nr. 223f
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 september 2001
Hierbij doe ik u als toegezegd tijdens de behandeling van de meststoffenwet
in de Eerste Kamer de resultaten toekomen van het onderzoek naar de werkgelegenheidseffecten
in de handel, verwerking en toelevering van het vernieuwde mestbeleid zoals
dat vanaf 1 januari 2002 geëffectueerd zal worden.1 Tevens informeer ik u via deze brief over mijn aan het
onderzoek verbonden beleidsstandpunt.
Achtergrond
Vanaf medio 2000 heeft het Nederlands Economisch Instituut (NEI) aan een
onderzoek naar de werkgelegenheidseffecten van het vernieuwde mestbeleid voor
de handel, verwerkende industrie en toelevering gewerkt. Het onderzoek kijkt
naar de gevolgen van de aangescherpte milieugrenzen voor de primaire sector
en vertaalt die naar werkgelegenheidseffecten in de toelevering, verwerking
en handel. De gevolgen worden bezien tegen de achtergrond van de te verwachten
autonome ontwikkeling. Daarbij worden voor drie scenario's modelmatige berekeningen
uitgevoerd:
• basisscenario: er komt minder productie in de primaire sector,
die zich één op één vertaalt naar minder leveranties
naar de handel en verwerking, die proportioneel in volume dalen;
• consolidatiescenario: verwerking, handel en toelevering maken gebruik
van de mogelijkheden om een verminderd nationaal primair aanbod te compenseren,
bijvoorbeeld met importen;
• actieve vernieuwing: de verdere schakels van de keten gaan actief
aan productvernieuwing doen, waardoor de effecten van een kleinere nationale
aanvoer kunnen worden gemitigeerd.
Tijdens het onderzoeksproces zijn de cijfermatige implicaties voor de
primaire sector afgestemd met de commissie Oenema, de Permanente Commissie
van Deskundigen Mest- en Ammoniakproblematiek. De resultaten voor
wat betreft het werkgelegenheidsverlies zijn vervolgens in samenhang bekeken
met de regionale vraag naar arbeid naar opleidings-niveau.
Bij het onderzoek is een begeleidingscommissie betrokken bestaande uit
vertegenwoordigers van CNV, FNV, Productschap Zuivel, Productschap Diervoeders,
Actor Sectoradvies, het Hoofdproductschap Akkerbouw, het Productschap Vee,
Vlees en Eieren en de ministeries van SZW en LNV. Het onderzoek is ingezet
voor de MKZ-uitbraak en houdt in haar uitwerking geen rekening met de daardoor
ontstane situatie.
Conclusies rapport
Het rapport richt zich op de verwachte situatie in 2003 in vergelijking
met 2000. Als meest in het oog springende conclusies komen naar voren:
• het basisscenario komt uit op een werkgelegenheidsverlies van 6,3%
(ofwel 4636 voltijdsequivalenten) ten opzichte van de autonome ontwikkeling;
• bij het consolidatiescenario bestaan mogelijkheden voor een reductie
van het werk-elegenheidsverlies naar 5,1% (ofwel 3739 voltijdsequivalenten);
• het actieve vernieuwingsscenario moet meer als indicatief worden
beschouwd in verband met een minder uitgebreide modelmatige onderbouwing;
• over de schakels bezien slaan de grootste werkgelegenheidseffecten
neer in de schakels die dicht op de primaire productie zitten en weinig substitutiemogelijkheden
hebben: toelevering, diensten en handel worden sterker getroffen dan de verwerking;
• de sectorale neerslag verschilt sterk: in het basisscenario zijn
uitschieters de zuivelsector waar geen, en het mechanisch loonwerk, waar nauwelijks
werkgelegenheidsverlies optreedt, terwijl het sterkste werkgelegenheidsverlies
(10%) optreedt in de bedrijfsverzorging, het vers vlees, de uitbenerijen en
de groothandel eieren;
• In het consolidatiescenario wordt het subsectorale werkgelegenheidsverlies
voor de vier sectoren in beperkte mate teruggebracht: de uitbenerijen kunnen
het werkgelegenheidsverlies fors beperken (met 50%), terwijl de andere subsectoren
het werkgelegenheidsverlies enigszins (groothandel eieren) of niet (bedrijfsverzorging,
vers vlees) terug kunnen brengen. Het gaat in absolute termen in het consolidatiescenario
om een verlies aan werkgelegenheid in deze vier meest getroffen subsectoren
van 1444 voltijdsequivalenten;
• belangrijkste karakteristieken van de uitstroom zijn: ongeveer
82% is man, 17% vrouw. Van de uitstroom is 50% onder de 35 jaar. Voor wat
betreft opleidingsniveau zijn de grootste groepen lager en middelbaar geschoold;
• voor wat betreft de vraag naar werknemers is er duidelijk sprake
van verschillen tussen de provincies als verwacht in 2003. Waar in het algemeen
arbeidsmarktkrapte zal optreden, wordt er in een aantal provincies (Friesland,
Groningen, Overijssel) op met name lager-onderwijsniveau weinig vacatures
verwacht;
• herplaatsing van de personen die hun baan verliezen, is in het
algemeen goed mogelijk, zowel in volume (aantallen uitstroom in combinatie
met regionale vacature-aantallen) als op basis van persoonskenmerken: opleidingsniveau
(in combinatie met gevraagd niveau van vacatures) en leeftijd (bij aselect
ontslag is tweederde van de werklozen onder de 40 jaar). Opvang van de uitstoot
aan arbeid in Groningen, Friesland en Overijssel op lager-onderwijsniveau
zal wel moeilijk door de arbeidsvraag opgenomen kunnen worden. In absolute
termen gaat het dan om 378 voltijdsequivalenten.
Beleidsstandpunt
Mijn algemene conclusie ten aanzien van dit onderzoek naar de werkgelegenheidseffecten
van het vernieuwde mestbeleid is dat er door het scherpere milieubeleid weliswaar
een verlies aan werkgelegenheid in de handel, toelevering en verwerking op
zal treden, maar dat er geen noodzaak is tot flankerend sociaal beleid. Een
verlies aan werkgelegenheid in de orde van grootte van 5% van de in de sectoren
werkzame beroepsbevolking in 2003 zal in de verwachte arbeidsmarktsituatie,
gekenmerkt door krapte, goed door de vraag naar werknemers in andere sectoren
geabsorbeerd kunnen worden. Waar over de hele sector heen gemiddeld gesproken
een gering werkgelegenheidsverlies op zal treden, kunnen regionaal en naar
opleidingsniveau wel knelpunten bestaan. Meest in het oog springend is de
bescheiden vraag naar werknemers op lager-onderwijsniveau in Friesland, Groningen
en Overijssel. Werknemers die weer op de arbeidsmarkt actief worden door het
ver-nieuwde mestbeleid zullen met name daar moeilijker een nieuwe baan vinden.
Meer dan voor andere regio's zal bij hen de bereidheid om te verhuizen of
te pendelen tussen woon- en werkplaats een rol spelen bij het vinden van een
nieuwe baan.
Regionaal zal derhalve een maximale benutting dienen plaats te vinden
van de daar aanwezige mogelijkheden van arbeidsbemiddeling.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L. J. Brinkhorst