nr. 245d
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS1
De memorie van antwoord gaf aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen
en het stellen van de volgende vragen.
De commissie dankte de staatssecretaris voor de toezending van de rapporten
van het NEI «Reservevorming en materiële exploitatiekosten»
van oktober 1995 en «Vervolgonderzoek reservevorming en materiële
exploitatiekosten» van maart 1996. Gaarne vernam zij welke conclusies
de staatssecretaris trekt uit deze rapporten. Vervolgens sprak de commissie
haar zorg uit over de decentralisatie van de huisvestingsgelden voor het voortgezet
onderwijs naar de gemeenten. Zij vroegen zich af hoe deze territoriale decentralisatie
zich verhoudt tot het door de overheid geïnitieerde beleid tot schaalvergroting
en grotere autonomie.
Door deze, door de rijksoverheid gewilde, schaalvergroting ontstaat immers
in de meeste gevallen een verzorgingsgebied dat q.q. groter is dan het gemeentelijk
niveau. Dat zou betekenen dat scholengemeenschappen met meerdere vestigingsplaatsen
dienen te onderhandelen met meerdere gemeenten. De aan het woord zijnde leden
zouden er de voorkeur aan geven dat deze onderwijsinstellingen hun tijd en
energie richten op onderwijsinhoudelijke ontwikkeling. Om zich een oordeel
te vormen over deze problematiek zouden zij een overzicht willen ontvangen
van de «dekking» van scholen(gemeenschappen) voor voortgezet onderwijs
naar verzorgingsgebied (gemeenten), aangevuld met gegevens betreffende hoofd-
en nevenvestigingen en aantallen leerlingen.
Zulks is, dachten zij, na de goedkeuringsprocedures met betrekking tot
de (voorgenomen) fusies en de reeds aanwezige kennis omtrent de status quo
betrekkelijk eenvoudig te leveren.
De leden van de fractie van de VVD zeiden voorstander te zijn
van decentralisatie. Overigens moesten zij constateren dat de door hen gekozen
oplossing zou afwijken van de voorgestelde. Voor het primair onderwijs toonden
deze leden zich voorstander van territoriale decentralisatie. Indien echter
allerlei zaken wel functioneel gedecentraliseerd kunnen worden naar de besturen
van scholen in het voortgezet onderwijs is het onlogisch daar niet ook de
huisvesting aan toe te voegen. De leden van de VVD-fractie hadden
in dit verband nog de volgende vragen. Worden de bedragen die als een tekort
worden aangemerkt aangevuld door O, C en W? Zou verplichte doordecentralisatie
naar de besturen voor het voortgezet onderwijs, binnen x-jaar niet een betere
oplossing zijn?
De leden van de PvdA-fractie dankten de staatssecretaris voor
de beantwoording van de vragen. Over het primair onderwijs hadden deze leden
geen verdere vragen.
Voor het voortgezet onderwijs waren hun vragen geïncorporeerd in
de commissievragen.
Ook de leden van de fracties van GPV, SGP en RPF dankten de staatssecretaris voor de gegeven antwoorden. Zij wilden
op enkele punten nog aanvullende vragen stellen.
Hen trof de opmerking van de staatssecretaris in de memorie van antwoord
(Kamerstukken Eerste Kamer, 1995–1996, nr. 245b, blz. 2) «dat
bij beslissingen met betrekking tot de huisvesting er niet snel een relatie
met de vrijheid van richting en inrichting aan de orde is». Graag vernamen
deze leden een toelichting op deze mening. Moet hieruit begrepen worden dat
de staatssecretaris de rol die de Onderwijsraad volgens het wetsvoorstel te
vervullen krijgt, weinig substantieel acht?
In antwoord op een vraag van de VVD-fractie wordt in de memorie van antwoord
uiteengezet hoe onevenredig groot het aantal leerlingen in een voortgezet
onderwijsschool kan zijn in relatie tot het aantal inwoners van de gemeente
waar deze school gevestigd is. De vraag is of het ooit mogelijk zal zijn om
deze gemeenten het benodigde geld te verschaffen op basis van een rekensystematiek
die niet expliciet met deze feitelijke leerlinggegevens rekening houdt.
In het antwoord op enkele vragen van de hier aan het woord zijnde leden
wordt opgemerkt dat bepaalde bedragen zijn opgenomen in de «historische
vergoeding» die ten aanzien van de gemeenten is berekend. Graag zouden
zij in verband hiermee drie vragen stellen over de systematiek.
Hoe wordt deze «historische vergoeding» berekend?
Welk verband is er tussen deze «historische vergoeding» en
de uitkering die gemeenten ontvangen?
Is het juist dat de door het ministerie goedgekeurde huren (vgl. blz.
19, memorie van antwoord) door de gemeenten zullen moeten worden vergoed,
maar dat de systematiek van de «historische vergoeding» daarvoor
geen volledige (of misschien wel helemaal geen) compensatie voor de betreffende
gemeenten oplevert?
Vervolgens zouden deze leden graag alsnog meer exacte gegevens willen
ontvangen over de omvang van de verplichtingen die de gemeenten van de rijksoverheid
moeten overnemen. Het gaat dan in ieder geval om toegezegde huurbedragen.
Zijn er nog andere uitgaven die de gemeenten ingevolge artikel XXI voor hun
rekening moeten nemen? Hoe groot is het bedrag waarvoor de rijksoverheid door
de gemeenten over te nemen verplichtingen is aangegaan?
In de memorie van antwoord volgen na een passage over NEI-rapporten (blz.
17) twee alinea's (blz. 18) die betrekking hebben op de mogelijkheid om de
achterstanden in te halen door inzet van reserves van de scholen zelf. De
eerste (die begint met «Echter») meldt dat daarover nog niets
te zeggen is. De tweede (die begint met «Overigens») voorspelt
dat de helft van de achterstanden kan worden weggewerkt. Deze leden zagen
dit gaarne nader toegelicht. Overigens vormt ook een tekort van de helft van
de achterstanden een aanzienlijk probleem. Wat de situatie in Smallingerland
betreft tenslotte nog één vraag. Hebben zij goed begrepen dat het tekort van de «nadeelgemeente» Smallingerland deels
wordt gecompenseerd door een extra bedrag ten gevolge van een door het ministerie
aan de scholengemeenschap Liudger toegezegd bouwproject?
De voorzitter van de commissie,
Jaarsma
De griffier van de commissie,
Hordijk