19 637
Vluchtelingenbeleid

27 557
Voorbereiding op en invoering van de Vreemdelingenwet 2000

nr. 599
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juli 2001

Door middel van deze brief doet ondergetekende u, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, de Rapportage Vreemdelingenketen over de maanden januari tot en met april 2001 toekomen. Hiermee wordt aangesloten bij de afspraak met de Tweede Kamer om deze rapportage één maal per vier maanden op te stellen.

In aanvulling hierop wil Uw Kamer in het kader van het Groot Project Voorbereiding op en invoering van de Nieuwe Vreemdelingenwet ook over een aantal in dit kader relevante ijkpunten te worden geïnformeerd. In deze rapportage wordt tevens over deze ijkpunten gerapporteerd. Omdat deze rapportage daarmee tevens veel informatie bevat over de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van reguliere aanvragen tot verblijf in ons land, wordt zij voor het eerst aangeduid als de Rapportage Vreemdelingenketen.

De Staatssecretaris van Justitie,

N. A. Kalsbeek

BIJLAGE 1 RAPPORTAGE VREEMDELINGENKETEN

PERIODE: JANUARI TOT EN MET APRIL 2001

INHOUDSOPGAVE

 Inleiding3
   
DEEL IINSTROOM EN STAND VAN ZAKEN BELEID3
   
1Ontwikkelingen in de instroom3
1.1De instroom in Nederland3
1.2De instroom in Europa4
   
2Stand van zaken genomen beleidsmaatregelen5
2.1AC-procedure en TNV5
2.2Overeenkomst van Dublin6
2.3Gemeenschappelijke kennisgroep (GKG)8
2.4Wijzigingen landenbeleid8
2.5Stand van zaken terugkeer10
2.6Behandelkantoren16
2.7Overdracht ROA en VVTV17
2.8Openstaande motie en toezeggingen17
   
DEEL IISTAND VAN ZAKEN IN DE VREEMDELINGENKETEN19
   
3Ministerie van Justitie19
3.1Immigratie- en Naturalisatiedienst19
3.2Centraal orgaan opvang asielzoekers27
3.3Vreemdelingenkamers28
3.4Gefinancierde rechtsbijstand asielzoekers31
   
4Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties32
4.1Huisvesting statushouders32
4.2Overgang nieuwe vreemdelingenwet-zorgwet VVTV33
4.3Bestuurlijk overleg over opvang asielzoekers en huisvesting statushouders34
   
5Ministerie van Buitenlandse Zaken35
5.1Algemene ambtsberichten35
5.2Onderzoek in individuele zaken35

Inleiding

In deze Rapportage Vreemdelingenketen wordt verslag gedaan van de stand van zaken binnen de vreemdelingenketen over de maanden januari tot en met april 2001. Hiermee wordt aangesloten bij de afspraak met de Tweede Kamer om deze rapportage één maal per vier maanden op te stellen, waarbij de rapportage over de laatste vier maanden, tevens de jaarrapportage vormt. In aanvulling hierop dient de Tweede Kamer in het kader van het Groot Project Voorbereiding op en invoering van de Nieuwe Vreemdelingenwet ook over een groot aantal in dit kader relevante ijkpunten te worden geïnformeerd. In deze rapportage wordt ook over deze ijkpunten gerapporteerd. Omdat deze rapportage daarmee tevens veel informatie bevat over de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van reguliere aanvragen tot verblijf in ons land, wordt zij voor het eerst aangeduid als de Rapportage Vreemdelingenketen.

In deel I van deze Rapportage Vreemdelingenketen wordt ingegaan op de ontwikkelingen in de instroom en de stand van zaken met betrekking tot diverse genomen beleidsmaatregelen. Allereerst krijgen de instroom in Nederland en die in Europa aandacht. Vervolgens wordt ingegaan op de AC-procedure, de bezetting van de TNV, de uitvoering van de Overeenkomst van Dublin en de activiteiten van de Gemeenschappelijke Kennisgroep (GKG). Ook wordt aandacht besteed aan de wijzigingen in het landenbeleid en komen de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het nieuwe terugkeerbeleid. Als laatste treft u in deel I van deze rapportage een paragraaf aan over de oprichting van behandelkantoren, de overdracht van de ROA en VVTV en een reactie van de Staatssecretaris van Justitie op een aantal nog openstaande toezeggingen/moties.

In deel II wordt u geïnformeerd over de stand van zaken bij de verschillende partners in de vreemdelingenketen. Het Ministerie van Justitie rapporteert over de stand van zaken bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, de Vreemdelingenkamers en de gefinancierde rechtsbijstand asielzoekers. Vervolgens gaat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in op de huisvesting van statushouders, de overgang van de Zorgwet VVTV naar de Nieuwe Vreemdelingenwet en het Bestuurlijk Overleg Rijk, VNG en IPO over de opvang van asielzoekers en de huisvesting van statushouders. Het ministerie van Buitenlandse Zaken sluit de rapportage af met bijdragen over de algemeneen de individuele ambtsberichten.

DEEL I INSTROOM EN STAND VAN ZAKEN BELEID

1 Ontwikkelingen in de instroom

1.1 De instroom in Nederland

In tabel 1 wordt de instroom van asielzoekers (het aantal in behandeling genomen asielaanvragen) weergegeven over de maanden januari tot en met april 2001. De instroom in deze periode wordt tevens vergeleken met de instroom in dezelfde periode vorig jaar.1 In totaal zijn er in de eerste 4 maandsperiode van 2001 12 369 asielaanvragen in behandeling genomen. Ten opzichte van dezelfde periode in 2000 (14 640 aanvragen) betekent dit een daling van 16% (2 271 aanvragen).

Een analyse van de instroom van de top-10 landen over 2001 laat zien dat de daling – in absolute aantallen gezien – het grootst is voor aanvragen uit de landen Somalië(-/- 451), Irak (-/- 392) en Afghanistan (-/-220). Het aantal aanvragen uit de landen Angola (+ 579), Sierra Leone (+ 235), Guinee (+ 156) en Bosnië-Herzegovina (+ 142) blijkt in de rapportageperiode het sterkst te zijn gestegen.

Het aandeel van de grootste tien landen blijft constant op 59% van de totale instroom.

Tabel 1: Aantal in behandeling genomen asielaanvragen januari tot en met april 2001 en zelfde periode 2000

NationaliteitJanuariFebruariMaartApriljan-apr 2001jan-apr 2000
Afghanistan3422493512631 2051 425
Angola3501953512911 187608
Sierra Leone207203216216842607
Iran310172123124729733
Bosnië-Herz.21119113988629487
Irak214138171976201 012
Turkije174154152131611705
Guinee161140139157597441
Somalië1358310398419870
Russische Federatie124999393409373
Overig1 4691 1811 2481 2235 1217 379
Totaal3 6972 8053 0862 78112 36914 640

De instroom van Alleenstaande Minderjarige Asielzoekers (ama's) is nog steeds hoog. Vroegen in 1996 nog 1 562 ama's in Nederland asiel aan, in 1997 waren dat er al 2 660, in 1998 3 504, in 1999 5 547 en in 2000 6 705 (zijnde 15% van het totaal aantal asielzoekers). Dit cijfer van 6 705 wijkt af van het eerder gemelde cijfer over het jaar 2000 (6 681) als gevolg van een administratieve correctie.

In de eerste vier maanden van 2001 werden er in totaal 2 086 asielaanvragen van ama's geregistreerd. Dat is bijna 17% van de totale instroom in de rapportageperiode. De belangrijkste landen van herkomst van ama's in de eerste vier maanden van 2001 zijn: Angola (549), gevolgd door Sierra Leone (274), Guinee (254) en China (194).

1.2 De instroom in Europa

In tabel 2 wordt de instroom van asielzoekers (aantal in behandeling genomen asielaanvragen) per land weergegeven over de eerste drie maanden van 2001 (de cijfers over april zijn op het moment van opstellen van deze rapportage nog niet beschikbaar) en die over dezelfde periode in 2000. Ook wordt aangegeven wat de (procentuele verandering) in 2001 is ten opzichte van dezelfde periode in 2000.

In de maanden januari tot en met maart zijn circa 95 000 asielaanvragen ingediend in de genoemde landen, een stijging van ruim 6 000 (7%) ten opzichte van dezelfde periode in 2000. Met name het Verenigd Koninkrijk (+ 3 805), Oostenrijk (+ 3 710) en Duitsland (+ 2 115) hadden in deze maanden te maken met een sterke stijging. Opgemerkt dient te worden dat het Verenigd Koninkrijk vanaf augustus 2000 een andere definitie van instroom is gaan hanteren. Net als de meeste andere landen telt het Verenigd Koninkrijk nu ook gezinsleden mee bij het bepalen van de omvang van de instroom.

Het Verenigd Koninkrijk kent nu de grootste instroom met een procentuele stijging van 20%. Duitsland staat nu op de tweede plaats met een stijging van 11%. Frankrijk heeft de derde plaats van Nederland overgenomen, ondanks een daling van 6%. Nederland staat nu op de vierde plaats met een daling van 17%.

Oostenrijk had de eerste 3 maanden van dit jaar te maken met de sterkste procentuele stijging (98%) van de instroom van asielzoekers.

Tabel 2: Europese vergelijking asielaanvragen (bron: Inter-Governmental Consultations (IGC))

 Januari 2001Februari 2001Maart 2001Totaal jan-mrt'01 Totaal jan-mrt'00 Mutatie Mutatie in %
Verenigd Koninkrijk8 1767 0767 45422 70618 9013 80520%
Duitsland **7 5836 2207 25121 05418 9392 11511%
Frankrijk*2 9923 7443 2379 97310 653680– 6%
Nederland3 6972 8053 0869 58811 5361 948– 17%
Oostenrijk1 8742 4023 2127 4883 7783 71098%
België*3 2371 7331 7856 7557 8101 055– 14%
Zwitserland1 6931 4641 3404 4974 3061914%
Zweden1 7311 2951 3074 3332 9971 33645%
Denemarken1 1068428672 8153 130– 315– 10%
Spanje8338107452 3881 89749126%
Ierland8407067632 3092 812– 503– 18%
Noorwegen4584785201 4561 736– 280– 16%
Finland1211031563801 016– 636– 63%
Totaal34 34129 67831 72395 74289 5116 2317%

* Exclusief niet-alleenstaande minderjarige asielzoekers

** Gezinsleden worden alleen meegerekend indien de asielaanvraag afzonderlijk wordt ingediend

In een grafiek ziet de instroom in Europa over de eerste 3 maanden van 2001 er in vergelijking met die van 2000 als volgt uit:

Grafiek 1: Europese vergelijking (bron: IGC)kst-19637-599-1.gif

2. Stand van zaken genomen beleidsmaatregelen

2.1 AC-procedure en TNV

In onderstaande tabel staat het aantal vreemdelingen vermeld dat in de afgelopen periode een asielaanvraag heeft ingediend en daartoe een afspraak heeft gemaakt bij een Aanmeldcentrum. Dit betreft de nationaal gehanteerde definitie van instroom, zoals vermeld in de brief van 20 januari 1999 aan uw Kamer1. Ook wordt de omvang van de AC-wachtlijst in de rapportageperiode weergegeven en de bezetting van de TNV.

Tabel 3: AC-afspraken, AC-wachtlijst en TNV-bezetting in de eerste vier maanden van 2001

 Gemaakte AC-afspraken AC wachtlijst Bezetting TNV Percentage bezetting TNV
Januari3 4661 08787580%
Februari2 5971 10588480%
Maart3 0491 2661 05283%
April2 3511 17162053%

Uit bovenstaande tabel blijkt dat het aantal gemaakte afspraken conform het seizoenspatroon is gedaald. De wachtlijst schommelt rond de 1100 personen. Een wachtlijst van dergelijke omvang is noodzakelijk om de instroom in de AC's zo optimaal mogelijk te kunnen plannen. Het bezettingspercentage van de wachtlijst is gedaald tot het niveau van circa 50% in april. In dezelfde maand van vorig jaar was er sprake van een zelfde bezettingspercentage.

In de eerste 4 maanden van 2001 bedroeg het afdoeningspercentage in de Aanmeldcentra bijna 20%. Dit betekent een stijging ten opzichte van het gemiddeld afdoeningspercentage in het jaar 2000 (was 16%) en ook een stijging ten opzichte van het afdoeningspercentage in de laatste maanden van 2000, toen een percentage van 17% werd gerealiseerd. Het streefpercentage voor AC-afdoeningen is 17% voor het gehele jaar 2001.

Leeftijdsonderzoek in de AC-procedure

Een asielzoeker ten aanzien van wie twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd (minderjarigheid) en deze twijfel niet heeft kunnen wegnemen door het overleggen van documenten of middels verklaringen tijdens het eerste gehoor, kan verzoeken om een leeftijdsonderzoek om de gestelde leeftijd alsnog aannemelijk te maken. Wanneer nog binnen de AC-procedure blijkt dat de betrokkene meerderjarig is, begint de AC-procedure opnieuw en wordt zo mogelijk binnen het AC een beslissing gegeven.

Tussen 1 januari 2001 en 30 april 2001 is in 697 gevallen een leeftijdsonderzoek opgestart in de AC-procedure. In 267 van de gevallen (38%) bleek nog tijdens de AC-procedure dat sprake was van meerderjarigheid. In 422 van de gevallen (60%) was sprake van minderjarigheid. In de overige gevallen (1%) kon niet binnen de AC-procedure uitsluitsel worden gegeven over de opgegeven leeftijd.

2.2 Overeenkomst van Dublin

In tabel 4 wordt het totaal aantal claims weergegeven dat in de eerste vier maanden van 2001 door Nederland is ingediend bij landen die deelnemen aan de Overeenkomst van Dublin. Peildatum voor het overzicht is de situatie per 30 april 2001.

Vergeleken met de eerste vier maanden van 2000 (1 288) is er sprake van een daling in het aantal gelegde claims gedurende dezelfde periode van 2001 (913 claims). Bijna 70% van de afgehandelde claims is gehonoreerd. Het totaal aantal openstaande verzoeken van voor 1 januari 2001 bedroeg 109 zaken.

Van de groep van asielzoekers ten aanzien van wie in de afgelopen periode een claim is ingediend verblijven aan het einde van de rapportageperiode nog circa 400 personen in de opvang1. Het gaat hierbij zowel om humanitaire noodsituaties als ook om claims die pas nà de AC-fase konden worden gelegd. Dit betreft openstaande claims en ook claims die reeds akkoord zijn bevonden, maar waarbij nog geen feitelijke overdracht aan het betrokken Dublinland heeft plaatsgevonden.

Tabel 4: Stand van zaken Dublinclaims januari-april 2001

ClaimlandTotaal ingediend jan.-april 2001Waarvan
OpenstaandGeweigerdVervallen/IngetrokkenAkkoord
Oostenrijk2741022
België118322678
Duitsland539444920426
Denemarken3  12
Spanje115 06
Frankrijk8993374
Engeland41201
Griekenland2017 12
Italië652911520
Portugal35132020
Zweden1 100
Finland1  01
Eindtotaal9131547136652

Besluit 1/2000: bijeenhouden en -brengen gezinsleden bij gescheiden verantwoordelijkheid

Op 5 maart 2001 is TBV 2001/04 gepubliceerd. Dit TBV geeft een invulling voor de Nederlandse uitvoeringspraktijk van Besluit 1/2000 van het Comité van artikel 18 van de Overeenkomst van Dublin en ziet op de overdracht van de verantwoordelijkheid ten aanzien van gezinsleden uit hoofde van artikel 3, lid 4 en artikel 9 van de Overeenkomst van Dublin (OvD). Nederland is hiermee het eerste land dat Besluit 1/2000 heeft omgezet in (lagere) regelgeving. Inmiddels is dit TBV verwerkt in de Vreemdelingencirculaire, behorende bij de Vreemdelingenwet 2000.

De definitie van gezinsleden die in het kader van Besluit 1/2000 wordt gehanteerd, is ruimer dan tot dusverre werd gehanteerd. De definitie «gezinsleden» is uitgebreid met naaste familieleden van een asielzoeker, voor zover zij feitelijk behoren tot het gezin van de asielzoeker.

In geval sprake is van omstandigheden die zijn aan te merken als «humanitair» (minderjarigen die anders onbegeleid achter zouden blijven, zwangerschap, geboorte van een kind, ernstige ziekte, zware handicap of hoge leeftijd) worden de gezinsleden in beginsel herenigd of bij elkaar gehouden.

Criteria die bepalend zijn bij de vraag of de gezinsleden herenigd dienen te worden, zijn: of er sprake was van een feitelijke gezinsband in het land van herkomst en de oorzaken van de scheiding van het gezin.

Ook wanneer geen sprake is van humanitaire omstandigheden kan onder omstandigheden alsnog toepassing worden gegeven aan artikel 3, vierde lid OvD om de gezinsleden bijeen te houden of te brengen. Naast voornoemde factoren wordt daarbij tevens rekening gehouden met de status van de asielprocedures in de verschillende lidstaten. In TBV 2001/04 is neergelegd dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 3, vierde lid OvD (of artikel 9 OvD) wanneer door Nederland een afwijzende beschikking is genomen.

De Dublinlanden bepalen in onderlinge overeenstemming welk land de verantwoordelijkheid van de behandeling van de asielaanvraag van de gezinsleden op zich neemt. Voor zover is bepaald dat de gezinsleden bijeengehouden moeten worden, hanteert Nederland het principe dat het de verantwoordelijkheid op zich neemt van de overige gezinsleden indien Nederland al verantwoordelijk is voor de meerderheid van de gezinsleden.

Toepassing Overeenkomst van Dublin op Ama's

Het claimen van ama's op grond van de Overeenkomst van Dublin wordt uitgevoerd sinds de publicatie van TBV 2000/30 met betrekking tot ama's. Tot op heden zijn een tiental ama's geclaimd. De geclaimde ama's genieten opvang tot aan de overdracht aan het betreffende Dublinland.

Daarnaast heeft zich een aantal keer de situatie voorgedaan dat asielzoekers in Nederland een asielaanvraag hadden ingediend en daarbij opgaven minderjarig te zijn, nadat zij reeds een asielprocedure in een ander Dublinland hadden opgestart alwaar een meerderjarige leeftijd was opgegeven. Op grond van deze informatie konden zij worden geclaimd bij het andere Dublinland en werd tevens uitgegaan van de eerder opgegeven leeftijd. Zij worden derhalve niet als ama aangemerkt.

2.3 Gemeenschappelijke Kennisgroep (GKG)

De Landendesk heeft, als onderdeel van de Gemeenschappelijke Kennisgroep van de IND, als primaire taak het verzamelen en ter beschikking stellen van landeninformatie ten behoeve van de hoor- en beslismedewerkers van de IND. Behalve de hoor- en beslismedewerkers die werkzaam zijn in de regionale directies van de IND wordt tevens het hoofdkantoor van de IND, waaronder de afdeling Procesvertegenwoordiging, bediend. Ook het kantoor Landsadvocaat ontvangt landeninformatie van de Landendesk.

De IND-Landendesk richt zich in beginsel op de 20 landen van herkomst waar de meeste asielzoekers vandaan komen. Niettemin worden in de praktijk vragen over ongeveer 50 landen beantwoord. Het aantal vragen dat door de IND-medewerkers aan de Landendesk wordt gesteld, stijgt. De landenspecialisten die werkzaam zijn bij de Landendesk kunnen in veel gevallen deze vragen zelf beantwoorden door raadpleging van openbare bronnen, zoals literatuur en rapporten van VN-organisaties en internationale non-gouvernementele organisaties. Voor de beantwoording van land-specifieke vragen worden soms ook externe deskundigen geraadpleegd, zoals onderzoekers werkzaam bij universiteiten. Indien het niet mogelijk blijkt een vraag op deze wijze te beantwoorden, wordt het ministerie van Buitenlandse Zaken verzocht hier een onderzoek naar te doen.

In januari, februari en maart hebben de medewerkers van Landendesk 444 individuele zaken behandeld (in één zaak worden meestal verscheidene vragen gesteld). De gemiddelde doorlooptijd van de beantwoording van de vragen bedroeg in de afgelopen periode 20 dagen.

2.4 Wijzigingen landenbeleid

Er hebben zich in de rapportageperiode de volgende wijzigingen voorgedaan in het landenbeleid.

Iran

Eind 2000 is de motie Rouvoet/Van Der Staaij inzake Iraanse bekeerlingen door de Tweede Kamer aangenomen. Uit recente jurisprudentie blijkt dat de rechtelijke macht de motie verschillend interpreteert. De omstreden vraag is of de motie al dan niet een extra belemmering impliceert voor de terugkeer van uitgeprocedeerde Iraanse bekeerlingen.

Het standpunt van de Staatssecretaris van Justitie is als volgt. Er wordt voor Iraanse bekeerlingen geen uitzondering op het terugkeerbeleid gemaakt in de vorm van een individuele terugkeertoets voor deze categorie. De vraag of uitgeprocedeerde Iraanse bekeerlingen naar Iran kunnen terugkeren wordt beantwoord op basis van de informatie in de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken. Uit de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat Iraanse bekeerlingen niet anders dan andere niet-moslims worden behandeld en dat terugkeer van bekeerlingen mogelijk is, zolang er geen sprake is van actieve uitdraging van hun geloof in het openbaar (dit betreft dan met name bekeringsactiviteiten).

Angola

Voor Angolezen geldt sinds augustus 1998 uitstel van vertrek. Met inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 wordt geen nieuw uitstel van vertrek meer verleend. In zaken, waarin voor 1 april 2001 uitstel van vertrek is verleend, wordt dit pas ingetrokken op het moment dat de Staatssecretaris van Justitie haar beleidsstandpunt met Uw Kamer heeft besproken.

Rwanda

De Staatssecretaris van Justitie heeft op 22 februari 2001 de Voorzitter van de Tweede Kamer een brief gestuurd, waarin een beleidswijziging inzake Rwanda kenbaar wordt gemaakt, in die zin dat Rwandezen niet langer in aanmerking komen voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf. De Tweede Kamer is op 21 maart 2001 akkoord gegaan met deze beleidswijziging. Uitgeprocedeerde Rwandeze asielzoekers komen derhalve in aanmerking voor verwijdering. Een werkinstructie is verschenen. De aan Rwandezen verleende vvtv's zijn inmiddels ingetrokken.

Sierra Leone

Voor Sierra Leone geldt sinds juni 2000 uitstel van vertrek. Met inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 wordt geen nieuw uitstel van vertrek meer verleend. Op basis van de huidige situatie in Sierra Leone komt de Staatssecretaris van Justitie tot de conclusie dat een beleid van categoriale bescherming in de zin van artikel 29, eerste lid onder d Vreemdelingenwet 2000 geïndiceerd is. Dit beleid zal pas worden uitgevoerd nadat de Staatssecretaris haar beleidsstandpunt met Uw Kamer heeft besproken.

Somalië

Naar aanleiding van individuele ambtsberichten over Ashraf, Madhiban en Bajuni, is besloten om op aanvragen van (bepaalde) Ashraf, Madhiban en Bajuni niet te beslissen, in afwachting van nadere informatie in een binnenkort uit te brengen ambtsbericht. Overigens heeft de Meervoudige Kamer te Zwolle op 19 april 2001 geoordeeld dat de beleidswijziging van 3 april 2000 om de Reer Hamar niet langer in aanmerking te laten komen voor een vvtv niet onredelijk is geweest.

Sri Lanka

Op 7 februari 2001 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht uitgebracht over het risico op arrestatie van Tamils die een litteken hebben. Als gevolg van de jurisprudentie op dit ambtsbericht is 13 februari jl. besloten om in afwachting van nadere berichtgeving van Buitenlandse zaken de AC-afdoening tijdelijk stop te zetten. Deze berichtgeving wordt op korte termijn verwacht.

Tsjetsjenië

Voor asielzoekers afkomstig uit de Russische Federatie, deelrepubliek Tsjetsjenië, die niet in het bezit zijn van een (tijdelijke) propiska (woonvergunning) voor elders in de Russische Federatie, geldt sinds 3 april 2000 uitstel van vertrek. Met inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 wordt geen nieuw uitstel van vertrek meer verleend. In zaken, waarin voor 1 april 2001 uitstel van vertrek is verleend, wordt pas ingetrokken nadat de Staatssecretaris van Justitie haar beleidsstandpunt met Uw Kamer heeft besproken.

Uitstel van vertrek

In maart is een werkinstructie verschenen waarin de geldende werkafspraken, met betrekking tot de wijze waarop uitstel van vertrek moet worden verleend en met name opgeheven, zijn vastgelegd. Vanaf de ingangsdatum van de Vreemdelingenwet 2000 wordt overigens geen categoriaal uitstel van vertrek meer verleend in zaken waarop nieuw recht van toepassing is.

2.5 Stand van zaken terugkeer

In deze paragraaf wordt melding gemaakt van de stand van zaken met betrekking tot de terugkeer. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de volgende onderwerpen:

– gevolgen van Nieuwe Vreemdelingenwet

– verbetering van de informatievoorziening

– vertrekresultaten

– oude Stappenplan

– Stappenplan 2000

– resultaten van de Internationale Organisatie voor Migratie

– Doelgroepenprogramma's

Gevolgen vreemdelingenwet 2000

Met de inwerkingtreding van de VW2000 per 1 april 2001 is de meeromvattende beschikking geïntroduceerd. Afwijzing van de asielaanvraag leidt van rechtswege tot beëindiging van de opvang, een titel tot uitzetting en een titel tot uit huis zetting. Dit geldt – conform het overgangsrecht – tevens voor aanvragen ingediend onder de oude wet waarbij na een negatieve beslissing in bezwaar geen beroep is aangetekend. Dit heeft tot gevolg dat er geen nieuw Stappenplan voor de beëindiging van de voorzieningen van genoemde categorieën nodig is. Wel zijn er nieuwe procesbeschrijvingen opgesteld, die op dit moment in concept gereed zijn. Ook zijn er (in concept) wijzigingen aangebracht in de drie bestaande Stappenplannen die van toepassing blijven op bepaalde categorieën. Naar verwachting zal publicatie van deze gewijzigde Stappenplannen op korte termijn plaatsvinden.

Het ministerie van BZK heeft op 8 maart 2001 een tussentijdse circulaire aan de gemeenten gezonden waarin zij aangeeft wat de gevolgen van de VW2000 zijn ten aanzien van vreemdelingen die tot 1 april 2001 onder de Zorgwet VVTV vielen en de activiteiten die in dit kader van de gemeenten worden verwacht. Deze circulaire heeft te maken met het feit dat de Invoeringswet van de VW2000 tot gevolg heeft dat ten aanzien van degenen wiens VVTV vóór of op de datum van 1 april 2001 is ingetrokken dan wel niet meer is verlengd – en die voorzieningen ontvangen op basis van de Zorgwet VVTV – van rechtswege na 4 weken de Zorgwet VVTV voorzieningen eindigen. Het gaat hier om enige honderdtallen mensen. In de afgelopen maanden is er gewerkt aan het verkrijgen van een beter zicht op degenen die dit betreft. In vervolg hierop zal de IND de betreffende gemeenten benaderen en hen nadere informatie en facilitering aanbieden bij het beëindigen van de voorzieningen.

De inwerkingtreding VW2000 maakte ook wijzigingen van de RVA en de ROA noodzakelijk. Deze zijn op 29 maart 2001 gepubliceerd in de Staatscourant.

Verbeteren van de informatievoorziening

Tussen de IND-regio's en het gemeenschappelijk centrum procesvertegenwoordiging van de IND zijn nadere afspraken gemaakt met als doel een versnelling in de verwerking van rechterlijke uitspraken te realiseren. Bij de Nederlandse orde van advocaten is op 14 februari 2001 per brief aangedrongen op tijdige informatie door raadslieden aan hun cliënten over negatieve beslissingen. Dit moet voorkomen dat uitvoerende diensten, met name het COA, tijdens terugkeergesprekken worden geconfronteerd met vreemdelingen die nog niet op de hoogte zijn van de betreffende beslissing en de rechtsgevolgen hiervan. De medewerkers van het COA worden hierdoor in de positie gebracht de vreemdeling op de hoogte te moeten stellen van de consequenties en eventuele beroepsmogelijkheden van deze beschikking, terwijl zij hiervoor niet de geëigende functionarissen zijn.

Er wordt momenteel een «Model Verwijderbaren» ontwikkeld, bestaande uit een verklarend model en een simulatiemodel. In het verklarend model worden de fasen in procedures, die asielzoekers doorlopen, weergegeven. In het simulatiemodel wordt, gerelateerd aan de instroom, een berekening gemaakt van het aantal verwijderbaren. Door middel van dit model zal een betere prognose kunnen worden gegeven van het aantal verwijderbare vreemdelingen.

Ook de samenwerking tussen IND, COA en Politie, de uitwisseling van gegevens tussen deze ketenpartners en de aansturing van het terugkeerproces wordt hiervoor geanalyseerd.

Het is de bedoeling dat er een duurzame, geautomatiseerde gegevensuitwisseling en -registratie tot stand komt die ondersteuning en sturing van de terugkeerwerkzaamheden verbetert. In april 2001 is dit verbeterproces in gang gezet.

De afgelopen maanden is nagedacht over het verbeteren van de voorlichting, zowel in- als extern, door gebruikmaking van een internetsite (terugkeernet). Thans worden de mogelijkheden daartoe door het COA en de IND verkend.

Vertrekresultaten

In grafiek 2 wordt het totaal van de vertrekresultaten weergegeven, uitgesplitst naar de wijze van vertrek. Dit totale aantal is in deze periode nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van de vorige periodes. Het totaal van vertrekresultaten asiel schommelt de afgelopen periode rond een totaal van 5500 per vier maanden.

Grafiek 2: Vertrek asiel totaal naar soortkst-19637-599-2.gif

Oude Stappenplan

In grafiek 3 is zichtbaar gemaakt dat in toenemende mate oude Stappenplannen zijn opgestart door IND. Dit is in overeenstemming met de gevraagde extra inspanningen voor deze categorie, na aanvankelijk prioriteit te hebben gegeven aan de introductie van het Stappenplan 2000. In de laatste periode heeft de IND 221 procedures volgens het oude Stappenplan opgevoerd.

Grafiek 3: Totaal opgevoerde Stappenplannen oudkst-19637-599-3.gif

De in grafiek 3 weergegeven cijfers geven geen inzicht in de resultaten. Niet in alle gevallen leidt het in werking zetten van het stappenplan ook tot daadwerkelijk vertrek. Stappenplannen worden regelmatig vroegtijdig gestopt, bijvoorbeeld omdat betrokkenen alsnog zelfstandig vertrekken of omdat er sprake is van humanitaire omstandigheden die beëindiging van opvangvoorzieningen niet toelaten.

Stappenplan 2000

Blijkens de gegevens uit het «Voortgangssysteem Stappenplan 2000» zijn er per 1 mei 2001 32 633 asielzoekers, verblijvend in de centrale opvang, opgenomen in de procedures van het Stappenplan 2000. In grafiek 4 is dit aantal onderverdeeld naar het soort negatieve beslissing.

Grafiek 4 : Aantal asielzoekers opgenomen in Stappenplan 2000kst-19637-599-4.gif

Het grootste deel van de doelgroep is opgenomen naar aanleiding van een negatieve beschikking in eerste aanleg. Met nagenoeg al deze personen is door COA-medewerkers een terugkeergesprek gevoerd. Vanaf 1 april 2001 is er geen nieuwe instroom voor Stappenplan 2000 zaken meer. Alle beschikkingen in eerste aanleg en bezwaar zijn vanaf dat moment meeromvattend en vallen onder de VW2000. Alleen in de opvang verblijvende vreemdelingen die voor 1 april 2001 een negatieve beschikking in bezwaar hebben gekregen, blijven onder de werking van Stappenplan 2000 vallen.

Er is een duidelijke stijging waarneembaar van het aantal zaken dat in het kader van Stappenplan 2000 wordt afgerond. Sedert de inwerkingtreding van Stappenplan 2000 zijn er inmiddels 80 ontruimingsprocedures gevoerd, waarvan 74 in de eerste vier maanden van 2001. In 78 zaken is inmiddels een ontruimingsbevel verkregen. In 2 zaken is geen ontruimingsbevel verkregen, omdat de rechtbank van oordeel was dat in deze gevallen Stappenplan 2000 niet toepasbaar was. Per 1 mei 2001 waren 42 zaken bij de rechtbank geagendeerd en waren er 53 zaken in voorbereiding bij de Landsadvocaat.

Bij de tot nu toe uitgevoerde ontruimingen was in het algemeen sprake van een goede afstemming en samenwerking met het lokale bestuur.

Er werden in totaliteit 67 ZZA-arrangementen beëindigd in het kader van de beëindiging opvangvoorzieningen.

Resultaten internationale organisatie voor migratie (iom)

In grafiek 5 wordt het aantal door de IOM gevoerde gesprekken in de rapportageperiode weergegeven.

Grafiek 5: door de IOM gevoerde gesprekken met cliëntenkst-19637-599-5.gif

De afname in het aantal gesprekken wordt veroorzaakt door het feit dat de IOM beduidend minder gesprekken met asielzoekers en anderen hoeft te voeren, waarin zij algemene informatie verstrekt over de ondersteuning die zij bij terugkeer kan bieden. Inmiddels blijkt men hierover in brede kring goed te zijn geïnformeerd en zijn ook asielzoekers hiervan vroegtijdig (in de procedure) op de hoogte gebracht. Dat betekent dan ook dat in door de IOM gevoerde gesprekken het accent inmiddels is verschoven van algemene informatieverstrekking naar meer op de persoonlijke situatie van de betrokken asielzoeker gerichte informatievoorziening over de mogelijkheden tot terugkeer naar het land van herkomst.

In de volgende grafiek wordt vermeld hoeveel personen er met gebruikmaking van IOM-faciliteiten naar hun land van herkomst zijn teruggekeerd.

Grafiek 6: Vertrek uit Nederland met gebruikmaking van IOM-faciliteitenkst-19637-599-6.gif

Ten opzichte van dezelfde periode in 2000 valt er een daling van het aantal terugkeerders via het IOM met 40% te constateren. Voor deze daling zijn een drietal redenen aan te voeren. Ten eerste is het aantal vrijwillig terugkerende Kosovaren fors afgenomen. Veel evacués zijn reeds in 1999 en 2000 teruggekeerd. Ten tweede is het RCA-programma (Return and Councelling Assistance) voor terugkeer van asielzoekers naar Tsjechië, Slowakije en Roemenië per 1 januari 2001 stopgezet in afwachting van een beslissing op een door de IOM bij het Europees Vluchtelingen Fonds (EVF) ingediende subsidieverzoek. De derde reden is dat doormigratie vanuit Nederland door Bosniërs en Iraniërs naar de Verenigde Staten vanaf 1 februari 2001 niet meer mogelijk is. Bovenstaande ontwikkelingen hebben zowel gevolgen voor het aantal door de IOM gevoerde gesprekken als voor het feitelijk aantal vertrokken personen.

Doelgroepenprogramma's

Tenslotte wordt voor wat betreft de Terugkeer ingegaan op de stand van zaken met betrekking tot 2 specifieke doelgroepenprogramma's.

Etnische Albanezen uit Kosovo

In de eerste 4 maanden van 2001 zijn 41 (95 in laatste vier maanden 2000) etnisch Albanezen via de IOM naar Kosovo teruggekeerd. Hiervan waren er 8 evacués, de overigen waren reguliere asielzoekers. Daarnaast zijn er in dezelfde periode 28 (21 in laatste vier maanden 2000) etnisch Albanezen, illegaal in Nederland verblijvend, naar Kosovo uitgezet. Overigens zijn er 6 (2 in laatste vier maanden 2000) etnisch Albanezen, allen evacué, met onbekende bestemming vertrokken.

Het vrijwillige vertrek via IOM is in vergelijking met de laatste vier maanden van 2000 afgenomen. De verwachting is dat dit aantal in de komende maanden zal toenemen, aangezien de ervaring leert dat deze aantallen in de wintermaanden beduidend lager zijn.

Van de oorspronkelijke groep van 4000 evacués uit Kosovo verblijven nu nog circa 1000 personen in Nederland. Deze groep is grotendeels nog in procedure. In de afgelopen maanden is besloten om de nog openstaande bezwaarprocedures van nog in Nederland verblijvende evacués versneld te gaan af doen. Hierdoor zal ook het aantal «nieuw verwijderbaren» van deze categorie snel toenemen.

Terugkeer naar Noord-Irak

Uit de cijfers van de IND over de eerste 4 maanden van 2001 is gebleken dat er 441 (388 in laatste vier maanden 2000) Irakezen met onbekende bestemming zijn vertrokken. In het systeem zijn daarnaast 13 (12 in laatste vier maanden 2000) uitzettingen opgevoerd. Aangezien er niet gedwongen wordt verwijderd naar Irak, betreffen dit uitzettingen naar derde landen. Ook zijn 23 (39 in de voorgaande viermaandsperiode) vreemdelingen onder toezicht vertrokken, waarvan er 4 (9 in laatste vier maanden 2000) via de IOM naar Irak zijn teruggekeerd.

Ondanks de extra inspanningen die ten aanzien van deze doelgroep zijn verricht, blijft de animo om via de IOM vrijwillig terug te keren achter bij de verwachtingen. Wel is een stijging zichtbaar in het aantal Irakezen dat met onbekende bestemming vertrekt in vergelijking met de laatste maanden van 2000.

Naar aanleiding van een ambtelijke missie aan Turkije in maart van dit jaar is besloten om de inspanningen t.a.v. (zelfstandige) terugkeer naar Noord-Irak te intensiveren. Als extra stimulans is een zogeheten REAN-plus-bijdrage met ingang van 1 april 2001 van kracht geworden. Deze bijdrage vormt een extra financiële facilitering, naast de bestaande REAN-herintegratiebijdrage.

2.6 Behandelkantoren

De Staatssecretaris van Justitie heeft onlangs besloten definitief over te gaan tot invoering van het concept en de werkwijze van de behandelkantoren. Doel van de introductie van de behandelkantoren vormt het realiseren van een meer efficiënte (en daarmee snellere) behandeling van asielaanvragen via een gezamenlijke planning en coördinatie door ketenpartners op één lokatie. De meeste ketenpartners reizen niet meer – zoals nu – af naar de asielzoeker, maar de asielzoekers gaan in de nieuwe situatie naar het behandelkantoor waar de ketenpartners zijn gehuisvest.

Voor de opzet en werkwijze van de behandelkantoren gelden de volgende uitgangspunten:

1. De volgende werkprocessen worden in het behandelkantoor uitgevoerd:

– de gezamenlijke planning en coördinatie van te behandelen aanvragen

– de informatieverstrekking aan – en het overleg met ketenpartners

– het uitvoeren van het asiel-gehoor

– de activiteiten van de ambtelijke commissie in bezwaarzaken

– het overdragen van dossiers aan regionale terugkeerteams

2. Er wordt uitgegaan van oprichting van een vijftal behandelkantoren (de vijf regiokantoren van de IND). Alle ketenpartners zullen in het behandelkantoor over de (in redelijkheid) benodigde ruimten kunnen beschikken. Uitgangspunt voor de nieuwe behandelkantoren is dat asielzoekers zoveel als mogelijk in die regio verblijven, waar hun aanvraag in behandeling is en dat er dus beperkt sprake is van specialisatie per regiokantoor. Alleen de IND-regio Midden, die doelgroepgericht blijft werken, vormt hierop een uitzondering.

3. In de uitvoeringspraktijk zijn de betrokken ketenpartners overtuigd van de voordelen van het werken volgens het concept van de behandelkantoren. Als gevolg hiervan zijn in bijna alle regio's een groot aantal meer of minder vergaande initiatieven om volgens dit concept te gaan werken. Hierdoor bestaan er onvermijdelijk tempoverschillen tussen regio's bij de invoering van dit concept. Het streven is er op gericht dat uiterlijk eind 2002 alle regio's een behandelkantoor kennen en volgens dit concept functioneren.

4. De reisafstanden tussen opvangcentra en behandelkantoren maken het noodzakelijk faciliteiten te treffen voor het vervoer naar en het waarnodig verblijven van asielzoekers in (de buurt van) behandelkantoren. Uitgangspunt voor de nadere uitwerking is dat elke regio – in overleg tussen de ketenpartners – eigen keuzes maakt over de wijze waarop in deze faciliteiten wordt voorzien. De regie hiervoor zal bij het COA worden gelegd. In principe wordt uitgegaan van het zelfstandig reizen van asielzoekers per openbaar vervoer. Daar waar het reizen per openbaar vervoer – met name vanwege de planning in tijd – niet mogelijk is, zal er een oplossing moeten worden gezocht door ofwel slaapplaatsen (op een opvangcentrum) in of nabij het behandelkantoor te creëren ofwel een «eigen» vervoerssysteem (busjes) in het leven te roepen.

5. Cruciaal voor het succes van de behandelkantoren is een goed planningssysteem. Doel is te komen tot een planning, waarbij de asielzoeker aan het begin van het proces een brief ontvangt met daarin een planning van alle opeenvolgende afspraken.

6. Inherent aan het oprichten van behandelkantoren is het opheffen van het onderscheid tussen OC's en AZC's/AVO's. Bij de implementatie van de behandelkantoren zal nadrukkelijk aandacht worden besteed aan het zoveel mogelijk in de tijd synchroon laten lopen van de invoering van de behandelkantoren en het opheffen van OC's.

7. Alleen voor de behandeling van aanvragen van ama's van 15 jaar of jonger zal de werkwijze niet veranderen. Zij hoeven niet af te reizen naar één van de behandelkantoren, maar zullen in principe worden gehoord in het opvangcentrum waar zij verblijven.

Als gevolg van de efficiëntere werkwijze zal de proceduretijd kunnen worden verkort, waardoor asielzoekers gemiddeld korter in de opvang hoeven te verblijven. De hieruit resulterende verlaging van de opvangkosten zal op termijn naar verwachting beduidend groter zijn dan de initieel te maken meerkosten.

2.7 Overdracht ROA en VVTV

Tijdens het bestuurlijk overleg tussen de kabinetsdelegatie en een vertegenwoordiging van VNG en het IPO op 7 december 2000 is afgesproken dat een haalbaarheidsonderzoek zou worden uitgevoerd naar de mogelijkheden om de verantwoordelijkheid voor de opvang en de zorg van ROA-asielzoekers en ex-VVTV'ers in procedure, over te dragen van gemeenten aan het COA. Dit onder meer om gemeenten te ontlasten die nog enige tijd na invoering van de Vreemdelingenwet 2000 belast zullen zijn met de uitvoering van de Zorgwet VVTV voor ex-VVTV'ers in procedure, en de ROA.

Op basis van de resultaten van het haalbaarheidsonderzoek is tijdens het bestuurlijke overleg van 5 april jl. afgesproken dat de verantwoordelijkheid van de zorg en opvang van ex-VVTV'ers in procedure en ROA-asielzoekers onder voorwaarden kan worden overgedragen aan het COA. Onder verantwoordelijkheid van het COA worden momenteel de voorbereidingen getroffen voor de implementatie van de overdracht. Binnenkort zullen alle gemeenten worden geïnformeerd over de mogelijkheid om de uitvoering van de ROA-regeling en de Zorgwet VVTV via een standaard-mandateringsovereenkomst onder voorwaarden over te dragen aan het COA. Het streven is erop gericht om per 1 januari 2002 met de daadwerkelijke overdracht van verantwoordelijkheden een aanvang te maken.

2.8 Openstaande Motie en Toezeggingen

Hierna treft u de reactie aan van de staatssecretaris van Justitie op en openstaande motie en een tweetal toezeggingen die aan uw Kamer zijn gedaan.

Motie lid Albayrak c.s., nr. 537: richtlijn voor ambtsberichten inzake positie vrouwen

In deze motie wordt de regering verzocht een richtlijn voor ambtsberichten op te stellen voor een goede informatievoorziening over de situatie van vrouwen in de betrokken landen.

Aan dit verzoek wordt op de volgende wijze invulling gegeven.

De algemene ambtsberichten worden geschreven op basis van terms of reference (TOR). De TOR worden opgesteld door het Ministerie van Justitie. Amnesty International en Vluchtelingenwerk Nederland worden door dit Ministerie uitgenodigd aandachtspunten voor de TOR aan te leveren.

Aan positie van vrouwen in herkomstlanden wordt voortdurend aandacht besteed. De TOR bevat standaard als onderwerp de positie van vrouwen in het betreffende land. Wel hierbij de volgende opmerking. De functie van de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken ligt met name daarin dat de informatie een basis vormt voor het formuleren van het landengebonden asielbeleid en de uitvoering van de beslispraktijk van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Daarmee zei benadrukt dat de informatie in een ambtsbericht toegesneden is op de vraag of de specifieke positie van vrouwen aanleiding geeft tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel (artikel 29 Vreemdelingenwet 2000). Dit heeft tot gevolg dat de informatiebehoefte over vrouwen als speciale groep zich beperkt tot de asielrelevante vragen. Voorzover de situatie in het land van herkomst daartoe aanleiding geeft, zal de TOR uitgebreid worden met specifieke vragen. Dit kan, zoals vermeld, zowel door dit Ministerie als door bovengenoemde organisatie geschieden.

Wellicht ten overvloede zij erop gewezen dat de inhoud van de algemene ambtsberichten geheel valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken. In een algemeen ambtsbericht wordt door de Minister van Buitenalndse Zaken niet alleen in de paragraaf «vrouwen» (zie Standaardindeling Ambtsberichten, de kamer toegegaan als bijlage bij de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 december 2000) aandacht gegeven aan de positie van de vrouw, maar ook indien relevant in de andere paragrafen.

Mede naar aanleiding van de motie is door ambtelijk Buitenlandse Zaken begin mei 2001 een bijeenkomst belegd met enkele leden van de «Werkgroep Ambtsberichten m/v». Er is van gedachten gewisseld over de mate van genderinclusiviteit van de ambtsberichten.

Er is regelmatig overleg tussen de Ministeries van Justitie en Buitenlandse Zaken over de werkafspraken tussen beide ministeries. In dit overleg komen de opzet en inhoud van ambtsberichten aan de orde. U kunt ervan verzekerd zijn dat de positie van vrouwen in deze overleggen ter sprake komt en, naar aanleiding van de motie, zal hieraan extra aandacht worden besteed.

EAUT Documentfouillering

In de Vw 2000 (artikel 55) is de mogelijkheid geschapen om reeds bij de aanmelding en voor doorverwijzing naar de TNV te fouilleren op documenten. Invoering van documentenfouillering bij de aanmelding zal naar verwachting leiden tot een verbetering van de kwaliteit van de AC-procedure als gevolg van het feit dat eventuele documenten omtrent identiteit, nationaliteit en reisroute worden onderkend en veiliggesteld vóór plaatsing in een TNV, zodat deze beschikbaar zijn voorafgaande aan de AC-procedure. Om de uitvoeringsconsequenties hiervan in beeld te brengen zijn op het Aanmeldcentrum te Zevenaar een tweetal pilots gehouden. De uitkomsten van deze pilots waren positief. De documentfouillering is met ingang van de invoering van de Vreemdelingenwet 2000 ingevoerd in de land-AC's.

Vernietiging van DNA-materiaal

De Staatssecretaris van Justitie heeft toegezegd de TK nader te zullen informeren over het toezicht op de vernietiging van DNA-materiaal door laboratoria na afloop van uitgevoerd onderzoek. Hierover kan het volgende worden gemeld. Voorafgaand aan de invoering van de richtlijn voor de toepassing van DNA-tests in het toelatingsbeleid is in een Protocol tussen de IND, het ministerie van Buitenlandse Zaken en de drie Nederlandse laboratoria die deze tests uitvoeren onder meer vastgelegd hoe na afloop van de procedure met het DNA-materiaal dient te worden omgegaan. Binnenkort wordt er tussen de IND en de laboratoria gesproken over voortzetting van de contractuele relatie. In dat verband zal de gehanteerde procedure voor vernietiging opnieuw nadrukkelijk aan de orde worden gesteld.

DEEL II STAND VAN ZAKEN IN DE VREEMDELINGENKETEN

3 MINISTERIE VAN JUSTITIE

3.1 Immigratie- en Naturalisatiedienst

In deze paragraaf wordt ingegaan op de productie van de IND op het gebied van asiel in de eerste viermaandsperiode van 2001 en op het aantal nog te behandelen zaken per mei 2001. Bij de weergave van deze gegevens wordt onderscheid gemaakt naar asielprocedures en reguliere procedures. Eerst wordt aandacht besteed aan de asielprocedures in de rapportageperiode en het aantal verleende statussen. Ter afsluiting wordt ingegaan op de reguliere procedures.

Asielprocedures

In tabel 5 worden de productie en de doorlooptijden van asielaanvragen in eerste aanleg weergegeven. Ook wordt vermeld welk percentage hiervan binnen de wettelijke termijn is afgehandeld.

Tabel 5: Productie en doorlooptijden Asiel 1e aanleg

  Asiel gehoorAsiel beslisTotaal traject eerste aanlegPercentage afgehandeld binnen wettelijke termijn
JanuariProductie3 8974 189n.v.t 
 Doorlooptijd10 weken17 weken28 weken78%
FebruariProductie3 5123 975n.v.t. 
 Doorlooptijd10 weken20 weken30 weken54%
MaartProductie3 2295 108n.v.t. 
 Doorlooptijd11 weken18 weken29 weken58%
AprilProductie2 8831 379n.v.t. 
 Doorlooptijd12 weken14 weken26 weken60%

Per 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 in werking getreden. Dit heeft een groot aantal consequenties voor de IND. Eén van de consequenties is dat het traject om te komen tot een beslissing complexer wordt door invoering van de zogenaamde voornemenprocedure. Als gevolg hiervan neemt – zoals aangekondigd in de Nulmeting – de tijd die benodigd is voor het doorlopen van de procedure toe.

Uit de cijfers in bovenstaande tabel blijkt dat de productie in de maand april als gevolg hiervan flink lager ligt dan in de voorgaande maanden. De IND heeft echter inmiddels in ruim 2 900 zaken een voornemen geconcipieerd en deze aan de betreffende rechtshulpverlener voorgelegd.

In tabel 6 wordt het aantal nog te behandelen aanvragen asiel op een rij gezet.

Tabel 6: Omvang en ouderdom van de nog te behandelen aanvragen asiel per ultimo rapportageperiode vanaf datum asielaanvraag

ASIEL GEHOORNulmetingJanuari 2001Februari 2001Maart 2001April 2001
<199910685634236
1999473387321237156
20007 7745 1343 2102 1851 543
20012 5473 8524 8395 466
Totaal8 3538 1537 4467 3037 201
ASIEL BESLISNulmetingJanuari 2001Februari 2001Maart 2001April 2001
<19991 6211 4551 2751 1251 089
19994 8404 3683 8183 4433 454
200011 47511 92011 3059 84110 134
20013801 5732 5804 084
Totaal17 93618 12317 97116 98918 761
TOTAAL TRAJECT 1E AANLEGNulmetingJanuari 2001Februari 2001Maart 2001April 2001
<19991 7271 5401 3381 1671 125
19995 3134 7554 1393 6803 610
200019 24917 05414 51512 02611 677
20012 9275 4257 4199 550
Totaal26 28926 27625 41724 29225 962

Ten aanzien van asiel-gehoor blijkt uit bovenstaande tabel dat in nagenoeg alle asielaanvragen die stammen van voor 15 december 2000 een nader gehoor heeft plaatsgevonden voor 1 april. In sommige gevallen heeft er nog geen gehoor plaatsgevonden omdat er sprake van bijzondere omstandigheden is, zoals ziekte van de asielzoeker. Op het gebied van asiel beslis is het aantal nog te behandelen zaken tot 1 april gestaag afgenomen. Vanaf 1 april neemt het aantal nog niet behandelde zaken weer toe. Dit wordt veroorzaakt door de inwerkingtreding van de voornemenprocedure. In een groot aantal zaken (ruim 2 900) dat nog deel uitmaakt van de bijna 17 000 zaken waarin nog een beslissing moet worden genomen, is reeds een voorgenomen beslissing aan rechtshulp voorgelegd. Ook in de maand mei zal de productie naar verwachting nog laag zijn, waarna vanaf juni een stijging van de productie is te voorzien. In een aantal zaken kan nog geen beslissing genomen worden in verband met onderzoek dat plaatsvindt of omdat er nog geen beslissing is genomen over voortzetting van het uitstel vertrek beleid.

In onderstaande tabel worden over de eerste vier maanden van 2001 de kengetallen met betrekking tot asiel-bezwaar op een rij gezet.

Tabel 7: Aanbod, productie, nog te behandelen bezwaarzaken en doorlooptijd productie Asiel bezwaar

ASIEL BEZWAARJanuari 2001Februari 2001Maart 2001April 2001Totaal
Aanbod3 7253 3363 5624 87815 501
Productie2 4592 1052 4011 4408 405
Nog te behandelen zaken per ultimo49 00650 23751 39854 836n.v.t.
Doorlooptijd productie*45 weken44 weken45 weken46 weken45 weken

* Vanaf datum registratie aanvraag door IND

Om de invoering van de nieuwe Vreemdelingenwet zo voorspoedig mogelijk te laten verlopen, heeft de IND er onder andere voor gekozen om de negatieve (productie)gevolgen van de introductie van Vw2000 ten laste te brengen van de productie asiel bezwaar. Vooral in de maand april is dit duidelijk zichtbaar. In mei is de productie echter alweer op het niveau van de maanden voor april 2001.

De IND gaat er in haar planning vanuit dat in 2001 34 000 bezwaarzaken zullen worden afgehandeld en dat de voorraad Asiel Bezwaar medio 2002 zal grotendeels zijn weggewerkt (met uitzondering van een aantal niet-beslisbare zaken). Het aanbod bezwaarzaken is relatief hoog (en aanzienlijk hoger dan de productie), hetgeen samenhangt met de hoge productie van de voor het merendeel negatieve beschikkingen in 1e aanleg. Na inwerkingtreding van de nieuwe Vreemdelingenwet en na het verstrijken van de bezwaartermijn van de oude wet zal erzoals bekend- nauwelijks nieuw aanbod aan bezwaarzaken asiel meer zijn en kunnen de voorraden definitief worden weggewerkt. Zolang de oude voorraad bezwaarzaken niet is weggewerkt, zal de doorlooptijd hoog blijven.

In tabel 8 wordt de voorraad bezwaarzaken nader gespecificeerd naar ouderdom.

Tabel 8: Omvang en ouderdom van de nog te behandelen zaken Asiel Bezwaar per ultimo rapportagemaand vanaf datum indiening bezwaar

NOG TE BEHANDELEN BEZWAARSCHRIFTENNulmetingJanuari 2001April 2001
<19994 7254 5574 107
199912 18511 55510 463
200030 83030 91628 541
20011 97811 725
Totaal47 74049 00654 836

De totale voorraad bezwaarzaken per eind april 2001 bestond uit 41 013 beslisbare zaken en 8 834 zaken die tot de normale werkvoorraad behoren. De overige 4 989 zijn momenteel niet-beslisbaar. In de eerste 4 maanden van 2001 is in circa 27 % van de bezwaarzaken binnen de wettelijke beslistermijn van gemiddeld 12 weken beslist. Dit betreft bezwaarzaken die met prioriteit zijn afgehandeld. Voor het overige zijn oude zaken afgehandeld.

Verleende vergunningen

In de afgelopen 4 maanden zijn door de IND in asielzaken het in tabel 9 vermelde aantal statussen en verblijfsvergunningen verleend. Uiteraard heeft de IND sinds 1 april uitsluitend statussen verleend conform VW 2000, dus vergunningen voor bepaalde of onbepaalde tijd. Ongeveer 65% van de verleende statussen zijn verleend in 1e aanleg (tot 1 april).

In onderstaande tabel is tevens weergegeven in hoeveel zaken in de afgelopen maanden een VTV op basis van het 3-jarenbeleid is verleend. Dit aantal maakt deel uit van het aantal verleende VTV's dat vermeld is. Het gaat hierbij vooral om beslissingen in bezwaarzaken. Uit de cijfers blijkt dat het aantal vtv's verleend op basis van het 3-jaren-beleid in de maand april flink lager was dan in de voorgaande maanden. Dit hangt samen met het relatief geringe aantal beslissingen op bezwaarschriften in die maand.

Tabel 9: Aantal verleende vergunningen in de maanden januari tot en met april 2001

VERLEENDE VERGUNNINGENJanuariFebruariMaartAprilTotaal
A-status1501271590436
VTV42630647461 212
VVTV2032592070669
VV Asiel – Bep. Tijdn.v.t. n.v.t. n.v.t. 406406
VV Reg. – Bep. Tijdn.v.t. n.v.t. n.v.t. 4949
VV Asiel – Onbep. Tijdn.v.t.n.v.t. n.v.t. 1111
VV Reg. – Onbep. Tijdn.v.t. n.v.t. n.v.t. 66
Waarvan VTV-tijdsverloop16312619213494

Reguliere procedures

Hierna worden het aanbod, de productie, de doorlooptijden en de voorraden van aanvragen tot regulier verblijf gedurende de rapportageperiode weergegeven. Voor wat betreft de reguliere aanvragen wordt een tweetal doorlooptijden onderscheiden. Naast de doorlooptijd gemeten vanaf het moment van registratie van de aanvraag door de IND wordt ook de doorlooptijd vanaf het moment van indiening van de aanvraag vermeld. De reden hiervoor is dat er – in tegenstelling tot de asielprocedure – bij reguliere procedures sprake is van een fase die voorafgaat aan het in behandeling nemen van de aanvraag door de IND (en daarmee ook aan de registratie van de aanvraag door de IND). Dit betreft de fase waarin de aanvraag wordt ingediend bij de diplomatieke post van Buitenlandse Zaken of bij de Vreemdelingendienst en vervolgens wordt verzonden aan de IND.

Binnenkort wordt aan de Tweede Kamer het Plan van Aanpak«Verkorten doorlooptijden MVV (motie Dittrich)» aangeboden. In dit plan van aanpak worden maatregelen aangekondigd die moeten leiden tot verbetering van de samenwerking tussen de ketenpartners in de MVV-keten en dus tot verkorting van doorlooptijden van het gehele traject.

Machtiging tot Voorlopig Verblijf-aanvragen

In onderstaande tabel worden het nieuwe aanbod, de productie en de gemiddelde doorlooptijd met betrekking tot MVV-aanvragen in de rapportageperiode weergegeven. In de tabel wordt onderscheid gemaakt naar MVV-aanvragen die zijn ingediend bij diplomatieke posten van Buitenlandse Zaken (MVV-DIP) en aanvragen die in Nederland zijn ingediend.

Bij de in Nederland gestarte MVV-procedures maakt de IND onderscheid tussen twee procedures: de zogenaamde referentprocedure (MVV-HPP) en de verkorte procedure (MVV-INST). Deze laatste is bestemd voor bedrijven, universiteiten en dergelijke die regelmatig buitenlanders voor kortere of langere periodes naar Nederland halen, en waarmee een standaardprocedure is afgesproken. Bij de referentprocedure vraagt een relatie in Nederland (familielid, partner of werkgever) van de vreemdeling die in het buitenland verblijft aan de vreemdelingendienst om ambtshalve een MVV-procedure te starten en advies uit te brengen aan Buitenlandse Zaken over de te verstrekken MVV.

Tabel 10: Aanbod, productie en doorlooptijd MVV

MVV-DIP*JanuariFebruariMaartAprilTotaal 2001
Aanbod IND5905514115082 060
Productie6674914994872 144
Doorlooptijd vanaf datum aanvraag28 weken30 weken30 weken28 weken29 weken (gem.)
Doorlooptijd vanaf datum registratie door IND10 weken9 weken10 weken9 weken10 weken (gem.)

* Ingediend bij diplomatieke post

MVV-HPP en MVV-INST**JanuariFebruariMaartAprilTotaal 2001
Aanbod IND3 4833 4873 3332 86613 169
Productie3 4993 1033 4462 72212 770
Doorlooptijd vanaf datum aanvraag16 weken17 weken17 weken16 weken16 weken (gem.)
Doorlooptijd vanaf datum registratie door IND5 weken5 weken5 weken4 weken5 weken (gem.)

** Ingediend in Nederland

In de weergegeven doorlooptijd van de MVV-procedure vanaf datum aanvraag wordt ook de tijdsperiode dat de aanvraag bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland is ingediend (MVV-DIP) en aldaar van een advies wordt voorzien en wordt verzonden naar Nederland meegenomen. De als tweede vermelde doorlooptijd wordt gemeten vanaf het moment van registratie door de IND tot aan het moment waarop de IND de beslissing heeft genomen. De tijd die is gemoeid met de uitreiking van de beschikking in het land van herkomst wordt niet gemeten.

De doorlooptijd van de in Nederland ingediende verzoeken vanaf de datum waarop het verzoek door de IND is geregistreerd, bedraagt 5 weken. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in deze gevallen de procedure hiermee niet beëindigd is. In de gevallen waarin de procedure in Nederland is gestart, vindt, nadat de IND een advies aan Buitenlandse Zaken heeft uitgebracht, nog een onderzoek plaats door Buitenlandse Zaken naar de identiteit en bedoelingen van de vreemdeling die verblijf in Nederland wenst, waarna – bij positieve uitkomst van dit onderzoek – uitreiking van de beschikking kan plaatsvinden.

In tabel 11 wordt de ouderdom van de nog te behandelen MVV-aanvragen nader gespecificeerd. Bij zowel MVV als VTV wordt, in tegenstelling tot de rapportage over januari en februari 2001, in deze en volgende rapportages de ouderdom van de reguliere voorraad vanaf datum indiening bij de IND nader uitgesplitst. Dit geeft een duidelijker beeld van de ouderdom van nog te behandelen aanvragen.

Tabel 11: Omvang en ouderdom nog te behandelen aanvragen MVV per ultimo rapportagemaand onderscheiden naar plaats van indienen aanvraag

OUDERDOM NOG TE BEHANDELEN AANVRAGEN MVV* VANAF DATUM BINNENKOMST BIJ INDNulmetingJanuariFebruariMaartApril
Ouder dan 36 maanden4044546066
30–36 maanden5745333848
24–30 maanden8884687480
18–24 maanden186204247204178
12–18 maanden435368330336301
6 maanden–1 jaar672663693609656
3–6 maanden8078338358081 036
0–3 maanden1 7901 7412 1662 0261 955
Totaal4 0753 9824 4264 1554 320
OUDERDOM NOG TE BEHANDELEN AANVRAGEN MVV* VANAF DATUM INDIENING BIJ BUIZA/VDNulmetingJanuariFebruariMaartApril
Ouder dan 36 maanden4855616975
30–36 maanden5957504952
24–30 maanden11310393132128
18–24 maanden265267273230204
12–18 maanden486464471418430
6–12 maanden1 2301 2401 4711 4871 684
3–6 maanden1 0241 0311 2731 0711 155
0–3 maanden850765734699592
Totaal4 0753 9824 4264 1554 320

* MVV-DIP, MVV-HPP en MVV-INST

Vergunning Tot Verblijf-aanvragen

In de volgende tabel worden het nieuwe aanbod, de productie en de gemiddelde doorlooptijden met betrekking tot VTV-aanvragen in de rapportageperiode weergegeven.

Tabel 12: Aanbod, productie en doorlooptijd VTV

REGULIER VTVJanuariFebruariMaartAprilTotaal 2001
Aanbod1 1708818408853 776
Productie1 1951 1651 1144783 952
Doorlooptijd vanaf datum aanvraag55 weken54 weken53 weken41 weken51 weken (gemiddeld)
Doorlooptijd vanaf datum registratie door IND31 weken29 weken29 weken23 weken28 weken (gemiddeld)

De gemiddelde doorlooptijd van de behandelde aanvragen ligt iets boven de wettelijke termijn. Dit wordt vooral veroorzaakt door het feit dat er relatief veel nog niet afgehandelde oude zaken zijn (zie tabel 10). Dit hangt samen met het feit dat in het jaar 2000 prioriteit heeft gelegen bij de afhandeling van de aanvragen in het kader van het Witte Illegalenbeleid. Dit betrof relatief jonge en ingewikkelde zaken, hetgeen ten koste is gegaan van de afwikkeling van oudere zaken. Hier zal in de komende periode meer prioriteit aan kunnen worden gegeven. Pas als deze relatief oude voorraad voor een groot deel is weggewerkt zal er sprake kunnen zijn van een daling van de gemiddelde doorlooptijden.

In tabel 13 wordt de ouderdom van de nog te behandelen VTV-aanvragen nader gespecificeerd. Uitgangspunt voor de specificatie vormt de datum waarop de aanvraag bij de IND is ingediend.

Tabel 13: Ouderdom en nog te behandelen aanvragen VTV per ultimo rapportagemaand

OUDERDOM NOG TE BEHANDELEN AANVRAGEN VTV VANAF DATUM INDIENING BIJ INDNulmetingJanuariFebruariMaartApril
Ouder dan 36 maanden78103110107151
30–36 maanden167185204171224
24–30 maanden456499485428504
18–24 maanden692626540556454
12–18 maanden905858807775784
6 maanden–1 jaar1 2681 3171 2261 1481 244
3–6 maanden855915865844897
0–3 maanden1 0061 2061 1851 1191 297
Totaal5 4275 7095 4225 1485 555

Bezwaarzaken MVV

In tabel 14 wordt het aantal nieuwe MVV-bezwaarschriften in de rapportageperiode weergegeven, evenals het aantal afgehandelde bezwaarzaken MVV en de gemiddelde doorlooptijd.

Tabel 14: Aanbod, productie en doorlooptijd MVV Bezwaar

MVV BEZWAARJanuariFebruariMaartAprilTotaal 2001
Aanbod3935053495101 757
Productie4534664543671 740
Doorlooptijd vanaf datum registratie IND 38 weken 32 weken 41 weken31 weken 35 weken (gemiddeld)

Uit de tabel blijkt dat de productie en aanbod elkaar in evenwicht houden. De gemiddelde doorlooptijd ligt echter wel ruim boven de wettelijke termijn (14 weken in het geval betrokkene gehoord moet worden). Dit hangt samen met het relatief grote aantal oude zaken in de totale werkvoorraad. Bij de behandeling van bezwaarzaken heeft, net als bij regulier eerste aanleg, in 2000 prioriteit gelegen bij de zaken van Witte Illegalen. Dit is ten koste gegaan van de behandeling van (oudere) MVV- en VTV-bezwaarzaken.

Tabel 15: Omvang en ouderdom nog te behandelen MVV Bezwaar per ultimo rapportagemaand

OUDERDOM NOG TE BEHANDELEN ZAKEN MVV BEZWAAR VANAF DATUM AANVRAAG BEZWAARNulmetingJanuari 2001FebruariMaartApril
Ouder dan 36 maanden68748197104
30–36 maanden9491149163197
24–30 maanden307335314315352
18–24 maanden466514505458403
12–18 maanden713593596646702
> 1 jaar1 6481 607 1 6791 506
6 maanden–1 jaar1 1221 0391 0841 0441 135
3–6 maanden766959945913826
0–3 maanden1 049921891824884
Totaal4 5854 5264 5654 4604 603

Bezwaarzaken VTV

In tabel 16 wordt het aantal nieuwe VTV-bezwaarschriften in de rapportageperiode vermeld, evenals het aantal afgehandelde bezwaarzaken VTV en de gemiddelde doorlooptijd hiervan.

Tabel 16: Aanbod, productie en doorlooptijd VTV Bezwaar

VTV BEZWAARJanuariFebruariMaartAprilTotaal 2001
Aanbod1 0699228701 0393 900
Productie1 4501 2111 3228124 795
Doorlooptijd vanaf datum registratie door IND44 weken45 weken46 weken48 weken46 weken

Op het gebied van VTV bezwaar was de productie in de maanden januari tot en met maart aanzienlijk hoger dan het aanbod, waardoor de voorraad is afgenomen, zoals uit de volgende tabel blijkt. In april was de productie iets lager dan gepland als gevolg van specifieke problemen die gepaard gaan met de invoering van VW 2000. Ook bij dit product ligt de gemiddelde doorlooptijd nog aanzienlijk boven de wettelijke termijn.

Zoals uit de volgende tabel blijkt, nemen de voorraden VTV-bezwaar in de rapportageperiode verder af.

Tabel 17: Omvang en ouderdom nog te behandelen zaken VTV Bezwaar per ultimo april'01

OUDERDOM NOG TE BEHANDELEN ZAKEN VTV BEZWAAR VANAF DATUM AANVRAAG BEZWAARNulmetingJanuariFebruariMaartApril
Ouder dan 36 maanden546626691730840
30–36 maanden8049221 0521 0391 076
24–30 maanden1 4821 3651 3501 7321 940
18–24 maanden2 5422 4932 3971 9841 720
12–18 maanden2 3352 2122 1882 2502 329
6 maanden–1 jaar3 6763 7243 6543 3123 356
3–6 maanden2 3042 0901 9911 9731 806
0–3 maanden2 0271 9031 7331 5741 754
Totaal15 71615 33515 04614 59414 821

Regulier bezwaar

De omvang van de voorraad reguliere bezwaarzaken heeft nadrukkelijk de aandacht. De IND is inmiddels in 2001 begonnen met het verzenden van tussenberichten in zaken waarin de wettelijke behandeltermijn overschreden dreigt te worden.

Momenteel wordt binnen de IND gewerkt aan een plan voor de herverdeling van de voorraad regulier bezwaar (MVV en VTV) tussen IND-regio's met als doel de verschillen in doorlooptijden tussen de IND-regio's te verkleinen en de voorraden terug te brengen tot een aanvaardbaar niveau. Pas als de totale voorraad tot een normaal niveau is teruggebracht, kan er sprake zijn van normale doorlooptijden, dat wil zeggen afhandeling van zaken binnen de wettelijke termijn.

De IND houdt er in het jaarplan voor 2001 rekening mee dat er 7 000 MVV-bezwaarzaken en 21 000 VTV-bezwaarzaken worden afgehandeld, hetgeen zou moeten leiden tot een eindvoorraad van circa 4 600 MVV-bezwaarzaken en 5 700 VTV-bezwaarzaken. In 2001 ligt de prioriteit derhalve bij het wegwerken van een groot deel van de voorraad VTV-bezwaarzaken, met als gevolg hoge gemiddelde doorlooptijden.

Naturalisaties

In tabel 18 wordt het aantal nieuwe aanvragen tot naturalisatie in de rapportageperiode weergegeven, evenals het aantal gerealiseerde naturalisaties en de gemiddelde doorlooptijd hiervan (uitgaande van de datum van registratie van de aanvraag door de IND).

Tabel 18: Aanbod, productie en doorlooptijd Naturalisatie

NATURALISATIEJanuariFebruariMaartAprilTotaal 2001
Aanbod3 1162 7982 9602 80311 677
Productie2 8512 8002 8662 75611 273
Doorlooptijd van datum registratie door IND20 weken16 weken19 weken18 weken18 weken
Doorlooptijd vanaf datum aanvraag34 weken28 weken32 weken33 weken32 weken

Het aantal aanvragen tot naturalisatie is in de afgelopen maanden iets hoger geweest dan het aantal genomen beslissingen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de voorraad licht is gestegen tot 12 838 zaken per 1 mei 2001.

Verzoeken om naturalisatie worden bij gemeenten ingediend, en in sommige gevallen op de Antillen en Aruba, die zorgdragen voor doorzending van de, van een advies voorziene, aanvragen naar de IND. Dit zorgt voor het verschil tussen de twee in de tabel genoemde doorlooptijden. De gemiddelde doorlooptijd ligt ruim binnen de wettelijke beslistermijn van 12 maanden.

3.2 Centraal Orgaan opvang asielzoekers

Instroom en bezetting centrale opvang

De instroom in 2001 in de centrale opvang bedroeg in de rapportageperiode 9 606 een daling van 1 997 personen ten opzichte van de instroom in de eerste vier maanden van 2000 (11 603 personen). De uitstroom uit de centrale opvang bedroeg 6 145 personen en ligt daarmee 951 lager dan in dezelfde periode in 2000 waar de uitstroom 7 096 bedroeg. Daar de uitstroom structureel onder het niveau van de instroom ligt, resulteert dit in toenemende mate in een behoefte aan extra opvangcapaciteit. Het COA verwacht ultimo 2001 92 000 opvangplaatsen nodig te hebben, waarbij het streven is uit te komen op een bezettingsgraad van 95%. Hiervan zijn 71 400 plaatsen gerealiseerd.

Tabel 19: Instroom/uitstroom centrale opvang januari – april 2001

 JanuariFebruariMaartAprilTotaal jan. t/m april
Instroom3 0712 0882 2952 1529 606
Uitstroom1 7381 4141 5471 4466 145
Saldo1 3336747487063 461

De bezetting in de centrale is in de rapportageperiode met 3 479 personen toegenomen tot 81 717 (bezetting 1 januari: 78 238). Hiervan verbleven 69 722 personen in een opvangcentrum; 11 995 personen maakten gebruik van het vrijwillige ZelfZorgArrangement (ZZA).

De bezettingsgraad van de meeste asielzoekerscentra is nog steeds boven de 100%. Aangezien verscheidene centra niet kunnen voldoen aan de afgekondigde 105% actie en enkele centra bezig zijn met het afbouwen van de capaciteit vanwege sluiting op korte termijn (AZC's en seizoengebonden AVO's), blijft de situatie zeer zorgelijk.

Tabel 20 geeft een specificatie van de bezetting van de centrale opvang naar nationaliteit.

Tabel 20: Bezetting centrale opvang naar nationaliteit (per 1-5-2001), incl. ZZA

NationaliteitTotaal
Irak11 259
Afghanistan7 902
Joegoslavië6 030
Iran5 046
Somalië5 022
Azerbajdzjan4 520
Angola4 248
Soedan3 426
Siërra Leone2 928
Turkije2 847
Overig28 489
Totaal81 717

Instroom, uitstroom en bezetting TNV

In onderstaande tabel wordt de situatie in de TNV in de rapportageperiode geschetst.

Tabel 21 Instroom, uitstroom en bezetting en capaciteit TNV

 JanuariFebruariMaartApril
Instroom3 1582 2642 7073 338
Uitstroom3 8042 3512 6182 689
 1 jan1 feb.1 maart1 april1 mei
Bezetting1 2038758841 052620
Capaciteit1 7001 7001 7001 3501 820

De totale instroom in de TNV in de rapportageperiode bedroeg 11 467, de uitstroom 11 462. De instroom in april bedroeg 3 338 personen, de uitstroom 2 689. Dit resulteerde in een bezetting op 1 mei van 620 personen.

Op 1 mei 2001 bedroeg het aantal plaatsen in de TNV 1 820. In mei is de TNV Amsterdam in gebruik genomen met 1 000 plaatsen.

Tenslotte wordt opgemerkt dat de verblijfsduur in de TNV in de rapportageperiode gemiddeld 12 dagen was.

3.3 Vreemdelingenkamers

Asielprocedures

In de volgende twee tabellen wordt het aanbod en de productie in bodemzaken en voorlopige voorzieningen asiel in de eerste 4 maanden het jaar 2001 weergegeven. Ter vergelijking worden in de tabellen ook de cijfers over de eerste vier maanden in het jaar 2000 weergegeven.

Tabel 22: Aanbod, productie Bodemzaken Asiel januari – april 2001 en 2000

BODEMZAKEN ASIELJanuari 2001Februari 2001Maart 2001April 2001Totaal jan-april 2001 Totaal jan-april 2000
Aanbod9137236913982 7253 566
Productie7557267916602 9322 862
Doorlooptijd*n.n.b. n.n.b. n.n.b. n.n.b. n.n.b.n.n.b.

Tabel 23: Aanbod, productie Vovo's Asiel januari – april 2001 en 2000

VOVO'S ASIELJanuari 2001Februari 2001Maart 2001April 2001Totaal jan-april 2001 Totaal jan-april 2000
Aanbod1 0408969815503 4672 874
Productie7096236716082 6111 740
Doorlooptijd*n.n.b. n.n.b. n.n.b. n.n.b. n.n.b.n.n.b.

* Om over de doorlooptijd van de processen bij de Vreemdelingenkamer te kunnen rapporteren, is het noodzakelijk dat het informatiesysteem wordt aangepast. Het is de verwachting dat deze aanpassing in juni gerealiseerd zal zijn. Vanaf dat moment zal ook over de doorlooptijd worden gerapporteerd.

Hierbij zij opgemerkt dat op het moment van verschijnen van de rapportages Groot Project de administratie van de vreemdelingenkamers over de rapportageperiode nog niet is afgesloten. Het gevolg hiervan is dat de in de rapportage vermelde aanbod- en productieaantallen en de genoemde voorraden op een later moment voor deze administratieve achterstanden zullen worden gecorrigeerd.

Vergelijking van de periode januari-april 2001met dezelfde periode in 2000 laat een behoorlijke stijging van de productie van het aantal asielzaken zien: 4 602 in 2000 tegen 5 543 in 2001. Het aanbod van zaken is gedurende de eerste 4 maanden van dit jaar nog zo'n 600 zaken hoger dan de productie, hetgeen resulteert in een toename van de voorraden. De toename van de voorraden in 2001 is voorzien bij het opstellen van het scenario voor de invoering van de vreemdelingenwet 2000 en het wegwerken van de voorraden. Deze toename hangt uiteraard samen met de inspanning van de IND om haar voorraad bezwaarzaken versneld weg te werken, waardoor het aanbod van zaken stijgt. Ook de omstandigheid dat de het groeitraject van de vreemdelingenkamers nog niet is afgerond is in dit verband relevant.

In het kader van het Groot Project is gevraagd te rapporteren over het aanbod, de productie en de doorlooptijden van Bodemzaken en voorlopige voorzieningen. De totale voorraad nog te behandelen zaken omvat daarnaast echter ook nog beroepen tegen AC-beslissingen en bewaringszaken. Omdat de behandeling van beroepen tegen AC-beslissingen aan korte, strakke termijnen is gebonden, krijgen deze zaken de hoogste prioriteit. Zij worden met voorrang behandeld, hetgeen ten koste gaat van de productie van bodemzaken en voorlopige voorzieningen. In de in- en uitstroomtabellen zijn alleen de nog te behandelen bodemzaken en voorlopige voorzieningen opgenomen. AC- en bewaringszaken zijn niet meegeteld.

In de volgende tabel zijn de te behandelen aantallen bodemzaken en voorlopige voorzieningen opgenomen, gesorteerd naar datum van indiening van de aanvraag. Bij het de aanpak van de voorraden richten de vreemdelingenkamers zich vooreerst op de oudere zaken.

Tabel 24: Omvang en ouderdom* ** van de nog te behandelen Bodemzaken Asiel per ultimo rapportageperiode vanaf datum indiening beroep

NOG TE BEHANDELEN BODEMZAKEN ASIELNulmetingPer 1 mei 2001
<1999433254
19993 2492 449
20005 8965 081
200102 043
Totaal9 5769 827

Tabel 25: Omvang en ouderdom*)**) van de nog te behandelen Voorlopige Voorzieningen Asiel per ultimo rapportageperiode vanaf datum indiening VoVo

NOG TE BEHANDELEN VOVO'S ASIELNulmetingPer 1 mei 2001
<1999238144
19993 9252 964
20007 4867 311
200102 541
Totaal11 65012 961

* In werkelijkheid bestaat de voorraad van de vreemdelingenkamers ook nog uit AC- en Bewaringszaken

** Op 17 maart jl. is het jaar 2000 definitief administratief afgesloten. Verwerking van de laatste gegevens uit 2000 veroorzaakt een verschil van 815 zaken ten opzichte van de nulmeting.

Cijfers van de vreemdelingenkamer in deze rapportage zullen steeds aan enige administratieve correctie onderhevig zijn.

Het aanbod en de productie van reguliere zaken, zowel bodemzaken als voorlopige voorzieningen worden in de volgende tabellen weergegeven. Ook hier zijn de eerste 4 maanden van 2001 en dezelfde periode in het jaar 2000 ter vergelijking naast elkaar gezet.

Tabel 26: Aanbod, productie Bodemzaken Regulier januari – april 2001 en 2000

BODEMZAKEN REGULIERJanuari 2001Februari 2001Maart 2001April 2001Totaal jan-april 2001 Totaal jan-april 2000
Aanbod9476575895622 7552 785
Productie5285765313992 0342 539
Doorlooptijd*n.n.b. n.n.b.n.n.b. n.n.b. n.n.b.n.n.b.

Tabel 27: Aanbod, productie Vovo's Regulier januari – april 2001 en 2000

VOVO'S REGULIERJanuari 2001 Februari 2001 Maart 2001April 2001 Totaal jan-april 2001 Totaal jan-april 2000
Aanbod5534765793901 9982 644
Productie7617237065142 7043 106
Doorlooptijd*n.n.b. n.n.b. n.n.b. n.n.b. n.n.b.n.n.b.

* Om over de doorlooptijd van de processen bij de Vreemdelingenkamer te kunnen rapporteren, is het noodzakelijk dat het informatiesysteem wordt aangepast. Het is de verwachting dat deze aanpassing in juni gerealiseerd zal zijn. Vanaf dat moment zal ook over de doorlooptijd worden gerapporteerd.

De productie in reguliere zaken in 2001 laat een daling zien ten opzicht van de reguliere productie in 2000. Daar staat een vergelijkbare stijging in de afhandeling van asielzaken tegenover. Vanaf 1 april, het moment van de invoering van de Vreemdelingenwet 2000 werken de vreemdelingenkamers niet meer volledig volgens het principe van first in-first out.

Gedurende de periode waarin de achterstanden onder de oude wet worden weggewerkt, zullen de vreemdelingenkamers, na prioriteit voor AC-zaken en bewaringszaken de resterende productiecapaciteit inzetten volgens de volgende verdeling:

• 30% asielzaken oude wet

• 30% asielzaken nieuwe wet

• 40% reguliere zaken

Om inzicht te krijgen in de productie van de vreemdelingenkamers moeten de aanbod- en productiecijfers van asiel- én reguliere zaken in samenhang worden bezien. De totale productie in 2000 en in 2001 is nagenoeg gelijk (10 247 zaken in het jaar 2000 tegen 10 281 zaken in 2001) Zoals eerder uiteengezet, zijn daarbij de AC-en bewaringszaken niet verwerkt in de rapportages t.b.v. het Groot Project. Desalniettemin is van belang dat de eerste 4 maanden van 2001 een forse stijging van het aantal AC- en bewaringszaken laten zien waardoor ruim 1100 AC- en bewaringszaken méér zijn behandeld dan in dezelfde periode in 2000. De stijging van het aantal zaken met prioriteit heeft consequenties voor de capaciteit die overblijft voor de behandeling van de overige zaken, in de verhouding 30–30–40, zoals hierboven uiteengezet.

In de volgende tabellen zijn de te behandelen aantallen bodemzaken en voorlopige voorzieningen opgenomen, gesorteerd naar datum van indiening van het beroep of de vovo. Bij het de aanpak van de voorraden richten de vreemdelingenkamers zich vooreerst op de oudere zaken.

Tabel 28: Omvang en ouderdom*) **) van de nog te behandelen Bodemzaken Regulier per ultimo rapportageperiode vanaf datum indiening beroep

NOG TE BEHANDELEN BODEMZAKEN REGULIERNulmetingPer 1 mei 2001
<1999192126
19991 4951 135
20006 9325 793
200102 310
Totaal8 6199 364

Tabel 29: Omvang en ouderdom*)**) van de nog te behandelen Voorlopige Voorzieningen Regulier per ultimo rapportageperiode vanaf datum indiening VoVo

NOG TE BEHANDELEN VOVO'S REGULIERNulmetingPer 1 mei 2001
<1999270155
19993 1672 241
20007 2175 888
200101 617
Totaal10 6549 901

* In werkelijkheid bestaat de voorraad van de vreemdelingenkamers ook nog uit AC- en Bewaringszaken

** Op 17 maart jl. is het jaar 2000 definitief administratief afgesloten. Verwerking van de laatste gegevens uit 2000 veroorzaakt een verschil van 815 zaken ten opzichte van de nulmeting.

Cijfers van de vreemdelingenkamer in deze rapportage zullen steeds aan enige administratieve correctie onderhevig zijn.

3.4 Gefinancierde rechtsbijstand asielzoekers

In de Nulmeting en Basisrapportage Groot Project van 13 februari 2001 is met betrekking tot de rechtsbijstandverlening aangegeven dat sprake is van een (krap) evenwicht tussen de vraag en het aanbod van rechtsbijstand.

Op basis van de meest recente rapportages van de raden voor rechtsbijstand en de stichtingen rechtsbijstand asiel kan geconcludeerd worden dat vraag en aanbod momenteel nog steeds in evenwicht zijn. Wel moet tevens geconstateerd worden dat de marges steeds geringer worden. Daarnaast is het aanbod niet evenwichtig over het land verdeeld. Met name de rechtsbijstandverlening in het noorden en oosten van het land staat onder druk.

Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 is thans een wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr 2000) in voorbereiding. De wijziging van het Besluit zal in het kader van de Voorhangprocedure aan Uw Kamer worden toegezonden. De voorgestelde wijzigingen sluiten nauw aan bij de algemene uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het Bvr 2000. Desondanks roept de voorgestelde regeling bij een deel van de beroepsgroep weerstand op.

Met betrekking tot de onevenwichtige verdeling van de capaciteit over het land hebben de raden voor rechtsbijstand een aantal maatregelen binnen de rechtsbijstandketen genomen om met name de druk in het noorden en oosten van het land te verminderen. Voor een meer structurele oplossing waarbij met name de planning en inzet van de rechtsbijstandverleners aandacht zal krijgen voeren de raden voor rechtsbijstand thans overleg met het veld. Daarnaast wordt de afstemming met de ketenpartners verder verbeterd. Met de raden voor rechtsbijstand gaat de Staatssecretaris van Justitie er van uit dat deze maatregelen afdoende zijn om de druk voor de korte termijn weg te nemen.

4 MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

4.1 Huisvesting statushouders

Ten behoeve van de eerste huisvesting van statushouders in de gemeenten is bij circulaire van 20 november 2000 de taakstelling voor de eerste helft van 2001 bekend gemaakt. Gedurende deze periode gaat het om het huisvesten van 4 800 statushouders (3 100 A/VTV'ers en 1 700 VVTV'ers).

Vanaf januari tot en met april 2001 zijn bijna 2 100 statushouders in de gemeenten van huisvesting voorzien. Hiermee liggen de gemeenten achter op het gemiddeld aantal per maand (800) te huisvesten statushouders. Er waren bij het COA voldoende bemiddelbare statushouders in de centrale opvang aanwezig om een beter resultaat te kunnen hebben behalen. Vanaf de maand januari 2001 hebben de gemeenten in afnemende mate huisvestingsplaatsen gerealiseerd. Deze geringere prestatie vindt mede zijn oorzaak in de eind 2000 aangekondigde nieuwe wet- en regelgeving voor het vreemdelingenbeleid, waarbij onder meer de huisvesting op grond van de Zorgwet VVTV per 1 april 2001 is vervallen. Tijdens de verslagperiode is sprake geweest van een overgangssituatie naar het nieuwe beleid, waarbij na 1 april 2001 nog slechts sprake zal zijn van één huisvestingstaakstelling, namelijk die voor Vergunninghouders voor Bepaalde Tijd Asiel (VBT-A'ers) op grond van de Huisvestingwet. De gemeenten hebben een afwachtende houding aangenomen bij het aanbieden van passende woonruimte voor de huisvesting van statushouders. Niet-gerealiseerde plaatsen zullen in de komende periode alsnog moeten worden geleverd. Met de betrokken ketenpartners (VNG, IPO en COA) worden de ontwikkelingen gevolgd en waar nodig bijgestuurd.

Het COA heeft de afgelopen periode een extra inspanning geleverd om statushouders die al geruime tijd in de opvang verblijven en moeilijk te bemiddelen zijn (medische indicaties, grote gezinnen, alleenstaanden) naar de gemeenten uit te plaatsen. Hierdoor en door de hierboven gesignaleerde tendens van het geringere aanbod van woonruimte voor de bemiddeling van statushouders is het percentage van statushouders dat het uitplaatsingsproces binnen het gestelde ambitieniveau van drie maanden heeft doorlopen ten opzichte van het laatste kwartaal van 2000 (75%) gedurende het eerste kwartaal van 2001 tot 65% afgenomen. De procesbewaking wordt maandelijks in de interdepartementale werkgroep uitplaatsing geanalyseerd, waarbij de noodzakelijke activiteiten om gesignaleerde knelpunten in de bemiddelingsfasen terug te dringen worden afgesproken.

Begin april 2001 is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de landelijke vereniging van woningcorporaties, Aedes, een gezamenlijke publicatie uitgebracht, waarin de gemeenten en corporaties een handreiking wordt geboden ten aanzien van de huisvesting van statushouders onder de nieuwe Vreemdelingenwet. Medio april 2001 is de in opdracht van de ministeries van BZK en VROM vervaardigde nieuwe brochure «huisvesting statushouders» verschenen, waarin de nodige handvatten zijn opgenomen om de statushouders op een adequate wijze in de gemeenten te huisvesten en te integreren.

Sinds de invoering van de taakstellingssystematiek (in mei 1993) zijn er tot en met april 2001 ruim 129 900 statushouders gehuisvest, waarvan gedurende de periode 1 juli 1995 (datum invoering wettelijke taakstellingen) tot en met april 2001 bijna 75 000 statushouders.

4.2 Overgang nieuwe Vreemdelingenwet-Zorgwet VVTV

De Zorgwet VVTV is met ingang van 1 april 2001 ingetrokken. In artikel 5 van Hoofstuk 11 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 zijn overgangsbepalingen met betrekking tot de beëindiging van de voorzieningen in het kader van de Zorgwet VVTV opgenomen. Eén van deze overgangsbepalingen gaat over het omzetten van de nog bestaande voorzieningen van VVTV'ers, die met het van rechtswege verkrijgen van een vergunning voor bepaalde tijd asiel in aanmerking moeten worden gebracht voor de reguliere voorzieningen. Het betrof op 1 april 2001 een populatie van ongeveer 9 000 personen in de gemeenten.

De gemeenten dienen deze operatie binnen een periode van ten hoogste zes maanden afgerond te hebben, dus op uiterlijk 1 oktober 2001. Belangrijk is dat de gemeenten met de voorbereiding van deze «omklap» niet hoeven te wachten tot het moment waarop de vergunninghouder feitelijk over zijn nieuwe document beschikt. In de circulaire van 8 maart 2001 over de consequenties van de nieuwe wet- en regelgeving voor het beëindigen van verstrekkingen op grond van de Zorgwet VVTV zijn de gemeenten hierover nader geïnformeerd.

In bovengenoemde circulaire is ook nadere informatie verstrekt over de andere overgangsbepalingen met betrekking tot de beëindiging van de voorzieningen in het kader van de Zorgwet VVTV ten aanzien van ex-VVTV'ers, die nog bij de rechter in procedure over de intrekking of niet-verlenging van de vergunning zijn. Het stappenplan Zorgwet VVTV van 20 november 2000 is na 1 april 2001 nog van toepassing op de groep ten aanzien waarvan tussen 2 december 2000 en 1 april 2001 een negatieve beslissing op het ingediende bezwaarschrift is genomen en waarop eerst na 1 april 2001 een ongegrondverklaring door de rechter volgt. Vanaf 1 april 2001 hoeven de gemeenten de beëindiging op grond van de Zorgwet VVTV in beginsel niet meer per beschikking kenbaar te maken. Het betrof op 1 april 2001 een populatie van ongeveer 6 900 personen. Ter uitvoering van het gemeentelijke beëindigingsbeleid van de VVTV-voorzieningen is een zorgvuldige afstemming met de activiteiten van de Regionale Integrale Terugkeer Teams (RITT's) en de plaatselijke Vreemdelingendienst van groot belang. In de begin mei 2001 aan de gemeenten te zenden circulaire over de taakstelling huisvesting statushouders voor het twee halfjaar van 2001 wordt opnieuw aandacht besteed aan de beëindiging van de voorzieningen in het kader van de Zorgwet VVTV.

4.3 Bestuurlijk Overleg over opvang asielzoekers en huisvesting statushouders

Op 5 april 2001 heeft een kabinetsdelegatie onder leiding van de minister voor Grote Steden – en Integratiebeleid bestuurlijk overleg met de VNG en het IPO gevoerd. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten weergegeven.

Centrale opvang asielzoekers

Het rijk heeft toegelicht dat dit jaar nog 10 000 aanvullende opvangplaatsen nodig zijn. Eerst op termijn is in de opvang effect te verwachten van de Vreemdelingenwet 2000; kortere behandeltermijnen zullen tot minder opvangplaatsen leiden.

De VNG heeft erop gewezen dat de komende periode onorthodoxe oplossingen nodig zijn; ook het huisvesten van statushouders in de gemeenten zal moeten doorgaan.

Het IPO heeft voorstellen gedaan voor het zoeken naar structurele opvangcapaciteit.

Afgesproken is dat in een projectgroep, waarin rijk en medeoverheden gezamenlijk optrekken, de mogelijkheden van structurele opvangplaatsen nader zullen worden uitgewerkt. In afwachting van deze verkenningen zullen echter ook tussentijds oplossingen moeten worden gevonden. In het eerstvolgende bestuurlijk overleg zal de stand van zaken opnieuw worden besproken.

Ten aanzien van de ZelfZorgArrangementsregeling (ZZA) voor asielzoekers is afgesproken dat deze regeling, zolang de capacitaire noodsituatie aanhoudt, zal worden voortgezet, waarbij het rijk de koppeling met de Kleinschalige Centrale Opvangplaatsen (KCO) zal loslaten. Het realiseren van deze categorieën opvangplaatsen zal voortaan door het COA met de betrokken gemeenten worden geregeld.

Opvang en zorg voor ROA-personen en ex-VVTV'ers in procedure

Het rijk heeft uitgesproken bereid te zijn de verantwoordelijkheid voor de opvang en zorg voor ROA-personen en voor ex-VVTV'ers in procedure van de gemeenten over te nemen. Deze overname zal voor het rijk budgettair neutraal moeten plaatsvinden. De uitvoering zal door het COA plaatsvinden. Het streven is gericht op de implementatie van deze overdracht met ingang van 1 januari 2002. Afgesproken is dat de bestaande werkgroep deze implementatie zal concretiseren. Over de voortgang zal in het eerstvolgende bestuurlijk overleg worden gerapporteerd.

(Uitgeprocedeerde) asielzoekers

Het rijk heeft de resultaten verwoord van het op 4 april jl. gevoerde overleg met gemeenten, commissarissen van de Koningin, de VNG en het COA over de problemen waarvoor gemeenten zich gesteld zien ten aanzien van (uitgeprocedeerde) asielzoekers waarvan de opvang is beëindigd. Er is een viertal onderwerpen geïdentificeerd waarover binnen de kaders van het beleid verder van gedachten zal worden gewisseld.

De VNG heeft het uitgangspunt van «niet toelaten betekent terugkeren» onderschreven en aandacht gevraagd voor de problemen in de uitvoeringspraktijk. Het is van belang om deze problemen gezamenlijk te bespreken en zo mogelijk naar oplossingen te zoeken. Aangedrongen is op de nodige urgentie bij de uitwerking van de tijdens de gezamenlijk gedeelde probleemverkenning geïdentificeerde onderwerpen.

Geconcludeerd is dat er duidelijkheid bestaat over het terugkeerkader van uitgeprocedeerden en dat het overleg zal worden voortgezet.

5 MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

5.1 Algemene ambtsberichten

Algemene ambtsberichten worden uitgebracht door de Minister van Buitenlandse Zaken aan de Staatssecretaris van Justitie en gebruikt voor de beoordeling van individuele asielverzoeken en voor de vaststelling van het landgebonden asielbeleid. In de eerste vier maanden van dit jaar werden ambtsberichten uitgebracht over de Federale Republiek Joegoslavië (Albanezen in Kosovo); Sri Lanka (Littekens); Pakistan (Ahmadi's); Amnestiewet FRJ; Noordelijke Kaukasus; Centraal-Irak; Noord-Irak; Liberia; Afghanen in derde landen: de Russische Federatie; Afghanen in derde landen: de Oekraïne; China (minderjarigen); Noordelijke Kaukasus; Somalië; Sudan

Overigens kwamen de algemene ambtsberichten – evenals de hieronder te noemen individuele ambtsberichten – in hun algemeenheid aan de orde in een Algemeen Overleg met de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse zaken, op basis van een brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 december 2000 waarin deze uiteenzet welke stappen het ministerie de afgelopen jaren heeft gezet ten behoeve van de kwaliteitsverbetering. Gesproken werd over de grotere mate van verifieerbaarheid van ambtsberichten door bronnenaanduiding en bronvermelding, inzichtelijkheid en leesbaarheid, de grote hoeveelheid informatie die in algemene ambtsberichten wordt aangetroffen, de frequentie en planning en daarnaast de taakafbakening tussen het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken op het terrein van de informatievoorziening. Teneur van het overleg was dat de verbeteringsinspanningen vrucht hebben afgeworpen.

5.2 Onderzoek in individuele zaken

Onderzoek in individuele zaken vormt een ander belangrijk onderdeel van de informatievoorziening door het Ministerie van Buitenlandse zaken op asielgebied.

Over de eerste vier maanden van 2001 werden in totaal 510 individuele ambtsberichten uitgebracht, terwijl 590 nieuwe onderzoeksverzoeken werden aangevraagd. Ten opzichte van vorig jaar is duidelijk sprake van een stijgende tendens; in 2000 werden in totaal 1133 individuele ambtsberichten geproduceerd. De stijging wordt ten dele veroorzaakt door het fors toegenomen aantal onderzoeksverzoeken van de IND inzake Chinese AMA's in het kader van het desbetreffende pilotproject dat per 1 april jl. van start ging. De verwachting is dat mede daarom de stijgende tendens zich zal voortzetten. Teneinde deze extra onderzoeksverzoeken aan te kunnen zijn inmiddels met het Ministerie van Justitie afspraken gemaakt over de beschikbaarstelling van extra financiële middelen, in te zetten voor versterking van de personele capaciteit op het departement en de posten.

Deze zal ook nodig zijn om de doorlooptijden zo kort mogelijk te houden; over de eerste vier maanden van dit jaar bedroeg deze ruim twintig weken.

Per 1 mei 2001 waren in totaal 615 individuele onderzoeksverzoeken bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken in behandeling.

Zoals hierboven aangegeven kwamen de individuele ambtsberichten ook aan de orde tijdens het Algemeen Overleg met de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken van 21 maart jl. Daaraan voorafgaande deed de Minister van Buitenlandse Zaken in zijn brief van 15 februari jl. desgevraagd uitgebreid verslag aan de Nationale Ombudsman van de huidige praktijk van het uitbrengen en gebruik van individuele ambtsberichten. In de brief wordt deze praktijk uiteengezet aan de hand van de negen aanbevelingen ter verbetering die de Nationale Ombudsman eerder deed in zijn rapport over individuele ambtsberichten van 18 augustus 1998. Deze brief werd in afschrift aan Uw Kamer gezonden.

In maart en april zijn 269 individuele ambtsberichten uitgebracht. In diezelfde periode kwamen 298 nieuwe verzoeken om onderzoek binnen. Het aantal uitstaande onderzoeksverzoeken bedraagt 615.


XNoot
1

Het aantal gemaakte AC-afspraken wordt in het volgende hoofdstuk van deze rapportage weergegeven.

XNoot
1

Alle asielzoekers die naar Nederland komen en aangeven een asielaanvraag in te willen dienen en daartoe op de wachtlijst worden geplaatst en een afspraak krijgen met het Aanmeldcentrum (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 19 637, nr. 529).

XNoot
1

Conform de motie van de leden Dittrich c.s., Tweede Kamer vergaderjaar 1998–1999, 19 637, nr. 379.

Naar boven