Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 november 2014
Tijdens het Algemeen Overleg van 4 juni jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 1874) heb ik uw Kamer toegezegd mijn antwoorden1 op de Kamervragen van 9 mei 2014 over de inwilligingspercentages bij asielaanvragen,
nader te preciseren en uw Kamer deze informatie te doen toekomen voor de begrotingsbehandeling.
Met deze brief kom ik deze toezegging na.
In de beantwoording van bovengenoemde Kamervragen ben ik ingegaan op het relatief
hoge inwilligingspercentage in Nederland in 2013, met name in relatie tot het Europees
gemiddelde. In 2013 bedroeg het inwilligingspercentage in Nederland 61 procent. Dit
percentage is berekend door het totaal aantal positieve beslissingen op asielaanvragen
af te zetten tegenover alle beslissingen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst
(IND) op asielaanvragen. Bij deze positieve beslissingen is geen verder onderscheid
gemaakt naar de wettelijke grondslag waarop de asielvergunning is verleend. Het kan
dus zowel gaan om een asielvergunning die is verleend op internationale gronden (Vluchtelingenverdrag
of artikel 3 EVRM), als om een asielvergunning die is verleend op nationale gronden2, zoals klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van
het vertrek uit het land van herkomst of een asielvergunning die is verleend aan gezinsleden
van een vreemdeling die in Nederland een asielvergunning heeft gekregen (nareis).
Indien bij de berekening van het inwilligingspercentage uitsluitend rekening wordt
gehouden met de positieve beslissingen waarbij op internationale gronden verblijf
is toegekend, zoals dat de voorkeur heeft van het Europees Asielondersteuningsbureau
(EASO), komt het inwilligingspercentage in Nederland lager te liggen. Het inwilligingspercentage
in Nederland is dan 30 procent, waar het gemiddelde in de Europese Unie 29 procent
betreft. In de jaarrapportage van EASO wordt hierover ook inzicht gegeven. U treft
deze rapportage in bijlage.
In onderstaande grafiek uit deze jaarrapportage staat een overzicht, in absolute aantallen,
van het totaal aantal beslissingen (total decision) op asielaanvragen in de verschillende Europese lidstaten in 2013. Daarnaast laat
de grafiek ook de inwilligingspercentages zien in de verschillende lidstaten, inclusief
de grondslag (refugee status, subsidiary protection en humanitarian protection) op basis waarvan de verblijfsvergunning is toegekend.
Grafiek 1

Zoals uit dit overzicht kan worden afgeleid, ligt het Nederlandse inwilligingspercentage
in het midden in vergelijking met de ons omringende landen, voor zover enkel de positieve
beslissingen in ogenschouw worden genomen waarbij de asielvergunning is verleend op
internationale gronden (refugee status en subsidiary protection). De verschillen tussen
lidstaten in het aantal positieve besluiten en de grondslag waarop een positief besluit
is gebaseerd, zijn mogelijk een gevolg van de verschillende samenstelling van de asielinstroom
in deze landen. De top drie landen waar asielzoekers in 2013 vandaan kwamen in Nederland
betrof Somalië, Syrië en Irak. Ook in Duitsland en Denemarken behoort Syrië tot de
top drie van de landen van herkomst. In Frankrijk bestond de top drie uit asielzoekers
afkomstig van de Democratische Republiek Congo, Kosovo en Albanië.
De toename van het aantal asielzoekers uit Syrië in de EU, in combinatie met het gegeven
dat Syrische asielzoekers vaak voor bescherming in aanmerking komen, beïnvloedt het
Europees inwilligingspercentage. In onderstaande grafiek staat een overzicht van het
totaal aantal beslissingen op asielaanvragen van Syriërs in 2013 in de verschillende
lidstaten. Daarnaast verschaft de grafiek ook inzicht in het inwilligingspercentage
op Syrische asielaanvragen in de verschillende lidstaten en de grond waarop verblijf
is toegekend.
Grafiek 2

Nederland sluit bij het vaststellen van het nationale inwilligingspercentage, steeds
meer aan bij de methodiek die EASO en Eurostat hanteren. Nederland deelt immers het
Europese streven om te komen tot eenduidige inwilligingspercentages, die een goede
Europese vergelijking van deze percentages mogelijk maken. Het betreft dan zowel een
vergelijking van de algemene inwilligingspercentages, als een vergelijking van inwilligingspercentages
uitgesplitst naar het land van herkomst van de asielzoeker. Vooral wat dit laatste
punt betreft, is het immers belangrijk om een indicatie te hebben over de wijze waarop
lidstaten omgaan met een asielverzoek van personen uit hetzelfde land van herkomst.
Dit is immers relevante informatie in het licht van de Nederlandse ambitie om te komen
tot een harmonisatie van het Europees asielsysteem waarin een vergelijkbaar asielverzoek
in alle lidstaten tot dezelfde uitkomst leidt.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven