Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201519637 nr. 1917

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1917 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 november 2014

Op 10 september jongstleden heb ik u een eerste reactie gestuurd op het ACVZ-advies «Geen land te bekennen» (Kamerstuk 19 637, nr. 1889). In aanvulling op deze eerste reactie informeer ik u graag over de reactie van het kabinet op aanbeveling 5 van het advies.

Aanbeveling 5 luidt:

«Laat de eis van wettig verblijf voor het optierecht van hier te lande geboren staatloze kinderen vallen.»

Staatloos in Nederland geboren kinderen zijn kinderen van staatloze ouders of kinderen van ouders die om een andere reden hun nationaliteit niet aan het kind hebben doorgegeven. De ACVZ beveelt aan om ten aanzien van staatloos in Nederland geboren kinderen alleen als voorwaarde te stellen dat er sprake moet zijn van «habitual residence» van drie jaar, in plaats van wettig en feitelijk verblijf. De ACVZ leidt dit af uit artikel 1, het Verdrag tot beperking der staatloosheid. In de Guidelines van de UNHCR1 staat dat onder habitual residence wordt verstaan stabiel, feitelijk verblijf.

Op basis van artikel 6, eerste lid, onder b, van de rijkswet op het Nederlanderschap kunnen staatloos in Nederland geboren kinderen na tenminste drie jaar onafgebroken verblijf op basis van een verblijfsvergunning, opteren voor de Nederlandse nationaliteit. De voorwaarde van drie jaar legaal verblijf wordt gesteld vanwege het belang van een geïntegreerd vreemdelingenbeleid: wie hier rechtens niet mag zijn, kan ook in het kader van het nationaliteitsrecht geen rechten opbouwen. In de systematiek van de rijkswet op het Nederlanderschap moet de verlening van de Nederlandse nationaliteit vooraf worden gegaan door de verlening van verblijfsrecht.

Enerzijds erkent het kabinet in reactie op het advies van de Commissie dat op Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid rust ten aanzien van het opheffen van de staatloosheid van staatloze, hier in Nederland geboren kinderen die alhier stabiel en feitelijk verblijven. Anderzijds is uitgangspunt van dit kabinet dat het frustreren van vertrek of het zich onttrekken aan toezicht door de ouders niet mag leiden tot toekenning van rechten, noch in het vreemdelingenrecht, noch in het nationaliteitsrecht. Bovendien kan het verlenen van de Nederlandse nationaliteit aan het kind er toe leiden dat ouders verblijf krijgen bij hun Nederlandse kind (op grond van artikel 8 EVRM en/of de uitspraak van het Europees Hof in de zaak Zambrano tegen België). Het niet meewerken aan vertrek zou op deze wijze beloond worden, hetgeen onwenselijk is.

Een en ander afwegend ben ik voornemens om deze aanbeveling als volgt in te vullen. In de rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) zal een aparte optiegrond worden opgenomen naast de bestaande optiegrond onder artikel 6, eerste lid, onderdeel b, waarin aan staatloze, in Nederland geboren kinderen een optierecht wordt gegeven, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. Het staatloze kind heeft vijf jaar feitelijk hoofdverblijf;

  • 2. Een van de ouders van het staatloze kind kan de staatloosheid van het kind niet door eigen handelen opheffen; en

  • 3. Het verblijf van het staatloze kind is stabiel, hetgeen betekent dat de ouders van het staatloze kind het vertrek niet hebben gefrustreerd en zich niet hebben onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht).

De termijn van vijf jaar feitelijk hoofdverblijf, de eerste voorwaarde, is de maximale termijn die is toegestaan onder artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van het Verdrag tot beperking der staatloosheid. Deze termijn is langer dan de termijn die geldt onder de huidige optie van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, RWN. Om de positie van deze kinderen niet te schaden, wordt de nieuwe optiegrond opgenomen naast de bestaande optiegrond.

De tweede voorwaarde houdt in dat betrokkene niet door handelen van zijn ouders een andere dan de Nederlandse nationaliteit moet kunnen verkrijgen. Wanneer iemand een andere dan de Nederlandse nationaliteit kan verkrijgen, draagt Nederland niet dezelfde verantwoordelijkheid voor het opheffen van staatloosheid. In dit kader kan bij handelingen die een van de ouders kunnen verrichten gedacht worden aan bijvoorbeeld het melden van de geboorte van het kind bij de ambassade van hun land van herkomst of het land van eerder verblijf. Bovendien kan met deze voorwaarde oneigenlijk gebruik van deze optiegrond worden voorkomen, doordat ouders welbewust het kind in de positie van staatloosheid brengen of houden.

De derde voorwaarde geeft invulling aan het stabiele karakter van het verblijf. Indien de ouders het vertrek niet hebben gefrustreerd en zich niet hebben onttrokken aan toezicht, kan het verblijf stabiel worden geacht.

Wettig verblijvende, in Nederland geboren staatloze vreemdelingen kunnen gebruik maken van het bestaande optierecht. Illegaal verblijvende staatloze, in Nederland geboren kinderen dienen met hun ouders te vertrekken naar het land van herkomst of het land van eerder verblijf van de ouders. Voor deze vreemdelingen is na zorgvuldige bestuurlijke beoordeling en beoordeling door de rechter vast komen te staan dat zij geen aanspraak op verblijf hebben in Nederland. Slechts indien aan de bovengenoemde drie voorwaarden is voldaan is de nieuwe optiegrond van toepassing.

Deze benadering is naar mijn oordeel een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen. Ik ben me er van bewust dat deze voorwaarden verdere uitwerking behoeven, allereerst in een voorstel van rijkswet en mogelijk ook in lagere regelgeving. Het voorstel van rijkswet zal de gebruikelijke procedure volgen. Ik beoog voor het einde van het jaar een conceptwetsvoorstel in consultatie te brengen.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Guidelines on statelessness, no. 4 van 21 december 2012, paragraaf 41.