28 851
Wijziging van de Telecommunicatiewet en enkele andere wetten in verband met de implementatie van een nieuw Europees geharmoniseerd regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten en de nieuwe dienstenrichtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen

F
NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 4 maart 2004

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het nader voorlopig verslag van de vaste commissie voor Economische Zaken. Hieronder zal ik op de nadere vragen van de leden van enkele fracties ingaan. Bij de beantwoording is in principe de volgorde van de vragen uit het verslag gevolgd. Daar waar door verschillende fracties met elkaar verband houdende vragen zijn gesteld, zijn de vragen of opmerkingen samengevoegd en is bij het geven van een antwoord getracht de vragen in hun onderlinge samenhang te beantwoorden. Ik hoop dat de beantwoording zal bijdragen aan een spoedige afronding van het wetsvoorstel.

De leden van de fractie van het CDA spraken hun erkentelijkheid uit over de uitvoerige uiteenzetting in de memorie van antwoord over de artikelen 5.1 en 5.4. Zij spraken wel hun verbazing uit over de conclusie dat er geen zwaarwegende redenen zijn om de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 5.1 uit te stellen. Zij vroegen de regering nader in te gaan op de vraag waarom regelgeving in werking zou moeten treden, waarvan op voorhand vaststaat dat deze regelgeving tot reparatie van de wet aanleiding moet geven. Voorts vroegen deze leden nog een antwoord op hun vraag om artikel 5.4 eveneens niet in werking te laten treden. De leden van de fractie van GroenLinks hadden vergelijkbare vragen, en vroegen of het niet veel zorgvuldiger zou zijn om eventuele wijzigingen van de artikelen 5.1 en 5.4 pas in werking te laten treden nadat een integrale discussie in het parlement heeft plaatsgevonden over de inhoud van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet.

Wat de bepaling over lege mantelbuizen betreft (amendement op artikel 5.1), ben ik het met deze leden eens dat deze bepaling gebreken vertoont. Er is bijvoorbeeld verzuimd de bepalingen uit hoofdstuk 5 over de rechtsbescherming van gedoogplichtigen en de behartiging van publieke belangen door gemeenten ook van toepassing te verklaren op lege buizen. Ik ben in de memorie van antwoord (blz. 12 t/m 15) uitvoerig op deze problematiek ingegaan. Toch leidt dat er niet toe dat ik vind dat er voldoende zwaarwegende redenen zijn om het amendement niet in werking te laten treden. In de eerste plaats meen ik dat wat de gevolgen in de praktijk betreft, voor de periode waarin het nieuwe hoofdstuk 5 nog niet van kracht is, deze gevolgen van het amendement zullen worden verzacht door het civielrechtelijke zorgvuldigheidsvereiste en de publiekrechtelijke bevoegdheden van de gemeente waar het gaat om veiligheid en openbare orde. Een belangrijk punt is voorts dat ik niet verwacht dat snel een beroep zal worden gedaan op de gedoogplicht voor de aanleg van lege buizen. Dat hangt samen met het feit dat artikel 5.6 alleen van toepassing is op kabels en netwerkaansluitpunten en niet op de in artikel 5.1, eerste lid genoemde niet gevulde mantelbuizen. Zoals ik op blz. 13 van de memorie van antwoord heb aangegeven heeft dit als consequentie dat de eigendom van een aangelegde niet gevulde mantelbuis door natrekking overgaat naar de grondeigenaar/gedoogplichtige. Degene die de lege mantelbuis aanlegt raakt dus zijn eigendom van de buis kwijt. Als hij dat wil voorkomen, zal hij een nadere regeling moeten treffen met de gedoogplichtige, bijvoorbeeld door het vestigen van een recht van opstal. Aan zo'n eventuele nadere regeling (waar de gedoogplichtige niet aan hoeft mee te werken) kan de gedoogplichtige de nodige voorwaarden verbinden om zijn belangen te waarborgen. In de tweede plaats hecht ik groot gewicht aan het recht van amendement van de Tweede Kamer. Het naast mij neerleggen van een door de Tweede Kamer aanvaard amendement door het desbetreffende artikel niet inwerking te laten treden acht ik in dit geval een onnodige en onwenselijke stap. Ik wijs er nog op dat ik bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer heb voorgesteld om het amendement «aan te houden» tot de behandeling van een wetsvoorstel tot herziening van hoofdstuk 5. Dat wetsvoorstel wordt momenteel voorbereid. Mijn voorstel is echter niet overgenomen door de Tweede Kamer. Het belangrijkste argument om dat niet te doen was, dat met dit amendement – en nu citeer ik uit de Handelingen – «voor dit moment een stuk onzekerheid uit de markt wordt weggehaald». De indiener van het amendement gaf daarbij aan dat als de regering te zijner tijd met een volledig wetsvoorstel voor hoofdstuk 5 komt, het onderdeel lege buizen zou kunnen worden meegenomen. De Tweede Kamer heeft dus bewust de mogelijkheid tot herziening op dit punt aanvaard. Deze argumenten, gevoegd bij mijn voornemen om binnen afzienbare tijd te komen met een wijzigingsvoorstel voor het gehele hoofdstuk 5, hebben geleid tot de conclusie dat er geen zwaarwegende redenen zijn om de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 5.1. uit te stellen.

Wat het door de Tweede Kamer aanvaarde amendement op artikel 5.4 betreft merk ik op dat ik hier geen inhoudelijke bezwaren tegen heb. In de memorie van antwoord (blz. 15 en 16) ben ik ingegaan op de bezwaren van de leden van de fracties van het CDA en GroenLinks. Ik heb daarbij aangegeven dat de zorgen van de intergemeentelijke werkgroep niet terecht zijn. Ik merk terzijde op dat ik ook het voornemen heb om bij de herziening van hoofdstuk 5 een vergelijkbare bepaling op te nemen. Hoewel ik de opvatting van de leden van de fractie van GroenLinks deel dat deze bepaling zou kunnen wachten tot de herziening van hoofdstuk 5, is dat geen reden om de deze bepaling nu niet in werking te laten treden.

De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de antwoorden van het kabinet op de vele vragen over de lege mantelbuizen en de gedoogplicht. Zij hadden ook kennis genomen van de brief van 19 december aan de Tweede Kamer over dit onderwerp. Zij interpreteerden deze brief zo dat het kabinet het amendement 41 (Blok) in feite niet uitvoert, waarbij het belangrijkste juridische argument is het schenden van het eigendomsrecht. Maar zo vroegen deze leden, draait dan de burger niet voor deze extra kosten op. Ook vroegen deze leden wat er gebeurt in de situatie waarin de eigenaar van de openbare grond zelf besluit lege buizen of ducts aan te leggen met het oogmerk deze later te verhuren.

Zoals ik heb aangegeven op vragen over dit onderwerp van de leden van de fracties van CDA en GroenLinks ben ik het er mee oneens dat de gedoogplicht zou moeten gelden voor blijvend ongebruikte lege buizen. Dit standpunt heb ik uitgebreid beargumenteerd in de memorie van antwoord (blz. 14 en 15). Ik wijs er in dit verband op dat de gedoogregeling voor de elektronische communicatiesector betrekkelijk uniek is, omdat grondeigenaren zonder meer verplicht zijn de aanleg van kabels te gedogen. Voor andere infrastructuur (zoals bijvoorbeeld gas- en elektriciteits- en watervoorzieningen) bestaat een dergelijke regeling niet en moet de infrastructuurbeheerder doorgaans een vergoeding betalen aan de grondeigenaren. Met het recht om andermans grond te gebruiken, zonder dat daar enige vergoeding tegenover staat, moet terughoudend worden omgegaan. Dat recht kan alleen worden gerechtvaardigd, als er een bijzonder maatschappelijk belang mee is gediend. Zoals ik heb aangegeven is van zo'n groot maatschappelijk belang geen sprake bij lege mantelbuizen die ook onbeperkt ongebruikt blijven liggen. Mijn voornemen is overigens wel om in het nieuwe hoofdstuk 5 van de wet de aanleg van lege buizen te laten vallen onder de gedoogplicht, mits de buizen binnen een zekere tijd ook daadwerkelijk onderdeel gaan uitmaken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Een dergelijk regime wil ik ook laten gelden voor de aanleg van kabels die niet onmiddellijk in gebruik worden genomen. Het is dus niet zo dat ik het amendement wil «terugdraaien», ik zoek slechts naar een balans tussen de belangen van de gedoogplichtige en degene die de lege mantelbuizen aanlegt. Ik wil daarom een grens stellen aan de termijn waarin voorzieningen ongebruikt blijven. In verband met extra kosten (voor burger èn gemeenschap) wil ik er op wijzen dat ongebruikte voorzieningen zoals lege buizen daarnaast een onnodig beslag leggen op de schaarse ruimte in de grond. Dat kan zeer nadelige gevolgen hebben voor de aanleg of onderhoud van de overige ondergrondse infrastructuren, zoals gas, elektriciteit – en waterleidingen. In dit verband wijs ik op de reactie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Intergemeentelijke Werkgroep Kabels en Leidingen (IGWK&L) van 16 januari 2004 op een concept-wetsvoorstel voor de herziening van hoofdstuk 5. Daarin wordt aangegeven dat in sommige steden op verschillende trajecten 80% van de kabels ongebruikt blijft. Het kan daarbij gaan om bundels van 80 of meer mantelbuizen die -zo geven VNG en werkgroep aanzoveel ondergrondse ruimte in beslag nemen dat soms nog maar zo'n 10 centimeter dekking overblijft tussen de bundels en de bestrating. Dit leidt, zo stellen zij, niet alleen tot versnelde achteruitgang van het straatwerk, maar ook komen daardoor soms andere kabels en leidingen letterlijk in de knel. Dit heeft risicovolle situaties tot gevolg bij het verhelpen van storingen. Het spreekt vanzelf dat als gevolg van dergelijke onwenselijke situaties bedrijven en gemeenschap worden opgezadeld met extra kosten, kosten die uiteindelijk door de gemeenschap en dus de burgers worden gedragen. Voor het overige merk ik op dat het doen van nodeloze investeringen (want dat is het aanleggen van blijvend ongebruikte voorzieningen) inderdaad tot verhoging van kosten leidt. Of die hogere kosten uiteindelijk aan de burgers en bedrijven kunnen worden doorberekend hangt af van de marktomstandigheden. Er zullen ongetwijfeld ook bedrijven zijn die geen overbodige investeringen doen en daarom lagere kosten maken. Over het mogelijke kostenverhogende effect van precarioheffingen over ongebruikte buizen merk ik het volgende op. De regeling die ik voorsta is dat ongebruikte voorzieningen (kabels, lege mantelbuizen of andere ondergrondse beschermings- en ondersteuningswerken) binnen vier jaar in gebruik moeten worden genomen. Daarna vervalt de gedoogplicht. Deze termijn van vier jaar, zo stel ik mij voor, zal ook gelden voor ongebruikte voorzieningen die in het verleden zijn aangelegd. Voor deze voorzieningen begint de termijn van vier jaar termijn te lopen als het wetsvoorstel dat ik nu voorbereid in werking treedt. Dat betekent dus dat (ongebruikte) voorzieningen die in het verleden zonder gedoogplicht zijn aangelegd (waaronder lege buizen), wanneer deze binnen vier jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel (alsnog) worden gebruikt, onder dezelfde regels vallen als nieuw aangelegde voorzieningen. Partijen krijgen dus geruime tijd de gelegenheid om ongebruikte voorzieningen zelf in gebruik te nemen of door anderen te laten gebruiken. Als voorzieningen onder de gedoogplicht vallen, kunnen gemeenten geen precario heffen. Ik vind dit een evenwichtige regeling waarin met alle belangen rekening wordt gehouden, een regeling bovendien, die een efficiënt gebruik van ondergrondse voorzieningen bevordert. Wat betreft de verhuur door grondeigenaren van door de grondeigenaren zelf aangelegde lege buizen of ducts, ik zie daar geen enkel bezwaar in. Ik ga er ook vanuit dat dat in het algemeen voor beide partijen profijtelijk is. Overigens doet het feit dat grondeigenaren zelf voorzieningen aanleggen, aan de gedoogplicht in beginsel niet af. Terzijde merk ik in dit verband nog op dat ik een nadere explicitering op dit punt in de wet voorsta, in het bijzonder de eis dat verplicht gebruik van al aanwezige voorzieningen wordt gebonden aan een marktconforme prijs voor die voorzieningen. Het voert in dit verband echter te ver om hier nader op in te gaan.

De leden van de fractie van het CDA zeiden dat regering op een vraag van deze leden over de dubbele motiveringseis van artikel 1.3, vierde lid, antwoordt, dat dit voortvloeit uit de Richtsnoeren van de Europese Commissie van 11 juni 2002. Deze richtsnoeren kunnen echter niet worden opgevat als Europees recht dat de lidstaten bindt in de implementatie van de richtlijn. Bovendien valt in deze richtsnoeren niet de eis te lezen, dat ook een kwantitatief onderzoek nodig is. De leden van de CDA-fractie persisteerden dan ook bij hun standpunt, dat van het college niet verlangd kan worden sua sponte een dergelijk onderzoek te doen; slechts als partijen daartoe materiaal aanleveren, zal van het college een oordeel daarover verlangd kunnen worden en eventueel, onder de door de regering in de memorie van antwoord aangegeven beperkingen. Is de regering het met de leden van de CDA-fractie eens, dat het begrip «redelijkerwijs» derhalve restrictief moet worden uitgelegd?

De vraag van de leden van de fractie van het CDA kan ik niet zonder meer met ja of nee beantwoorden, zodat ik meer in algemene zin op de vraag inga. Op grond van hoofdstuk 6a van de wet moet het college een aantal stappen doorlopen voordat het verplichtingen kan opleggen aan ondernemingen die beschikken over een aanmerkelijke marktmacht. Zo moet het college allereerst een relevante markt in de elektronische communicatiesector bepalen en onderzoeken. Ingevolge het vijfde lid van artikel 6a.1 moet het marktonderzoek van het college er onder meer op gericht zijn om vast te stellen of op de relevante markt een onderneming actief is die beschikt over een aanmerkelijke marktmacht, ofwel economische machtspositie in de zin van artikel 82 van het EG-verdrag. Bij het aantonen of een onderneming beschikt over een aanmerkelijke marktmacht speelt – net als in het algemene mededingingsrecht – het marktaandeel een belangrijk rol. Het marktaandeel van een onderneming kan bijvoorbeeld worden bepaald aan de hand van het kwantitatieve begrip omzet. Artikel 18.7, eerste lid, van de wet geeft het college de bevoegdheid om van een ieder te allen tijde inlichtingen te vorderen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Het college kan derhalve aan de ondernemingen die actief zijn op de relevante markt de inlichtingen vorderen die het nodig heeft om het marktaandeel van die ondernemingen te kunnen vaststellen. Bij het onderzoeken van de relevante markt zal het college ook in kaart moeten brengen welke toetredingsdrempels er voor (potentiële) concurrenten zijn. De toetredingsdrempels kunnen hoog zijn omdat voor de aanleg van een «tweede» infrastructuur een substantiële investering nodig kan zijn. In zo'n geval ligt het niet voor de hand dat het college de inlichtingen die nodig zijn om vast te kunnen stellen welk bedrag (naar schatting) moet worden uitgetrokken om met eigen infrastructuur toe te treden tot de markt, zal vorderen krachtens artikel 18.7 van de wet. Voor zover het college niet reeds op grond van de bestaande toezichtspraktijk beschikt over dergelijke gegevens, zal het college, of een door hem in te schakelen derde, die gegevens zelfstandig moeten vergaren. Wanneer door het college is vastgesteld dat een onderneming beschikt over een aanmerkelijke marktmacht, moet het college passende verplichtingen opleggen. Bij het vaststellen of een verplichting passend is, zal het college niet alleen rekening moet houden met de huidige situatie, maar ook met de verwachte toekomstige ontwikkelingen. Daarbij is van belang dat het college bij het vaststellen of een verplichting passend is uit moet gaan van de premisse dat er thans géén toegangsverplichtingen bestaan, hetgeen uiteraard niet de realiteit is (voor KPN). Het voorafgaande brengt naar mijn oordeel met zich mee dat een«wetenschappelijke» kwantitatieve onderbouwing vaak niet mogelijk is. In die situatie kan het college met een kwalitatieve onderbouwing volstaan die, waar mogelijk, gebaseerd is op meer algemene kwantitatieve gegevens.

De leden van de CDA-fractie waren niet overtuigd door de antwoorden over de verhouding civiele rechter – bestuursrechter. De civiele rechter heeft altijd een resttaak, indien de rechtsbescherming van de burger via het bestuursrecht een hiaat vertoont. Dit vloeit voort uit art. 112 Gw. Uit deze bepaling vloeit niet voort, da t beide rechters t.a.v. dezelfde materie tegelijk bevoegd moeten zijn. De door de regering genoemde verschillen tussen beide procedures zijn evenmin beslissend. De civiele rechter kent het kort geding en deze weg staat krachtens dit wetsvoorstel onverminderd open. Dat is een even snelle weg als de procedure bij het college. Bovendien kan daar tevens de onrechtmatige daad als grondslag worden aangevoerd, waardoor de civiele rechter zich niet onbevoegd zal kunnen verklaren met verwijzing naar de bijzondere procedure bij het college. Daardoor zal de civiele rechter niet slechts aanvullend zijn.

Deze opmerkingen van de leden van de CDA-fractie zijn op zichzelf juist, doch overtuigen mij weer niet dat artikel 6.1, derde lid, van de Telecommunicatiewet niet in werking zou moeten treden. Na een daartoe strekkende vraag van genoemde leden in het voorlopig verslag betoogde ik dat weliswaar zowel civiele rechter als bestuursrechter een taak in dezen kunnen hebben, maar dat ik de conclusie die genoemde leden impliceerden – namelijk dat het wenselijk is artikel 6.1, derde lid, niet in werking te laten treden – niet kon delen (pagina 18 van de memorie van antwoord). Ik blijf bij dat standpunt. Uit oogpunt van een juiste implementatie van artikel 4, eerste lid, van de Toegangsrichtlijn, omdat de gang naar het college laagdrempelig is en omdat het college specifiek deskundig is, hecht ik er aan dat het college de mogelijkheid blijft behouden om voorschriften te geven indien een aanbieder niet voldoet aan zijn wettelijke onderhandelingsplicht. Uitsluiting van die mogelijkheid zou leiden tot een onacceptabel verl ies aan rechtsbescherming van de «getroffen» aanbieder, in casu degene die erover klaagt dat de ander zijn onderhandelingsplicht niet nakomt.

De leden van de VVD-fractie ondersteunden het uitgangspunt van de regering dat de gekozen oplossingen zo min mogelijk administratieve last bij het bedrijfsleven dienen te veroorzaken. In dat licht verbaasde het hen dan ook dat OPTA de plicht tot het hanteren van een kostentoerekeningsmodel ex artikel 6a.13 kan opleggen. Betekent dit, zo vroegen deze leden, dat er enige ruimte is voor het door OPTA opleggen van een plicht die geen doel dient? Moet de reactie zo worden geïnterpreteerd dat indien niet duidelijk is dat de plicht om een kostentoerekeningsmodel te gebruiken noodzakelijk is in het licht van het voorbereiden of uitvoeren van een non-discriminatieverplichting of een prijsmaatregel, deze plicht niet proportioneel is?

Het college kan de verplichting een kostentoerekeningssysteem te hanteren alleen opleggen als die maatregel passend is. Dat betekent dat de maatregel moet bijdragen aan de oplossing van een in de marktanalyse gesignaleerd probleem. De verplichting om een kostentoerekeningssysteem te hanteren zal met name worden opgelegd ter ondersteuning van een non-discriminatieverplichting of een prijsmaatregel. Het zou echter te beperkend zijn om te bepalen dat de verplichting om een kostentoerekeningssyteem te hanteren alleen kan worden opgelegd in combinatie met een van deze verplichtingen. Ik zou mij bijvoorbeeld kunnen voorstellen dat door de toegenomen concurrentiedruk een prijsmaatregel of non-discriminatieverplichting te zwaar is, maar de concurrentiedruk nog niet van dien aard is dat vaststaat dat ingrijpen van het college blijvend niet meer noodzakelijk is. In die situatie kan het college – los van een prijsmaatregel of non-discriminatieverplichting – de onderneming die beschikt over een aanmerkelijke marktmacht verplichten om een kostentoerekeningssysteem te hanteren dat het college in staat stelt om «de vinger aan de pols» te houden. Aan de hand van het kostentoerekeningssysteem kan het college beoordelen of de eindgebruikerstarieven niet te hoog of te laag worden en kan het, indien nodig, snel en adequaat ingrijpen.

De leden van de VVD-fractie vroegen, nu er geen specifieke regels meer bestaan voor bepaalde infrastructuren en voor alle elektronische communicatienetwerken en diensten hetzelfde regime geldt, of dit betekent dat in de Mediawet ten aanzien van kabelnetten geen afwijkende en strengere regels zullen gelden dan andere elektronische communicatienetwerken.

Binnen het nieuwe Europese stelsel kunnen aanbieders van elektronische communicatienetwerken en diensten slechts verplichtingen worden opgelegd voor zover dat binnen het stelsel is toegestaan. Daarbij kan het gaan om verplichtingen die alleen voor bepaalde partijen gelden (partijen met aanmerkelijke marktmacht) of om verplichtingen die algemeen gelden voor alle dienstaanbieders in bepaalde categorieën. Dit geldt ook voor verplichtingen die in de Mediawet worden opgelegd aan aanbieders van elektronische communicatienetwerken of diensten. In de bijlage van de Machtigingsrichtlijn is limitatief aangegeven welke verplichtingen mogen worden opgelegd. Een doorgifteplicht op grond van artikel 31 van de Universeledienstrichtlijn valt hieronder. Artikel 82i van de Mediawet is in overeenstemming met deze mogelijkheid die artikel 31 van de Universeledienstrichtlijn biedt, door de aanbieders van bepaalde openbare elektronische communicatienetwerken die worden gebruikt voor het verspreiden van programma's (kabelnetten) te verplichten bepaalde programma's door te geven. Op grond van dit artikel van de Universeledienstrichtlijn kunnen doorgifteplichten slechts worden opgelegd aan aanbieders van elektronische communicatienetwerken die worden gebruikt voor de distributie van radio- en televisie-uitzendingen indien die netwerken voor een significant aantal eindgebruikers het belangrijkste middel zijn om radio- en televisie-uitzendingen te ontvangen. Gelet op de positie die kabelnetten nu innemen, betekent dat in de Nederlandse situatie dat de doorgifteplicht slechts kan gelden voor de aanbieders van kabelnetten. Als de marktverhoudingen in de toekomst wijzigen, zou dit anders kunnen worden.

De leden van de fractie van GroenLinks stelden vragen in verband met de prijsverhogingen van verschillende kabelexploitanten in Nederland. Zij vroegen of de marktanalyse waarnaar in de memorie van antwoord wordt verwezen nu ook echt wordt gemaakt. Zij wilden voorts weten wat de mogelijkheden voor burgers zijn om klachten over misbruik van een monopoliepositie te uiten.

Het college is direct na de inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2003 tot wijziging van de Telecommunicatiewet en de Wet Onafhankelijke post- en Telecommunicatieautoriteit in verband met de invoering van een regeling voor toegang tot openbare telecommunicatienetwerken bestemd voor het bieden van toegang tot internet en een verduidelijking en een verruiming van de regeling voor toegang tot omroepnetwerken (het«kabelwetje» (Stb. 2004, 23)) gestart met de marktanalyse. Het college verwacht dat het uitvoeren van deze marktanalyse en het uitwerken van eventuele maatregelen – indien daar op basis van de nieuwe Europese regels aanleiding toe is – ruim een jaar in beslag zal nemen. Eventuele prijsmaatregelen zullen betrekking hebben op de«transport»dienst (de elektronische communicatiedienst), en niet de«ínhoud»dienst (het aanbieden van programma-inhoud valt niet onder het nieuwe Europese regelgevende kader). Om zonodig ook het inhoudsdeel van de kabelkosten aan prijstoezicht te kunnen onderwerpen, is aanvullende regelgeving nodig. Artikel 82j van de Mediawet biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur een prijsmaatregel te treffen die betrekking heeft op het inhoudsdeel van de kabelkosten van het wettelijke basispakket (het pakket genoemd in artikel 82i, eerste lid van de Mediawet). Met de voorbereidingen voor een mogelijke algemene maatregel van bestuur is inmiddels begonnen. Burgers die klachten hebben over mogelijk machtsmisbruik van kabelexploitanten kunnen zich wenden tot de NMa. In dit verband merk ik op dat de NMa naar aanleiding van klachten over de tariefsverhogingen van UPC en Casema in 2003 en 2004 met een vooronderzoek bezig is om tot een (eerste) beoordeling te komen van de tarieven. Indien het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, dan volgt een diepgaand vervolgonderzoek.

De Minister van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst

Naar boven