Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202019637 nr. 2597

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 2597 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 april 2020

Tijdens de regeling van werkzaamheden van 17 december 2019 (Handelingen II 2019/2020, nr. 39 item 46) heeft u mij gevraagd te reageren op berichtgeving dat oorlogsmisdadigers in de gemeentelijke bed, bad en broodvoorzieningen zouden verblijven. In deze brief, waarmee ik tevens reageer op de motie van het lid Emiel van Dijk over het direct oppakken, vastzetten en uitzetten van oorlogsmisdadigers, leest u mijn reactie.1

Nederland mag geen vluchthaven zijn voor oorlogsmisdadigers of plegers van andere internationale misdrijven. Dat is de reden dat vreemdelingen die artikel 1F van het VN-vluchtelingenverdrag tegengeworpen hebben gekregen Nederland moeten verlaten. Het uitgangspunt is zelfstandig vertrek, maar indien vreemdelingen weigeren Nederland op eigen gelegenheid te verlaten, wordt ingezet op gedwongen vertrek. De aanwezigheid van geldige reisdocumenten en medewerking aan terugkeer door het herkomstland, hebben invloed op het doen slagen van gedwongen vertrek.

Ook komt het voor dat het terugsturen van een vreemdeling met een 1F-status naar het land van herkomst ernstig gevaar voor die persoon kan opleveren (artikel 3 EVRM beletsel). In dat geval mag de vreemdeling niet door Nederland gedwongen worden uitgezet. Dit betekent overigens niet dat de vreemdeling een verblijfsvergunning krijgt. De zelfstandige vertrekplicht blijft onverminderd gelden. Daarnaast gaat de DT&V na of er alternatieve vertrekmogelijkheden voorhanden zijn, bijvoorbeeld naar een land van eerder verblijf. Tevens beoordeelt de IND regelmatig of nog steeds sprake is van een artikel 3 EVRM beletsel voor terugkeer. Overigens informeert de IND, in geval van toepassing van artikel 1F, altijd het Openbaar Ministerie zodat bezien kan worden in hoeverre strafrechtelijke vervolging mogelijk is.

Het klopt dat uit geopenbaarde documenten van mijn ministerie blijkt dat vreemdelingen met een 1F-status in bed, bad en broodvoorzieningen (hierna: BBB´s) in enkele gemeenten verbleven. De BBB´s betreffen buitenwettelijk begunstigend beleid dat gemeenten onder eigen verantwoordelijkheid uitvoeren. Dit houdt in dat besluitvorming over toelating tot de BBB´s aan gemeenten zelf is.

Zoals u weet, werkt dit kabinet met gemeenten samen in het kader van het programma Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (hierna: LVV). Met de deelnemende gemeenten heb ik afgesproken dat bepaalde categorieën vreemdelingen in principe zijn uitgezonderd van toelating tot de pilot-LVV´s. Het gaat om vreemdelingen die recht hebben op opvang of onderdak van rijkswege, vreemdelingen met een zwaar inreisverbod van 10 jaar of hoger, ongewenstverklaarden, EU-burgers en Dublinclaimainten. De volledige afspraken zijn terug te lezen in de convenanten van de deelnemende gemeenten.2 Met de VNG en de gemeenten die aan de pilot deelnemen is overeengekomen dat gemeenten BBB’s gaandeweg zullen sluiten naarmate LVV’s zich verder ontwikkelen.

Specifiek ten aanzien van vreemdelingen met een 1F-status acht ik het van belang om te benadrukken dat zij nagenoeg altijd een zwaar inreisverbod of een ongewenstverklaring krijgen opgelegd. Dit betekent concreet dat zij in principe uitgesloten zijn van toelating tot de pilot-LVV´s en geen onderdak krijgen. Graag informeer ik u nader over de gemaakte afspraken tijdens de technische briefing. Deze briefing stond gepland voor het voorjaar 2020, maar deze is in verband met COVID-19 is tot nadere orde is uitgesteld.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A. Broekers-Knol


X Noot
1

Kamerstuk 19 637, nr. 2562.

X Noot
2

Bijlagen bij Aanhangsel Handelingen II 2018/2019 nr. 3283.