19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1942 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 januari 2015

Op 19 december 2014 is een landenrapportage over Libië uitgebracht. De rapportage is gezamenlijk opgesteld door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de migratiediensten van België, Zweden en Noorwegen. In het rapport wordt de actuele politieke en veiligheidssituatie in Libië beschreven. Het rapport is geplaatst op de website www.government.nl. In deze brief ga ik kort in op het rapport, en informeer ik u over de beleidsconsequenties die ik hieraan verbind voor het asielbeleid ten aanzien van Libië.

Het gezamenlijke landenrapport van 19 december 2014

Het rapport beslaat de periode van 1 oktober 2013 tot 1 december 2014. De periodisering sluit hiermee aan op het laatst verschenen algemeen ambtsbericht van september 2013 van de Minister van Buitenlandse Zaken.

Sinds het einde van het 42-jarige autocratische bewind van kolonel Muammar Gaddafi is de hoop op een democratische en stabiele toekomst omgeslagen in pessimisme en verdeeldheid. Met de val van het Gaddafi-regime verdween de gezamenlijke vijand die Libische milities, veelal gebaseerd op stam- of (sub)regionale loyaliteit, had verenigd. Na de revolutie van 2011 ontstond een machtsvacuüm dat resulteerde in geweld en politieke instabiliteit. Opeenvolgende regeringen zijn er niet in geslaagd de milities die Gaddafi hebben afgezet te bedwingen. Ook zijn er sindsdien veel nieuwe gewapende milities bijgekomen. Sinds de parlementsverkiezingen van 25 juni 2014 is het land verder uit elkaar gevallen, en heeft het land twee rivaliserende regeringen en twee parlementen. Er is momenteel een conflict gaande tussen allianties van aan de ene kant islamistisch-gezinde milities, gedomineerd door milities uit Misrata en aan de andere kant anti-islamistische milities uit Zintan, strijdgroepen onder leiding van oud-generaal Haftar en het nationale Libische leger.

Vanaf mei 2014 escaleerde het geweld in de twee grootste steden van het land, Tripoli en Benghazi. Beide steden kwamen grotendeels onder controle van islamistisch-gezinde milities. Per 29 juli 2014 zijn in verband met de veiligheidssituatie ambassades in Tripoli gesloten. Burgers in en rond Tripoli en Benghazi werden het slachtoffer van de strijdende milities. Volgens de Libya Body Count-website zijn er tussen 1 januari en 30 november 2014 meer dan 2.400 dodelijke slachtoffers gevallen bij de gevechten tussen de milities, waarvan 1.261 in Benghazi en 499 in Tripoli. Bij deze aantallen wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen strijders en burgers.

Vanaf mei zouden 393.400 burgers binnen Libië op de vlucht zijn geslagen, van wie meer dan 100.000 uit Tripoli en meer dan 100.000 uit Benghazi. De meesten van hen zouden onderdak hebben gevonden bij familieleden. Andere ontheemde Libiërs slapen noodgedwongen in parken, scholen en andere gebouwen.

Op 23 augustus 2014 kwam met de overname van het vliegveld door islamistisch-gezinde milities een (voorlopig) einde aan de gevechten om controle over de stad Tripoli. Nadien verbeterde de veiligheids- en humanitaire situatie in Tripoli aanzienlijk. Tegen het einde van de verslagperiode was het dagelijkse leven genormaliseerd. Primaire levensvoorzieningen, zoals water en gas, zijn beschikbaar, en scholen en winkels waren weer geopend. Gedurende de laatste weken van de verslagperiode voerden de strijdgroepen van oud-generaal Haftar een offensief uit in Benghazi, waarmee zij grote delen van de stad onder controle kregen.

Tegen het einde van de verslagperiode vonden nog gevechten plaats ten zuidwesten van Tripoli, en in de steden Benghazi en Ubari. In Benghazi bleef het aantal gevechten beperkt tot een aantal wijken en zijn er ook relatief veilige wijken. In het rapport is opgenomen dat waarnemers vanaf 26 november 2014 in Benghazi een verbetering noteren, daar het dagelijks leven in veel districten van de stad weer is hervat.

Beleidsinvulling

De mate van willekeurig geweld in een land kan dusdanig zijn dat elke uitzetting naar dit land een schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren. In andere woorden: een situatie zoals beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de EU-Definitierichtlijn. Het persoonlijke asielrelaas, en de vraag of iemand persoonlijk problemen heeft ondervonden, is dan van ondergeschikt belang. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) meent dat er van zo’n situatie pas sprake is in de meest extreme gevallen van algemeen geweld.

Het asielbeleid met betrekking tot Libië in de ons omringende landen geeft een uiterst divers beeld. België kwalificeert de situatie in heel Libië als een situatie beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Zweden heeft enkel een aantal (voornamelijk) kuststeden aangewezen als 15c-gebied. Duitsland en Noorwegen hebben het nemen van beslissingen in Libische asielzaken opgeschort. Het Verenigd Koninkrijk kwalificeert de situatie in Libië niet als een situatie beschreven in artikel 15c. Alle Libische asielaanvragen worden daar individueel getoetst. Ook in Denemarken worden Libische asielverzoeken op hun individuele merites beoordeeld. Door deze landen zijn deze beleidskeuzes gemaakt (ver) voorafgaande aan de publicatie van het rapport van 19 december 2014. Het is mij nog niet bekend of deze landen in het landenrapport aanleiding zien tot een bijstelling van het asielbeleid met betrekking tot Libië.

Op basis van de informatie in het rapport van 19 december ben ik van oordeel dat in Libië momenteel geen sprake is van een uitzonderlijke geweldssituatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Argumenten voor deze beleidsconclusie zijn onder meer dat het rapport meldt dat hoewel de meeste regio's werden getroffen door algehele instabiliteit, grote delen van het land grotendeels gevrijwaard waren van de gevechten en dat in kleinere steden en plaatsen het dagelijks leven redelijk normaal verloopt. De grote steden Tripoli en Benghazi werden in de verslagperiode getroffen door een wisselende mate van geweld. Tegen het einde van de verslagperiode was de veiligheidssituatie in de hoofdstad Tripoli aanzienlijk verbeterd. De stad Benghazi stond aan einde van de verslagperiode grotendeels onder controle van de groepen van voormalig generaal Haftar, en een verbetering in de situatie aldaar was evenzo waarneembaar. Verder lijkt het erop dat de bewapende milities vooral bezig zijn elkaar te bestrijden.

Dat in Libië geen sprake is van een uitzonderlijke geweldsituatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, betekent dat asielverzoeken van Libiërs door de IND op hun individuele merites zullen worden beoordeeld. Aan de hand van het persoonlijke asielrelaas, en de vraag of iemand persoonlijk problemen heeft ondervonden, zal worden bepaald of een asielvergunning wordt verstrekt.

Omdat uit het rapport van 19 december blijkt dat leden van een aantal groepen een verhoogd risico loopt op persoonlijke vervolging, heb ik het besluit genomen deze groepen in het beleid aan te wijzen als «risicogroep». Het gaat hier om LHBT’s, (bekeerde) christenen, Palestijnen, politieke activisten, mensenrechtenactivisten, leden van het justitieel apparaat, werknemers van ngo’s, journalisten, vrouwen werkzaam in de publieke sector, personen behorende tot stammen waarvan bekend was dat zij loyaal waren aan het bewind van Gaddafi, waaronder Tawergha’s, Gwelish en Mashashiya’s, Toearegs en Tobu’s, en personen die als (onder)officier hebben gediend tijdens het Gadaffi regime.

Deze aanwijzing als risicogroep betekent het volgende. Wanneer een asielzoeker die behoort tot een risicogroep aannemelijk maakt dat hij individuele problemen heeft ondervonden als gevolg van het behoren tot deze risicogroep, zal snel worden geconcludeerd dat deze problemen ook voldoende zwaarwegend zijn om een asielvergunning toe te kennen. Daarnaast zal in dergelijke zaken niet worden tegengeworpen dat men zich aan de dreiging van vervolging of mensenrechtenschending kan onttrekken door zich elders in Libië te vestigen. Uiteraard zal de IND alert zijn op 1F indicaties bij met name de voormalige aanhangers van Gaddafi.

Tot slot meld ik u dat ik kennisgenomen heb van de berichtgeving dat na het aflopen van de verslagperiode van het rapport van 19 december 2014, gevechten zouden zijn uitgebroken rondom Tripoli. In deze berichten zie ik vooralsnog geen reden om het hierboven geschetste beleid anders in te vullen. Wel onderstrepen deze berichten de fluïde situatie in Libië en het belang de ontwikkelingen in Libië nauwgezet te blijven volgen.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

Naar boven