Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201719637 nr. 2334

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 2334 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2017

In het Algemeen Overleg (AO) over diverse woononderwerpen van 7 juni jl. (Kamerstuk 32 847, nr. 302) heb ik u toegezegd nadere informatie te sturen over enkele specifieke zaken omtrent de huisvesting van vergunninghouders. Achtereenvolgens ga ik in op mogelijke weigeringsgronden van toegewezen woningen mede in relatie tot de subsidieregeling (vraag van het lid Kops van de PVV) en het schrappen van de automatische urgentiestatus (vraag van het lid Koerhuis van de VVD).

De heer Kops (PVV) stelde in het AO aan de orde dat er berichten zijn verschenen dat vergunninghouders soms de aangeboden huisvesting weigeren of er ontevreden over zijn. Hij vroeg mij toe te lichten of dergelijke weigeringen gehonoreerd worden.

Zoals ik al eerder schriftelijk heb toegelicht, zijn gemeenten op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 verantwoordelijk voor de huisvesting van vergunninghouders. Hoewel het moet gaan om een duurzame vorm van huisvesting, is het eveneens aan gemeenten zelf om te bepalen welk type woningen zij beschikbaar stellen.

Vergunninghouders worden gekoppeld aan gemeenten en krijgen van die gemeenten een éénmalig aanbod van passende woonruimte. Bij het koppelen van een statushouder aan een gemeente en bij het toewijzen van een woning wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de situatie van de betreffende statushouder. Denk hierbij aan de beschikbare mogelijkheden voor werk of opleiding, de woonplaats van familieleden en (psychische) gezondheidsaspecten.

In verreweg de meeste gevallen ontstaat zo een correcte match en is het weigeren van de woning niet toegestaan. Mocht het desondanks tot een woningweigering komen, dan beoordeelt het COA of in de plaatsingprocedure aan bovengenoemde criteria gevolgd zijn. Slechts in die gevallen waar dit onverhoopt niet het geval is geweest wordt de weigering erkend en zal een nieuw aanbod worden gedaan. Dit is bijvoorbeeld het geval als de vergunninghouder aanpassingen aan zijn huis behoeft vanwege een lichamelijke handicap, maar een woning toegewezen heeft gekregen die niet rolstoelvriendelijk is.

Ook kan het voorkomen dat de omstandigheden van de vergunninghouder in de periode tussen de initiële koppeling aan de gemeente en de toewijzing van een woning zijn gewijzigd. Alleen in zwaarwegende gevallen kan een wijziging in omstandigheden aanleiding zijn tot herkoppeling naar een andere gemeente. Maar ook hier zijn strenge eisen aan verbonden. Een voorbeeld waarin herkoppeling kan worden overwogen, is een vergunninghouder die inmiddels mantelzorg behoeft, maar niet aan een gemeente is gekoppeld in de buurt van de woonplaats van de familie.

Andere argumenten voor woonweigering, zoals de soort woonruimte of de locatie van de woonruimte, spelen geen rol in de afwegingen van het COA bij de beoordeling van een woonweigering. Zo wordt bijvoorbeeld onzelfstandige woonruimte als passend gezien voor alleenstaanden, ook bij hogere leeftijden.

Als de argumentatie van de vergunninghouder voor het weigeren van een woning ongegrond wordt verklaard, wordt de vergunninghouder alsnog in de gelegenheid gesteld om de woonruimte te accepteren, wat in de meeste gevallen ook gebeurt. In alle andere gevallen wordt op grond van artikel 7, lid 1, onder a, van de Regeling vertrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005, het recht op opvang beëindigd. Uit cijfers van het COA begrijp ik dat in 2016 op een totaal van ongeveer 40.000 uitgeplaatste personen in circa 450 gevallen een toewijzing van een woning is heroverwogen. 43 hiervan zijn als «terechte» woonweigering beoordeeld. Het gaat dus om een zeer beperkt aantal.

In het AO van 7 juni jl. over diverse woononderwerpen vroeg de heer Kops (PVV) zich eveneens af of de huisvesting in Ypenburg met behulp van de subsidieregeling is gerealiseerd aangezien dit een flink aantal gehuisveste vergunninghouders betreft (40 personen) en het totaal met behulp van de regeling gehuisveste personen op 1 mei 2017 45 is. Dit laat zich verklaren doordat het project in Ypenburg wel is aangemeld voor de subsidie, er is ook budget voor gereserveerd, maar de definitieve subsidieaanvraag voor deze woningen is nog niet ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daardoor is de realisatie van dit project nog niet opgenomen in de administratie. Voor de laatste stand van zaken omtrent het gebruik van de Tijdelijke regeling subsidie huisvesting vergunninghouders, verwijs ik graag naar de onlangs beantwoorde Kamervragen nummers 3 en 4 over de 1e suppletoire 2017 (Kamerstuk 34 730 XVIII, nr. 3). Momenteel vindt onderzoek plaats naar concrete voornemens voor wat betreft de realisatie van de huisvestingsvoorzieningen. Zodra dit onderzoek is afgerond, zal ik u per brief informeren over de uitkomsten.

Voorts heeft de heer Koerhuis (VVD) mij gevraagd hoe voorkomen kan worden dat gemeenten met een krappe woningvoorraad, ondanks het schrappen van vergunninghouders als wettelijke voorrangscategorie, urgentie blijven toepassen voor deze doelgroep. Daarnaast vroeg de heer Koerhuis (VVD) hoe gemeenten kunnen worden bewogen om efficiënter om te gaan bij het huisvesten van vergunninghouders binnen de voorraad sociale huurwoningen bijvoorbeeld door het laten delen van een woning. Per 1 juli a.s. vervalt namelijk de automatische urgentiestatus voor vergunninghouders. Bovendien heeft het rijk een subsidieregeling in het leven geroepen om gemeenten te ondersteunen bij de realisatie van eenvoudige woonvoorzieningen voor vergunninghouders.

Met de aanstaande wijziging van de Huisvestingswet 2014 per 1 juli 2017 worden gemeenten in staat gesteld om, gegeven de lokale situatie op de woningmarkt, zelf te bepalen of zij vergunninghouders al dan niet als urgente doelgroep aanmerken, die op grond van de huisvestingsverordening voorrang krijgt. Net als het toewijzen van het type woning (sociale huurwoning, gemengde bewoning, onzelfstandige woonruimte, etc., die al dan niet gerealiseerd is met behulp van de subsidieregeling voor de huisvesting van vergunninghouders) is het al dan niet met voorrang huisvesten van vergunninghouders daarmee een decentrale verantwoordelijkheid. Er is dus feitelijk geen sprake meer van rijksbeleid inzake het toekennen van de urgentiestatus aan vergunninghouders.

Gemeenten die wel met urgente groepen in de woonruimteverdeling werken, maar vergunninghouders daar na 1 juli 2017 niet langer in opnemen, dienen aan de gemeenteraad uit te leggen op welke andere wijze zij de taakstelling voor de huisvesting van vergunninghouders realiseren. Hierbij benadruk ik dat het debat over het vergroten van de gemeentelijke beleidsvrijheid op dit punt onlangs in uw Kamer is gevoerd. Er is met brede instemming van het parlement tot deze specifieke invulling gekomen na uitgebreid overleg met de VNG over de invulling van de motie Van der Linde (Kamerstuk 34 300 XVIII, nr. 40) die aanleiding heeft gegeven tot deze wetswijziging. Daarbij is aan de Tweede Kamer toegezegd dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties enige tijd na invoering onderzoekt welk effect de wetswijziging heeft. Bij deze effectmeting wordt nagegaan welke gemeenten de verordening hebben aangepast, of er alternatieven zijn gevonden en hoe deze alternatieven functioneren. Dat onderzoek zal begin 2018 starten. Eventuele aanpassingen lijken pas na deze effectmeting opportuun.

Resumerend stel ik vast dat de keuzes voor de wijze van huisvesting van vergunninghouders op lokaal niveau ligt. De effecten van de wetswijziging zullen worden onderzocht.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk