31 226
Enige wijzigingen in de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere wetten

C
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 4 maart 2008

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie en de leden van de fracties van de CU en SGP hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Deze leden hebben nog wel enige vragen en opmerkingen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij zien, zeker na de uitputtende behandeling van de voorliggende materie in de Tweede Kamer weinig bezwaar meer tegen het hier voorgestelde. Op een enkel punt permitteren deze leden zich echter toch een kritische vraag.

In commissieverband hebben de leden enkele vragen m.b.t. de WGA-uitkering.

WGA-uitkering

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel is ruim aandacht besteed aan de aanvulling op de vervolguitkering en loonaanvullingsregelingen. De vrees van verzekeraars is dat via deze aanvulling op de WGA-uitkering pensioenfondsen de gelegenheid krijgen om een stukje arbeidsongeschiktheidsrisico te dekken en dat zo de grens van de taakafbakening gaat schuiven. De leden van de commissie vragen de regering nog eens nader in te gaan op de tegenwerpingen van het Verbond van Verzekeraars2 op dit punt, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het hier gaat om een werkloosheidsverzekering die ingevolge de taakafbakening én de Europese Pensioenrichtlijn slechts door schadeverzekeraars en niet door pensioenfondsen mag worden uitgevoerd.

Ook De Nederlandsche Bank heeft in een Mededeling (12 januari 2006) o.a. het volgende gesteld: «Uit de kenmerken van de WGA leidt de Nederlandsche Bank af dat het verzekeren van het WGA-risico een schadeverzekering is. Hetzelfde geldt voor het verzekeren van het zogeheten WGA-hiaat. Omdat de WGA, anders dan de WAO een werkloosheidsrisico bevat, mag het WGA-risico – daaronder begrepen het zogeheten WGA-hiaat – niet worden ondergebracht bij levensverzekeraars of pensioenfondsen.»

Kan de minister cq. de regering bevestigen dat het niet de bedoeling is dat levensverzekeraars of pensioenfondsen het werkeloosheidsrisico gaan verzekeren? Heeft de DNB al gereageerd op de brief van 10 december jl. inzake de concept-amvb over de WGA-aanvullingen? Zo ja, hoe luidt deze reactie? Zo nee, verwacht de minister nog een reactie van DNB? Overweegt de regering haar standpunt in dezen nogmaals aan de Toezichthouder (DNB) voor te leggen, en zo nee, zou dat niet wenselijk zijn?

Kan de minister in dit kader ook reageren op de brief van prof dr. W. M. A. Kalkman van de afdeling verzekeringsrecht van de Universiteit van Amsterdam van 7 februari jl.?1

Meer specifiek stellen de leden van de PvdA-fractie op dit punt nog de volgende vragen:

Is het enkele feit dat de zogeheten aanvullende (hiaat)uitkering gehandhaafd blijft wanneer de uitkeringsgerechtigde gedeeltelijk arbeidsongeschikte door weer meer te gaan werken een hoger loon gaat ontvangen, voldoende om te concluderen dat hier geen sprake is van werkloosheidsdekking? En welk regime geldt bij aanvang van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid: wordt de aanvullende (hiaat)uitkering altijd uitbetaald, ook als de betrokkene van begin af aan voor zijn volledige restcapaciteit werkt en een overeenkomstig loon verdient? Of wordt de aanvullende uitkering eerst uitbetaald als een deel van de vastgestelde restcapaciteit niet of niet meer blijkt te kunnen worden ingezet in betaald werk? Anders gezegd, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, zou het zo kunnen zijn dat de WGA-hiaatverzekering aanvankelijk vooral een werkloosheidsrisico dekt, namelijk het niet kunnen inzetten van vastgestelde arbeidscapaciteit in betaald werk (als gevolg waarvan loonderving optreedt), terwijl de uitkering, eenmaal ingegaan, niet meer fluctueert met het optreden van het werkloosheidsrisico, maar een vast niveau houdt ongeacht de omvang van de arbeidsinzet en het verdiende loon?

Tevens tonen deze leden zich geïnteresseerd in de vraag of het denkbaar is dat de Toezichthouder de WGA-hiaatverzekeringen behandelt als schadeverzekeringen en hierop mogelijk een ander toezichtregime (reservevorming, solvabiliteitsmarges) van toepassing verklaart dan op de (aanvullende) arbeidsongeschiktheidsverzekeringen?

Tenslotte stellen de leden van de PvdA-fractie de vraag hoeveel aanvullende hiaatverzekeringen bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid nu worden uitgevoerd door pensioenfondsen, en om hoeveel deelnemers het gaat, terwijl zij dezelfde gegevens ook betreffende de verzekeringsmaatschappijen ter vergelijking zouden willen hebben.

Aanbieding ontwerp-algemene maatregel van bestuur

De aandacht van de leden van de PvdA-fractie is gewekt door de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2007. Zien deze leden het goed dan is deze brief mede bedoeld om een ontwerp-Algemene maatregel van bestuur ter kennis van de beide Kamers te brengen. In tegenstelling tot hetgeen in de brief wordt gesteld, verwerpen deze leden de gedachte dat een dergelijke ter kennisbrenging kan worden gezien als onderdeel van de «zogenoemde voorhangprocedure». De voorhangprocedure, zo stellen de leden van de PvdA, kan eerst aanvangen nadat de wet waarin de ontwerp-AMvB zijn grondslag vindt in het Staatsblad is gepubliceerd. Dit is in het algemeen niet het geval voordat de Eerste Kamer zijn goedkeuring aan de wet heeft gegeven, zoals hier aan de orde is. De leden van de PvdA stelden het dus bijzonder op prijs nu reeds een ontwerp-tekst van de AMvB te mogen ontvangen, maar menen dat hiermede geen enkel voorschot op de voorhangprocedure is genomen.1

De leden van de CDA-fractie en de leden van de fracties van de CU en SGP hebben vervolgens de navolgende vragen gesteld:

Opmerking vooraf

Als de leden van de fracties van CDA, CU en SGP proberen de voorgestelde wijzigingen in te voegen corresponderen de artikelnummers nogal eens niet. Zij verzoeken de minister de artikelnummers in wetsvoorstel 31 226, A in overeenstemming te brengen met de artikelnummers in de overige wetten (A). In een enkel geval zullen zij hier een opmerking over maken.

In de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 december 2007 aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 31 226 nr. 34) dringt de minister aan op stemming uiterlijk 18 december 2007, omdat anders het Staatsblad niet meer gehaald wordt. Is het niet zo dat publicatie in het Staatsblad eerst geschiedt nadat de Eerste Kamer haar oordeel over het voorstel van wet heeft gegeven?

Deze leden stellen eerst enkele onderwerpen aan de orde alvorens in te gaan op enkele concrete artikelen in het wetsvoorstel.

Vaste stijging bij verzekerde regelingen

In de nota naar aanleiding van het verslag (kamerstuk 31 226, nr. 7, blz. 17) vraagt de VVD-fractie of aankoop van stijgende pensioenrechten betekent dat ook slapersrechten moeten worden geïndexeerd. De regering antwoordt dat zij het eens is met de stelling van het Verbond van Verzekeraars dat rechten van slapers dan niet geïndexeerd hoeven te worden, omdat de vraag zou zien op premie- of kapitaalovereenkomsten, waarbij de omvang van het pensioen pas op de pensioendatum duidelijk is. Mogen onze fracties deze vraag anders stellen. Bij verzekeraars bestaat de mogelijkheid om in de pensioenovereenkomst op te nemen dat het ouderdomspensioen (en ook het bijbehorende nabestaandenpensioen) na ingang jaarlijks met een vast percentage stijgt. Dat geldt zowel voor deelnemers, die vanuit een actief dienstverband pensioneren als voor slapers, die pensioneren.

Het pensioen staat vast; de aanspraak wordt jaarlijks ingekocht, inclusief de vaste stijging na pensioendatum, een zogenoemde salaris/diensttijd-regeling. Vanaf pensioeningangsdatum stijgt het pensioen jaarlijks met een vast percentage (onvoorwaardelijke toeslag); het nog niet ingegane pensioen van de slaper stijgt nog niet. In de PSW werd deze vaste stijging niet gezien als een toeslag in de zin van de PSW. In de zin van de PW wordt deze stijging wel als een toeslag gezien. Dat zou kunnen betekenen dat deze stijging ook aan slapers moet worden gegeven en wel onmiddellijk na uitdiensttreden. Werkgevers moeten deze stijging dan onmiddellijk affinancieren, dit leidt tot hoge kosten voor werkgevers en zou kunnen impliceren dat slapers een hogere pensioenstijging krijgen dan actieven met hetzelfde salaris. In verband met de hogere kosten zullen werkgevers waarschijnlijk de vaste stijging uit de overeenkomst laten halen, dan is iedereen weer gelijk. «Voor iedereen even slecht is ook gelijk!» een verlaging van de kwaliteit van pensioenregelingen. Is dat de bedoeling van de regering of moet ook in de Pensioenwet de vaste stijging niet als een toeslag in de zin van de wet worden gezien?

In dit kader wordt in Artikel III B vermeld:

«Aan artikel 25a wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Artikel 58 van de Pensioenwet ...; wordt hier niet artikel 52 van de Pensioenwet bedoeld?

In artikel 25a, tweede lid van de IPW staat dat artikel 52 PW niet van toepassing is op meeverzekerde stijgingen voor de datum van inwerkingtreding van genoemd artikel. Dat betekent dat deelnemers die hun deelneming hebben beëindigd vóór 1 januari 2008 geen aanspraak kunnen maken op de in artikel 52 PW geregelde gelijke behandeling. Als deelnemers hun deelneming beëindigen na 1 januari 2008 kunnen ze dus wel aanspraak maken op gelijke behandeling. De vraag is voor welk gedeelte. Stel iemand is per 1 januari 2000 deelnemer geworden in een regeling, die voorziet in een 3% vaste stijging na pensioeningang en hij gaat uit dienst op 1 februari 2008. Over welke gedeelte van zijn aanspraak moet de toegezegde vaste verzekerde stijging tot aan de pensioendatum dan worden ingekocht? Over de aanspraak die is opgebouwd in de periode 1 januari 2000 tot 1 februari 2008, of alleen over de aanspraak die is opgebouwd in de periode 1 januari 2008 tot 1 februari 2008?

Behoud aanspraak partnerpensioen bij beëindiging deelneming

Tijdens de behandeling van de PW is in artikel 50 lid 5 opgenomen dat indien de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen op risicobasis, de gewezen deelnemer recht houdt op een aanspraak op partnerpensioen. Bij deze wijziging is in artikel 50 onder andere toegevoegd «, waarbij rekening gehouden wordt met het partnerpensioen verkregen op grond van artikel 61.» Waarbij voor artikel 61 artikel 56 moet worden gelezen. Kunnen onze fracties dit aldus verstaan, dat indien er uitgeruild is er geen aanspraak op partnerpensioen uit hoofde van artikel 50 lid 5 bestaat?

Deze regeling is in de wet gekomen, omdat het FVP zou ophouden te bestaan. Het FVP verricht nog steeds bijdragen. Zou het dan niet zo moeten zijn, dat artikel 50 lid 5 eerst ingaat als het FVP met zijn werkzaamheden stopt? Als de risicodekking voor het nabestaandenpensioen in stand blijft en er komt ook een FVP-bijdrage, dan zou het totale nabestaandenpensioen hoger uit kunnen komen dan het ouderdomspensioen. Is dat de bedoeling?

Ziet artikel 50 lid 5 alleen op partnerpensioen op risicobasis, of moeten ook andere pensioenen op risicobasis, zoals het ANW-hiaat pensioen hieronder worden begrepen?

Buffervrijval

In de nota naar aanleiding van het nader verslag (kamerstuk 31 226, nr. 14) wordt ingegaan op het thema buffervrijval. Het draait om het begrip «consistentie». De eis van consistentie is een van de pijlers van het financieel toetsingskader. Het beoogt te garanderen dat pensioenfondsen kunnen waarmaken wat ten aanzien van de voorwaardelijke toeslagverlening wordt beloofd. De regering zal het begrip verhelderen in het kader van de lagere regelgeving die nodig is voor de introductie van het indexatielabel. Kunnen onze fracties ervan uitgaan dat consistent niet hetzelfde is als 100% zekerheid dat de beoogde indexatie gehaald wordt, maar dat consistent tot het gebied van het pensioenfondsbestuur hoort? Met andere woorden als uit de continuïteitstoets blijkt dat de beoogde indexatie met een zekerheid van bijvoorbeeld 70% of meer gehaald kan worden en het pensioenfondsbestuur (vertegenwoordigers van werknemers en werkgever) vinden dit voldoende, dan is dit consistent. Wij vrezen dat als de regering met een 100% eis komt, pensioenfondsbesturen hun ambitie zullen verlagen en dat is niet in het belang van de deelnemer.

In dezelfde alinea staat dat DNB vanaf 2009 nog gedurende maximaal vijf jaar maatwerk kan toepassen. Waarom kan de huidige situatie dat DNB bij herstelplannen van pensioenfondsen altijd maatwerk toepast en de redelijkheid van premiestijgingen meeweegt niet gehandhaafd blijven?

Directeur-grootaandeelhouder

In artikel 32aa, zesde lid Wet LB 1964 is de verwijzing naar de PSW vervangen door de PW.

Volgens de MvT (kamerstuk 30 655, nr. 3–9.3, blz. 30) strekken de belangrijkste aanpassingen van de fiscale wetgeving ertoe dat er terzake van de fiscale wetgeving van het pensioen van de directeur grootaandeelhouder geen wijzigingen optreden als gevolg van het feit dat de DGA buiten de Pensioenwet valt. Wij onderschrijven dit uitgangspunt, maar constateren dat de fiscale positie van de DGA toch niet geheel ongewijzigd lijkt te zijn.

Op grond van artikel 32aa Wet LB 1964 zoals dat luidde tot 1 januari 2008 werd onder een Regeling voor vervroegde uittreding verstaan een regeling die ten doel heeft te voorzien in een uitkering ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de AOW dan wel tot het aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling, tenzij sprake was van een pensioenregeling in de zin van de PSW. Met andere woorden een pensioenregeling in de zin van de PSW kon nooit een RVU (regeling voor vervroegd uittreden) zijn in de zin van artikel 32aa Wet LB. Als gevolg van de invoering van de PW is artikel 32aa, zesde lid Wet LB 1964 zodanig gewijzigd dat niet meer wordt verwezen naar een pensioenregeling in de zin van de PSW, maar naar een pensioenovereenkomst in de zin van de PW. M.a.w. een regeling die een pensioenovereenkomst in de zin van de PW inhoudt, kan nooit een RVU zijn in de zin van artikel 32aa Wet LB 1964. Volgens de MvT (kamerstuk 30 655, nr. 3, blz. 151) houdt deze aanpassing verband met de andere terminologie in de Pensioenwet waarin het begrip pensioentoezegging is vervangen door pensioenovereenkomst.

De DGA heeft geen pensioenovereenkomst in de zin van de PW. Hij kan dus geen gebruik maken van de uitzondering in de laatste volzin van artikel 32aa, zesde lid Wet LB 1964. Is de constatering juist dat dit met zich brengt dat elke verbetering van een pensioenregeling van een DGA, waardoor sprake is van een aanvulling op zijn pensioenregeling, niet zijnde een pensioenovereenkomst in de zin van de PW, leidt tot heffing op grond van artikel 32aa Wet LB 1964? Terwijl in de MvT is gezegd dat de invoering van de PW geen wijzigingen in de fiscale positie van de DGA tot gevolg heeft, zou dit de facto dus wel het geval zijn. Graag vernemen wij het standpunt van de regering.

Regime voor inactieve DGA’s

Zou de Minister willen aangeven hoe het regime voor inactieve DGA’s werkt bij samenloop van de artikelen 8 lid 3 IPW en 18 lid 4? Stel een DGA had een C-polis, is niet meer actief, en hij heeft in 2007 geen keuze gemaakt. Blijft zijn aanspraak verzekerd als C-polis (18 lid 4 IPW) – er vindt geen verwerving van pensioen meer plaats? –, of vervalt het PSW-regime (2 IPW) en wordt de PW niet van toepassing, zodat de polis geen enkel regime meer heeft?

Waardeoverdracht

Bijbetaling bij waardeoverdrachten

De regering geeft aan dat na invoering van Solvency II, voorzien per 1 januari 2010, de problemen van grote bijbetalingen door werkgevers bij waardeoverdracht voorbij zijn, omdat zowel verzekeraars als pensioenfondsen hun verplichtingen op marktwaarde gaan vaststellen. Wat als Solvency II niet per 1 januari 2010 ingaat, maar veel later? Is het niet zo, zo vragen deze leden, dat de premie respectievelijk de koopsom voor het verzekerde contract gehandhaafd blijft op een rekenrente van 3%? Wordt dan de bij te betalen koopsom, als bij de overdrachtswaarde gerekend wordt op marktrente, stel 4,7%, niet nog hoger? En bestaat deze situatie niet nu al, omdat pensioenfondsen al op marktrente rekenen?

Rekenregels internationale waardeoverdracht

Is de Minister van mening dat de wettelijke procedure- en rekenregels bij waardeoverdracht zoals deze van toepassing zijn bij artikel 69 PW ook van toepassing zijn op de situatie bedoeld in artikel 77 PW? Zo ja, heeft dit dan tot gevolg dat als de buitenlandse pensioenuitvoerder niet voldoet aan deze wettelijke procedure- en rekenregels de overdragende pensioen uitvoerder niet gehouden is om mee te werken aan een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 77 PW?

Opmerkingen bij enkele artikelen in het wetsvoorstel

Artikel I

Artikel I Da. In artikel 40 (volgens 30 414 A – artikel 37) wordt een lid ingevoegd:

«3. De &...., tenzij de deelnemer hiertegen bezwaar maakt.» Dit artikel gaat over gewezen deelnemers. Zou de tekst dan niet als volgt moeten luiden: «3. De ...., tenzij de gewezen deelnemer hiertegen bezwaar maakt.»

Artikel I Ea. Artikel 50 (volgens 30 414 A – artikel 46), vierde lid, komt te luiden: «Indien het bij de pensioenuitvoerder bekende adres voor de elektronische verstrekking onjuist blijkt, verstrekt de pensioenuitvoerder de informatie schriftelijk.» Hoe kan de pensioenuitvoerder weten of de elektronische informatie ontvangen is? Kan hij ervan uitgaan dat, tenzij het bericht terugkomt, de informatie ontvangen is?

Dit geldt uiteraard ook voor het desbetreffende artikel in de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Artikel 50

In artikel 50 lid 1 PW komt het woord «pensioenreglement» voor, zou dit niet «pensioenovereenkomst» moeten zijn? Het pensioenreglement is de door de pensioenuitvoerder opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen de pensioenuitvoerder en de deelnemer. Daaruit vloeien geen aanspraken voort. Aanspraken ontstaan op basis van de pensioenovereenkomst: hetgeen is overeengekomen tussen werkgever en werknemer betreffende pensioen.

Afkoopmogelijkheid na waardeoverdracht

In artikel 77, eerste lid, onderdeel b en artikel 79 tweede lid, onderdeel f, van de PW is als voorwaarde opgenomen dat na waardeoverdracht de mogelijkheden tot afkoop bij de ontvangende pensioenuitvoerder niet ruimer mogen zijn dan op basis van de PW. In artikel 80, 81 en 82 is deze voorwaarde niet opgenomen. Waarom zo vragen deze leden zich af? Graag een nadere toelichting van de minister.

Partnerpensioen

Op grond van artikel 15 PW moet als er een partnerpensioen wordt toegekend aan ongehuwde niet geregistreerde partners, dit partnerpensioen hetzelfde zijn als het partnerpensioen voor gehuwden en geregistreerde partners. Het is m.a.w. niet verplicht om ongehuwde en niet geregistreerde partners een partnerpensioen toe te zeggen, maar als je het doet, mag er geen verschil zijn met het partnerpensioen voor gehuwden. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen het partnerpensioen dat ingaat ten gevolge van overlijden vóór de pensioendatum en overlijden nadat het ouderdomspensioen is ingegaan. Op grond van artikel 54 PW moet echter indien een pensioenregeling voorziet in de opbouw van een ouderdomspensioen en een partnerpensioen, dit partnerpensioen worden toegekend aan alle deelnemers, ongeacht of ze wel of geen partner hebben. De deelnemers zonder partner kunnen dan uitruilen en een hoger ouderdomspensioen krijgen. Leidt de combinatie van artikel 54 en artikel 15 ertoe dat ongehuwde deelnemers die op grond van artikel 54 dezelfde partnerpensioenaanspraak na pensioendatum moeten krijgen als gehuwden, op grond van artikel 15 dan ook meteen dezelfde aanspraak moeten krijgen voor het partnerpensioen vóór pensioendatum? Als dat zo is, is artikel 15 dan niet overbodig?

Artikel 35/37 PW

Volgens artikel 35 PW verstrekt de pensioenuitvoerder de deelnemer jaarlijks informatie.

Volgens artikel 37 PW verstrekt de pensioenuitvoerder ten minste een keer in de vijf jaar informatie aan gewezen deelnemers.

Er zijn werkgevers die aan het einde van de contractsperiode overstappen naar een andere pensioenuitvoerder, waarbij de tot dat moment opgebouwde aanspraken premievrij achterblijven bij de oude uitvoerder. De pensioenopbouw gaat verder bij de nieuwe uitvoerder. Hoe vaak moet de oude uitvoerder de – in hun administratie als inactieven opgenomen – deelnemers een UPO moeten sturen. Een keer per jaar, of een keer per vijf jaar? De werknemers blijven deelnemer in de regeling van hun werkgever, door wisseling van uitvoerder verandert dit niet. Ten opzichte van de oude uitvoerder verwerven ze echter geen aanspraken meer. Ze zijn ze dus geen gewezen deelnemer, maar ook geen actieve deelnemer. Als al deze inactieve deelnemers jaarlijks informatie moeten krijgen, is dat een enorme administratieve belasting, terwijl de informatie voor de inactieve deelnemer hetzelfde is als voor een gewezen deelnemer. M.a.w. de motivering om voor gewezen deelnemers maar een keer in de vijf jaar een opgave te verstrekken, gaat ook helemaal op voor deze inactieve deelnemers. Hoe moet de PW dan gelezen worden voor deze inactieve deelnemers? Graag een reactie van de minister.

Artikel 74 PW

Artikel 74 PW legt het wettelijk recht van de pensioengerechtigde vast om op pensioendatum op zoek te gaan naar de pensioenuitvoerder die de hoogste uitkering aanbiedt voor het opgebouwde kapitaal. In dit artikel is vastgelegd dat mannen en vrouwen in de uitkeringsfase gelijk behandeld dienen te worden.

In de opbouwfase is gelijke behandeling van mannen en vrouwen ook verplicht. Gelijke behandeling in de opbouwfase kan bereikt worden door sekseneutrale tarieven toe te passen. Veel pensioenuitvoerders zijn hiertoe overgegaan na de invoering van de gelijke behandelingswetgeving.

Graag vernemen wij van de Minister of de eis van collectieve actuariële gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 74 PW inhoudt dat de ontvangende pensioenuitvoerder bij shoppen het pensioen tegen een sekseneutraal tarief moet inkopen, als de overdragende pensioenuitvoerder bij de opbouw van pensioenkapitaal de aankoop tegen een sekseneutraal tarief als uitgangspunt heeft gehad. Analoge verplichting geldt indien de overdragende uitvoerder sekseafhankelijke tarieven als uitgangspunt heeft gehad.

Hiermee wordt voorkomen dat de overdragende pensioenuitvoerder het pensioenkapitaal onnodig moet aanpassen van sekseneutraal naar sekseafhankelijk of omgekeerd al naar gelang de overnemende pensioenuitvoerder een sekseafhankelijk of een sekseneutraal tarief hanteert bij aankoop van pensioen, terwijl het beginsel van gelijke uitkeringen voor mannen en vrouwen toch gewaarborgd blijft.

Artikel 119 PW

In artikel 119 PW is opgenomen dat: «Een pensioenfonds beschikt over een minimaal eigen vermogen, tenzij:

a. een pensioenfonds tot volledige overdracht, herverzekering of ...»

Als een pensioenfonds voor een groot gedeelte herverzekerd (90%) is en 10% in eigen beheer houdt, dient dit fonds dan over de totale omvang van de technische voorziening een minimaal vereist eigen vermogen aan te houden of alleen over het eigen beheer gedeelte?

Begunstiging bij herverzekerd pensioenfonds

Onder de PSW kwam het veel voor dat voor de verzekeringen van een herverzekerd fonds de aanspraakgerechtigden begunstigde waren, dit door toepassing van artikel 9 PSW j° artikel 3 Regelen verzekeringsovereenkomsten. Onder de Pensioenwet wordt altijd het pensioenfonds als pensioenuitvoerder gezien (zie ook kamerstukken 30 655, nr. 7), en is het fonds verantwoordelijk voor onder meer de uitkeringen. Het fonds kan dit via uitbesteding feitelijk laten doen door de herverzekeraar. Voor actieve deelnemers kan het fonds dit communiceren, en eventuele wijzigingen ten opzichte van de oude situatie doorvoeren. Maar voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden (bij een nog bestaand pensioenfonds) is de situatie minder helder omdat zij van de verzekeraar bewijsstukken gekregen zullen hebben over de begunstiging uit de polis. Kan de Minister bevestigen dat de oude afspraken over de begunstiging in de polis van rechtswege zijn omgevormd naar een uitbesteding van de uitkeringsverplichting door het fonds aan de herverzekeraar?

Eigendom toeslagdepots

Bij verzekeraars komen depots voor waaruit toeslagen gefinancierd worden. Na toekenning van een toeslag wordt een koopsom aan het depot onttrokken en voldaan aan de pensioenuitvoerder. De verhoging van het pensioen op grond van de toeslag is daarmee afgefinancierd. Mede door fiscale eisen is contractueel geregeld dat het depotsaldo alleen voor toeslagen mag worden aangewend. Is het persé vereist dat voor de voorwaardelijke toeslagen (verwachtingen) de eigendom van het depot bij de verzekeraar moet liggen? Zeker als contractueel is vastgelegd dat een andere aanwending niet mogelijk is, het depotsaldo niet door de werkgever gevorderd kan worden en ook in de pensioenovereenkomst en uitvoeringsovereenkomst is vastgelegd dat de koopsommen voor verhoging van de pensioenen uit dat depot worden voldaan bij de pensioenuitvoerder. Op deze wijze kan immers net zo goed worden voldaan aan de eis dat is zekergesteld dat de depotgelden alleen voor financiering van toeslagen worden aangewend conform Tweede Kamer 30 655, nr. 7, pagina 5 eerste alinea en Tweede Kamer 2007–2008, 31 226, nr. 14 pagina 22, tweede alinea.

Als er geen toeslaggerechtigden meer zijn en die evenmin zijn te verwachten, dan is het depotsaldo voor de verzekeraar. Maar als de eigendom formeel bij de werkgever ligt, zonder dat hij de vrije beschikking daarover heeft, dan kan die het saldo opvragen (onder fiscale afrekening).

Als met betrekking tot de voorwaardelijke toeslagen het saldo civielrechtelijk eigendom zou mogen zijn van de werkgever, hoe denkt de Minister dan over de beleidslijn van de minister van Financiën als weergegeven in kamerstuk 30 800 IX B nr. 11 dat er dan geen fiscale facilitering verleend wordt?

Artikel 108 lid 2b PW

In artikel 108 lid 2b is de verplichting opgenomen om het kapitaal uit eventuele vrijwillige premieovereenkomsten bij pensionering resp. beëindiging van de deelneming om te zetten in een pensioenrecht of pensioenaanspraak. Wat wordt als vrijwillige premieovereenkomst gezien? Als de pensioenregeling bestaat uit een basisregeling (uitkeringsovereenkomst) tot een bepaald salaris en daarboven een premieovereenkomst, moet de premieovereenkomst dan ook worden omgezet? Is verplichte omzetting na een forse beursdaling niet nadelig voor de deelnemer? Kan de deelnemer eventueel de uitvoerder verzoeken om de belegging niet om te zetten, zodat hij op pensioendatum eventueel kan shoppen?

Artikel V

Artikel 664 van Boek 7 BW 1a wordt gewijzigd in:

«de verkrijger met de werknemer, bedoeld in artikel 663, dezelfde pensioenovereenkomst sluit, die hij reeds voor het tijdstip van overgang heeft gesloten met zijn werknemers.»

Bedoelt de minister hiermee dat de verkrijger de werknemer een aanbod doet tot het sluiten van een pensioenovereenkomst? De werknemer kan dan het aanbod weigeren en aanspraak blijven maken op zijn oude toezegging/zijn oude pensioenovereenkomst (zie artikel mr. F. Doornik in het FD van 7 februari jl). Of is het de bedoeling dat de oorspronkelijke intentie gehandhaafd blijft (zie MvT 27 649, nr. 3). De verkrijger heeft een keuzerecht of de oude of de nieuwe pensioenregeling; de werknemer moet accepteren?

Artikel 27 WOR

Artikel 27 lid 1 sub a van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) bevat een instemmingsrecht van de OR voor: «een voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van: a. een regeling met betrekking tot een pensioenverzekering...». Onduidelijk is wat precies onder een pensioenverzekering moet worden verstaan. Valt hier zowel de uitvoeringsovereenkomst als pensioenovereenkomst onder?

De leden van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid wachten met belangstelling de reactie van de minister af.

De voorzitter van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Van Driel

De griffier van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Van Dooren


XNoot
1

Samenstelling:

Van den Berg (SGP), Swenker (VVD), Terpstra (CDA), Meulenbelt (SP), Ten Hoeve (OSF), Vedder-Wubben (CDA), Kneppers-Heijnert (VVD), Westerveld (PvdA), Biermans (VVD), Schouw (D66), Van Driel (PvdA) (voorzitter), Leijnse (PvdA), Franken (CDA) (vice-voorzitter), Goyert (CDA), Quik-Schuijt (SP), Klein Breteler (CDA), Huijbregts-Schiedon (VVD), Koffeman (PvdD), Böhler (GL), Strik (GL), Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), Rehwinkel (PvdA), Elzinga (SP), Vac. (SP) en Yildirim (Fractie-Yildirim).

XNoot
2

Deze brief ligt ter inzage op de afdeling Inhoudelijke Ondersteuning onder griffienr. 140444.01.

XNoot
1

Deze brief ligt ter inzage op de afdeling Inhoudelijke Ondersteuning onder griffinr. 140444.03.

XNoot
1

In dit verband zij ook gewezen op de brief van de commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 18 december 2007 (31 226, B).

Naar boven