19 637
Vluchtelingenbeleid

26 732
Algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000)

nr. 554
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 januari 2001

Overeenkomstig mijn eerder gedane toezegging aan Uw Kamer naar aanleiding van de motie Rouvoet c.s. van 8 juni 2000 (TK 1999–2000, 26 732, nr. 81), informeer ik Uw Kamer over de internationale initiatieven in internationale fora ter vergroting van het draagvlak voor opvang van vluchtelingen en toetsing van asielaanvragen in de regio.

In deze motie wordt de regering verzocht zich te beraden over de wijze waarop het draagvlak voor dit concept in internationale fora kan worden vergroot en welke stappen in die richting kunnen worden gezet in het verband van de EU en de VN.

Alvorens nader in te gaan op de actuele initiatieven in VN- en EU-verband, hecht ik er aan vooraf enkele algemene aspecten inzake opvang van vluchtelingen en toetsing van asielaanvragen in de regio te belichten.

In de eerste plaats wil ik nogmaals benadrukken dat opvang van vluchtelingen in de regio reeds sinds lange tijd de praktijk is. Het merendeel van de vluchtelingen wereldwijd wordt opgevangen in landen, die in de Derde Wereld liggen. Als voorbeeld van landen in de Derde Wereld die een groot aantal vluchtelingen hebben opgenomen, kunnen Iran en Pakistan worden genoemd met een vluchtelingenaantal van 1,8 respectievelijk 1,2 miljoen vluchtelingen, met name uit Afghanistan.

In de tweede plaats acht ik het van belang in dit verband te vermelden dat het uitgangspunt van het Nederlands asiel- en vluchtelingenbeleid is dat opvang in de regio van vluchtelingen en andere personen die bescherming behoeven de voorkeur verdient. UNHCR draagt zorg voor vluchtelingen in hun eigen regio en tracht voor hen een duurzame oplossing te zoeken. Nederland draagt middels financiële ondersteuning hiertoe bij.

Ik onderschrijf het uitgangspunt dat de aard en de omvang van het mondiale asielvraagstuk nopen tot een bezinning op de vormgeving van internationale afspraken hierover. Hiertoe zijn inmiddels een aantal initiatieven tot stand gekomen en ontwikkelingen geweest die hiertoe een bijdrage kunnen leveren. Deze mogen er echter niet toe leiden dat afbreuk wordt gedaan aan het Vluchtelingenverdrag van 1951.

Naar aanleiding van de bedoelde motie kan ik Uw Kamer mededelen dat in EU-verband hieraan op de volgende wijze uitvoering wordt gegeven.

De Commissie heeft op 22 november jl. een mededeling uitgebracht «Naar een gemeenschappelijke asielprocedure en een in de gehele Unie geldige uniforme status voor personen aan wie asiel wordt verleend» (COM (2000) 755 def.). Deze mededeling is op 4 december jl. aan Uw Kamer gestuurd (TK 23 490, nr. 173). In deze mededeling wordt in paragraaf 2.3.2 gesteld dat de Commissie een onderzoek zal verrichten inzake opvang en toetsing van aanvragen in de regio. De Commissie geeft in de mededeling aan dat dit onderzoek verband zal houden met toetsing van asielaanvragen in de regio, hervestigingsprogramma's van lidstaten van de EU en het tegengaan van illegale immigratie en mensensmokkel. De Commissie zal zich in het onderzoek onder meer op richten op de volgende vragen: de rol van de autoriteiten van de Lidstaten van de EU, van diplomatieke posten in landen in de regio, instituties van de EU en van UNHCR, voorwaarden voor toetsing in de regio, de keuze voor bepaalde regio's of landen van herkomst, de vorm van bescherming die geboden wordt in de regio, en de relatie tussen hervestigingsprogramma's in Lidstaten van de EU en verzoeken die in de EU worden gedaan door asielzoekers die op eigen gelegenheid naar landen in de EU komen.

Ook in VN-verband heeft Nederland het onderwerp opvang en toetsing van aanvragen in de regio naar voren gebracht. UNHCR heeft in verband met het vijftigjarig bestaan van het Vluchtelingenverdrag een proces van mondiale consultaties opgezet, die volgend jaar zullen plaatsvinden. In deze consultaties worden verschillende onderwerpen op het gebied van het vluchtelingenrecht en beleid aan de orde gesteld. Nederland heeft in dit verband aangegeven het onderwerp opvang in de regio in deze internationale consultaties te willen bespreken. Ik ben van mening dat dit proces geschikt is om dit onderwerp mondiaal, met Westerse landen en opvanglanden in de regio, te bespreken en te bezien hoe het draagvlak hiervoor kan worden vergroot. Momenteel heb ik nog geen uitsluitsel gekregen van UNHCR over de vraag of dit onderwerp deel uit zal maken van de consultaties. Nederland zal zich echter blijven inspannen dit onderwerp in het kader van dit proces aan de orde te stellen.

Ik vertrouw u met het bovenstaande voldoende te hebben geïnformeerd.

De Staatssecretaris van Justitie,

N. A. Kalsbeek

Naar boven