nr. 182
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 23 april 1996
In het ordedebat van uw Kamer op 30 januari jl.1
hebben de leden Dittrich en Middel hun verontrusting uitgesproken over alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA's) die met onbekende bestemming
(MOB) uit de Opvangcentra vertrekken. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd
en toegezegd dat ik uw Kamer zo mogelijk nader zal berichten over een onderzoek
door de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost (onder 1), mogelijke maatregelen van
toezicht binnen de opvang van asielzoekers (onder 2) en het aspect van gezinshereniging
binnen deze problematiek (onder 3).
Ik wil uw Kamer thans graag op de hoogte stellen van de voortgang en de
ontwikkelingen op dit terrein:
1. Onderzoek Regiopolitie Brabant Zuid-Oost
Het strafrechtelijke onderzoek naar de verdwijning van AMA's uit het OC-Eindhoven
is nog niet afgerond. Daarom kan ik u hierover thans nog niet rapporteren.
Naar verwachting kan ik uw Kamer hierover voor het zomerreces nader informeren.
2. Toezicht binnen de AMA-opvang
Het COA heeft met de directeuren van de betrokken Opvang- en Asielzoekerscentra
bezien in hoeverre het toezicht op AMA's binnen de centrale opvang beter vorm
kan worden gegeven zonder dat het open karakter van de opvang verloren gaat.
Het COA heeft op basis van dit overleg de reeds bestaande gedragslijn met
betrekking tot het toezicht nader geconcretiseerd en onder de speciale aandacht
gebracht van de directies van de centra. Deze gedragslijn vormt een onderdeel
van en hulpmiddel bij de specifieke begeleiding van AMA's in de opvangcentra
en gaat onder meer in op de volgende aspecten van toezicht:
* Preventie
AMA's waarvan op basis van signalen (bijvoorbeeld het feit dat een AMA
zijn bagage niet uitpakt) het vermoeden bestaat dat ze misschien zullen verdwijnen,
krijgen bijzondere aandacht van de AMA-medewerkers en beveiligingsmedewerkers
in de centra. Van dit vermoeden wordt melding gemaakt bij de Vreemdelingendienst.
Verder wordt de betrokken minderjarig medegedeeld dat indien zij de idee hebben
dat zij door personen van buiten het centrum onder druk worden gezet, zij
dit kunnen bespreken met de AMA-medewerker of de Opbouw-medewerker.
* Registratie
In het OC zijn minimaal twee registratiemomenten per dag, waarbij geregistreerd
wordt of de minderjarigen aanwezig zijn in het centrum. In de centra geldt
verder een vast tijdstip waarop de minderjarigen in het centrum aanwezig dienen
te zijn. Alle centra dienen afspreken met de school te maken over schoolgang
van de AMA's.
* Verlof/verlaten van het centrum
Minderjarigen in de leeftijd van 12–15 jaar die het centrumterrein
tijdelijk willen verlaten, dienen dit aan te geven bij de AMA-medewerker onder
vermelding van de bestemming en het tijdstip van terugkeer.
Weekendverlof moet altijd worden aangevraagd. Het adres waarop de AMA
tijdens het verlof aanwezig zal zijn, is bekend bij de Opbouw, Maatschappelijk
werk en de AMA-medewerker(s).
3. Aspect van gezinshereniging
Naast bovengenoemd COA-overleg hebben er twee bijeenkomsten plaatsgevonden
met de Directie Beleid/Sector Vreemdelingenbeleid, de DPJ&R, de IND, Raad
voor de Kinderbescherming vestiging Eindhoven, Stichting de Opbouw en Regiopolitie
Brabant Zuid-Oost over de verdwijning van minderjarigen in het algemeen. Uit
dit overleg is voortgekomen dat er thans nog onvoldoende inzicht bestaat in
de reden van verdwijning of MOB-melding. Ik heb derhalve besloten dat het
Informatie- en Analyse Centrum van de IND (INDIAC) dit nader zal onderzoeken.
Pas als meer inzicht bestaat in de reden van verblijf in Nederland en de omstandigheden
waaronder AMA's verdwijnen, kan ik vaststellen of het noodzakelijk is andere
maatregelen te treffen. Bij dit onderzoek zal het aspect van de gezinshereniging
uitdrukkelijk worden betrokken. Ik streef ernaar om u voor het zomerreces
de onderzoeksresultaten mede te kunnen delen.
4. Afspraken
Vooruitlopend op bovengenoemde onderzoeksresultaten zijn met de betrokken
disciplines nadere afspraken gemaakt en de verantwoordelijkheden ten aanzien
van de melding dat een AMA met onbekende bestemming is vertrokken (MOB) verduidelijkt.
– het OC maakt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 24 uur,
melding van MOB aan de politie, Vreemdelingendienst (VD) en de Stichting de
Opbouw;
– de VD maakt melding van de MOB bij de IND. Dit in verband met
de toelatingsprocedure;
– de politie plaatst kinderen tot 16 jaar ter fine van opsporing
aanhouding en teruggeleiding op de politietelex. Bij oudere kinderen gebeurt
dit in overleg met betrokken opvangmedewerkers en voogd;
– De Stichting de Opbouw houdt reeds in de pre-voogdij-fase toezicht op de wijze waarop de AMA's worden opgevangen door het COA. Indien
er aanleiding is om te veronderstellen dat de jongere in de asielopvang onvoldoende
beschermd wordt, kan vooruitlopend op de voogdij de opvang door de Opbouw
elders worden verzorgd. In de voogdij-fase blijft de voogd, ook na de MOB-melding,
verantwoordelijk voor de pupil tot de voogdij kan worden overgedragen aan
natuurlijke- of rechtspersonen in binnen- of buitenland. Gedurende een halfjaar
na de MOB-melding onderneemt de Opbouw diverse acties om de jongere via familie
en hulp-instanties terug te vinden. Indien dit geen resultaat oplevert worden
de acties na een halfjaar geëvalueerd en een verslag opgemaakt;
– de Raad voor de Kinderbescherming heeft in zijn algemeenheid slechts
een beperkte rol ten aanzien van AMA's. Het feit dat er sprake is van opvang
van AMA's en dat er in de voogdij wordt voorzien zijn voldoende randvoorwaarden
voor de bescherming van het kind. Slechts in een incidenteel geval waarin
nog niet in het gezag is voorzien kan de toevertrouwing aan de Raad een (tijdelijke)
oplossing bieden voor de opvang van een jongere.
Voor minderjarigen die zonder asielmotieven naar Nederland komen of in
Nederland worden aangetroffen, wordt een toevertrouwing aan de Raad voor de
Kinderbescherming gevraagd. De Raad zal de toevertrouwde kinderen op andere
locaties onderbrengen dan in de asielopvang.
Tenslotte zullen de betrokken disciplines bij het onderzoek door INDIAC
nauw worden betrokken en zullen zij onderling gegevens uitwisselen op dit
terrein.
Ik hoop u hiermee vooralsnog voldoende te hebben geïnformeerd.
De Staatssecretaris van Justitie,
E. M. A. Schmitz