Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 19637 nr. 529 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 19637 nr. 529 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 juni 2000
Door middel van deze brief doet ondergetekende u de Rapportage Asielketen over de maanden januari tot en met april 2000 toekomen.
Mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid,
Periode: januari tot en met april 2000
| Inleiding | |||
| Deel I. Instroom en stand van zaken Beleid | 3 | ||
| 1 | ONTWIKKELINGEN IN DE INSTROOM | 3 | |
| 1.1 | De instroom in Nederland | 3 | |
| 1.2 | De instroom in Europa | 4 | |
| 2 | STAND VAN ZAKEN GENOMEN BELEIDSMAATREGELEN | 6 | |
| 2.1 | AC afdoeningspercentage | 6 | |
| 2.2 | Tijdelijke Noodvoorziening Vreemdelingen (TNV) | 6 | |
| 2.3 | Overeenkomst van Dublin | 7 | |
| 2.4 | Landendesks (Gemeenschappelijke kennisgroep) | 7 | |
| 2.5 | Medische advisering | 8 | |
| 2.6 | Wijzigingen landenbeleid | 8 | |
| 2.7 | Cohortgewijs rapporteren: | 10 | |
| 2.8 | Stand van zaken terugkeer | 10 | |
| 3 | STAND VAN ZAKEN MOTIES EN TOEZEGGINGEN TK | 11 | |
| 3.1 | Moties | 11 | |
| 3.2 | Toezeggingen | 12 | |
| Deel II. Stand van zaken in de Asielketen | |||
| 4 | MINISTERIE VAN JUSTITIE | 15 | |
| 4.1 | Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) | 15 | |
| 4.2 | Centraal Orgaan opvang asielzoekers | 17 | |
| 4.3 | Vreemdelingenkamers | 18 | |
| 4.4 | Gefinancierde rechtsbijstand asielzoekers | 19 | |
| 5 | MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES | 19 | |
| 5.1 | Huisvesting statushouders | 19 | |
| 5.2 | Toezicht huisvestingstaakstellingen statushouders | 20 | |
| 5.3 | Uitplaatsingstermijnen | 20 | |
| 5.4 | Bestuurlijk Overleg Rijk, VNG en IPO over opvang en huisvesting statushouders | 21 | |
| 6 | MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN | 21 | |
| 6.1 | Algemene ambtsberichten | 21 | |
| 6.2 | Onderzoek in individuele zaken | 22 | |
| 6.3 | Versterking personele capaciteit | 22 | |
In deze Rapportage Asielketen wordt verslag gedaan van de stand van zaken binnen de asielketen over de maanden januari tot en met april 2000. Hiermee wordt aangesloten bij de afspraak met de Tweede Kamer om deze rapportage één maal per vier maanden op te stellen, waarbij de rapportage over de laatste vier maanden, tevens de jaarrapportage vormt.
In deel I van deze Rapportage Asielketen wordt ingegaan op de ontwikkelingen in de instroom en de stand van zaken met betrekking tot diverse genomen beleidsmaatregelen. Ingegaan wordt op de AC-afdoening, de bezetting van de TNV, de uitvoering van de Overeenkomst van Dublin, de activiteiten van de Landendesks en de stand van zaken bij het Bureau Medische Advisering. Ook wordt aandacht besteed aan de wijzigingen in het landenbeleid en het cohortsgewijs rapporteren. Een ander onderwerp dat in dit hoofdstuk aan de orde komt is de eerste rapportage over de uitvoering van het nieuwe terugkeerbeleid. Tenslotte wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de stand van zaken van diverse moties en toezeggingen aan uw Kamer.
In deel II wordt u geïnformeerd over de stand van zaken bij de verschillende partners in de asielketen. Het Ministerie van Justitie rapporteert over de stand van zaken bij de Immigratieen Naturalisatiedienst, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, de Vreemdelingenkamers en de gefinancierde rechtsbijstand asielzoekers. Vervolgens gaat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in op de huisvesting van statushouders, het toezicht op huisvestingstaakstellingen statushouders, de uitplaatsingstermijnen en het Bestuurlijk Overleg Rijk, VNG en IPO over de opvang van asielzoekers en de huisvesting van statushouders. Het ministerie van Buitenlandse Zaken sluit de rapportage af met een bijdrage over de algemene en de individuele ambtsberichten en over de versterking van de personele capaciteit.
DEEL I INSTROOM EN STAND VAN ZAKEN BELEID
1 Ontwikkelingen in de instroom
In tabel 1 is de instroom over de maanden januari, februari, maart en april van het jaar 2000 weegegeven. Hierbij is de definitie zoals vermeld in de brief van 20 januari 1999 aan uw Kamer1 als uitgangspunt genomen. Tevens is hierbij aangegeven in hoeveel gevallen het gedocumenteerden betrof en hoeveel humanitaire noodgevallen zijn geconstateerd.
Tabel 1: Instroomgegevens Nederland januari-april 2000
| Januari | Februari | Maart | April | Totaal | |
|---|---|---|---|---|---|
| Instroom | 3 796 | 3 124 | 3 179 | 2 864 | 12 963 |
| Gedocumenteerd | 940 | 736 | 654 | 606 | 2 946 |
| Humanitaire nood | 40 | 23 | 12 | 3 | 78 |
De instroom bedroeg in de eerste vier maanden van 2000 12 963. In de laatste 4 maanden van 1999 was dat 16 261. Deze daling is gebruikelijk in deze tijd van het jaar. De asielinstroom volgens deze definitie (het aantal vreemdelingen dat te kennen heeft gegeven een asielverzoek in te willen dienen en daartoe een afspraak heeft gemaakt met een AC) is echter 16% hoger dan in de eerste vier maanden van 1999. Het aantal asielzoekers dat gedocumenteerd was ligt iets hoger dan in voorgaande rapportages, terwijl het aantal humanitaire noodgevallen aanzienlijk lager ligt.
In tabel 2 wordt aangegeven hoeveel aanvragen door de IND in behandeling zijn genomen. Dit aantal dient als basis voor de hierna gepresenteerde nadere analyse, aangezien van deze populatie meerdere gegevens bekend zijn (zoals nationaliteit) en omdat dit aantal kan worden vergeleken met de aantallen van andere landen.
Tabel 2: Top-10 (januari-april 2000): in behandeling genomen asielaanvragen
| Nationaliteit | Januari | Februari | Maart | April | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|
| Afghanistan | 391 | 352 | 334 | 348 | 1 425 |
| Joegoslavië | 260 | 199 | 330 | 318 | 1 107 |
| Irak | 312 | 305 | 238 | 157 | 1 012 |
| Somalië | 348 | 156 | 173 | 193 | 870 |
| Iran | 224 | 183 | 150 | 176 | 733 |
| Turkije | 175 | 192 | 185 | 153 | 705 |
| Slowakije | 142 | 354 | 73 | 70 | 639 |
| Angola | 144 | 152 | 163 | 149 | 608 |
| Sierra Leone | 160 | 173 | 161 | 113 | 607 |
| Azerbeidzjan | 230 | 155 | 106 | 54 | 545 |
| Overig | 1 739 | 1 619 | 1 658 | 1 373 | 6 389 |
| Totaal | 4 125 | 3 840 | 3 571 | 3 104 | 14 640 |
In de periode januari tot en met april 2000 zijn 14 640 asielaanvragen in behandeling genomen. Hiervan was 56% afkomstig uit de top-10 landen van herkomst in deze periode. Ten opzichte van de top-10 van de laatste vier maanden van 1999 hebben Slowakije en Sierra Leone de plaats ingenomen van Sudan en China. De hoge instroom uit Slowakije concentreerde zich echter in februari 2000. Sindsdien is Slowakije weer uit de top-10 landen van herkomst verdwenen. Hierbij moet wel worden aangetekend dat het aantal in behandeling genomen asielaanvragen per maand sinds januari 2000 steeds is gedaald. De al eerder gesignaleerde toename van de spreiding voor wat betreft de belangrijkste herkomstlanden heeft zich voortgezet.
1.2 De instroom in Europa1
De Europese cijfers over 2000 zijn slechts beschikbaar tot en met maart. Daarmee bestrijken de cijfers over de instroom in Europa een maand minder dan die over de instroom in Nederland, zoals weergegeven in de vorige paragraaf. Van Italië en Spanje zijn overigens in het geheel geen recente cijfers bekend. Die landen worden daarom geheel buiten beschouwing gelaten.
In tabel 3 worden de instroomgegevens per land weergegeven over het eerste kwartaal van 2000 en die van dezelfde periode in 1999. Ook wordt aangegeven wat de procentuele verandering in 2000 is ten opzichte van dezelfde periode in 1999.
Tabel 3: Europese vergelijking asielaanvragen (bron: Inter-Governmental Consultations (IGC)
| Land | Jan-Mrt 1999 | Jan-Mrt 2000 | Mutatie | Mutatie in % |
|---|---|---|---|---|
| Duitsland* | 23 474 | 18 939 | – 4 535 | – 19% |
| Ver. Koninkrijk** | 13 943 | 18 901 | 4 958 | 36% |
| Nederland | 8 843 | 11 536 | 2 693 | 30% |
| Frankrijk*** | 6 302 | 10 556 | 4 254 | 68% |
| België*** | 5 748 | 7 810 | 2 062 | 36% |
| Zwitserland | 11 826 | 4 306 | – 7 520 | – 64% |
| Oostenrijk | 3 889 | 3 788 | – 101 | – 3% |
| Denemarken | 1 648 | 3 042 | 1 394 | 85% |
| Zweden | 2 548 | 3 021 | 473 | 19% |
| Ierland | 826 | 2 812 | 1 986 | 240% |
| Noorwegen | 1 738 | 1 667 | – 71 | – 4% |
| Finland | 288 | 934 | 646 | 224% |
| Totaal | 81 073 | 87 312 | 6 239 | 8% |
* Gezinsleden worden alleen meegerekend indien asielaanvraag afzonderlijk wordt ingediend.
** Exclusief gezinsleden.
*** Exclusief niet-alleenstaande minderjarige asielzoekers.
In de eerste drie maanden van 2000 zijn ca. 87 000 asielaanvragen ingediend in de in tabel 3 genoemde landen, een toename van ruim 6000 (8%) ten opzichte van dezelfde periode in 1999. Een zeer sterke daling van 64% ten opzichte van de eerste drie maanden van 1999 kende Zwitserland, terwijl ook het aantal ingediende asielverzoeken in Duitsland en, in mindere mate, Noorwegen en Oostenrijk daalde.
In absolute zin vond de grootste stijging plaats in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, maar in relatieve zin werden vooral Denemarken, Finland en Ierland met een sterke stijging geconfronteerd.
Het aandeel van Duitsland in het totaal van de in tabel 3 genoemde landen is verder blijven dalen tot 22% in de eerste drie maanden van 2000. In dezelfde periode van 1999 was het nog 27%. Het aandeel van het Verenigd Koninkrijk, in de eerste drie maanden van 1999 nog 16%, is gestegen tot 22%, even hoog als het Duitse aandeel. Het Nederlandse aandeel is gestegen van 10% tot 13%. Van de overige landen is vooral het aandeel van Frankrijk gestegen, dat van Zwitserland gedaald.
In de grafiek op de volgende pagina is de instroom in Europa er over de eerste drie maanden van 2000 in vergelijking met dezelfde periode in 1999 weergegeven.
Grafiek 1: Europese vergelijking (bron: IGC)
2 Stand van zaken genomen beleidsmaatregelen
Het gemiddelde afdoeningspercentage in de AC's was 14 % in de eerste 4 maanden van dit jaar. Dat betekent een stijging ten opzichte van de laatste maanden van 1999. Deze stijging wordt mede veroorzaakt door de toegenomen verwerkingscapaciteit van de AC's en anderzijds door het feit dat de instroom iets lager is dan in de laatste maanden van 1999.
2.2 Tijdelijke Noodvoorziening Vreemdelingen (TNV)
In de eerste 2 maanden van 2000 is de omvang van de wachtlijsten en de bezetting van de Tijdelijke noodvoorziening geleidelijk gedaald, zie tabel 4 waarna een stabilisatie is opgetreden. Uit de tabel blijkt dat circa 50% van de vreemdelingen op de wachtlijst gebruik maakt van de geboden opvang in een TNV.
| Wachtlijst en bezetting TNV's per einde van de maand | ||
|---|---|---|
| Wachtlijst | Bezetting TNV | |
| Januari '00 | 1 414 | 850 |
| Februari '00 | 898 | 430 |
| Maart '00 | 855 | 390 |
| April '00 | 816 | 410 |
Het aantal asielzoekers op de wachtlijst ligt enkele honderden boven het niveau van dezelfde periode in 1999. De capaciteit van de TNV is, gelet op de lagere bezetting, teruggebracht tot 500 plaatsen. Op het moment dat dit noodzakelijk blijkt, zal het COA deze capaciteit uitbreiden.
De wachtlijsten worden gebruikt om het afsprakensysteem in de AC's optimaal te laten functioneren. Zo kan bij de planning van afspraken rekening gehouden worden met het land vanherkomst en de taal van betrokkenen. Dit komt de efficiëntie van het AC proces ten goede.
In de onderstaande tabel wordt het totaal aantal door Nederland gelegde claims in de eerste 4 maanden van 2000 en de stand van zaken per 17 mei 2000 weergegeven.
| Claimland | Totaal ingediend | Waarvan | |||
|---|---|---|---|---|---|
| Openstaand | Geweigerd | Akkoord | Vervallen | ||
| Oostenrijk | 35 | 9 | 2 | 23 | 1 |
| België | 99 | 14 | 3 | 79 | 3 |
| Duitsland | 834 | 235 | 29 | 570 | |
| Denemarken | 6 | 4 | 2 | ||
| Spanje | 15 | 6 | 2 | 7 | |
| Frankrijk | 124 | 22 | 4 | 98 | |
| Groot Brittannië | 11 | 2 | 8 | 1 | |
| Griekenland | 17 | 4 | 13 | ||
| Italië | 106 | 65 | 10 | 31 | |
| Ierland | 1 | 1 | |||
| Portugal | 30 | 1 | 3 | 25 | 1 |
| Finland | 10 | 4 | 6 | ||
| Totaal | 1 288 | 360 | 66 | 856 | 6 |
In bovenstaand aantal zijn alle ingediende claims inbegrepen die in 2000 zijn ingediend. Het gaat dus zowel om de claims die in de AC fase zijn ingediend als de claims die later in de procedure zijn gelegd. In een aantal gevallen heeft een claim betrekking op een asielverzoek dat in 1999 is ingediend.
In 93 gevallen was er sprake van een geaccordeerde claim maar heeft de asielzoeker de uitkomst van de procedure niet afgewacht.
Er wordt op dit moment aan 1700 Dublinclaimanten1 opvang verleend het gaat hierbij om humanitaire noodsituaties en om claims die pas na de AC fase konden worden gelegd.
2.4 Landendesks (Gemeenschappelijke kennisgroep)
De Landendesks Irak en Afghanistan, hebben in de afgelopen jaren veel vragen beantwoord vanuit de IND-organisatie, het Kantoor Landsadvocaat en de Advies Commissie Vreemdelingenzaken (ACV) met betrekking tot Irak en Afghanistan. De Landendesks voorzien in een structurele behoefte. Daarom zijn zij geformaliseerd in een nieuwe afdeling, de Gemeenschappelijke Kennisgroep (GKG), waarin veel specialistische kennis over landen van herkomst is ondergebracht.
In de maanden januari tot en met april 2000 zijn met betrekking tot Irak 61 zaken (een zaak bevat meestal meerdere vragen) door GKG afgehandeld. Ten aanzien van de overige landen in het Midden-Oosten zijn er 9 zaken door GKG behandeld.
Met betrekking tot Afghanistan zijn er 57 zaken door GKG behandeld. Ten aanzien van de overige landen in Azië zijn er nog 14 zaken door GKG behandeld.
Ten aanzien van Afrikaanse zaken zijn er 67 door GKG behandeld. Voor wat betreft Europa heeft CGK 44 zaken behandeld.
Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft in 2000 in de maanden januari tot en met april 591 aanvragen om advies gekregen. In diezelfde periode heeft het BMA 1758 adviezen uitgebracht, met als gevolg dat de achterstand bij het verwerken van adviesaanvragen drastisch (met 1167) is afgenomen naar ongeveer 1100 dossiers.
Op 3 april is een brief over het landgebonden asielbeleid aan uw Kamer toegezonden. Daarbij werd tevens gewijzigd beleid ten aanzien van de onderstaande landen aangekondigd. Het Algemeen Overleg over deze brief heeft inmiddels op 9 mei jl. plaatsgevonden.
– Somalië (dd. 16 februari 2000);
– Federale Republiek Joegoslavië, exclusief Kosovo (dd. 24 januari 2000);
– Kosovo (dd. 1 maart 2000);
– Veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan (dd. 29 februari 2000);
– Azerbeidjan (dd. 28 december1999);
– Noordelijke Kaukasus (dd. 31 januari 2000).
Daarnaast zijn ook ten aanzien andere landen ontwikkelingen te melden.
Hieronder volgt een overzicht naar Regio:
Sierra Leone: Het uitstel-van-vertrek-beleid is met ingang van 3 januari 2000 beëindigd. U Kamer heeft op 8 februari 2000 met deze beleidswijziging ingestemd. Naar aanleiding hiervan is Werkinstructie 216 uitgebracht. Het oordeel van de REK van 1 februari jl. dat over de periode vanaf 1 december 1997 ten onrechte geen vvtv-beleid is gevoerd, is kort toegelicht in genoemde brief van 3 april. Naar aanleiding hiervan is een nieuwe Werkinstructie uitgebracht waar deze REK-uitspraak in is verwerkt, en waaruit volgt dat met terugwerkende kracht geen vvtv's hoeven te worden verleend, maar dat de periode van 1 december 1997 tot 3 januari 2000 kan worden meegerekend in het kader van het driejarenbeleid. Ook de consequenties van een ambtsbericht van Buitenlandse Zaken inzake Sierra Leone worden hierin verwerkt.
Somalië: Het vvtv-beleid voor clanlozen/minderheden is per 3 april beëindigd. Het vvtv-beleid blijft nog gelden voor de clanfamilies Digil en Rahanweyn, en mogelijk voor enkele kleine Hawiye-clans. De bijbehorende Werkinstructie is gereed. Dit betekent dat alle verleende vvtv's in Somalische zaken moeten worden herbeoordeeld en dat in daarvoor in aanmerking komende zaken de vvtv's moeten worden ingetrokken.
Bosnië: Op 18 februari 2000 heeft het Kabinet besloten dat Bosnische Moslims die de val van de enclave Srebrenica hebben meegemaakt, in aanmerking dienen te komen voor een vergunning tot verblijf. Naar aanleiding van dit standpunt is op 22 februari 2000 een brief aan uw Kamer gezonden, met daarin opgenomen welke personen in aanmerking komen voor verblijf. Dit beleid is inmiddels verwerkt in een TBV, dat zeer onlangs is verschenen.
Slowakije (Roma): De IND werd eind 1999 en begin 2000 geconfronteerd met een sterk stijgende instroom van Roma. In februari jl. nam Slowakije zelfs de eerste positie in de Top 10 van de landen van herkomst van die maand. De AC-afdoening van Roma werd bemoeilijkt vanwege jurisprudentie. Op de luchthaven Schiphol heeft vervolgens speciale opvang van deze categorie asielzoekers plaatsgevonden. Op grond van nieuwe informatie van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 15 februari en nieuwe jurisprudentie bleek AC-afdoening opnieuw mogelijk. Inmiddels is de instroom van Roma tot nul gereduceerd.
Irak: Op 13 september 1999 heeft de Rechtseenheidskamer (REK) uitspraak gedaan over het vvtv-beleid inzake Irak. Daarin heeft zij geoordeeld dat de afschaffing van het vvtv-beleid op juiste gronden is genomen. De REK was echter ook van mening dat in de twee voorliggende zaken van personen uit Centraal-Irak een motiveringsgebrek bestond ten aanzien van de vraag of een reële vestigingsmogelijkheid in Noord-Irak voorhanden is. Bij behandeling van zaken na deze REK uitspraak is in zaken van personen afkomstig uit Centraal-Irak een nadere motivering gegeven waarom ook in hun geval een vvtv onthouden kon worden.
Dit heeft geleid tot een tweede REK-uitspraak op 20 maart, waarin de beroepen gegrond verklaard zijn, voor zover geen vergunning tot verblijf was verleend.
Uw Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over het beleidsstandpunt naar aanleiding van deze REK-uitspraken, mede in het licht van het nieuwe algemene ambtsbericht inzake Noord-Irak van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Turkije: Bij brief van 8 december 1999 is het uitstel van vertrek beleid opgeheven. Op 13 maart 2000 heeft daarover – en over mogelijke schending van artikel 3 EVRM voor Turks Koerdische dienstweigeraars bij terugkeer naar Turkije – een zitting van de Adviescommissie Vreemdelingenzaken (ACV) plaatsgevonden. Bij de Rechtbank Zwolle lagen dezelfde rechtsvragen voor. De rechtbank heeft het standpunt van de Staatssecretaris van Justitie gevolgd. Het aspect van dienstweigering in Turks Koerdische zaken is – na eerdere ACV-adviezen – voorgelegd aan een Meervoudige Kamer (MK). Uitspraken zijn nog niet gedaan.
Afghanistan: Bij brief van 3 april 2000 is het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 betreffende «Veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan» aan uw Kamer aangeboden. De informatie in dit ambtsbericht biedt de mogelijkheid dat aan een onder-officier van de Khad en de WAD (ministeries tijdens het communistische bewind) die asiel aanvraagt in Nederland voortaan in de regel artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zal worden tegengeworpen. Over de consequenties van de REK-uitspraak van 4 mei jl. inzake Afghanistan, is uw Kamer bij brief van 19 mei jl. geïnformeerd (kenmerk 5022860/00/DVB).
Azerbeidjan: In de landgebonden asielbrief van 3 april jl. aan uw Kamer is nieuw beleid ten aanzien van Azerbeidjan aangekondigd. Voor gemengd gehuwden (man: etnisch Armeens, vrouw: etnisch Azeri) die vóór 1992 uit de toenmalige Sovjet-republiek Azerbeidzjan zijn gevlucht en die niet in de tussentijd het staatsburgerschap hebben gekregen van de Sovjet-staat waar zij nadien hebben verbleven, kan Armenië als vestigingsalternatief dienen. De UNHCR heeft bevestigd dat de Armeense autoriteiten ook daadwerkelijk het staatsburgerschap zullen verlenen aan de etnisch Azeri vrouwen die getrouwd zijn met een man van etnisch Armeense afkomst. De IND heeft hieromtrent een Werkinstructie in ontwikkeling.
Vanaf januari 2000 vinden maandelijkse updates plaats van het asielvolg- en het cohortsysteem. In april 2000 is een eerste proefrapportage – later dan voorzien opgesteld waarin afdoeningsprofielen en doorprocederen zichtbaar worden gemaakt voor verschillende jaren van instroom (vanaf '94) en de belangrijkste nationaliteiten waarop landenspecifiek beleid van toepassing is of is geweest. Momenteel worden de uitkomsten van de proefrapportage gevalideerd.
Op 9 februari 2000 is het document «Context en managementafspraken», waarin de belangrijkste kaders zijn aangegeven voor de verdere inrichting en werkwijze van het project, door de ketenpartners ondertekend. Bij brief van 1 mei jl. (kenmerk 5020544/00/DVB) is dit document aan uw Kamer aangeboden. Ter uitvoering van het vernieuwde terugkeerbeleid is het Stappenplan 2000 ontwikkeld. Op 10 februari 2000 vond publicatie in de Staatscourant plaats. Kort daarna verscheen ook een beschrijving van de Administratieve Organisatie (AO) en zijn in het kader van de uitvoering van het stappenplan 2000 richtlijnen voor het samenstellen van het proces-vertrekdossier door het COA opgesteld. Uit de rapportages van de Regionale Kwaliteitsplatforms Terugkeerorganisatie (KPT's) blijkt dat deze volledig zijn voor wat betreft de formatie. Alle ketenpartners leggen zich toe op de uitvoering van het terugkeerbeleid in algemene zin en het Stappenplan 2000 in het bijzonder.
Voor vragen vanuit de uitvoering hebben zowel politie, COA als de IND een eigen helpdesk ingericht. Teneinde vooral in de beginperiode zicht te krijgen op het aantal vreemdelingen dat in de finale vertrektermijn is terechtgekomen, zijn met de KPT's afspraken gemaakt voor een centraal gecoördineerd «Early Warning Systeem». Gelet op de asielprocedure is het te verwachten dat het aantal vreemdelingen voor wie een finale vertrektermijn geldt pas in de tweede helft van 2000 substantieel van omvang zal zijn.
In het kader van de uitvoering van het project Terugkeer is recentelijk gestart met de zogenaamde «doelgroep-gerichte aanpak». In het document «Context en managementafspraken» wordt deze aanpak genoemd als extra instrument, naast de reguliere werkwijzen. Hiermee wordt een extra impuls gegeven aan de terugkeer van specifieke doelgroepen. Noord-Irakezen en etnisch Albanezen uit Kosovo zijn gekozen als de eerste doelgroepen.
In de periode 1 januari – 1 juni van dit jaar hebben 18 personen, afkomstig uit Noord-Irak van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, terwijl nog eens 27 personen zich hebben aangemeld. Voor wat betreft de terugkeer van etnisch Albanezen uit Kosovo wordt verwezen naar pagina 12 van deze rapportage.
Voor beide doelgroepen geldt dat zij bij de zelfstandige terugkeer gebruik kunnen maken van de faciliteiten van het IOM.
Voor de uitvoering van een centraal voorlichtingsbeleid met betrekking tot terugkeer is in januari 2000 de Werkgroep Voorlichting Terugkeerbeleid gevormd. In deze werkgroep zijn voorlichters van Justitie, COA, politie, IND, IOM, KMAR en VNG vertegenwoordigd. De werkgroep Voorlichting is betrokken bij de voorbereidingen van een viertal congressen over het nieuwe terugkeerbeleid, die op initiatief en in samenwerking met de VNG in de tweede helft van mei 2000 gehouden zullen worden. Deze congressen hebben als doelgroep bestuurders en ambtenaren van gemeenten.
Medio maart 2000 is het Handboek Gezamenlijk Procedurebeheer (GPB) door het Landelijk Overleg Terugkeer Organisatie (LOTO) vastgesteld. Dit handboek biedt aanknopingspunten voor alle betrokken medewerkers van COA, Politie en IND in de lokale taakgroepen voor de AZC's om de samenwerking in het kader van het GPB te vergemakkelijken en daarbij een uniforme werkwijze te bewerkstelligen.
De IOM heeft haar organisatie aangepast om overeenkomstig het gestelde in de terugkeernotitie te kunnen opereren. Hiertoe is de organisatie uitgebreid met een zestal kantoren, verspreid over het gehele land. Ten behoeve van deze kantoren is een 20-tal nieuwe medewerkers aangesteld. Deze medewerkers zijn omstreeks 1 april met hun werkzaamheden begonnen, na gedurende een week een introductieprogramma te hebben gevolgd. Op 30 maart 2000 is het convenant COA-IOM door de betrokken organisaties ondertekend. In dit convenant zijn intenties vastgelegd met betrekking tot de onderlinge samenwerking en overdracht van informatie.
In het kader van de uitvoering van het Stappenplan 2000 worden de Regionale Integrale TerugkeerTeams (RITT's) wekelijks in het bezit gesteld van de zogenaamde caseloadgegevens. Op die wijze is steeds duidelijk aan welke vreemdelingen een beschikking in eerste aanleg moet worden uitgereikt, aan welke vreemdeling een beschikking in bezwaar is toegezonden, en aan welke vreemdeling een beschikking tot intrekking/niet-verlenging moet worden uitgereikt. In de rapportageperiode is ten aanzien van 8318 asielzoekers een negatieve beschikking gemaakt als gevolg waarvan het Stappenplan 2000 op de betrokken vreemdeling van toepassing is. In alle gevallen zal het COA een terugkeergesprek met de betrokkene houden.
3 Stand van zaken moties en toezeggingen TK
Motie Kamp c.s. inzake bespoediging terugkeer asielzoekers (TK 19 637, nr. 467)
De voorbereidingen voor de uitvoering van de motie Kamp inzake de beschikbaarheid van benodigde documenten voor terugkeer zijn bijna afgerond. Dat wil zeggen dat de komende maanden alle asielzoekers die daarvoor in aanmerking komen een brief zullen ontvangen waarin hen verzocht wordt alle noodzakelijke acties te ondernemen om documenten te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor terugkeer naar het land van herkomst.
Motie Dittrich c.s. inzake krenkende passages homoseksuelen (TK 19 637, nr. 474)
Op 5 oktober 1999 heeft uw Kamer, in het kader van de bespreking van de notitie Terugkeerbeleid, een motie aangenomen (TK 1999–2000, 19 637, nr. 474) over de behandeling van asielaanvragen van homoseksuelen. De regering wordt daarin verzocht krenkende passages ten aanzien van homoseksuelen niet meer in beschikkingen op te nemen. Daarmee wordt gedoeld op beschikkingen waarin op grond van het feit dat de autoriteiten van het land van herkomst niet van de homoseksualiteit van betrokkene afweten, de conclusie wordt getrokken dat de asielzoeker naar dat land kan terugkeren en daar niet voor zijn homoseksualiteit behoeft uit te komen. Tevens wordt de regering verzocht te bezien of in voorkomende gevallen een verblijfsvergunning op humanitaire gronden dient te worden verleend.
Aan het eerste onderdeel van deze motie is uitvoering gegeven middels werkinstructie nr. 219. Hiermee wordt de aandacht gevestigd op specifieke aspecten van de behandeling van asielaanvragen van homoseksuelen. De gebruikte passages in beschikkingen die een mogelijke verwijzing naar de seksuele geaardheid van betrokkene betreffen, zullen niet meer worden opgenomen en zijn vervangen door een meer algemeen geformuleerde passage.
Ten aanzien van het tweede onderdeel van de motie, waarin de regering verzocht wordt te bezien of in voorkomende gevallen een verblijfsvergunning op humanitaire gronden dient te worden verleend, is geen afzonderlijke uitvoering noodzakelijk. Zowel in ambtsberichten, het staand beleid als werkinstructies voor de beoordeling van asielaanvragen wordt aandacht besteed aan de positie van homoseksuelen in bepaalde landen van herkomst. In voorkomende gevallen zijn in werkinstructies nadere richtlijnen opgenomen voor de beoordeling van asielaanvragen van homoseksuelen. Het is staand beleid en staande jurisprudentie dat een vreemdeling die zich er op beroept dat hij of zij problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn of haar homoseksuele geaardheid onder omstandigheden kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Onder het behoren tot een sociale groep als bedoeld in artikel 1A Vluchtelingenverdrag wordt mede begrepen vervolging wegens seksuele geaardheid. In het kader van de asielprocedure wordt eveneens beoordeeld of aan de betrokkene een vergunning op humanitaire gronden dient te worden verleend.
Toezegging Cijfermatige gegevens over de asielaanvragen en uitzettingen van Turkse Koerden (TK vergaderjaar 1999–2000 nr. 1724; AO 20-09-99)
In 1998 hebben in totaal 1222 Turken asiel aangevraagd. 976 van hen waren van Koerdische afkomst. In 1999 zijn 1490 asielaanvragen van Turken geregistreerd, waarvan 1258 Koerden. In de eerste 4 maanden van 2000 zijn 599 Turkse Koerden geregistreerd, van de in totaal 705 Turken.
Momenteel (stand 21 mei 2000) wachten 2070 Turken, waarvan 1768 Koerden op een beslissing van de IND (in eerste aanleg of bezwaar). 411 Turkse asielzoekers (waarvan 154 Koerden) wachten op een rechterlijke uitspraak in een VOVO procedure en 199 (waarvan 154 Koerden) in een beroepsprocedure.
Van de in totaal 2680 Turkse asielzoekers in procedure is 2262 van Koerdische afkomst (84%).
In 1998 zijn 817 Turken teruggekeerd, onder wie 549 Koerden, in 1999 waren dat 656 Turken waarvan 446 Koerden. In de eerste 4 maanden van 2000 zijn 215 Turken teruggekeerd, onder hen bevonden zich 163 Turkse Koerden.
Toezegging Overzicht aantallen asielzoekers uit FRJ inclusief Kosovaren die zijn teruggekeerd en die nog in procedure zijn (TK vergaderjaar 1999–2000 nr. 1727; AO 16-12-99)
Naar aanleiding van vragen van leden van uw Kamer tijdens het algemeen overleg van 16 december 1999 heb ik aan uw Kamer toegezegd dat er een overzicht volgt van de aantallen Joegoslaven, inclusief Kosovaren die naar Nederland zijn gekomen, die zijn vertrokken en die in procedure zijn.
Bij de registratie van de instroom en het aantal asiel gehoor/beslis en bezwaar ten aan zien van personen uit de Federale Republiek Joegoslavië wordt geen onderscheid gemaakt naar etniciteit.
Tabel 6: instroomcijfers Federale Republiek Joegoslavië (inclusief humanitaire evacues uit Kosovo)
| Nationaliteit | 1998 | 1999 | 1/1–1/5-2000 |
|---|---|---|---|
| Joegoslavië | 4 289 | 7 783 | 1 107 |
In bovenstaand overzicht wordt de instroom sinds 1998 weergegeven inclusief de humanitaire evacues die in 1999 door Nederland zijn opgenomen (4091 personen).
Tabel 7: aantallen zaken asiel gehoor/beslis en bezwaar
| Aantal zaken per 1 mei 2000 | Totaal |
|---|---|
| Totaal | 7 353 |
In bovenstaand overzicht wordt weergegeven het aantal zaken asiel dat nog in behandeling is bij de IND, inclusief het aantal bij de vreemdelingenkamer en het aantal terug te keren Joegoslaven.
Tabel 8: terugkeer van Joegoslaven asiel
| Terugkeer Joegoslaven asiel | 1999 | 1/1–1/5-2000 | Totaal |
|---|---|---|---|
| Totaal | 4 824 | 578 | 5 402 |
In bovenstaand overzicht wordt het aantal teruggekeerde weergegeven inclusief het aantal Kosovaren dat onder begeleiding van het IOM is teruggekeerd naar Kosovo of naar elders is vertrokken.
Toezegging informatie over de uitvoering van de Wet ongedocumenteerden (TK vergaderjaar 1999–2000 nr. 1759; AO 09-02-00)
Bij de totstandkoming van de wijziging van artikel 15c, lid, sub f. van de Vreemdelingenwet (wet ongedocumenteerden) heb ik uw Kamer toegezegd één jaar na inwerkingtreding de werking van deze wetswijziging te evalueren.
De belangrijkste uitkomsten van deze evaluatie zijn:
1) Eén jaar na inwerkintreding van de wet is het percentuele aandeel in de instroom van ongedocumenteerde asielzoekers nog niet afgenomen. In die zin blijft het resultaat van de wetswijziging achter bij de verwachtingen. De evaluatie geeft overigens aan dat de stellige indruk bestaat dat asielzoekers zich mogelijk ontdoen van documenten en indicatief bewijs voorafgaand aan het eerste gehoor.
2) De wet ongedocumenteerden gaat uit van het toerekenbaar ontbreken van documenten. Dit blijkt in de praktijk lastig vast te stellen in het licht van de gedeelde bewijslast tussen de overheid en de asielzoeker. Het toerekenbaar ontbreken van documenten moet vervolgens worden betrokken bij de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag, hetgeen een moeilijke afweging impliceert. Bovendien zijn in de praktijk niet alle voorbeelden uit de parlementaire geschiedenis, bij voorbeeld het afgeven van reisdocumenten aan de reisagent, door de rechter gevolgd. Om deze redenen zijn de resultaten bij de toepassing van de wet lager dan in eerste instantie werd verondersteld. In circa 4% van de asielaanvragen in de periode van februari 1999 t/m februari 2000 is – met toepassing van de wet ongedocumenteerden – een aanvraag KONO afgedaan.
3) De evaluatie toont daarnaast aan dat toepassing van de wetswijziging wel heeft geleid tot een meer volledige vaststelling van het gehele feitencomplex (identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas) die in algemene zin de beoordeling van asielaanvragen faciliteert. De uitbreiding van het onderzoek naar (het ontbreken van documenten inzake) identiteit, nationaliteit en reisroute in het kader van de wet ongedocumenteerden heeft ertoe geleid dat er een betere selectie kan plaatsvinden in de AC's en dat er een uitgebreider feitencomplex is waarop de asielbeslissingen in algemene zin kunnen worden gebaseerd. Dit effect is versterkt door de invoering van de 48-uursprocedure, waardoor er meer tijd beschikbaar is gekomen om bij alle asielaanvragen onderzoek te doen naar identiteit, nationaliteit en reisroute.
Teneinde de uitvoering van de wet verder te faciliteren heb zal de IND bezien in hoeverre de toepassing van de wet ongedocumenteerden in het beslisproces nog verder kan worden vereenvoudigd, opdat in de beslispraktijk vaker dan nu het geval is met toepassing van wet ongedocumenteerden aanvragen KONO kunnen worden afgedaan.
Daarnaast heeft de Staatssecretaris van Justitie, teneinde het «verdwijnen» van documenten tussen het moment van de aanmelding en de indiening van de asielaanvraag, in het voorstel voor een nieuwe Vreemdelingenwet een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt over te gaan tot fouillering op het moment dat een vreemdeling te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen (artikel 53, tweede lid). In afwachting van de inwerkingtreding van de nieuwe wet zal de IND in een aantal proefzaken onderzoeken of het huidige wettelijke regime mogelijkheden daartoe bevat.
Toezegging inzake rechtsbijstand illegalen (TK vergaderjaar 1999–2000 nr. 1775; AO 15-03-00)
In het Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Justitie over de tussenrapportage van de evaluatie van de Koppelingswet van 15 maart. jl. heeft de heer Dittrich de Staatssecretaris van Justitie gevraagd hoe vaak illegale vreemdelingen gebruik maken van gefinancierde rechtsbijstand.
Op grond van de Wet op de rechtsbijstand, die mede is gebaseerd op Grondwettelijke en internationale bepalingen, heeft een ieder in Nederland recht op rechtsbijstand. Hieraan zijn wel voorwaarden verbonden, maar die hebben geen betrekking op de verblijfsrechtelijke status van de rechtszoekende. Aangezien bij de verlening van rechtsbijstand geen onderscheid wordt gemaakt naar de verblijfsrechtelijke positie van de rechtzoekende zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal illegalen dat gebruik maakt van gesubsidieerde rechtsbijstand.
Aan illegalen kan gesubsidieerde rechtsbijstand worden verleend in de volgende gevallen:
• Tijdens het spreekuur bij het bureau voor rechtshulp;
• Tijdens het verlengd spreekuur bij het bureau voor rechtshulp; de rechtszoekende legt dan een verklaring af over zijn inkomen (hij moet minder-draagkrachtig zijn);
• Middels een toevoeging van een advocaat door de raad voor rechtsbijstand. De rechtzoekende dient, om hiervoor in aanmerking te komen, een verklaring omtrent zijn inkomen en vermogen te overleggen (een zgn. VIV). Als de rechtszoekende dat niet kan, dan kan de raad voor rechtsbijstand besluiten alsnog een toevoeging af te geven. De rechtzoekende dient in dit geval anderszins in redelijkheid aannemelijk te maken dat hij aan de gestelde draagkrachtcriteria voldoet.
Toezegging: Rapporteren over de regeling voor het kopiëren van documenten door vervoerders (TK vergaderjaar 1999–2000 nr. 1791; Nota naar aanleiding van het verslag Vw2000 18-02-00)
Op 24 januari 2000 werd tussen de Staatssecretaris van Justitie enerzijds en de KLM anderzijds een MOU (memorandum of understanding) ondertekend met als doel het aantal onjuist gedocumenteerden aangevoerd per KLM in de komende drie jaar fors omlaag te brengen. Daar eerst per 1 april 2000 uitvoering is gegeven aan het gestelde in het MOU, is het nog te vroeg om uw Kamer over de resultaten te informeren. Wel heeft de monitoringscommissie een audit uitgevoerd op de KLM stations Dubai en Abu Dhabi. Naar aanleiding van dit bezoek zijn aanbevelingen gedaan, waaronder training van KLM personeel en medewerkers van de lokale Immigratiedienst op het gebied van documenten. Deze trainingen zijn inmiddels door de Koninklijke Marechaussee uitgevoerd. Tevens is door de monitoringscommissie een werkbezoek gebracht aan het KLM station Lagos (Nigeria). Ook hier zullen door de Koninklijke Marechaussee trainingen verzorgd gaan worden. Voorts is tijdens dit bezoek afgesproken dat per 1 september 2000 tot 1 januari 2001 op de luchthaven Lagos tezamen met de Duitse Grensbewakingsautoriteiten pre-boardingchecks uitgevoerd gaan worden op vluchten van de KLM en Lufthansa naar respectievelijk Amsterdam en Frankfurt.
DEEL II. STAND VAN ZAKEN IN DE ASIELKETEN
4.1 Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)
In deze paragraaf wordt ingegaan op de productie die door de IND is gerealiseerd in de eerste 4 maanden van 2000 en op het aantal nog te behandelen zaken per 1 mei 2000. Vervolgens wordt ingegaan op het aantal verleende statussen in deze rapportage periode.
In onderstaande tabel is de productie van de IND weergegeven in de verschillende asielprocedures. Ter vergelijking is de realisatie over geheel 1999 toegevoegd en is aangegeven welk deel van de totale geplande productie is gerealiseerd in de rapportageperiode.
Uit de tabel blijkt dat het aantal afgehandelde zaken conform planning is.
| Realisatie 1999 | Realisatie januari t/m april 2000 | % gerealiseerd van jaarplanning 2000 | |
|---|---|---|---|
| Asiel gehoor | 46 178 | 16 159 | 38% |
| 1e aanleg | 50 682 | 18 507 | 31% |
| Bezwaar | 19 715 | 7 618 | 39% |
De IND streeft er naar om bij de inwerkingtreding van de nieuwe Vreemdelingenwet «met een schone lei» te beginnen, dat wil zeggen dat op dat moment de achterstanden op het gebied van asiel gehoor en 1e aanleg zijn weggewerkt en dat het aantal nog te behandelen zaken is teruggebracht tot een normale werkvoorraad. Uit onderstaande tabel blijkt dat de het aantal nog te behandelen aantal nog te behandelen gehoren en 1e aanleg zaken langzaam afneemt.
Het aantal nog te behandelen bezwaarzaken neemt toe. De prioriteit van de IND ligt dit jaar dan ook niet bij het afhandelen van bezwaarzaken, maart bij gehoor en 1e aanleg. Uit de tabel blijkt tevens dat voor wat betreft gehoor en 1e aanleg het aantal zaken uit 1998 (en eerdere jaren) en 1999 dat nog behandeld moet worden flink af is genomen ten opzichte van de stand per 1 januari 2000. Dit geldt ook voor het aantal bezwaarzaken uit 1998 of ouder.
Tabel 10: Aantal nog te behandelen zaken op datum indiening van het asielverzoek
| 1998 | 1999 | 2000 | Totaal | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Stand per | 1-1-00 | 30-4-00 | 1-1-00 | 30-4-00 | 1-1-00 | 30-4-00 | 30-4-00 |
| Gehoor | 458 | 455 | 11 279 | 2 921 | 6 842 | 11 737 | 10 218 |
| 1e aanleg | 8 252 | 4 611 | 14 499 | 13 616 | 4 102 | 22 751 | 22 338 |
| Bezwaar | 21 924 | 21 286 | 6 525 | 10 915 | 1 715 | 28 449 | 33 916 |
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal statussen dat is verleend in de rapportageperiode, zowel in de eerste aanleg procedure als in bezwaar. In bezwaar gaat het in sommige gevallen om een statusomzetting (een vtv of VVTV wordt bijvoorbeeld alsnog omgezet in een A-status).
| Status | 1e aanleg | Bezwaar | Totaal |
|---|---|---|---|
| A-status | 248 | 288 | 536 |
| Vtv | 1 004 | 644 | 1 648 |
| VVTV | 792 | 41 | 833 |
In onderstaande tabel wordt gerapporteerd over het aantal teruggekeerden in de maanden januari tot en met april 2000.
Tabel 12: Terugkeer over de maanden januari t/m april 2000
| Soort terugkeer | Asiel | Regulier |
|---|---|---|
| Controle adres | 3 853 | 1 561 |
| Vertrek onder toezicht | 957 | 5 082 |
| Uitzetting | 622 | 2 675 |
| Aanzegging na vreemdelingenbewaring | 130 | 1 087 |
| MTV | 11 | 2 144 |
| Totaal | 5 573 | 12 549 |
4.2 Centraal Orgaan opvang asielzoekers
De totale instroom van asielzoekers in de centrale opvang is in 1999 uitgekomen op 38 000 personen. Dit betekent een daling van 4000 ten opzichte van de instroom in 1998. De instroom in de eerste vier maanden van dit jaar laat een dalende tendens zien (tabel 13). Stroomden er in januari nog 3500 asielzoekers in, in april was dit gedaald tot 2300. In totaal stroomden er over de eerste vier maanden 11 700 asielzoekers in. Dat is 2000 hoger dan in de vergelijkbare periode vorig jaar.
De uitstroom over de eerste vier maanden is vrijwel stabiel gebleven op een gemiddelde uitstroom van 1700 per maand. In totaal zijn er 7000 personen uit de centrale opvang uitgestroomd.
Het saldo van in- en uitstroom over de eerste vier maanden van 2000 resulteert in een toename van de bezetting van de centrale opvang met 4700 personen naar 69 200.
Tabel 13: Instroom/uitstroom centrale opvang januari t/m april 2000
| Januari | februari | Maart | april | Totaal 2000 | |
|---|---|---|---|---|---|
| Instroom | 3 524 | 3 115 | 2 687 | 2 345 | 11 671 |
| Uitstroom | 1 723 | 1 772 | 1 836 | 1 624 | 6 955 |
| Saldo | 1 801 | 1 343 | 851 | 721 | 4 716 |
Op 1 mei bevonden zich ruim 69 000 asielzoekers in de centrale opvang. Hiervan verbleven er 59 100 in een opvangcentrum, 10 100 personen maakten op dat ogenblik gebruik van het zogenaamde ZelfZorgArrangement (ZZA). De opvangcapaciteit van 60 200 was daarmee voor vrijwel 100% bezet, waardoor fluctuaties in de inen uitstroom moeilijk meer zijn op te vangen. Door het inrichten van flexibele opvangcapaciteit in paviljoententen die als buffercapaciteit kunnen worden gehanteerd, en het in zijn algemeenheid leveren van extra inspanningen op het terrein van de verwerving van centrale opvangcapaciteit, tracht het COA de nieuwe instroom van asielzoekers te huisvesten.
In tabel 14 op de volgende pagina wordt een specificatie van de bezetting van de opvang gegeven naar nationaliteit.
Tabel 14: Top-10 bezetting naar nationaliteit
| Nationaliteit | Aantal |
|---|---|
| Irak | 10 666 |
| Afghanistan | 6 291 |
| Joegoslavië | 5 759 |
| Somalië | 5 053 |
| Iran | 4 424 |
| Azerbajdzjan | 4 022 |
| Bosnië Herzegovina | 3 017 |
| Soedan | 2 913 |
| Turkije | 2 415 |
| Angola | 2 351 |
| Overige | 21 769 |
| Subtotaal | 68 680 |
| Evacues uit Kosovo | 480 |
| Totaal | 69 160 |
Het gebruik van de ZZA-regeling is per ultimo 1999 uitgekomen op 9200. Sindsdien is het gebruik van deze regeling met gemiddeld 210 per maand toegenomen tot 10 100 op 1 mei 2000. In verband met de capacitaire noodsituatie is de ZZA-regeling voorlopig verlengd tot 1 juli 2000. Eind juni zal hierover opnieuw plaatsvinden met de VNG en het IPO.
Over het aantal Kleinschalige Centrale Opvangeenheden (KCO-plaatsen) kan worden opgemerkt dat van de bestaande afspraak om in het jaar 2000 10 000 plaatsen te realiseren, gemeenten inmiddels ruim 3600 plaatsen hebben gerealiseerd en hebben toegezegd er voor eind 2000 nog eens ruim 2500 te zullen realiseren.
De prognose voor centrale opvangcapaciteit voor eind 2000, inclusief de plaatsen in het kader van de ZZA-regeling en KCO-plaatsen, bedraagt 76 000 plaatsen.
Overigens wordt voor wat betreft de decentrale opvangcapaciteit voor eind 2000 uitgegaan van een prognose van ongeveer 4000 plaatsen.
Voorraadontwikkeling
In de tabel zijn de cijfers van de vreemdelingenkamer van de eerste vier maanden van dit jaar weergegeven. De cijfers zijn afgezet tegen de prognoses van de vreemdelingenkamer.
Tabel 15: Productie en voorraadgegevens Vreemdelingenkamer eerste 4 maanden 2000
| Beginvoorraad | Instroom Vreemdelingenkamer | Uitstroom Vreemdelingenkamer | Eindvoorraad | |
|---|---|---|---|---|
| Prognose | 33 467 | 15 640 | 12 080 | 37 027 |
| Realisatie | 33 467 | 15 341 | 13 733 | 35 075 |
De instroom van nieuwe beroepen bij de Vreemdelingenkamer was in de eerste vier maanden van dit jaar onverminderd hoog. Ten opzichte van de prognose is de productie met ruim 1600 zaken gestegen. Omdat de productie de afgelopen vier maanden hoger was dan de instroom, leidt dit ertoe dat de huidige werkvoorraden licht afnemen. Voor de verwachte omvang van de eindvoorraden op jaarbasis geldt dat deze nog steeds hoger zijn dan de beginvoorraad, hoewel lager dan de aanvankelijk geprognosticeerde eindvoorraad.
De productiestijging is waarschijnlijk een gevolg van het feit dat de vreemdelingenkamers bezig zijn met de projectmatige afhandeling van bepaalde categorieën zaken. Het is mogelijk dat productie enigszins zal dalen door de inspanningen die de bestaande vreemdelingenkamers momenteel verrichten voor de inrichting van de vijf nieuwe zittingsplaatsen, met name door het geven van opleidingen.
De voorbereidingen voor de uitbreiding van het aantal zittingsplaatsen van de vreemdelingenkamer van vijf naar tien, vorderen gestaag. Het voorstel tot wetwijziging, noodzakelijk voor de uitbreiding, is door uw Kamer aangenomen. Er is een begin gemaakt met het opleiden van het personeel dat zal deel uitmaken van de vreemdelingenkamers in Arnhem en Assen, de zittingsplaatsen die in september van start zullen gaan. Eveneens is gestart met de inrichting van de nieuwe locaties.
4.4 Gefinancierde rechtsbijstand asielzoekers
In het kader van de ketengerichte aanpak van de asielproblematiek is een goede afstemming tussen de ketenpartners belangrijk. Aansluitend en aanvullend op de voorzieningen die zijn getroffen ten aanzien van de interdepartementale afstemming is er een maandelijks afstemmingsoverleg tussen stichtingen rechtsbijstand asiel (SRA), raden voor rechtsbijstand en het ministerie van Justitie (Directie Rechtsbijstand en Juridische Beroepen). In dat overleg vindt afstemming plaats over het te voeren beleid op het terrein van de rechtsbijstand, waarbij tevens de voornemens van andere ketenpartners worden betrokken.
Belangrijkste opgave is zeker te stellen dat het aanbod van rechtsbijstandverleners zowel kwantitatief als kwalitatief voldoende is om de (autonome) vraag op dit rechtsterrein te kunnen bedienen. Een onvoldoende aanbod heeft immers een vertragend effect op de rest van de keten.
Mede op basis van een door de SRA's uitgevoerd marktonderzoek, is een planningsinstrumentarium ten aanzien van het aanbod ontwikkeld. Voor de korte termijn (tot medio 2000) worden geen knelpunten in het aanbod verwacht. De raden en SRA's hebben inmiddels maatregelen getroffen of in voorbereiding genomen om ook voor de komende jaren een voldoende aanbod van rechtsbijstandverleners te kunnen blijven verzekeren.
Op 1 januari 2000 is het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in werking getreden. Als gevolg hiervan is de vergoeding aan rechtsbijstandverleners verhoogd. Dit komt de bereidheid van rechtsbijstandverleners om deel te nemen aan het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand en dus ook het verlenen van rechtsbijstand in asielzaken, ten goede. Een nadere uitwerking van het nieuwe vergoedingenbesluit voor asielzaken heeft waar nodig reeds plaatsgevonden.
5 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Ten behoeve van de eerste huisvesting van statushouders in de gemeenten is bij circulaire van 11 november 1999 de taakstelling voor de eerste helft van 2000 bekend gemaakt. Voor deze periode gaat het om het huisvesten van 5000 statushouders (2300 A/VTV-statushouders en 2700 VVTV-statushouders).
Vanaf januari tot en met april 2000 zijn in totaal 3250 statushouders gehuisvest (1425 A/VTV-statushouders en 1825 VVTV-statushouders). Hiermee liggen de gemeenten op schema om gedurende het eerste halfjaar van 2000 in totaal 5000 statushouders te huisvesten.
In de gezamenlijke circulaire van de staatssecretaris van Justitie, de minister voor GSI en de VNG van 23 december 1999 is de gemeenten verzocht om op vrijwillige basis voor eind 2000 10 000 zgn. Kleinschalige Centrale Opvangeenheden (KCO-opvangplaatsen) te leveren. In de circulaire is benadrukt dat deze vorm van opvang voor asielzoekers los staat van de wettelijke plicht tot het tijdig huisvesten van statushouders. Op grond van de bereikte resultaten kan geconcludeerd worden dat er gedurende deze verslagperiode geen sprake is geweest van een spanningsveld tussen de taakstelling voor reguliere huisvesting van statushouders en het verzoek tot bijdrage aan de KCO opvang voor asielzoekers.
Sinds de invoering van de taakstellingssystematiek (mei 1993) zijn er tot en met april 2000 122 900 statushouders gehuisvest, waarvan gedurende de periode 1 juli 1995 (datum invoering wettelijke taakstellingen) tot en met april 2000 67 900 statushouders.
Voor de tweede helft van 2000 is in de circulaire van 8 mei 2000 aan de gemeenten bekend gemaakt dat naar verwachting in deze periode 5100 statushouders van eerste huisvesting moeten worden voorzien (3500 A/VTV-statushouders en 1600 VVTV-statushouders).
5.2 Toezicht huisvestingstaakstellingen statushouders
De provincies en ROL-besturen hebben een wettelijke toezichthoudende taak bij de voortgang en realisatie van de huisvestingstaakstellingen voor statushouders. Elk half jaar stellen deze toezichthouders hierover een rapportage op waarin wordt ingegaan op de wijze waarop gemeenten voldoen aan de huisvestingstaakstellingen voor statushouders, de eventuele knelpunten die daarbij optreden en de wijze waarop invulling is gegeven aan de toezichthoudende taak.
Uit de ontvangen rapportages blijkt dat de provincies en ROL-besturen over het algemeen op actieve wijze invulling geven aan hun toezichthoudende rol alsook aan het stimuleren van de realisering van de taakstellingen, waarbij met name de achterlopende gemeenten de aandacht hebben. Dit heeft geresulteerd in de afspraak dat het COA zich inspant om bij voorrang statushouders naar deze gemeenten uit te plaatsen. Naar aanleiding van de rapportages over de periode tot en met de eerste helft van 1999 is bij brief van 24 februari 2000 aan de toezichthouders nader ingegaan op de aangereikte aandachts- en knelpunten is tevens aangegeven tot welke acties deze hebben geleid.
Gedurende de eerste vier maanden van 2000 is het systeem van procesbewaking voortgezet waarbij de ketenpartners maandelijks rapporteren over de voortgang van de afgesproken maatregelen om de gemiddelde uitplaatsingstermijn tot drie maanden terug te brengen en waarbij de zich voordoende knelpunten worden besproken en aangepakt.
De wijziging in het besluit GBA waarmee de inschrijving van asielzoekers in de GBA bij 6 maanden verblijf in Nederland formeel mogelijk wordt gemaakt is 13 april jl. gepubliceerd in het Staatsblad. Het gewijzigde besluit zal in werking treden op 1 juni as.
De gemeenten hebben in april 2000 een brief ontvangen met een handreiking waarin achtergrondinformatie over deze voorgenomen wijziging is opgenomen.
Daarnaast zijn er de nodige procedurele afspraken gemaakt tussen IND, VD en COA om de activiteiten rond het verzenden en uitreiken van de beschikking beter op elkaar af te stemmen.
Onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat van de in maart 2000 gehuisveste statushouders 87% het uitplaatsingsproces binnen de gestelde termijn van drie maanden doorloopt.
5.4 Bestuurlijk Overleg Rijk, VNG en IPO over opvang en huisvesting statushouders.
Op 30 maart 2000 heeft een kabinetsdelegatie onder leiding van de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid bestuurlijk overleg met de VNG gevoerd. Het IPO was ambtelijk vertegenwoordigd. Dit overleg stond vooral in het teken van de aanhoudende capacitaire noodsituatie in de centrale opvangvoorzieningen voor asielzoekers.
Het Zelfzorg Arrangement (ZZA) voor asielzoekers is met drie maanden verlengd tot 1 juli 2000. In een eerder gehouden bestuurlijk overleg (1 december 1999) was de afspraak gemaakt om de ZZA per 1 april 2000 af te schaffen indien gemeenten op vrijwillige basis voor eind 2000 10 000 opvangplaatsen voor asielzoekers in het kader van KCO (Kleinschalige Centrale Opvangvoorzieningen) konden leveren. Feitelijk gaat het daarbij om 6500 aanvullende KCO-plaatsen omdat eind 1999 reeds 3500 plaatsen in het kader van COW (Centrale Opvang in Woningen) waren geleverd. Hiertoe is, zoals aangegeven, op 23 december 1999 een gezamenlijke brief van het Rijk en de VNG aan de gemeenten gestuurd.
In het bestuurlijk overleg van 30 maart jl. is geconcludeerd dat het nog te vroeg is om te bepalen of gemeenten in voldoende mate KCO-plaatsen kunnen genereren. Daarom zal in het eerstvolgende bestuurlijk overleg opnieuw bekeken worden of de ZZA-regeling al dan niet beëindigd kan worden. Afgesproken is om het volgende bestuurlijk overleg vóór eind juni 2000 te organiseren. In dat overleg zal overigens tevens worden gesproken over de verwachte toekomstige ontwikkelingen van de opvangmodaliteiten, in het kader van de voorbereiding van de herziening van het opvangmodel.
Toekomstige opvangmodaliteiten
In de eerste vier maanden van 2000 is er ook overleg gevoerd over de wijze waarop de opvang van asielzoekers, mede in het licht van de Nieuwe Vreemdelingenwet, zal worden vorm gegeven. In nader ambtelijk overleg met de VNG en het IPO wordt de notitie Opvangmodaliteiten afgerond. Het voornemen is om hierover eind juni opnieuw bestuurlijk overleg met de VNG en het IPO te voeren, waarna de notitie aan uw Kamer zal worden toegezonden.
6 Ministerie van Buitenlandse Zaken
Algemene ambtsberichten spelen een prominente rol binnen de asiel-informatievoorziening. Zij worden uitgebracht aan de Staatssecretaris van Justitie en worden gebruikt bij de beoordeling van individuele asielverzoeken en voor de vaststelling van het landengebonden asielbeleid.
Kwaliteitshandhaving en waar nodig kwaliteitsverbetering blijven ook in de komende periode permanente aandachtspunten. In dit licht was ook het advies van de Tijdelijke Adviescommissie Algemene Ambtsberichten van eind 1998 van belang. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft uw Kamer per brief van 22 januari 1999 zijn reactie op dit advies gezonden en daarbij aangegeven op welke wijze opvolging moet worden gegeven aan de in het advies vervatte aanbevelingen. Op 28 juni a.s. is een overleg over – in het bijzonder – dit advies voorzien met uw Kamer. Overigens is in voorgaande asielketenrapportages verslag gedaan hoe de opvolging van de aanbevelingen in de praktijk vorm heeft gekregen.
De werkafspraken tussen Justitie en Buitenlandse Zaken aangaande de procedure bij de totstandkoming van ambtsberichten zijn aangevuld, in het bijzonder met het betrekken van Amnesty International (AI) en Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland (VVN) bij het opstellen van de terms of reference voor een ambtsbericht. Indien Justitie aan Buitenlandse Zaken verzoekt een nieuw algemeen ambtsbericht uit te brengen, zal Justitie AI en VVN in de gelegenheid stellen aandachtspunten naar voren te brengen. Indien en voor zover Justitie deze aandachtspunten van belang acht zullen zij worden geïntegreerd in de terms of reference voor het ambtsbericht.
In de periode januari–april 2000 werden de volgende algemene ambtsberichten uitgebracht:
FRJ/Algemeen (zonder Kosovo), Russische Federatie/Noordelijke Kaukasus, Somalië, Pakistan/Staatsgreep, Afghanistan/Veiligheidsdienst, FRJ/Albanezen in Kosovo, Slowakije/Positie Roma, Nigeria, Algerije, Noord-Irak, Russische Federatie/Positie Joden, Bosnië-Herzegovina, Congo-Brazzaville.
6.2 Onderzoek in individuele zaken
Kwaliteitsverbetering is en blijft ook een belangrijke doelstelling ten aanzien van een ander element van de informatievoorziening zoals het Ministerie van Buitenlandse Zaken die voor zijn rekening neemt, te weten de individuele ambtsberichten. Om die reden worden op dit moment bezien hoe de in 1998/1999 ingevoerde werkprocessen nog verder kunnen worden verbeterd. In de loop van dit jaar moet dit uitmonden in een nieuwe set werkinstructies voor het departement in Den Haag en voor de ambassades.
In de periode januari tot en met april 2000 zijn 421 individuele ambtsberichten uitgebracht. Dit is iets meer dan in dezelfde periode in 1999. Meer dan de helft van de individuele ambtsberichten had betrekking op Afghanistan, Irak, Iran en Sri Lanka. In het eerste trimester van 2000 werden 323 aanvragen voor een asielonderzoek van de IND ontvangen; dit betekent een lichte daling ten opzichte van dezelfde periode in 1999.
6.3 Versterking personele capaciteit
In de voorgaande Rapportages Asielketen is de uw Kamer uitgebreid geïnformeerd over de personele capaciteitsuitbreiding die in de loop van 1999 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn beslag heeft gekregen ter invulling van de middelen die met de Voorjaarsnota van 1999 aan het ministerie werden toegekend met het oog op haar toenemende taken op het terrein van asiel en migratie. Deze extra middelen beliepen f 25 mln. voor 1999 en f 35 mln. structureel voor de volgende jaren.
Met betrekking tot de besteding van deze middelen werd in het eerste kwartaal een voortschrijdend meerjarig beleids- en bestedingsplan vastgesteld. De middelen worden ingezet ter versterking van de uitvoeringscapaciteit en verbetering van de werkprocessen.
Vooral is en wordt het aantal medewerkers voor asiel en migratie, visumverlening en fraudebestrijding op het departement en de posten sterk uitgebreid. Tot en met het eerste kwartaal van 2000 werden in totaal 125 extra formatieplaatsen gecreëerd.
In dit kader is ook een programma gestart om door middel van verdere training en opleiding de kwaliteit van het personeel dat voornamelijk belast is met asiel- en migratietaken te verhogen. Daartoe zijn en worden onder meer diverse specifieke trainingstrajecten ontwikkeld t.b.v. het uitgezonden en lokale personeel werkzaam op zogeheten risicoposten en in de probleemlanden. Ook worden er ook speciale bijeenkomsten van de onder het Ministerie van Buitenlandse Zaken ressorterende immigratiemedewerkers gehouden. Zo vond medio januari een dergelijke conferentie in Beiroet plaats waaraan alle betrokken medewerkers uit de posten in het Midden Oosten aan deelnamen. Voor andere delen van de wereld zijn dergelijke bijeenkomsten in voorbereiding.
Alle asielzoekers die naar Nederland komen en aangeven een asielaanvraag in te willen dienen en daartoe op de wachtlijst worden geplaatst en een afspraak krijgen met het Aanmeldcentrum.
In Europees verband (IGC) wordt een andere definitie van instroom gehanteerd (nl. het aantal in behandeling genomen asielaanvragen) dan de definitie die is afgesproken met de Tweede Kamer (zie voorgaande paragaaf).
Conform de motie van de leden Dittrich c.s., Tweede Kamer vergaderjaar 1998–1999, 19 637, nr. 379.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-529.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.