19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 2897 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 mei 2022

Per brief van 20 april 2022 heeft de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid mij verzocht uw Kamer een brief te sturen over de gevolgen van twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) over de overdracht in het kader van de Dublinverordening van twee asielzoekers aan Kroatië. Via deze brief voldoe ik aan dit verzoek.

De twee uitspraken

Op 13 april 2022 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in twee individuele zaken waarin de IND het in Nederland ingediende asielverzoek niet in behandeling had genomen, omdat op basis van de EU-Dublinverordening Kroatië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van dat asielverzoek.1 In deze uitspraken overweegt en oordeelt de Afdeling hierover o.a. het navolgende.

Lidstaten van de Europese Unie mogen er, op basis van het zogenoemde interstatelijk vertrouwensbeginsel, in principe van uitgaan dat andere lidstaten voldoen aan de verplichtingen die uit het Unierecht voorvloeien. Op basis van de Dublinverordening wordt onder andere aangenomen dat de lidstaten asielzoekers niet zullen behandelen in strijd met de rechten zoals beschermd in het Europees verdrag van de Rechten van de Mens (verder: EVRM). Toch kan er aanleiding zijn voor nader onderzoek als wordt getwijfeld of de situatie in een andere Europese lidstaat voldoet aan de eisen van het EVRM.2

De Afdeling oordeelt dat de IND in het geval van Kroatië nader onderzoek moet doen naar de situatie voor asielzoekers die onder de Dublinverordening zijn overgedragen aan Kroatië. De Afdeling overweegt hiertoe dat gelet op de door de vreemdeling ingeroepen rapporten over de pushbacks in Kroatië moet worden geoordeeld dat de pushbacks in Kroatië een fundamentele systeemfout zijn in de asielprocedure van dat land, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Uit die rapporten blijkt volgens de Afdeling namelijk dat de pushbacks in Kroatië niet incidenteel, maar al geruime tijd en op grote schaal plaatsvinden. Het risico op pushbacks bestaat niet enkel bij de buitengrenzen, maar ook voor vreemdelingen die door Kroatië opnieuw zijn toegelaten vanuit andere lidstaten en voor vreemdelingen die zich dieper in het binnenland van Kroatië bevinden. Er zijn volgens de Afdeling concrete aanknopingspunten dat niet van het vermoeden kan worden uitgegaan dat Kroatië zich aan zijn internationale verplichtingen houdt, zodat nader onderzoek had moeten worden gedaan naar het risico voor overgedragen Dublinclaimanten om door Kroatië te worden uitgezet zonder behandeling dan wel tijdens de behandeling van hun asielverzoek. Met deze uitspraken komt de Afdeling tot een ander oordeel dan in haar uitspraak van 19 juli 2021, waarin de Afdeling nog overwoog dat uit de in die zaak overgelegde stukken niet bleek dat Dublinclaimanten na overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks.3

Gevolg van de uitspraken

Naar aanleiding van deze uitspraak kunnen vreemdelingen niet meer op grond van de Dublinverordening vanuit Nederland worden overdragen aan Kroatië, zonder dat eerst onderzoek is gedaan naar de actuele situatie voor Dublinclaimanten in Kroatië. Om uitvoering te geven aan de onderzoeksopdracht die de Afdeling feitelijk heeft gegeven, zal ik proberen voldoende aanvullende informatie hierover te verzamelen. Vervolgens zal worden bezien of deze informatie in combinatie met de rapportages van het – in de zomer van 2021 opgerichte – onafhankelijke Kroatische grensmonitoringsmechanisme en eventuele andere rapporten van latere datum die nog niet bij de Afdelingsuitspraak van 13 april jl. zijn betrokken, voldoende informatie bevat om tot de conclusie te komen dat Kroatië zich aan zijn internationale verplichtingen houdt. Tot die tijd zullen vanuit Nederland geen asielzoekers op de voet van de Dublinverordening worden overgedragen aan Kroatië. Zaken waarin de in de Dublinverordening neergelegde uiterste overdrachtsdatum verstrijkt, zullen tot de Nederlandse asielprocedure worden toegelaten en inhoudelijk worden behandeld door de IND.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, E. van der Burg


X Noot
2

In casu art. 3 EVRM (en ook art. 4 EU Handvest).

Naar boven