere aspecten voor de leden van de fractie van de PvdA nieuw waren en waar zij de reactie van de regering opvragen. Dhr. Ankersmit gaf aan dat de motie Boelhouwer als onbedoeld effect heeft dat in sommige situaties de vergunningvrije bouwmogelijkheid gróter wordt. Stel: een bestemmingsplan staat toe dat iemand de helft van zijn perceel mag bebouwen. Dan geldt straks dat hij vergunningvrij die ruimte mag volbouwen + de 30 m2 die hij op grond van de oude regeling vrij bouwen mocht. In het voorgestelde BOR van juni jl. stond immers dat max. de helft van het achtererfgebied bebouwd mocht worden. Soms zal de bestemmingsplanruimte + 30 m2 meer zijn dan 50% achtererf. Dat kan onmogelijk de bedoeling zijn van de indieners van de motie en stellig ook niet van de regering. Mocht dit zo zijn dan menen de leden van de fractie van de PvdA dat reparatiewetgeving nodig is.

Ten tweede meende dhr. Ankersmit dat initiatiefnemers van bouwwerken op achtererven (lager dan 5 meter) nooit meer een bouwvergunning zullen aanvragen: een planologische toestemming is genoeg. Wie zijn achtertuin vergunningvrij wil volbouwen leest welke ruimte het bestemmingsplan hem biedt, en als dat niet voldoende is, dan vraagt hij extra planologische ruimte aan die hem in principe verleend móet worden. Is het planologisch geregeld, dan is een bouwvergunning vervolgens niet meer nodig. De leden van de fractie van de PvdA willen graag gerustgesteld worden dat deze uitleg van Dhr. Ankersmit juridisch niet houdbaar is.

10. Monumentenwet en Wabo

In de paragraaf over de lex silencio positivo hebben de leden van de fracties van ChristenUnie en SGP al enkele opmerkingen gemaakt inzake sloopvergunningen in een beschermd stads- of dorpsgezicht. De regering geeft in paragraaf 8 van de memorie van antwoord het voornemen aan van de regering van OCW om te bevorderen dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure inzake wijziging van monumenten bij zogenaamd eenvoudige wijzigingen wordt vervangen door de reguliere voorbereidingsprocedure. We komen daar in het kader van een wijziging van de Monumentenwet 1988 zeker nog over te spreken. Thans verzoeken wij de regering klip en klaar uit te spreken dat bij de invoering van de Wabo ook voor zogenaamd eenvoudige wijzigingen aan monumenten de in de Wabo opgenomen uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt en dat niet getolereerd gaat worden dat al pro-actief gedaan wordt alsof de reguliere voorbereidingsprocedure al geldt. Dat moet gemeenten ook helder worden gemaakt, naar onze mening. Want de leden van de fracties blijven van mening dat, naast kwaliteit in de concrete uitvoering, op de steiger zoals de regering schrijft, borging van kwaliteit absoluut ook formeel via «papier» goed geregeld moet zijn. Anders is de kans op willekeur niet denkbeeldig. Graag een reactie van de regering.

De leden van de commissie VROM zien de reactie van de regering met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de commissie,

Meindertsma

De griffier van de commissie,

Kim van Dooren


XNoot
1

Samenstelling:

Van den Berg (SGP), Meindertsma (PvdA), (voorzitter), Meulenbelt (SP), Rosenthal (VVD), Swenker (VVD), Slagter-Roukema (SP), Schouw (D66), Putters (PvdA), Eigeman (PvdA), Leijnse, Thissen (GL), Slager (SP), Hendrikx (CDA), De Boer (CU), Willems (CDA), Hofstra (VVD), Asscher (VVD), Goijert (CDA), Huijbregts-Schiedon (VVD), Laurier (GL), Meurs (PvdA), Leunissen (CDA), De Vries-Leggedoor (CDA), (vice-voorzitter), Janse de Jonge (CDA), Koffeman (PvdD), Böhler (GL), Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), Smaling (SP) en Yildirim (Fractie-Yildirim).

Naar boven