19 637
Vluchtelingenbeleid

nr. 847
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 4 augustus 2004

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 24 juni 2004 overleg gevoerd met minister Verdonk voor Vreemdelingenzaken en Integratie over:

– het rapport van Defence for Children International «Ik ben er wel, maar ze zien me niet» (Just-04-0218);

– de kabinetsreactie terzake d.d. 11 juni 2004 (19 637, nr. 823);

– het ACVZ-rapport «Kinderen en de Asielpraktijk» d.d. 31 oktober 2003 (Just-03-1198);

– de kabinetsreactie d.d. 11 juni 2004 (19 637, nr. 824).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer De Vries (PvdA) is erkentelijk voor het feit dat het algemeen overleg over kinderen in het vreemdelingenrecht nog voor het zomerreces plaatsvindt.

Zijn eerste vraag betreft kinderen van illegalen. Worden deze kinderen evenals legale kinderen in Nederland ingeschreven in het geboorteregister? Een geboortebewijs is belangrijk voor het kunnen aantonen van de identiteit, het verkrijgen van een nationaliteit, het handhaven van de leerplicht en het krijgen van medische zorg en inentingen. Het is verder in overeenstemming met artikel 7 van het VRK, het Verdrag inzake de rechten van het kind.

Er is veel kritiek op het Nederlandse beleid met betrekking tot de positie van kinderen in het vreemdelingenrecht en het vreemdelingenbeleid. De Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen de heer Lubbers noemt het beleid «hard en in zijn uitwerking hardvochtig» en vindt het terugsturen van ex-asielzoekers en hun kinderen die al jaren in Nederland wonen, «inhumaan». Hoe oordeelt de minister over de uitspraken van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen? En hoe oordelen de collega's hierover?

Het Comité on the rights of the child van de VN heeft op 30 januari 2004 een landenrapport van Nederland beoordeeld. De minister is niet ingegaan op de in het rapport geplaatste kanttekeningen en de vier aanbevelingen. Deze aanbevelingen luiden: bekijk de Vreemdelingenwet 2001 en de toepassing ervan opnieuw om naleving van de internationale normen en de kinderrechtenconventie te verzekeren; pas de definitie van onbegeleide minderjarigen aan aan de internationale normen; herzie de AC-procedure; pas vreemdelingendetentie op kinderen alleen in uiterste noodzaak toe en zorg dat kinderen die op uitzetting moeten wachten, passende scholing en onderdak krijgen. Wat heeft de regering hierop aan de commissie geantwoord?

In het rapport van Defence for Children International, DCI luidt het centrale kritiekpunt dat Nederland de kinderen eerst als vreemdeling en dan pas als kind bekijkt. Er is kritiek op de AC-procedure, terwijl de wijze van horen kindonvriendelijk wordt genoemd.

De ACVZ, de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken heeft op basis van een grondige studie van kinderen en de asielpraktijk 14 aanbevelingen gedaan en 22 aandachtspunten geformuleerd. De regering neemt twee aanbevelingen en zes aandachtspunten van deze commissie van deskundigen geheel en een aantal aanbevelingen en aandachtspunten halfhalf over, maar wijst de meeste aanbevelingen en aandachtspunten af. Hij wil op een aantal aanbevelingen graag nader ingaan.

Bij de beslissing omtrent asielverzoeken moet gemotiveerd worden hoe de belangen van kinderen gewogen zijn. Het verheugt hem dat de minister deze aanbeveling overneemt. Hij rekent erop dat dit zorgvuldig zal gebeuren. De minister zegt in haar reactie dat zij de individuele belangen van de minderjarige afweegt tegen de belangen van de Staat. Moet het behartigen van de belangen van het kind niet een van de belangrijkste doelstellingen van de Staat zijn? Is de dragende gedachte van artikel 3 van het VRK niet juist dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen? Kan de minister hier nader op ingaan? Deelt zij de prioriteit die het VRK aan de belangen van kinderen geeft?

De minister neemt de aanbeveling dat AMA's en gezinnen met minderjarige kinderen absolute voorrang moeten krijgen bij de afhandeling van asielaanvragen niet over, omdat zij dit niet haalbaar acht.

Zij geeft ook geen gevolg aan de aanbeveling dat de AC-procedure voor AMA's alleen toelaatbaar is, als de AMA ten minste 24 uur rust wordt gegund.

Zij vindt het niet nodig dat AMA's na binnenkomst een veiligheidstoets ter eigen bescherming ondergaan, in verband met drugs en kinderprostitutie.

Zij kan zich niet vinden in de uitspraak dat het niet aanvaardbaar is dat er geen opvang bestaat in de periode tussen de afwijzing in een aanmeldcentrum en de rechterlijke spoeduitspraak met betrekking tot de rechtmatigheid ervan. Zij is bereid om opvang te geven aan AMA's, maar niet aan kinderen die met het gezin zijn.

De heer De Vries heeft de indruk dat de minister niet van plan is om naar advies te luisteren en dat zij zich niets aantrekt van het oordeel van de hoge autoriteiten op vreemdelingengebied, de Raad van kerken en allerlei andere organisaties. Hij vindt dit zeer ernstig.

Mevrouw Vos (GroenLinks) sluit zich aan bij de uitspraken van de heer Lubbers over het Nederlandse asielbeleid. Ook het UNHCR, de ACVZ, het DCI en het Comité van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind vinden dat het Nederlandse vreemdelingenbeleid volstrekt voorbijgaat aan de gerechtvaardigde belangen van kinderen.

Het lijkt haar goed om onderscheid te maken tussen kinderen met en zonder begeleiders in een verblijfsprocedure, illegale kinderen en AMA's. Het feit dat er in de wettelijke kaders geen onderscheid wordt gemaakt tussen vreemdelingen die meerder- en minderjarig zijn, veroorzaakt veel problemen. Er wordt in asielprocedures bij kinderen die door hun ouders of verzorgers begeleid worden, van uitgegaan dat de kinderen geen eigen asielmotieven hebben. Als het asielrelaas van de ouders wordt afgewezen, geldt dit ook voor de kinderen. DCI concludeert dat Nederland geen recht doet aan de kernbepaling in het VRK dat kinderen hun eigen mening moeten kunnen formuleren en dat hiernaar geluisterd wordt. Wat is de reactie van de minister hierop?

Omdat de positie van illegale kinderen nijpend is, heeft haar fractie gepleit voor het aanstellen van een nationale rapporteur die de effecten van het illegalenbeleid voor kinderen nauwlettend volgt. Volgens het rapport van DCI is dit hard nodig, omdat illegale kinderen in Nederland blootstaan aan een groot aantal verschrikkingen. Nederland ontzegt illegale kinderen het recht om kind te zijn. De minister zegt in haar reactie op het rapport dat zij «het primair de keuze en daarmee de verantwoordelijkheid van de ouders acht, die het kind in een situatie van langdurig onrechtmatig verblijf heeft gebracht». Staat de minister werkelijk achter haar uitspraak dat de situatie waarin de kinderen zich bevinden, de schuld en de verantwoordelijkheid van de ouders is? Houdt zij helemaal geen rekening met het belang van de kinderen zelf en de verantwoordelijkheid die zij evenals de Nederlandse Staat draagt? Haar fractie vindt dit zeer ernstig.

De minister stelt in de brief dat illegale kinderen een redelijk goede lichamelijke gezondheid hebben en over het algemeen over woonruimte beschikken. Zij wil echter in de nota Illegalenbeleid het illegaal zijn als grond voor het opzeggen van de huurovereenkomst invoeren. Welke garanties biedt de minister dat illegale kinderen in ieder geval onderdak krijgen?

De beëindiging van opvangvoorzieningen als er kinderen in het spel zijn, is een kwetsbaar punt. De minister heeft in eerdere asieldebatten gezegd dat zij wil voorkomen dat gezinnen gescheiden worden. Zij verschuilt zich in haar reactie op het rapport van DCI achter de uitleg van het «buiten schuld» criterium. Kan zij een nadere invulling geven van dit criterium? Hoe verhoudt dit zich tot de belangen en de positie van kinderen? Haar fractie vindt dat kinderen nooit op straat mogen komen te staan, of het nu gaat om legale of illegale kinderen. Vindt de minister dat kinderen op straat gezet mogen worden als de opvangvoorzieningen beëindigd worden? Of gaat zij op dit punt haar koers wijzigen?

Mevrouw Vos zou ook graag meer helderheid hebben over de opvang van kinderen in de vreemdelingenbewaring. Zij hoort verhalen over ouders met babi's en kleine kinderen die in het Grenshospitium en de uitzetcentra zitten. Waarom zijn ouders met kinderen tot nu toe in vreemdelingenbewaring genomen en hoe is de subsidiariteitstoets toegepast?

Hoewel de Nederlandse vreemdelingenwetgeving volgens de ACVZ aan het VRK voldoet, is er sprake van een groot aantal misstanden als het om kinderen gaat. Waarom doet de minister zo weinig met de aanbevelingen van de ACVZ? Wat betekent het advies van de ACVZ voor de minister, ook in het licht van de adviezen van de vele andere organisaties en hun kritische houding ten opzichte van het Nederlandse vreemdelingenbeleid en de positie van kinderen?

Is de medisch-ethische commissie die zal toezien op botonderzoek van AMA's al ingesteld? Zo ja, wie maken hiervan deel uit?

De heer Visser (VVD) sluit zich niet aan bij de terminologie van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen de heer Lubbers over «een hard beleid dat in zijn uitwerking hardvochtig is». Dat betekent echter niet dat hij de relevantie van de problematiek onderschat. Hij vindt het van belang om terdege de vinger aan de pols te houden, zowel wat het beleid,de intentie en de doelstellingen als de praktijk, de uitvoering en de realisatie betreft.

Hij wil op twee uitgangspunten in het beleid nader ingaan. Het eerste is dat er een verantwoordelijkheid is voor kinderen, die gedeeld wordt tussen de ouders, de overheid en, afhankelijk van de leeftijd, de kinderen zelf. Hij is het ermee eens dat de overheid de verantwoordelijkheid niet van de ouders kan afnemen of deze kan overnemen. Bij een weigerachtige opstelling van de ouders is het zaak om hen aan te spreken op de verantwoordelijkheid tegenover hun kinderen.

Het tweede uitgangspunt is dat gezinnen met kinderen niet gescheiden kunnen worden. Dat betekent dat de overheid de verantwoordelijkheid niet kan afnemen van de ouders. De minister schrijft in haar brief dat er een lastige situatie ontstaat in het geval de overheid moet besluiten de ouders uit de ouderlijke macht te ontzetten. Heeft de overheid de bevoegdheid om dergelijke beslissingen te nemen ook in situaties waarin ouders en kinderen illegaal in Nederland verblijven? Geldt mishandeling van de kinderen door de ouders overigens niet als contra-indicatie bij de asielaanvraag?

Kan de minister specifieker ingaan op de waarschuwing van de ACVZ dat de Nederlandse ontwikkeling op het gebied van de aanscherping van het AMA-beleid alleen te rechtvaardigen is, als aan bovenverdragsrechtelijke humanitaire normen wordt vastgehouden?

Het kabinet heeft op 14 mei 2003 gezegd het beleid van de BAMA's te gaan herbeoordelen. Waarom laat deze herbeoordeling zo lang op zich wachten? In welke richting denkt de regering?

Uit de stukken valt op te maken dat er relatief veel gezinnen onder de asielzoekers zijn. Valt er een trend waar te nemen dat het klassieke beeld van de asielzoeker – mannen tussen de 20 en 35 jaar – wijzigt?

Hoe kan het Rode Kruis beter betrokken worden bij het opsporen van familieleden in de landen van herkomst? En waarom ontbreekt de UNHCR hier? De UNHCR heeft vorig jaar van Nederland meer geld gekregen voor activiteiten van opvang en bescherming in de regio. Kan de UNCHR niet meer aandacht besteden aan het thema kinderen en verwanten van kinderen in de regio?

De heer Van Fessem (CDA) vindt het een goede zaak dat de genoemde rapporten zijn verschenen, omdat de regering zich hierdoor genoodzaakt ziet te bekijken of het vreemdelingenbeleid voor kinderen volgens goede regels verloopt. Een aantal verbetervoorstellen is of wordt naar aanleiding van de verschenen rapporten door de minister ingevoerd.

De Vreemdelingenwet 2000 is indertijd door de toenmalige minister van Justitie nauwgezet getoetst aan de internationale verdragen die kinderrechten bevatten. De ACVZ constateert dat er sindsdien geen verslechtering is opgetreden. Een aantal aanbevelingen in het rapport van de AZVC en dat van het DCI stemt overeen.

Zijn fractie is het ermee eens dat de verantwoordelijkheid van de ouders centraal staat in de gedeelde verantwoordelijkheid van ouders, Staat en kind. De ACVZ wijst op de plichten van de ouders tegenover minderjarige kinderen. De minister stelt in haar reactie dat zij het van belang acht dat bij de ouders duidelijkheid bestaat over de verantwoordelijkheid die zij hebben ten opzichte van hun kinderen. Het VRK geeft geen automatische aanspraak op een verblijfsvergunning. Dit is alleen aan de orde in bijzondere gevallen, zoals gekoppeld aan artikel 3 van het EVRM, wanneer er sprake is van mishandeling, exploitatie of verwaarlozing van het kind door de ouders, met dreiging dat deze in het land van herkomst zal worden voortgezet en er, gemeten naar de maatstaven van het land van herkomst, geen adequate hulpverlening daar bestaat. Hij is verheugd dat de minister de aanbeveling volgt om een best interestomschrijving op te nemen in de beschikking met betrekking tot een minderjarige. Hoe ziet de minister een zorgvuldige motivatie in het licht van de snelheid die in de AC-procedure gehaald moet worden?

Hij onderschrijft de aanbeveling-2 van de ACVZ om meer onderzoek te doen naar adequate opvangmogelijkheden in het land van herkomst van harte. Volgens de minister vindt onderzoek naar acceptabele terugkeer en adequate opvang in het land van herkomst plaats tijdens de aanvraagprocedure. Hij heeft het gevoel dat van het BuZa onderzoek in het land van herkomst in de praktijk niet veel terechtkomt.

De minister kondigt naar aanleiding van aanbeveling-11 aan dat zij met de collega voor Ontwikkelingssamenwerking zal bezien of er meer mogelijkheden zijn voor het opzetten van opvanghuizen voor minderjarigen, zoals in Mulemba in Angola, of voor het inkopen van plaatsen in bestaande opvanghuizen. Kan de minister een datum noemen? Hoe staat het met de verkenning van de mogelijkheden voor een opvanghuis in Congo? Schakelt de minister daarbij ook NGO's in?

Aanbeveling-3 handelt over de aan kinderen toe te kennen prioriteit bij de afhandeling van aanvragen. De minister geeft aan dat zij voorrang aan de AMA wil geven maar dat zij verdere prioritering voor gezinnen met minderjarige kinderen niet haalbaar acht. Welke verdere prioriteiten acht zij niet haalbaar? Zij geeft verder aan dat zij nadenkt over een wijziging van de asielprocedure, waarbij de tijd in de TNV wellicht kan worden geïncorporeerd in de asielprocedure. Kan dat hier perspectief bieden? Hij wacht de door de minister aangekondigde wijziging van het BAMA-beleid af.

De minister stelt naar aanleiding van aanbeveling-6 over de inbewaringstelling van minderjarigen dat altijd wordt bezien of met een lichter middel kan worden volstaan, zoals verblijf op een bij de politie bekend adres. Wordt hier vaak gebruik van gemaakt? Kan de minister nader ingaan op de inhoud en de consequenties van de uitspraken van de Raad van State over de tenuitvoerlegging van vreemdelingenbewaring van minderjarigen? Wanneer worden de door de minister aangekondigde maatregelen ingevoerd en wat houden deze in?

Aanbeveling-13 gaat over de non-activiteiten van het Rode Kruis. Welke mogelijkheden zijn er om AMA's te verplichten het Rode Kruis te verzoeken om onderzoek te verrichten?

Het lijkt hem een goed idee om te streven naar het opzetten van een databank over opvang, onderwijs en gezondheidsvoorzieningen in de landen van herkomst. De minister zal de behoefte daaraan nader bezien. Wanneer kan zij daarover duidelijkheid geven?

Voortdurende mishandeling door de ouders leidt tot een mogelijke verblijfstitel voor illegale pleegkinderen, ook als de ouders moeten terugkeren. Komt dit in de praktijk regelmatig voor? Wat bedoelt de minister met de zin aan het eind van haar brief dat zij «voornemens is om samen met de betrokken partijen het beleid in bovenstaande zin te verduidelijken»?

Hij is het niet in alle opzichten eens met de kwalificaties van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen de heer Lubbers. Hij vindt «inhumaan» een gevaarlijk woord. Hij heeft het artikel van de heer Lubbers echter niet voor zich in al zijn uitspraken en wil er daarom nu niet nader op ingaan.

De reactie van de minister op de vijf actiepunten in het DCI-advies komt overeen met haar reactie naar aanleiding van het ACVZ-advies. Het advies van de DCI is resoluter en strijdvaardiger in zijn actiepunten. Het advies dwingt zijn fractie om alert te blijven en de reactie van de minister kritisch te blijven bezien.

Zijn fractie kan zich vinden in de antwoorden van de minister. De heer Van Fessem heeft het idee dat de Nederlandse regering een binnen de kaders zo humaan mogelijk asielbeleid voert, gebaseerd op de Vreemdelingenwet 2000. Hij is er niet voor om nu al wetswijziging te overwegen. Het lijkt hem beter eerst te kijken of een betere werkwijze binnen de wet mogelijk is. Het is verschrikkelijk als kinderen op straat komen te staan, maar de ouders blijven volgens hem de eerstverantwoordelijken.

Mevrouw Lambrechts (D66) vindt het vanzelfsprekend dat het asielbeleid moet voldoen aan de eisen die het VRK stelt. Een kind is niet alleen de afgeleide van zijn ouders, maar ook een zelfstandige eenheid die meer zichtbaar moet zijn. De internationale toetsingscommissie heeft in 2002 een oordeel gegeven over de wijze waarop Nederland met het VRK omgaat. Waarom heeft de minister daarop niet gereageerd? Is zij bereid alsnog te reageren?

Zij is blij dat de minister heeft toegezegd in de AC-procedure meer expliciet aandacht te geven aan het belang van het kind. Daarmee kan zichtbaar worden wat tot nu toe niet zichtbaar is geworden. Hoe gaat de minister dit handen en voeten geven? Tot welke wijzigingen in de AC-procedure gaat dit leiden?

Zij vindt dat een gezin uitzetten iets anders is dan een gezin met kinderen op straat zetten. Als het voor een gezin niet mogelijk is om binnen vier weken de terugkeer te regelen maar als hieraan wel serieus wordt meegewerkt, is het dan werkelijk nodig om een gezin op straat te zetten?

Zij begrijpt niet waarom het niet mogelijk is om in de procedure voorrang te geven aan gezinnen met kinderen. Zij is benieuwd naar de wijzigingen in het BAMA-beleid en de datum waarop de Kamer de plannen hiervoor onder ogen krijgt.

Hoe staat het met de uitvoeringspraktijk van gezinnen met kinderen die niet uit elkaar worden gehaald?

Bestaat de mogelijkheid om kinderen die moeten terugkeren naar het land van herkomst, maar bezig zijn met een opleiding toestemming te verlenen om deze opleiding binnen een termijn van redelijkheid af te maken?

Kan serieus bezien worden of de financiële vergoeding toereikend is om de gezinnen met kinderen op een humaan niveau te laten functioneren? Het feit dat de prijscompensatie al jaren niet meer wordt verwerkt, komt voor gezinnen met kinderen hard aan. Wordt er ooit gekeken of deze bedragen voor gezinnen met kinderen niet onder een aanvaardbaar minimum komen?

De heer De Wit (SP) wijst erop dat de uiteenzetting over het beleid ten aanzien van pleegkinderen in de brief van de minister niet compleet is. Het uitgangspunt bij asielpleegkinderen is om te proberen, als het tot een uitzetting komt, deze kinderen zoveel mogelijk met de ouders te laten terugkeren. Hier ontstaat echter een probleem. Gewone pleegouders hebben volgens de wet een blokkaderecht ten aanzien van bij hen geplaatste pleegkinderen. Zij kunnen in het belang van het kind een bezwaar indienen bij de rechter, als het pleegkind terug moet naar de natuurlijke ouders. Hoe ziet de minister de parallel met het blokkaderecht in geval van asielpleegkinderen? Kunnen ook pleegouders van asielkinderen, als het tot uitzetting komt, in het belang van het kind gebruik maken van het blokkaderecht?

De minister schetst ook de situatie waarin het onverantwoord is om het asielpleegkind met de eigen ouders terug te sturen. Wat moet er dan gebeuren? Er is daarmee nog geen legale situatie gecreëerd. Er is nog steeds sprake van een illegaal kind dat geplaatst is bij pleegouders. Hoe staat het met het blokkaderecht, als de voogdijstichting het kind dan in een tehuis of elders wil plaatsen?

Wanneer het illegale asielpleegkind dan toch in Nederland zou blijven, kan het kind of kunnen de pleegouders dan in beide situaties een verblijfsvergunning aanvragen? Kunnen de pleegouders dit doen, in geval het kind aan hen wordt toegewezen of kan het kind dit zelf doen? Hij zou graag zien dat zowel de pleegouders als het kind deze mogelijkheid hebben. Kan de minister duidelijkheid geven op dit punt? In de brief wordt hierover niet gesproken.

Er wordt in alle rapporten die zijn verschenen over kinderen in het vreemdelingenrecht een bepaald beeld geschetst van Nederland in verhouding tot kinderen in asielprocedures. De reactie van de minister is er niet op gericht om dit beeld recht te zetten maar hoofdzakelijk om de kritiek in te dammen. De asielinstroom is enorm teruggelopen. Wat is erop tegen om de belangen van kinderen zorgvuldiger te wegen en in de procedure kinderen tot rust te laten komen? Kinderen die in de AC-procedure met of zonder de ouders in het ongelijk worden gesteld, hebben in principe geen opvang. De voorganger van de minister heeft gezegd dat hij ernaar zou streven dat mensen niet op straat komen in de periode tussen de uitspraak in de AC-procedure en de toewijzing van de eerste voorlopige voorzieningen. Hiervan is niet veel terechtgekomen. De reactie van de minister dat kinderen moeten worden opgesloten, is in strijd met het VRK. Dit geldt zowel voor de situatie na afwijzing in de AC-procedure als voor de vreemdelingenbewaring. Waar denkt de minister aan bij het zoeken naar andere vormen van opvang?

Er bestaat zeer veel onduidelijkheid over het recht op gezondheidszorg, ook voor volwassenen. Hij pleit ervoor om (jeugd)hulpverleners veel beter te informeren over het recht op jeugdzorg en medisch noodzakelijke zorg.

Volgens de internationale verdragen dient altijd eerst gekeken te worden naar het veiligstellen van de belangen van het kind en vervolgens naar de asielprocedure. Wat bedoelt de minister met best interest? Wordt er aan de hand van een lijst gecheckt of het belang van het kind in ogenschouw is genomen?

Antwoord van de minister

De minister is verheugd dat de Kamer zich bewust is van het belang van de positie van het kind in de asielprocedure en een vinger aan de pols wil houden bij de belangenbehartiging. In het advies van de ACVZ van oktober 2003 over kinderen en de asielpraktijk wordt geconcludeerd dat het Nederlandse vreemdelingenrecht geacht moet worden te voldoen aan het Verdrag inzake de rechten van het kind. Hetzelfde is in een studie uit 1999 geconcludeerd. Er wordt daarnaast een aantal punten genoemd in het advies van de ACVZ waar mogelijk spanning bestaat met het verdrag. Zij heeft in haar reactie aangegeven dat er voor deze punten en voor andere in het advies genoemde punten aandacht zal zijn. Zij noemt de herziening van het BAMA-beleid en de pleegkinderen.

Het Comité on the rights of the child van de VN houdt toezicht op de uitvoering van het VRK. De commissie heeft een oordeel gegeven over het landenrapport van Nederland en daarin vier punten van kritiek genoemd. Staatssecretaris Ross-van Dorp, die het jeugdbeleid in haar portefeuille heeft, heeft op 19 januari 2004 in Genève op een hoorzitting verantwoording afgelegd aan dit comité over het Nederlandse beleid. Het comité was tevreden over haar verantwoording en oordeelde in zijn algemeenheid positief. De staatssecretaris zal de Kamer hierover in een brief nog nader informeren. De staatssecretaris heeft in Genève mede namens de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie verantwoording afgelegd. Zij zal de staatssecretaris vragen om de Kamer snel op de hoogte te stellen.

Er dient aangifte te worden gedaan van een kind dat in Nederland geboren wordt. Het maakt niet uit of het een kind betreft van ouders die illegaal in Nederland zijn. Er wordt een geboorteakte opgemaakt en de gegevens uit de geboorteakte worden opgenomen in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens.

Alleenstaande minderjarige asielzoekers verblijven alvorens de AC-procedure start een periode bij NIDOS, waardoor zij al een rustperiode hebben. Alleen op de AC-Schiphol is een rustperiode niet mogelijk, gezien de toegangsweigering die daar wordt opgelegd. Dit betekent een vrijheidsontneming die zo kort mogelijk moet duren en duurt. De minister houdt hier nadrukkelijk de vinger aan de pols.

In het VRK wordt gesproken over «primary consideration». In de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet is destijds opgenomen dat artikel 3 van het verdrag waarin het belang van het kind is verwoord, de richtlijn is voor de uitleg en de tenuitvoerlegging van het verdrag. Het belang van het kind vormt een eerste overweging bij het nemen van een besluit ten aanzien van het kind. Dit gebeurt heel zorgvuldig. Het belang van het kind kan daarbij de doorslag geven, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn.

De ACVZ heeft in haar advies speciale aandacht gevraagd voor de positie van kinderen in de vreemdelingenbewaring. De minister heeft in eerdere overleggen al gemeld dat vreemdelingenbewaring zeker voor kinderen een ingrijpende maatregel is en dat de toepassing van deze vrijheidsontnemende maatregel tot het strikt noodzakelijke beperkt dient te blijven. Voordat in gevallen waarbij kinderen zijn betrokken tot vreemdelingenbewaring wordt overgegaan, zal altijd en in ieder individueel geval worden bezien of er met een lichter middel kan worden volstaan. Om te voorkomen dat kinderen in bewaring gesteld moeten worden, kan het gebeuren dat alleen de vader in vreemdelingenbewaring wordt genomen, terwijl de moeder met haar kind op een bekend opvangadres kan verblijven. Mocht het in uiterste gevallen nodig zijn om ook kinderen in bewaring te nemen, bijvoorbeeld omdat ouders hierom vragen, dan worden de kinderen geplaatst bij een van de ouders of allebei de ouders. De ouders en de kinderen worden dan gezamenlijk geplaatst in een locatie waar een soepeler regime gehanteerd wordt. Het gaat dan om plaatsen waar het reglement «Regime grenslogies» van toepassing is. Het kenmerk van deze plaatsen is dat de interne bewegingsvrijheid zo ruim mogelijk is en het contact met de buitenwereld door middel van bezoek en telefoneren weinig beperkingen kent. Dit is van toepassing in het Grenshospitium, waar speciale voorzieningen zijn ingericht voor ouders met kinderen. Daarnaast is dit regime ook van toepassing in de uitzetcentra en in het detentiecentrum in Zeist, waar vrouwen eventueel met kinderen kunnen worden ondergebracht.

Op internationaal niveau is het VN Verdrag inzake de rechten van het kind relevant met betrekking tot de insluiting van minderjarigen. Artikel 37 van het verdrag bepaalt onder meer dat de vrijheidsontneming van een kind geschiedt overeenkomstig de wet en slechts wordt gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijk passende duur. De zojuist geschetste praktijk is hiermee in overeenstemming. Kinderen worden op grond van de Vreemdelingenwet slechts in het uiterste geval in bewaring gesteld. De overheid dient voortvarend aan de uitzetting te werken om de bewaringsduur zo kort mogelijk te laten zijn. De rechter toetst de rechtmatigheid van de bewaring en of voldoende voortgang wordt gemaakt. Dit laatste biedt waarborgen.

De minister is het niet eens met de opmerking van verschillende woordvoerders dat de Nederlandse regering weinig doet met de aanbevelingen van de ACVZ. Zij heeft een aantal aanbevelingen overgenomen. Een aantal andere aanbevelingen blijkt moeilijk uitvoerbaar. Zij noemt het punt van tracing van familieleden en de rol die het Rode Kruis hierbij speelt. Zij is van plan om binnenkort met het Rode Kruis te praten over de vraag waarom het Rode Kruis alleen wil bemiddelen als betrokkenen daar zelf om vragen. Het verbaast haar dat het Rode Kruis in verschillende landen een ander beleid voert. In Zweden wordt bijvoorbeeld wel informatie verstrekt aan de overheid. Zij zal de Kamer van de uitkomsten van dit overleg op de hoogte stellen.

Zij blijft van mening dat de ouders van illegale kinderen primair verantwoordelijk zijn voor hun kinderen. Dit is ook het geval ingevolge het VRK. De Staat functioneert altijd als achtervang. De Staat komt alleen in bepaalde gevallen in actie, bijvoorbeeld als het kind zich in een situatie bevindt waarin een kinderbeschermingsmaatregel geboden is.

Op dit moment bestaat nog steeds de mogelijkheid om op een ieder van wie objectief kan worden vastgesteld dat hij of zij niet kan terugkeren naar het land van herkomst het «buiten schuld» criterium toe te passen. Dit criterium wordt in de praktijk ook op deze manier toegepast. Hiervan moet een formele neerslag plaatsvinden. De vreemdelingencirculaire zal daarop binnenkort worden aangepast. Zij is van plan om in het debat over het terugkeerbeleid nader in te gaan op de praktijk van de toepassing en het aantal gevallen waarin dit criterium is gehanteerd.

De medisch-ethische toetsingscommissie inzake botonderzoek is inmiddels ingesteld. Mevrouw Dupuis is voorzitter. Verdere leden van de commissie zijn mevrouw Van Willegen, arts, professor Maat en mevrouw Lodders.

De maatregelen van de kinderbescherming maken geen onderscheid naar legaal of illegaal verblijf. De ouders kunnen uit de ouderlijke macht worden ontheven als sprake is van ernstige mishandeling of verwaarlozing van de kinderen of ernstige bedreiging van de kinderen in hun ontwikkeling. De kinderen komen dan onder voogdij en worden in dat geval vaak in een pleeggezin geplaatst, omdat zij niet meer thuis kunnen wonen. Dit is in de afgelopen jaren in een aantal gevallen voorgekomen. Wanneer een uithuisplaatsing betekent dat een kind niet meer kan terugkeren naar de ouders, kan dit leiden tot het verlenen van een verblijfstitel. Een kinderbeschermingsmaatregel op zich is geen grond voor toelating. De individuele omstandigheden van een bepaald geval kunnen er echter wel toe leiden dat het noodzakelijk is om een verblijfstitel te verlenen. De overheid zal bij mishandeling van de kinderen door de ouders via hulpverlening alles doen om de situatie in het belang van het kind te verbeteren. Mishandeling door de ouders is echter geen reden om de asielprocedure niet normaal te doorlopen.

Het zou het meest voor de hand liggen dat het opzetten van een databank over opvang, onderwijs en gezondheidszorg plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking. De Kamer zal binnenkort de nota «Ontwikkelingssamenwerking en migratie» ontvangen. De minister zal contact opnemen met haar collega voor Ontwikkelingssamenwerking over een dergelijke databank. Zij ziet zelf geen mogelijkheden om dit soort zaken te regelen in de landen van herkomst.

Zij heeft in een brief aan de Kamer al uiteengezet dat asielzoekers onder de twaalf jaar niet meer in de AC-procedure worden afgedaan. Zij stelt zich voor om vragen hierover in het overleg dat vanmiddag plaatsvindt, te bespreken.

Er wordt gewerkt aan projecten met betrekking tot de mogelijkheden van adequate opvang in de landen van herkomst. Het project in Mulemba in Angola wordt voortgezet. Er heeft in Congo een wisseling plaatsgevonden van de macht, waardoor het opgebouwde netwerk opnieuw opgezet moet worden. Het hoofd van de IND zal een missie naar Congo ondernemen om de mogelijkheden hiertoe te bezien. Daarna zal zo snel mogelijk getracht worden om ook in Congo adequate opvang te realiseren. Zij is zich zeer goed bewust van het feit dat opvanghuizen niet de oplossing vormen voor de AMA-problematiek. In de nota «Ontwikkelingssamenwerking en migratie» wordt ook een aantal andere voorstellen gedaan. Het weeshuis in Mulemba wordt weliswaar niet gebruikt als adequate opvang voor AMA's, maar het wordt wel gebruikt door kinderen in Angola. Dit betekent dat er nu niet meer kan worden tegengeworpen dat er geen adequate opvang is in Angola. De functie van het opvanghuis voor het vreemdelingenbeleid is dus dat AMA's naar Angola kunnen terugkeren. De kinderen worden bij terugkeer naar het land van herkomst gevolgd. Het blijkt dat de ouders de kinderen bij thuiskomst op het vliegveld opwachten en dat de kinderen goed terechtkomen. Kinderen worden vaak op de bonnefooi weggestuurd door de ouders met de boodschap te kijken of zij het elders kunnen redden. Als dat niet lukt, zijn ze thuis opnieuw welkom. De minister zal in de eerstvolgende rapportage «Vreemdelingenketen» over de terugkeer van AMA's rapporteren.

De minister zal haar uiterste best doen om als zij daar de financiële ruimte voor heeft, vanaf 1 januari over te gaan tot indexering van de bedragen die gezinnen met kinderen krijgen. Er wordt bij het instellen van de RVA een aantal normen aangehouden. Zij ziet geen reden om de normering van de RVA te veranderen. De normering is op zich voldoende, maar deze is om bepaalde redenen niet geïndexeerd.

De Kamer zal nog voor het zomerreces een brief over de BAMA-problematiek ontvangen. De kern van het voorstel zal zijn om het BAMA-beleid te beëindigen. Iedere alleenstaande minderjarige zal een gelijke behandeling krijgen. De minister komt daarmee tegemoet aan de aanbevelingen van de ACVZ.

Het is in principe mogelijk dat iemand een opleiding afmaakt waaraan hij of zij voor de leeftijd van 18 jaar is begonnen, maar dit maakt het verblijf gedurende de tijd van de opleiding niet rechtmatig. De mogelijkheid moet openblijven dat betrokkene in de periode van de opleiding het land moet verlaten. Zij ziet geen reden om een illegaal verblijf te laten voortduren omdat er een opleiding moet worden afgemaakt. Men kan niet van haar verlangen dat zij gaat bekijken welke jongeren in welke opleidingen zitten en dat zij het terugkeerbeleid daarop af gaat stemmen. Zij is bereid om in individuele gevallen en bijzondere omstandigheden deze mogelijkheid mee te nemen. Het gaat daarbij om het toepassen van een bijzondere bevoegdheid. De algemene regelgeving is helder. Ook de ACVZ adviseert om de mogelijkheid om de opleiding af te maken, af te schaffen.

Volgens de systematiek van de nieuwe Vreemdelingenwet genieten mensen na 28 dagen geen voorzieningen meer, ook niet wanneer zij serieus meewerken aan hun terugkeer. De minister is niet van plan om het oude meewerkcriterium opnieuw in ere te herstellen. Zij is nu bezig met de behandeling van de zaken van de 26 000 mensen die nog onder de oude vreemdelingenwet zijn binnengestroomd. Zij wil de systematiek van de nieuwe Vreemdelingenwet geheel in tact laten. Zij zal staatssecretaris Ross-van Dorp vragen in haar brief ook dit punt mee te nemen.

De minister zal in de discussie over het terugkeerbeleid een helder antwoord geven op de vraag of aan kinderen die zijn afgewezen in de AC-procedure en wachten op de uitspraak van de rechter over een voorlopige voorziening, in de korte periode ertussen opvang geboden kan worden.

De minister heeft in haar reactie op het advies van de ACVZ al het een en ander opgenomen over pleegkinderen. Wanneer er sprake is van kinderen die in een pleeggezin of vervangend tehuis zijn opgenomen vanwege verwaarlozing of mishandeling door de ouders, dan kan er aanleiding bestaan om aan deze kinderen verblijf toe te staan. De kinderen kunnen niet met hun ouders terugkeren, als het risico bestaat dat zij in het land van herkomst worden verwaarloosd of mishandeld en als er geen geschikte alternatieve opvang voorhanden is. De Nederlandse Staat heeft in dat geval een verantwoordelijkheid ten opzichte van het kind. De minister wil verder bezien of in gevallen waarin sprake is van ontheffing of ontzetting van de ouders uit de ouderlijke macht, verblijf moet worden toegestaan aan de kinderen. Zij zal bekijken op welke wijze en onder welke voorwaarden er voor genoemde gevallen een oplossing gevonden kan worden.

Het blokkaderecht is niet van toepassing indien het kind bij pleegouders verblijft in het kader van een ondertoezichtstelling of een voogdij. Hiervan zal in zijn algemeenheid in de meeste gevallen sprake zijn.

Een kind van twaalf jaar of ouder kan zelfstandig asiel of verblijf aanvragen. Een wettelijke voogd of een volwassen zaakwaarnemer kan dit doen voor een kind dat jonger is dan twaalf jaar. De pleegouder kan dit alleen doen, als het gezag naar de pleegouders is overgegaan.

Nadere gedachtewisseling

De heer De Vries (PvdA) is blij dat ook in ons land geboren kinderen van illegalen geregistreerd dienen te worden en dat zij in de GBA moeten worden opgenomen.

Kan de minister alsnog ingaan op de uitlatingen van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen de heer Lubbers over het Nederlandse beleid?

De minister heeft artikel 3 van het VRK aangehaald, waarin staat dat de belangen van het kind de eerste overweging zijn bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of private instellingen voor maatschappelijk welzijn, rechterlijke instanties of bestuurlijke autoriteiten. Hij is het niet eens met de wijze waarop de minister dit artikel interpreteert. Zij komt in de praktijk tot een nevenschikking van belangen. Het feit dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen, betekent dat zij als eerste in kaart gebracht moeten worden en als eerste zwaar gewogen moeten worden. Kan zij een nadere uitleg geven over de tegenstelling die zij maakt tussen het individuele belang van het kind en het belang van de Staat?

Hij zou van de heer Van Fessem graag het interview ontvangen met jongens uit Angola.

Mevrouw Vos (GroenLinks) is onthutst dat de minister geen reactie kan geven op de cruciale kritiek op het Nederlandse vreemdelingenbeleid van het Comité on the rights of the child en dat zij verwijst naar de brief van staatssecretaris Ross-van Dorp. Het vreemdelingenbeleid valt onder verantwoordelijkheid van de minister. Zij verwacht een bevredigend antwoord van de minister op de punten van kritiek. De ACVZ en DCI hebben eenzelfde kritiek op haar beleid gegeven als het Comité on the rights of the child.

De minister zegt dat zij volgende week in het debat over het terugkeerbeleid terug zal komen op de vraag om opvang te bieden aan kinderen als er een afwijzing is van de snelle AC-procedure. Waarom gaat zij niet in op de suggestie van de ACVZ om kinderen in dat geval niet op straat te zetten?

De heer Visser (VVD) is blij dat de minister bij het Rode Kruis erop gaat aandringen om Nederland niet anders te behandelen dan Zweden. Hij herhaalt zijn vraag over de UNHCR.

De heer Van Fessem (CDA) heeft geen antwoord gekregen op zijn vragen over the best interestomschrijving, de uitspraak van de Raad van State over de tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring van minderjarigen en de betekenis van de zin in de brief van de minister dat zij «voornemens is samen met de betrokken partijen het beleid in bovenstaande zin te verduidelijken».

Hij zal het bewuste interview aan de heer De Vries ter hand stellen.

Mevrouw Lambrechts (D66) vindt dat het debat over kinderen in het vreemdelingenbeleid twee pluspunten heeft opgeleverd: Er moet beter gemotiveerd worden hoe het met de positie van het kind gesteld is in de afweging van de asielprocedure en het mishandelen van kinderen is nooit toegestaan en zal uiteindelijk kunnen leiden tot een verblijfsvergunning.

Zij heeft het idee dat er met een klein beetje flexibiliteit ook op andere punten winst te behalen zou zijn. Een voorbeeld daarvan is de kwestie van de opleiding.

Zij is benieuwd naar de verantwoording die staatssecretaris Ross-van Dorp in Genève heeft afgelegd. Zij neemt aan dat er in het overleg over het terugkeerbeleid op een aantal punten zal worden teruggekomen.

De heer De Wit (SP) heeft geen antwoord gekregen op zijn vragen over de best interestomschrijving, de opvang in de periode tussen de afwijzing in de AC-procedure en de rechterlijke uitspraak over de voorlopige voorzieningen en de toezegging van de voorganger van de minister op dit punt en het recht op zorg en jeugdzorg.

In het BW is alleen voorzien in de normale situatie voor pleegouders en pleegkinderen. Geldt het blokkaderecht ook voor pleegouders die lange tijd asielkinderen in huis hebben?

De minister spreekt regelmatig met de heer Lubbers in zijn functie als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen. Daarbij wordt op een goede manier van gedachten gewisseld over diverse onderwerpen, zoals de pilots voor opvang in de regio. Zij luistert aandachtig maar wel kritisch naar de mening en de adviezen van de Hoge Commissaris voor Vluchtelingen over het Nederlandse beleid, maar zij is het niet met hem eens dat het beleid van het Nederlandse kabinet «hard en in zijn uitwerking hardvochtig» is. Het beleid van het kabinet is helder. Er zijn duidelijke spelregels afgesproken. Maar het beleid kan in het menselijke verkeer af en toe heel hard kan aankomen. Kabinet en parlement hebben de asielprocedure in Nederland samen afgesproken. Als het parlement vindt dat de wetgeving gewijzigd moet worden, dan hoort zij dit graag. Zij ziet daar op dit moment geen enkele noodzaak toe. Nederland heeft zijn stelsel opgebouwd binnen internationale verdragen en houdt zich daar ook aan. Ook de heer Lubbers weet dat heel goed.

In artikel 3 eerste lid van het Verdrag inzake de rechten van het kind staat: The best interest of the child shall be a primary consideration. Dat betekent dat de belangen van kinderen als eerste in de procedure zwaar gewogen worden. Daarna wordt dit belang afgezet tegen de andere belangen die er zijn.

Zij herhaalt dat AMA's die alleen zijn, na de AC-procedure altijd opvang krijgen. Dit geldt niet voor kinderen die met hun ouders zijn.

De minister zal in het volgende gesprek met de heer Lubbers de vraag aan de orde stellen of de UNHCR een rol kan spelen in het circuit van tracing.

De zin dat zij «voornemens is om samen met de betrokken partijen het beleid in bovenstaande zin te verduidelijken» betekent niet dat er problemen zijn met de Raad voor de kinderbescherming. Het is haar echter gebleken dat er in de uitvoering meer aandacht moet zijn voor dit soort zaken.

Er zal met de IND, de Raad voor de kinderbescherming en Jeugdzorg overleg gevoerd worden over het recht op jeugdzorg voor asielkinderen. Er blijkt meer informatie en voorlichting nodig te zijn over de AMvB die hierover bestaat.

De minister zal nagaan of het blokkaderecht ook geldt voor pleeggezinnen die asielkinderen opvangen. Zij zal de Kamer schriftelijk daarover informeren.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Coenen


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Klaas de Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Vos (GroenLinks), Rouvoet (ChristenUnie), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wilders (VVD), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), ondervoorzitter, Kant (SP), Wolfsen (PvdA), Azough (GroenLinks), Jan de Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Fessem (CDA), Straub (PvdA), Nawijn (LPF), Griffith (VVD), Van der Laan (D66), Visser (VVD) en Lazrak (Groep Lazrak).

Plv. leden: Van Hijum (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Vergeer (SP), Arib (PvdA), Karimi (GroenLinks), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Varela (LPF), Joldersma (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Van As (LPF), Örgü (VVD), Lambrechts (D66) en Rijpstra (VVD).

Naar boven