Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 oktober 2015
In deze brief informeer ik u over de beleidsontwikkelingen op het gebied van het landgebonden
asielbeleid inzake Sudan. Bij brief van 11 september 2012 is uw Kamer hier laatstelijk
over bericht.1
Op 23 juli 2015 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een nieuw ambtsbericht over
Sudan uitgebracht.2 Voor zover voor de beleidsbepaling relevant volgt uit het ambtsbericht dat in de
verslagperiode de veiligheidssituatie in Darfur (met uitzondering van de provincie
West-Darfur) evenals in de gebieden Zuid-Kordofan, Abyei en Blue Nile onverminderd
slecht was. Er is sprake van een situatie van willekeurig geweld en grote aantallen
vluchtelingen en ontheemden. Verder volgt uit het ambtsbericht dat de in de voorgaande
ambtsberichten beschreven veranderlijke en diffuse situatie in de conflictgebieden
zich heeft voortgezet: het onderscheid tussen Arabische en niet-Arabische bevolkings-groepen
is niet eenduidig te maken, er is sprake van immer toenemend tribaal geweld, afsplitsingen
van rebellengroeperingen raakten onderling slaags, en/of (afscheidingen van) rebellenbewegingen
sloten zich (al dan niet tijdelijk) aan bij de strijd door het Sudanese leger en vice
versa.
Ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming in individuele zaken en om in de beoordeling
daarvan recht te kunnen doen aan de complexe en veranderlijke situatie zijn enkele
aanpassingen in de formulering van het geldende beleid aangewezen.
Uitgangspunt van het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Sudan blijft dat asielaanvragen
van Sudanese vreemdelingen worden beoordeeld aan de hand van het individuele relaas
van de asielzoeker. Tevens blijft voor bepaalde bevolkings-groepen en bepaalde deelgebieden
in Sudan bijzonder beleid aangewezen, maar moet dit op onderdelen worden aangepast.
Een eerste aanpassing komt voort uit het feit dat de administratieve indeling van
Darfur is gewijzigd. Waar Darfur eerder bestond uit drie provincies (Noord- Zuid-
en West-Darfur) is nu sprake van vijf provincies (Noord-, Oost, Zuid-, Centraal- en
West-Darfur). De beleidsbeschrijving dient hierop te worden aangepast.
Niettemin blijft gelden dat alle provincies van Darfur zijn aangemerkt als gebied
als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn (2011/95/EU), met
uitzondering van West-Darfur, nu uit het ambtsbericht van juli 2015 voorts volgt dat
de situatie in West-Darfur net als in voorgaande jaren relatief rustig en stabiel
is.
Een verdere beleidsaanpassing is aangewezen vanwege eerdergenoemde continue veranderende
en diffuse situatie met betrekking tot de conflicten in Sudan. Als gevolg hiervan
moet worden geconcludeerd dat de huidige groepen die zijn aangemerkt als risico- en/of
kwetsbare minderheidsgroep niet zonder meer volstaan. Het betreft de niet-Arabische
bevolkingsgroepen uit Darfur, (vermeend) aanhangers van SPLM/Noord en de Nuba. Handhaven
van deze groepen als zodanig zou geen recht doen aan de zorgwekkende situatie van
andere personen die door de Sudanese autoriteiten in verband worden gebracht met (gewapende)
oppositie. Uit het ambtsbericht kan worden opgemaakt dat vreemdelingen die (vermeend)
aanhanger zijn van een oppositiegroep een groter risico lopen op vervolging en een
onmenselijke behandeling bij terugkeer. Daarom heb ik besloten de in het beleid geldende
risico- en kwetsbare minderheidsgroepen inzake Sudan te herformuleren. Dit betekent
dat vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij (vermeend) aanhanger zijn
van een oppositiegroep met geringe indicaties aannemelijk kunnen maken dat hun problemen
zijn aan te merken als een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingen-verdrag
c.q. een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling opleveren
bij terugkeer naar Sudan. Aldus blijft contrast met andere vreemdelingen afkomstig
uit Sudan bestaan en wordt een zorgvuldige besluitvorming ten aanzien van alle Sudanezen
die stellen te vrezen te hebben van de Sudanese autoriteiten vanwege (vermeende) oppositie
geborgd.
Bovendien biedt dit ruimte om adequaat in te kunnen spelen op de vele veranderingen
in de situatie en de verhoudingen tussen de strijdende partijen in Sudan. Uiteraard
wordt in het geval van (vermeende) aanhangers van gewapende oppositie extra alertheid
betracht wat betreft eventuele toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag
(oorlogsmisdadigers, mensenrechten-schenders).
Tot slot geldt onverkort het uitgangspunt dat alle vreemdelingen afkomstig uit de
gebiedsdelen die zijn aangemerkt als 15c-gebied een veilig heenkomen kunnen zoeken
elders in Sudan (vestigingsalternatief). In het verlengde van vorenstaande zijn (vermeend)
aanhangers van oppositiegroepen uit de conflictgebieden hiervan uitgezonderd, tenzij uit de individuele zaak blijkt dat betrokkene zich elders kan vestigen.
Naar verwachting zullen voorgaande beleidsaanpassingen beperkte betekenis hebben voor
de vergunningverlening. De instroom van vreemdelingen uit Sudan is relatief constant.
Bovendien is het uitgangspunt dat sprake is van een vestigingsalternatief elders in
Sudan ongewijzigd.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff