Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 april 2026
Op 18 december 2025 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken een nieuw algemeen
ambtsbericht over Eritrea gepubliceerd. Het ambtsbericht geeft aanleiding om het landgebonden
beleid voor Eritrea aan te passen.
Landenbeleid Eritrea
Uit het huidige ambtsbericht blijkt de zeer zorgelijke politieke- en mensenrechtensituatie
in Eritrea onveranderlijk. Dit uit zich onder meer in de situatie van dienstplichtigen.
In de vorige wijziging van het land gebonden beleid voor Eritrea is al opgenomen dat
personen die het militaire onderdeel van de nationale dienstplicht moeten vervullen
systematisch worden blootgesteld aan ernstige schade. Personen die de civiele dienstplicht
moeten vervullen zijn aangemerkt als risicoprofiel onder ernstige schade.
Uit het huidige ambtsbericht blijkt dat er geen harde scheidslijn is tussen het militaire
onderdeel van de nationale dienstplicht en het civiele onderdeel. Het (bij terugkeer
moeten) vervullen van het civiele onderdeel van de nationale dienstplicht moet gelijk
met het militaire onderdeel van de nationale dienstplicht worden aangemerkt als een
systematische blootstelling aan ernstige schade in de zin van paragraaf C2/3.3.2.1
Vc. Het beleid wordt hierop aangepast.
In het huidige ambtsbericht is ook vermeld dat het verlaten van Eritrea tijdens de
dienstplichtige leeftijd door de Eritrese autoriteiten wordt beschouwd als landverraad
dat bestraft moet worden. Dienstplichtontduikers en deserteurs krijgen te maken met
zware straffen, waaronder langdurige detentie en marteling.
Personen met de Eritrese nationaliteit die zijn gedeserteerd of de nationale dienstplicht
hebben ontdoken, zowel het militaire als het civiele onderdeel, worden aangemerkt
als personen die behoren tot een groep die systematisch worden vervolgd. Zij komen
-behoudens contra indicaties- in aanmerking voor bescherming op grond van artikel 29,
eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000.
De Vreemdelingencirculaire 2000 onder paragraaf C7/13 zal hierop worden aangepast.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink