Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201919637 nr. 2523

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 2523 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 augustus 2019

Tijdens het algemeen overleg eID en Paspoorten1 van 21 februari jl. stelde het lid Bosma (PVV) vragen over het initiatiefvoorstel in de Amsterdamse gemeenteraad met als titel «Het recht op de stad: stadsrechten en een stadspas voor alle Amsterdammers (ongeacht papieren)». Daarop heb ik toegezegd hierover in gesprek te gaan met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid informeer ik u hierbij over de uitkomsten van dit overleg.

Het voorstel dat in de gemeenteraad van Amsterdam voorligt, gaat over de toepassing van de «Amsterdam Pas». Deze stadspas kan door doelgroepen zoals minima en ouderen gebruikt worden voor culturele en sociale voorzieningen. De initiatiefnemers (GroenLinks Amsterdam, BIJ1 en Denk) stellen voor te onderzoeken of de huidige Stadspas kan worden uitgebreid naar een Amsterdam Pas voor álle Amsterdammers, ongeacht papieren. Voor ongedocumenteerden stellen de initiatiefnemers voor ook de mogelijkheden van de pas uit te breiden met «de mogelijkheid tot identificatie met pasfoto en eventueel registratienummer. Hiermee kan toegang tot zorg en veiligheid worden georganiseerd.» In het voorstel zelf is er geen sprake van de benaming «paspoort». Ook heeft deze pas (zoals welke andere stadspas dan ook) op geen enkele wijze de status of waarde van een document zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

De verantwoordelijkheid voor de beoordeling en eventuele besluitvorming ten aanzien van dit voorstel ligt primair bij de gemeente Amsterdam. Het voorstel ligt nog ter behandeling voor in de gemeenteraad; daarbij is inmiddels bekend geworden dat het college dit voorstel niet steunt. Ik hecht eraan te benadrukken dat maatregelen op het gebied van (onrechtmatig verblijvende) vreemdelingen, ook op lokaal niveau, binnen de kaders van wet- en regelgeving moeten passen en in lijn zijn met het migratiebeleid. Dit geldt in het bijzonder voor het koppelingsbeginsel zoals dat is geformuleerd in artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000. Uitgangspunt van het koppelingsbeginsel is dat verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen aan vreemdelingen worden gekoppeld aan de rechtmatigheid van hun verblijf. Uitzonderingen op dit koppelingsbeginsel betreffen onderwijs voor minderjarigen en medisch noodzakelijke zorg.

Ten slotte is het van belang dat maatregelen op lokaal niveau in lijn zijn met het terugkeerbeleid van de overheid. Dat wil zeggen dat vreemdelingen, die geen rechtmatig verblijf hebben, Nederland op eigen initiatief dan wel gedwongen verlaten. Daarom is het van belang dat onrechtmatig verblijf niet wordt gefaciliteerd.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops


X Noot
1

Kamerstuk 26 643 en 25 764, nr. 598