Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal1996-199725052 nr. 109

25 052
Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1997)

nr. 109
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

28 november 1996

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het kader van het belastingplan 1997 de werkgelegenheid te bevorderen, het inkomens-, energie-, cultuur- en verkeers- en vervoersbeleid te ondersteunen, de tabaksaccijns te verhogen en het niveau van het huurwaardeforfait vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 10 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Na het achtste lid wordt, onder vernummering van het negende lid in tiende lid, ingevoegd:

9. Onverminderd het bepaalde in het zevende lid, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat met betrekking tot bedrijfsmiddelen als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, de willekeurige afschrijving slechts van toepassing is indien op een daartoe door de belastingplichtige gedaan schriftelijk verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van bedrijfsmiddelen als bedoeld in dat onderdeel. Bij die regeling kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring.

2. Na het in tiende lid vernummerde negende lid wordt toegevoegd:

11. Tegen de in het negende lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Economische Zaken beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het negende lid met betrekking tot het begrip «bedrijfsmiddelen». Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.

B. In artikel 11 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het eerste lid wordt vervangen door:

1. Ingeval in een kalenderjaar:

a. voor een bedrag van meer dan f 3600 doch niet meer dan f 534 000 in bedrijfsmiddelen wordt geïnvesteerd, wordt op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel a, aangewezen percentage van het investeringsbedrag ten laste gebracht van de winst over dat jaar (investeringsaftrek);

b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk drijft voor een bedrag van meer dan f 3600 wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), wordt – onverminderd de toepassing van onderdeel a – op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek). Voor de toepassing van de vorige volzin wordt van het bedrag aan energie-investeringen ten hoogste f 50 000 000 in aanmerking genomen.

Ingeval bij het einde van het jaar het bedrijfsmiddel nog niet in gebruik is genomen en de investeringsaftrek of energie-investeringsaftrek zou, dan wel beide aftrekken tezamen zouden uitgaan boven hetgeen bij het einde van dat jaar ter zake van de investering is betaald, wordt in afwijking in zoverre van de eerste volzin het meerdere in aanmerking genomen in de volgende jaren en wel naar gelang tot het bedrag van dit meerdere betalingen plaatsvinden, doch niet later dan in het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen. In geval van het staken van een onderneming, alsmede in het in artikel 16 bedoelde geval worden, in afwijking in zoverre van de vorige volzin, de investeringsaftrek en energie-investeringsaftrek voor het geheel in aanmerking genomen in het jaar van staking, onderscheidenlijk in het in artikel 16 bedoelde jaar. Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, zomede het maken van voortbrengingskosten te dier zake, voor zover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken.

2. Het tweede lid wordt vervangen door:

2. Bij:

a. een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:

meer dandoch niet meer danbedraagt de investeringsaftrek
f  3 600f  61 00024%
61 000120 00021%
120 000179 00019%
179 000238 00016%
238 000297 00013%
297 000356 00011%
356 000416 000 8%
416 000475 0005%
475 000534 000 3%

b. een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van:

meer dandoch niet meer danbedraagt de energie- investeringsaftrek
f  3 600f  61 00052,0%
61 000120 00050,5%
120 000179 00049,0%
179 000238 00047,5%
238 000297 00046,0%
297 000356 00044,5%
356 000416 00043,0%
416 000475 00041,5%
475 000   –40,0%

3. In het vijfde lid vervalt onderdeel b. De onderdelen c tot en met i worden geletterd b tot en met h.

4. Na het vijfde lid wordt, onder vernummering van het zesde tot en met negende lid in onderscheidenlijk zevende tot en met tiende lid, ingevoegd:

6. Tot de bedrijfsmiddelen worden voorts niet gerekend:

a. voor de toepassing van het eerste lid, eerste volzin, onderdeel a: bedrijfsmiddelen welke zijn bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden;

b. voor de toepassing van het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b: bedrijfsmiddelen welke zijn bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan:

1°. niet in Nederland wonende natuurlijke personen of gevestigde lichamen;

2°. natuurlijke personen of lichamen voor het drijven van een onderneming of een gedeelte van een onderneming, op de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.

5. In het in zevende lid vernummerde zesde lid wordt «vijfde lid» vervangen door: vijfde of zesde lid.

6. In het in negende lid vernummerde achtste lid wordt «vijfde lid, onderdeel c, onder 2°, en het zevende lid» vervangen door: vijfde lid, onderdeel b, onder 2°, het zesde lid, onderdeel b, onder 1° en 2°, en het achtste lid.

7. In het in tiende lid vernummerde negende lid wordt «vijfde lid, onderdeel c, onder 2°» vervangen door: vijfde lid, onderdeel b, onder 2°.

8. Na het in tiende lid vernummerde negende lid wordt toegevoegd:

11. Het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, is slechts van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister binnen een door hem te stellen termijn.

12. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken – zo nodig afwijkende – regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, bedoelde verklaring;

b. regels worden gesteld met betrekking tot het elfde lid.

13. Tegen de in het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Artikel 10, elfde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de begrippen «investeren» en «bedrijfsmiddelen».

C. In artikel 11a worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «investeringsaftrek» telkens vervangen door: investeringsaftrek of energie-investeringsaftrek.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «artikel 11, vijfde lid, onderdeel b» vervangen door: artikel 11, zesde lid.

3. In het tweede lid, onderdeel c, wordt «artikel 11, vijfde lid, onderdeel c, onder 2°» vervangen door: artikel 11, vijfde lid, onderdeel b, onder 2°.

D. In artikel 11b wordt «investeringsaftrek» vervangen door: investeringsaftrek, de energie-investeringsaftrek.

E. In artikel 37, eerste lid, onderdeel a, wordt «8 percent» vervangen door: 10 percent. Voorts wordt in dat onderdeel het laatstopgenomen bedrag vervangen door: f 2598.

F. In artikel 42a worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «gesteld op P1 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer doch ten hoogste op f 16 800, met dien verstande dat bij een waarde van de woning in het economische verkeer tot f 25 000 de huurwaarde wordt gesteld op nihil en bij een waarde van de woning in het economische verkeer van f 25 000 tot f 50 000 en van f 50 000 tot f 100 000 onderscheidenlijk op P2 percent en P3 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer,» vervangen door: gesteld op 1,25 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer doch ten hoogste op f 16 800, met dien verstande dat bij een waarde van de woning in het economische verkeer van niet meer dan f 25 000 de huurwaarde wordt gesteld op nihil en bij een waarde van de woning in het economische verkeer van meer dan f 25 000 doch niet meer dan f 50 000, van meer dan f 50 000 doch niet meer dan f 100 000 en van meer dan f 100 000 doch niet meer dan f 150 000 onderscheidenlijk op 0,5 percent, 0,75 percent en 1 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer,.

2. In het zevende lid wordt «2,4 percent» vervangen door: 1,75 percent.

3. In het negende lid wordt «gesteld op P4 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer doch ten hoogste op f 40 800, met dien verstande dat bij een waarde van de woning in het economische verkeer tot f 25 000, van f 25 000 tot f 50 000 en van f 50 000 tot f 100 000, de huurwaarde wordt gesteld op onderscheidenlijk P5, P6 en P7 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer,» vervangen door: gesteld op 3 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer doch ten hoogste op f 40 800, met dien verstande dat bij een waarde van de woning in het economische verkeer van niet meer dan f 25 000, van meer dan f 25 000 doch niet meer dan f 50 000, van meer dan f 50 000 doch niet meer dan f 100 000 en van meer dan f 100 000 doch niet meer dan f 150 000, de huurwaarde wordt gesteld op onderscheidenlijk 1,75, 2,25, 2,5 en 2,75 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer,.

4. In het elfde lid worden «P8», «P9» en «P10» vervangen door onderscheidenlijk 2,05, 2,9 en 5.

G. In artikel 53 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het tweede lid wordt «met dien verstande dat de belastingvrije som wordt verhoogd met de ouderenaftrek ten aanzien van de in tariefgroep 2, 3, 4 of 5 ingedeelde belastingplichtige die de ouderenaftrek geniet» vervangen door: met dien verstande dat de belastingvrije som wordt verhoogd met de ouderenaftrek, dan wel met de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek ten aanzien van de in tariefgroep 2, 3, 4 of 5 ingedeelde belastingplichtige die de ouderenaftrek, onderscheidenlijk de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek geniet.

2. Na het zesde lid wordt toegevoegd:

7. De aanvullende ouderenaftrek bedraagt f 1040.

H. In artikel 53a, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbare som van
meer dandoch niet meer danbedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van de belastbare som dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat
IIIIIIIV
f 45 9605,05%
f 45 960f 97 422f  2 32050%
f 97 422f 28 05160%

I. In artikel 53b wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbare som van
meer dandoch niet meer danbedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van de belastbare som dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat
IIIIIIIV
f 45 96025%
f 45 960f 97 422f 11 49050%
f 97 422f 37 22160%

J. In artikel 55 wordt, onder vernummering van het achtste lid in negende lid, na het zevende lid ingevoegd:

8. De belastingplichtige bedoeld in het zevende lid geniet de aanvullende ouderenaftrek indien hij in het kalenderjaar recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet, dan wel recht zou hebben op een dergelijke uitkering indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet.

K. In artikel 66e, eerste lid, komt de vijfde volzin te luiden: De in dat lid laatstvermelde drie percentages worden achtereenvolgens berekend door het op de voet van de tweede en derde volzin berekende percentage te vermenigvuldigen met onderscheidenlijk 0,4, 0,6 en 0,8.

ARTIKEL II

In artikel IV van de Wet van 15 december 1995, Stb. 642, houdende wijziging van enige belastingwetten (belastingplan 1996) wordt «6,05» telkens vervangen door: 4,9.

ARTIKEL III

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 17, eerste lid, onderdeel a, wordt «8 percent» vervangen door: 10 percent. Voorts wordt in dat onderdeel het laatstopgenomen bedrag vervangen door: f 2598.

B. In artikel 20 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het tweede lid wordt «met dien verstande dat de belastingvrije som wordt verhoogd met de ouderenaftrek ten aanzien van de in tariefgroep 2, 3, 4 of 5 ingedeelde werknemer die de ouderenaftrek geniet» vervangen door: met dien verstande dat de belastingvrije som wordt verhoogd met de ouderenaftrek, dan wel met de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek ten aanzien van de in tariefgroep 2, 3, 4 of 5 ingedeelde werknemer die de ouderenaftrek, onderscheidenlijk de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek geniet.

2. Onder vernummering van het zevende lid in achtste lid wordt na het zesde lid ingevoegd:

7. De aanvullende ouderenaftrek over een loontijdvak van een jaar bedraagt f 1040.

C. In artikel 20a, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbare som van
meer dandoch niet meer danbedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van de belastbare som dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat
IIIIIIIV
f 45 9605,05%
f 45 960f 97 422f  2 32050%
f 97 422f 28 05160%

D. In artikel 20b, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbare som van
meer dandoch niet meer danbedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van de belastbare som dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat
IIIIIIIV
f 45 96025%
f 45 960f 97 422f 11 49050%
f 97 422f 37 22160%

E. In artikel 22 wordt, onder vernummering van het achtste, negende en tiende lid in negende, tiende en elfde lid, na het zevende lid ingevoegd:

8. De werknemer bedoeld in het zevende lid geniet de aanvullende ouderenaftrek indien hij een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet geniet.

F. In artikel 25, tweede lid, wordt na «belastingvrije sommen» ingevoegd: , behoudens de aanvullende ouderenaftrek,.

ARTIKEL IV

In artikel VIII van de Wet van 15 december 1995, Stb. 642, houdende wijziging van enige belastingwetten (belastingplan 1996) wordt «6,05» telkens vervangen door: 4,9.

ARTIKEL V

De Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 32 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Aan het slot van het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt door een puntkomma, toegevoegd:

11°. door een door Onze Minister, na overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, aangewezen museum, waarvan de collectie van nationaal of regionaal cultureel belang is of een steunstichting van dat museum, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang.

2. Na het zesde lid wordt toegevoegd:

7. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

a. museum: een binnen het Rijk gevestigde culturele of wetenschappelijke instelling die de in haar bezit zijnde voorwerpen van kunst of wetenschap in de regel kosteloos, of tegen een matige toegangsprijs ter bezichtiging van het publiek stelt;

b. steunstichting van een museum: een binnen het Rijk gevestigde stichting die ten doel heeft een museum te ondersteunen door onder meer het bijeenbrengen van gelden ten behoeve van dat museum en die deze gelden daadwerkelijk geheel of nagenoeg geheel aanwendt ten behoeve van of ter beschikking stelt aan dat museum.

B. Aan het slot van artikel 33, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt door een puntkomma, toegevoegd:

13°. door een door Onze Minister, na overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, aangewezen museum waarvan de collectie van nationaal of regionaal cultureel belang is of een steunstichting van dat museum, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang.

C. In artikel 67 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel 1°, onder vernummering van de onderdelen 2° tot en met 5° in 1° tot en met 4°.

2. In het in onderdeel 3° vernummerde onderdeel 4° wordt na «ten doel hebben» ingevoegd: , met uitzondering van musea en steunstichtingen van musea.

3. Het tweede lid, onderdeel d en slot, komen te luiden:

d. een in een andere Staat gevestigde vereniging of stichting welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend de bevordering van kunst of wetenschap ten doel heeft, niet zijnde een museum of een steunstichting van een museum, indien het betreft recht verschuldigd wegens schenking en voor zover het recht meer bedraagt dan het recht dat een verkrijger als is bedoeld in het eerste lid, 3°, na toepassing van dat lid verschuldigd zou zijn;

een en ander met dien verstande dat zodanige kwijtschelding van recht alleen wordt verleend, indien de Staat die de making of schenking verkrijgt of waar de verkrijger is gevestigd, verklaart dat in geval van makingen of schenkingen door een inwoner van die Staat aan de Nederlandse Staat, een Nederlandse provincie of gemeente dan wel een verkrijger als is bedoeld in artikel 24, vierde lid, of in het eerste lid, 3°, over die makingen of schenkingen niet meer belasting zal worden geheven dan ingeval de buitenlandse Staat zelf zou verkrijgen of de verkrijger op het grondgebied van de buitenlandse Staat zou zijn gevestigd.

4. Na het tweede lid wordt toegevoegd:

3. Onze Minister kan, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en volgens daarbij te stellen regels, geheel of gedeeltelijk kwijtschelding verlenen van het verschuldigde recht van successie indien voorwerpen uit de nalatenschap met een nationaal cultuurhistorisch of kunsthistorisch belang, door de verkrijger in eigendom worden overgedragen aan de Staat. Het bedrag van de kwijtschelding beloopt 120 percent van de waarde van de overgedragen voorwerpen maar niet meer dan het verschuldigde recht.

ARTIKEL VI

De Wet op de accijns wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 27, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Onderdeel a komt te luiden:

a. lichte olie, per 1000 L bij een temperatuur van 15°C f 1373,50 indien het gelode lichte olie betreft en f 1230,80 indien het ongelode lichte olie betreft;.

2. Onderdeel b komt te luiden:

b. halfzware olie en gasolie, per 1000 L bij een temperatuur van 15°C f 708,30;.

3. Onderdeel d komt te luiden:

d. vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kg f 228,66;.

B. In artikel 70, vijfde lid, onderdeel d, wordt «f 78,72» vervangen door: het bedrag vermeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel d.

ARTIKEL VII

Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en beperkingen kan, met het oog op het verminderen van onwenselijke grenseffecten als gevolg van het verschil in accijnsniveaus dat voortvloeit uit de in artikel VI bedoelde verhoging, tijdelijk een voorziening worden getroffen ter vermindering van dit verschil met betrekking tot de accijns voor lichte olie die is afgeleverd binnen een bij die regeling vast te stellen aan het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland grenzende zone.

ARTIKEL VIII

De Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 23 komt te luiden:

Artikel 23. 1. Voor een personenauto bedraagt de belasting:

bij een eigen massa in kilogrammen vanover een tijdvak van drie maandenvermeerderd metper 100 kg eigen massa boven
500 of minderf  30,55  
600f  41,40   
700f  52,60   
800f  68,70   
900 tot en met 3200f  85,50f 23 900 kg
3300 en meerf 631f 163300 kg

2. De belasting voor een personenauto die is bestemd om te worden aangedreven door een kracht die niet uitsluitend wordt ontleend aan benzine wordt verhoogd met een brandstoftoeslag. De brandstoftoeslag bedraagt bij aandrijving door een kracht die:

a. wordt ontleend aan dieselolie: f 95,75 vermeerderd met f 17,25 per 100 kg eigen massa boven 500 kg;

b. niet uitsluitend wordt ontleend aan benzine of dieselolie: f 114,50 vermeerderd met f 22,75 per 100 kg eigen massa boven 500 kg.

3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, bedraagt de aldaar bedoelde brandstoftoeslag voor een personenauto: f 52 vermeerderd met f 22,75 per 100 kg eigen massa boven 500 kg, indien:

a. voor de personenauto een typegoedkeuring is verleend als bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994 dan wel een individuele goedkeuring als bedoeld in artikel 26 van die wet, met toepassing van de normen zoals die zijn neergelegd in de Richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Richtlijn nr. 94/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 (PbEG L 100);

b. de personenauto is voorzien van een installatie die tot gevolg heeft dat de emissies van die personenauto ten minste 30% lager zijn dan de emissienormen zoals neergelegd in de in onderdeel a bedoelde richtlijn;

c. de installatie als bedoeld in onderdeel b voldoet aan de door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vastgestelde eisen; deze eisen zullen in ieder geval betrekking hebben op:

1°. de ongevoeligheid van de installatie voor de brandstofsamenstelling;

2°. het niet kunnen wijzigen van de afstelling van het systeem, anders dan door of onder toezicht van de fabrikant of leverancier;

3°. het voorzien zijn van een systeem dat de correcte werking van de installatie bewaakt en de bestuurder daarover informeert;

d. met betrekking tot de personenauto overeenkomstig de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vastgestelde bepalingen in het kentekenregister en op het kentekenbewijs de aanduiding G3 is opgenomen.

B. Artikel 24 komt te luiden:

Artikel 24. Voor een bestelauto bedraagt de belasting:

bij een eigen massa in kilogrammen vanover een tijdvak van drie maandenvermeerderd metper 100 kg eigen massa boven
500 of minderf  18,81  
600 tot en met 1000f  32,23f  9,39 600 kg
1100 tot en met 2000f  79,43f 10,101100 kg
2100 tot en met 2700f 181,26f 10,872100 kg
2800 en meerf 253,29f  2,502800 kg

C. In artikel 25 wordt «f 55,10» vervangen door: f 46,10.

D. Artikel 46 komt te luiden:

Artikel 46. Voor een ander motorrijtuig, niet zijnde een autobus, bedraagt de belasting, met overeenkomstige toepassing van artikel 22:

bij een eigen massa in kilogrammen vanover een tijdvak van drie maandenvermeerderd metper 100 kg eigen massa boven
500 of minderf  18,81  
600 tot en met 1000f  32,23f  9,39 600 kg
1100 tot en met 2000f  79,43f 10,101100 kg
2100 tot en met 2700f 181,26f 10,872100 kg
2800 tot en met 4700f 253,29f  2,502800 kg
4800 en meerf 297,79f  2,502800 kg

E. Artikel 47 komt te luiden:

Artikel 47. 1. Voor een autobus bedraagt de belasting, met overeenkomstige toepassing van artikel 22:

bij een eigen massa in kilogrammen vanover een tijdvak van drie maandenvermeerderd metper 100 kg eigen massa boven
1000 of minderf  52,11  
1100 tot en met 2600f  58,81f 6,691100 kg
2700 en meerf 164,96f 2,172700 kg

2. De belasting bedraagt nihil voor een autobus die hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het openbaar vervoer bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet personenvervoer, en die is bestemd om hoofdzakelijk te worden aangedreven door een kracht die wordt ontleend aan vloeibaar gemaakt petroleumgas als bedoeld in artikel 26, zesde lid, van de Wet op de accijns of aan aardgas.

ARTIKEL IX

De Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1 wordt, onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, na het derde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

4. Ingeval een geregistreerde personenauto als bedoeld in artikel 9a in een zodanige staat wordt gebracht dat deze niet meer is ingericht en bestemd om hoofdzakelijk te worden aangedreven door een elektromotor, is de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met deze personenauto in gewijzigde staat in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

B. Na artikel 9 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a. In afwijking van artikel 9, eerste lid, bedraagt de belasting tot 1 juli 2002 nihil voor een personenauto die is ingericht en bestemd om hoofdzakelijk te worden aangedreven door een elektromotor.

ARTIKEL X

1. De accijns van sigaretten wordt met ingang van 1 februari 1997, met ingang van 1 januari 1998 en met ingang van 1 januari 1999 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde prijsklasse sigaretten met ingang van:

1 februari 1997 f 140,52 per 1000 stuks bedraagt;

1 januari 1998 f 146,52 per 1000 stuks bedraagt;

1 januari 1999 f 152,52 per 1000 stuks bedraagt.

Indien op vorengenoemde tijdstippen het daarbij vermelde bedrag lager is dan het bedrag dat overeenkomt met 57 percent van de kleinhandelsprijs van de meest gevraagde prijsklasse sigaretten, berekend per 1000 stuks, op dat tijdstip, geldt het laatstbedoelde bedrag.

2. De accijns van rooktabak wordt met ingang van 1 februari 1997, met ingang van 1 januari 1998 en met ingang van 1 januari 1999 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde prijsklasse rooktabak met ingang van:

1 februari 1997 f 58,28 per kilogram bedraagt;

1 januari 1998 f 61,28 per kilogram bedraagt;

1 januari 1999 f 64,28 per kilogram bedraagt.

3. Bij ministeriële regeling worden telkens met ingang van de in het eerste en tweede lid genoemde tijdstippen de tarieven van de accijns, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, van de Wet op de accijns, aangepast. De aanpassing geschiedt zodanig, dat voor rooktabak en sigaretten van de meest gevraagde prijsklasse het specifieke gedeelte van de accijns 50 percent bedraagt van de som van de totale accijns en de omzetbelasting. Daarbij dient het bedrag van de totale accijns gelijk te blijven aan het bedrag van de totale accijns dat na de verhoging van de accijns verschuldigd zou zijn zonder de aanpassing. Bij de aanpassing vindt afronding plaats van het specifieke gedeelte van de accijns op een veelvoud van vijf centen en van het procentuele gedeelte van de accijns op honderdsten van een percent.

ARTIKEL XI

In ARTIKEL XIX van de Invoeringswet Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 vervalt: per 1 januari 1997.

Voorts wordt aan het slot van dit artikel toegevoegd: met ingang van 1 januari 1998.

ARTIKEL XII

1. In afwijking van artikel 83 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 vindt de tariefwijziging van artikel VIII toepassing vanaf het tijdstip waarop dat artikel in werking treedt.

2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid.

ARTIKEL XIII

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A. Aan artikel 1, eerste lid, onderdeel c, wordt toegevoegd:

5°. loon dat in geblokkeerde vorm wordt gespaard ingevolge een spaarloonregeling en loon ingevolge een winstdelingsregeling;.

B. In artikel 3, eerste lid, onderdeel a, wordt «vermindering lage lonen» vervangen door: vermindering en doorstroomvermindering lage lonen.

C. In artikel 3, tweede lid, wordt «vermindering lage lonen» vervangen door: vermindering en doorstroomvermindering lage lonen.

D. In artikel 5 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt in de onderste rij van de tabel «f 1185» vervangen door: f 1830.

2. Na het eerste lid, onderdeel a, wordt, onder verlettering van de onderdelen b en c in onderscheidenlijk c en d, ingevoegd:

b. de doorstroomvermindering lage lonen: f 915 per kalenderjaar;.

3. Na het vierde lid wordt, onder vernummering van het vijfde lid in zesde lid, ingevoegd:

5. Ingeval de som van de vermindering lage lonen en de vermindering langdurig werklozen dan wel de vermindering onderwijs op de voet van de vorige leden meer dan f 6000 bedraagt, wordt de vermindering lage lonen zodanig verlaagd dat de bedoelde som f 6000 bedraagt.

E. In artikel 6, eerste lid, wordt «artikel 5, eerste lid» vervangen door: artikel 5, eerste en vijfde lid.

F. Het opschrift van hoofdstuk III wordt vervangen door: Vermindering en doorstroomvermindering lage lonen.

G. Na artikel 7 wordt toegevoegd:

Artikel 7a. De doorstroomvermindering lage lonen is van toepassing met betrekking tot de werknemer van 23 jaar of ouder met betrekking tot wie de vermindering lage lonen niet meer van toepassing is doch met betrekking tot wie de vermindering lage lonen niet langer dan 24 maanden voor het desbetreffende loontijdvak, anders dan incidenteel, bij dezelfde inhoudingsplichtige wel van toepassing is geweest.

H. In artikel 10, tweede lid, wordt «onderdeel a» vervangen door: onderdeel b.

I. In artikel 14 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, een onderdeel d toegevoegd, luidende:

d. de werknemer die in het kader van zijn initiële opleiding aan een hogeschool in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek op de grondslag van een onderwijsarbeidsovereenkomst, gesloten tussen de hogeschool, de werkgever en hemzelf, op zijn opleiding aansluitende arbeid verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen bedrijfssector en tevens niet is ingeschreven als student voor het volgen van in voltijdse vorm verzorgd onderwijs.

2. In het tweede lid wordt «onderdeel a» vervangen door: onderdelen a en d.

3. In het derde lid wordt na de eerste volzin ingevoegd: De vermindering onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdeel d, is met betrekking tot een werknemer ten hoogste 24 maanden van toepassing.

4. In de laatste volzin van het derde lid wordt na «48 maanden» ingevoegd: onderscheidenlijk 24 maanden.

5. In het vierde en vijfde lid wordt «onderdelen a, b en c» vervangen door: onderdelen a, b, c en d.

6. In het vijfde lid wordt voor de punt aan het slot ingevoegd: alsmede welke partij of partijen de administratie voert onderscheidenlijk voeren die voortvloeit uit de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.

J. In artikel 16, eerste lid, wordt voor de punt aan het slot ingevoegd: alsmede met het bedrag dat op voorschotten is terugbetaald.

K. In artikel 17 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid vervalt de laatste volzin.

2. In het derde lid wordt «onder 1°, 2° en 4°» vervangen door: onder 1°, 2°, 4° en 5°.

L. In artikel 21 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «f 10 000 000» telkens vervangen door: f 15 000 000.

2. In het tweede lid wordt «onder 1°, 2° en 4°» vervangen door: onder 1°, 2°, 4° en 5°.

M. Voor artikel 31 wordt ingevoegd:

Artikel 30a. 1. Bij het begin van het kalenderjaar worden de in artikel 5 vermelde bedragen vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de verhouding van het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zoals dat luidt bij het begin van het kalenderjaar tot dat bedrag zoals dat luidt op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar en vervolgens de nodig geachte afrondingen aan te brengen.

2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt het in artikel 5, vijfde lid, vermelde bedrag niet hoger vastgesteld dan het gemiddelde bedrag van de werkgeverslasten bestaande uit premies voor de sociale verzekeringswetten en soortgelijke regelingen, premies voor regelingen voor vervroegde uittreding, premies in verband met loondoorbetaling tijdens ziekte van de werknemers en de overhevelingstoeslag. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de vaststelling van de hoogte van het gemiddelde bedrag van de werkgeverslasten.

N. In artikel 41 wordt na «voorziet in een hoger loon dan het toetsloon,» ingevoegd: dan wel die op 31 december 1995 tot de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking stonden,.

O. Aan artikel 52 wordt toegevoegd:

3. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken, voor 1 januari 2000 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 14, eerste lid, onderdeel d, in de praktijk.

ARTIKEL XIV

In artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het zesde lid, onderdeel a, wordt «vermeerderd met de ouderenaftrek» vervangen door: vermeerderd met de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek.

2. In het achtste lid, onderdeel a, wordt «vermeerderd met de ouderenaftrek» vervangen door: vermeerderd met de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek.

ARTIKEL XV

In artikel 12 van de Douanewet wordt na onderdeel e ingevoegd:

f. niet onder onderdeel a of b vallende gebouwen, erven en besloten terreinen:

1°. waarvoor een krachtens wettelijke bepalingen vereiste toestemming, vergunning, goedkeuring of aanwijzing van kracht is;

2°. die in een ingevolge wettelijke bepalingen gedane aangifte of kennisgeving zijn vermeld als de plaatsen waar zich in de aangifte of kennisgeving omschreven goederen bevinden;.

Voorts wordt in de slotzinsnede «entrepots, ruimten voor tijdelijke opslag, plaatsen en goederen» vervangen door: bedoelde locaties en goederen.

ARTIKEL XVI

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 juni 1991 ingediende voorstel van wet houdende regels op het gebied van de distributie van elektriciteit, gas en warmte (Wet energiedistributie), nr. 22 160, tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A. Artikel 19 wordt vervangen door:

Artikel 19. In artikel 2, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt in de laatste volzin, na onderdeel h, ingevoegd:

i. lichamen waarin een rechtspersoon, aan wie een distributiebedrijf toebehoort in de zin van de Wet energiedistributie, een belang heeft, alsmede lichamen die met een zodanige rechtspersoon in een groep zijn verbonden in de zin van artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, welke lichamen activiteiten verrichten die eerstgenoemde rechtspersoon ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wet energiedistributie niet zelf mag verrichten, tenzij die lichamen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water, gas, elektriciteit of warmte leveren;.

B. Artikel 20 wordt vervangen door:

Artikel 20. In verband met het onderbrengen of vervreemden van activiteiten die een rechtspersoon, aan wie een distributiebedrijf toebehoort, ingevolge artikel 12, eerste lid, niet zelf mag verrichten, in onderscheidenlijk aan een lichaam waarin deze rechtspersoon voor ten minste een derde gedeelte een belang heeft of dat met deze rechtspersoon in een groep is verbonden in de zin van artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek:

a. wordt voor de heffing van de vennootschapsbelasting op de balans van dat lichaam geen goodwill opgevoerd met betrekking tot de van deze rechtspersoon verkregen vermogensbestanddelen;

b. vinden, in afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 10, derde lid, en artikel 11 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geen toepassing met betrekking tot de overdracht van vermogensbestanddelen van deze rechtspersoon aan dat lichaam.

C. Na artikel 20 wordt ingevoegd:

Artikel 20a. In verband met het onderbrengen of vervreemden van activiteiten die een rechtspersoon, aan wie een distributiebedrijf toebehoort, ingevolge artikel 12, eerste lid, niet zelf mag verrichten, in onderscheidenlijk aan een lichaam waarin deze rechtspersoon voor ten minste een derde gedeelte een belang heeft of dat met deze rechtspersoon in een groep is verbonden in de zin van artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege ter zake van de verkrijging van vermogensbestanddelen van deze rechtspersoon door dat lichaam.

D. Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. De bestaande tekst wordt aangeduid als eerste lid.

2. Na het eerste lid wordt toegevoegd:

2. Artikel 19 vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot de heffing over het jaar dat aanvangt op of na het tijdstip waarop hoofdstuk 6 in werking treedt. De artikelen 20 en 20a zijn mede van toepassing in gevallen van het onderbrengen of vervreemden van de in die artikelen bedoelde activiteiten in het zicht van de inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL XVII

Indien het bij koninklijke boodschap van 23 april 1996 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het versterken van de infrastructuur tot wet wordt verheven en eerder in het Staatsblad wordt geplaatst dan het bij koninklijke boodschap van 4 juni 1996 ingediende voorstel van wet tot wijziging van enige belastingwetten (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting) indien dit tot wet wordt verheven, vervalt in laatstgenoemde wet artikel III, onderdeel B.4.

Voorts wordt artikel 10a, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vervangen door:

5. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 13b wordt als een met de belastingplichtige verbonden natuurlijk persoon aangemerkt een natuurlijk persoon die, al dan niet te zamen met zijn echtgenoot, voor ten minste een derde gedeelte een belang heeft in de belastingplichtige of in een met hem verbonden lichaam, alsmede de echtgenoot van deze persoon en een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van deze persoon. Een pleegkind, een echtgenoot van een pleegkind en een pleegouder worden voor de toepassing van de vorige volzin gelijkgesteld met bloed- of aanverwanten. Met een echtgenoot van een natuurlijk persoon wordt gelijkgesteld degene die in het kalenderjaar voldoet aan de in artikel 56 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor overdracht van de basisaftrek aan de natuurlijk persoon.

Ten slotte wordt in artikel 11, eerste lid, onder 1°, van de Wet op de dividendbelasting 1965 «artikel 13b, zesde lid» vervangen door: artikel 10a, vierde lid.

ARTIKEL XVIII

Indien het bij koninklijke boodschap van 23 april 1996 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het versterken van de infrastructuur tot wet wordt verheven en later in het Staatsblad wordt geplaatst dan het bij koninklijke boodschap van 4 juni 1996 ingediende voorstel van wet tot wijziging van enige belastingwetten (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting) indien dit tot wet wordt verheven, wordt eerstgenoemde wet als volgt gewijzigd:

a. In ARTIKEL I, onderdeel B, wordt artikel 10a, vijfde lid, vervangen door:

5. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 13b wordt als een met de belastingplichtige verbonden natuurlijk persoon aangemerkt een natuurlijk persoon die, al dan niet te zamen met zijn echtgenoot, voor ten minste een derde gedeelte een belang heeft in de belastingplichtige of in een met hem verbonden lichaam, alsmede de echtgenoot van deze persoon en een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van deze persoon. Een pleegkind, een echtgenoot van een pleegkind en een pleegouder worden voor de toepassing van de vorige volzin gelijkgesteld met bloed- of aanverwanten. Met een echtgenoot van een natuurlijk persoon wordt gelijkgesteld degene die in het kalenderjaar voldoet aan de in artikel 56 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor overdracht van de basisaftrek aan de natuurlijk persoon.

b. In ARTIKEL I wordt onderdeel E vervangen door:

E. In artikel 13b vervallen het zesde en zevende lid.

c. Na ARTIKEL I wordt ingevoegd:

ARTIKEL IA

In artikel 11, eerste lid, onder 1°, van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt «artikel 13b, zesde lid» vervangen door: artikel 10a, vierde lid.

ARTIKEL XIX

Indien het bij koninklijke boodschap van 28 september 1996 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, alsmede de Wet waardering onroerende zaken (Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken) tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

ARTIKEL VIII, onderdeel I, wordt vervangen door:

I. In artikel 29 wordt «zesde lid» telkens vervangen door: achtste lid.

ARTIKEL XX

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 1996 ingediende voorstel van wet tot wijziging van enige belastingwetten (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting) tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt in de onderhavige wet in artikel XIII na onderdeel A ingevoegd:

Aa. In artikel 2, vierde lid, wordt «onderdelen a, b en d» vervangen door: onderdelen a, b en e.

ARTIKEL XXI

1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1997, met uitzondering van de artikelen VI, VIII, IX en XII, die in werking treden met ingang van 1 juli 1997 en artikel VII dat in werking treedt op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip.

2. Artikel I, onderdelen F en K, treedt in werking mits het bij koninklijke boodschap van 28 september 1996 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, alsmede de Wet waardering onroerende zaken (Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken) tot wet wordt verheven en het in dat wetsvoorstel opgenomen artikel III eveneens in werking treedt met ingang van 1 januari 1997.

3. Artikel XIII, onderdelen A, H, K.2., L.2. en N, werkt terug tot en met 1 januari 1996.

4. Indien het bij koninklijke boodschap van 20 juni 1991 ingediende voorstel van wet houdende regels op het gebied van de distributie van elektriciteit, gas en warmte (Wet energiedistributie), 22 160, tot wet wordt verheven op een tijdstip dat is gelegen vóór 1 januari 1997, werkt artikel XVI terug tot en met dat tijdstip. Indien het in de eerste volzin bedoelde voorstel van wet tot wet wordt verheven op een tijdstip dat is gelegen op of na 1 januari 1997, treedt artikel XVI in werking op dat tijdstip.

5. De artikelen I en III vinden toepassing nadat artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 1997 is toegepast.

6. Artikel 66e van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vindt voor het eerst toepassing bij het begin van het kalenderjaar 1998, met dien verstande dat de vervanging van de in artikel 42a van genoemde wet vermelde percentages en bedragen voor het eerst plaatsvindt en gevolgen heeft bij het begin van het kalenderjaar 2001.

7. Artikel 30a van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen vindt voor het eerst toepassing bij het begin van het kalenderjaar 1998.

8. Artikel 32, eerste lid, onderdeel 11°, artikel 33, eerste lid, onderdeel 13° en artikel 67, derde lid, van de Successiewet 1956 vinden slechts toepassing indien het overlijden, de schenking, de in artikel 45, derde lid, tweede volzin, of artikel 53, eerste lid, van de Successiewet 1956 bedoelde gebeurtenis op of na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet plaatsvindt, zomede indien op of na dat tijdstip krachtens schenking wordt verkregen ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde. Artikel 61, eerste lid, onderdelen 1° en 4° en tweede lid, onderdeel d en slot, blijven van kracht zoals zij luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, indien het overlijden, de schenking of de in de vorige volzin genoemde gebeurtenissen plaats hebben gevonden voor dat tijdstip.

9. Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onder b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 worden voorts niet tot de bedrijfsmiddelen gerekend, bedrijfsmiddelen ter zake waarvan voor 1 januari 1997 door een natuurlijke persoon of lichaam verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt en welke daarna door de belastingplichtige zijn verworven en bestemd zijn om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan de persoon die of het lichaam dat voor 1 januari 1997 verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt, dan wel aan een natuurlijk persoon of lichaam waartoe degene die voor 1 januari 1997 verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt in een verhouding staat als is omschreven in het achtste lid van voornoemd artikel 11 of in artikel 8, tweede lid, onderdeel b of onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Financiën,

De Staatssecretaris van Financiën,