nr. 554
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 januari 2001
Overeenkomstig mijn eerder gedane toezegging aan Uw Kamer naar aanleiding
van de motie Rouvoet c.s. van 8 juni 2000 (TK 1999–2000, 26 732,
nr. 81), informeer ik Uw Kamer over de internationale initiatieven in internationale
fora ter vergroting van het draagvlak voor opvang van vluchtelingen en toetsing
van asielaanvragen in de regio.
In deze motie wordt de regering verzocht zich te beraden over de wijze
waarop het draagvlak voor dit concept in internationale fora kan worden vergroot
en welke stappen in die richting kunnen worden gezet in het verband van de
EU en de VN.
Alvorens nader in te gaan op de actuele initiatieven in VN- en EU-verband,
hecht ik er aan vooraf enkele algemene aspecten inzake opvang van vluchtelingen
en toetsing van asielaanvragen in de regio te belichten.
In de eerste plaats wil ik nogmaals benadrukken dat opvang van vluchtelingen
in de regio reeds sinds lange tijd de praktijk is. Het merendeel van de vluchtelingen
wereldwijd wordt opgevangen in landen, die in de Derde Wereld liggen. Als
voorbeeld van landen in de Derde Wereld die een groot aantal vluchtelingen
hebben opgenomen, kunnen Iran en Pakistan worden genoemd met een vluchtelingenaantal
van 1,8 respectievelijk 1,2 miljoen vluchtelingen, met name uit Afghanistan.
In de tweede plaats acht ik het van belang in dit verband te vermelden
dat het uitgangspunt van het Nederlands asiel- en vluchtelingenbeleid is dat
opvang in de regio van vluchtelingen en andere personen die bescherming behoeven
de voorkeur verdient. UNHCR draagt zorg voor vluchtelingen in hun eigen regio
en tracht voor hen een duurzame oplossing te zoeken. Nederland draagt middels
financiële ondersteuning hiertoe bij.
Ik onderschrijf het uitgangspunt dat de aard en de omvang van het mondiale
asielvraagstuk nopen tot een bezinning op de vormgeving van internationale
afspraken hierover. Hiertoe zijn inmiddels een aantal initiatieven tot stand
gekomen en ontwikkelingen geweest die hiertoe een bijdrage kunnen
leveren. Deze mogen er echter niet toe leiden dat afbreuk wordt gedaan aan
het Vluchtelingenverdrag van 1951.
Naar aanleiding van de bedoelde motie kan ik Uw Kamer mededelen dat in
EU-verband hieraan op de volgende wijze uitvoering wordt gegeven.
De Commissie heeft op 22 november jl. een mededeling uitgebracht
«Naar een gemeenschappelijke asielprocedure en een in de gehele Unie
geldige uniforme status voor personen aan wie asiel wordt verleend»
(COM (2000) 755 def.). Deze mededeling is op 4 december jl. aan Uw Kamer
gestuurd (TK 23 490, nr. 173). In deze mededeling wordt in paragraaf 2.3.2
gesteld dat de Commissie een onderzoek zal verrichten inzake opvang en toetsing
van aanvragen in de regio. De Commissie geeft in de mededeling aan dat dit
onderzoek verband zal houden met toetsing van asielaanvragen in de regio,
hervestigingsprogramma's van lidstaten van de EU en het tegengaan van illegale
immigratie en mensensmokkel. De Commissie zal zich in het onderzoek onder
meer op richten op de volgende vragen: de rol van de autoriteiten van de Lidstaten
van de EU, van diplomatieke posten in landen in de regio, instituties van
de EU en van UNHCR, voorwaarden voor toetsing in de regio, de keuze voor bepaalde
regio's of landen van herkomst, de vorm van bescherming die geboden wordt
in de regio, en de relatie tussen hervestigingsprogramma's in Lidstaten van
de EU en verzoeken die in de EU worden gedaan door asielzoekers die op eigen
gelegenheid naar landen in de EU komen.
Ook in VN-verband heeft Nederland het onderwerp opvang en toetsing van
aanvragen in de regio naar voren gebracht. UNHCR heeft in verband met het
vijftigjarig bestaan van het Vluchtelingenverdrag een proces van mondiale
consultaties opgezet, die volgend jaar zullen plaatsvinden. In deze consultaties
worden verschillende onderwerpen op het gebied van het vluchtelingenrecht
en beleid aan de orde gesteld. Nederland heeft in dit verband aangegeven het
onderwerp opvang in de regio in deze internationale consultaties te willen
bespreken. Ik ben van mening dat dit proces geschikt is om dit onderwerp mondiaal,
met Westerse landen en opvanglanden in de regio, te bespreken en te bezien
hoe het draagvlak hiervoor kan worden vergroot. Momenteel heb ik nog geen
uitsluitsel gekregen van UNHCR over de vraag of dit onderwerp deel uit zal
maken van de consultaties. Nederland zal zich echter blijven inspannen dit
onderwerp in het kader van dit proces aan de orde te stellen.
Ik vertrouw u met het bovenstaande voldoende te hebben geïnformeerd.
De Staatssecretaris van Justitie,
N. A. Kalsbeek