Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201419637 nr. 1808

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1808 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 14 april 2014

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft een aantal vragen ter beantwoording voorgelegd aan de staatsecretaris van Veiligheid en Justitie over de brief van 13 november 2013 over de uitwerking en behaalde resultaten in het kader van de ketenbrede aanpak inzake opsporing en vervolging van internationale misdrijven (Kamerstuk 33 750 VI, nr. 27) en over de brief van 23 juli 2013 met de reactie op de uitzending van EenVandaag over het Nederlandse 1F-beleid ten aanzien van Afghanen (Kamerstuk 19 637, nr. 1703).

Bij brief van 11 april 2014 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie deze vragen beantwoord.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Jadnanansing

De adjunct-griffier van de commissie, Tielens-Tripels

Inhoudsopgave

blz.

       

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

1

 

1.

Het 1F-beleid

1

 

2.

Kinderen en 1F-beleid

7

 

3.

Internationale Hoven en Tribunalen en 1F-beleid

7

 

4.

Het ambtsbericht in het kader van het 1F-beleid

7

 

5.

Gelijkheidsbeginsel en artikel 4: 6 Algemene wet bestuursrecht(Awb)

9

 

6.

De Taskforce Internationale Misdrijven

9

 

7.

Aanpak Rwanda

9

       

II.

Reactie van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

12

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

1. Het 1F-beleid

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van bovengenoemde brieven van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Zij hebben meerdere vragen. Deze leden willen allereerst zoveel mogelijk inzicht in de relevante feiten en de cijfers. Hoe vaak is de laatste 10 jaar artikel 1F aan asielzoekers tegengeworpen en hoe vaak aan andere vreemdelingen? Kan een uitsplitsing per jaar worden gemaakt? Welke nationaliteiten hebben deze 1F-ers? Hoeveel gezinsleden van 1F-ers hebben op grond van het tienjarenbeleid een verblijfsvergunning gekregen? Hoeveel 1F-ers hebben op basis van de humanitaire clausule, zoals duurzaam geen uitzetting vanwege artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en het onthouden van een vergunning disproportioneel, een verblijfsvergunning gekregen? Hoe vaak is door het Openbaar Ministerie (OM) aanvullend onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van vervolging van een 1F-er? Hoe vaak is daadwerkelijk tot vervolging overgegaan en hoe vaak heeft dat tot een veroordeling geleid? Hoeveel procent van de 1F-ers is teruggekeerd naar het land van herkomst? Hoeveel procent is vanwege mogelijke strijd met artikel 3 van het EVRM niet uitzetbaar naar het land van herkomst? Hoeveel procent is naar een derde land teruggekeerd?

De leden van de PvdA-fractie vinden het zorgelijk dat er ondanks de vele tegenwerpingen van artikel 1F wegens een ernstig vermoeden van oorlogsmisdaden zo weinig nader onderzoek en opsporing door het OM plaatsvindt. Deze leden vinden het van groot belang dat de Nederlandse overheid na tegenwerping van artikel 1F zo snel mogelijk overgaat tot nader onderzoek en mogelijk vervolging. Waarom gebeurt dit nog steeds zo weinig? Kan de Staatssecretaris aangeven wat onder oriënterend onderzoek valt, dat in 62 1F-dossiers plaatsvindt? Waarom zijn er veel meer zaken in oriënterend onderzoek dan in opsporingsonderzoek? Op welke wijze wordt door de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) bijgehouden hoe concreet en hoe zwaar het vermoeden van oorlogsmisdaden in een individuele zaak is? Welke rol spelen de mate van zekerheid dat het daadwerkelijk een oorlogsmisdadiger betreft en de zwaarte van de verdenkingen (rol, functie, ernst en hoeveelheid van misdaden) bij de beslissing wel of niet over te gaan tot nader onderzoek en vervolging? Welke mogelijkheden zijn er in internationaal verband teneinde meer samenwerking op te zetten met bijvoorbeeld Interpol, Europol, het Internationaal Strafhof of één van de verschillende tribunalen ten behoeve van onderzoek en vervolging? Deze leden merken op dat er wel wat initiatieven tot samenwerking zijn, maar zij zijn van mening dat die kunnen worden uitgebreid. Deelt de Staatssecretaris de mening dat het vanuit het rechtstatelijk oogpunt zeer onbevredigend is vreemdelingen die artikel 1F tegengeworpen hebben gekregen niet nader te onderzoeken en/of te vervolgen? Deelt de Staatssecretaris de mening dat dit aspect ook de legitimiteit van het 1F-beleid onder druk kan zetten, mede gelet op de humanitaire consequenties van die tegenwerping? Komt de situatie voor dat de IND concludeert tot tegenwerping van artikel 1F, maar dat het OM in nader onderzoek onvoldoende aanknopingspunten voor een verdenking vindt? Welke gevolgen heeft dat voor de 1F-tegenwerping? Welke rol heeft de 1F-unit van de IND nog nadat eenmaal tot een 1F-tegenwerping en/of ongewenst verklaring en/of inreisverbod is gekomen? Op welke wijze blijft zij betrokken bij die zaken, bijvoorbeeld in het kader van nader onderzoek? In hoeveel procent van de zaken is in het geval van 1F-tegenwerpingen door de IND gebruik gemaakt van individuele ambtsberichten?

De leden van de PvdA-fractie hebben ook meerdere vragen over het toelatingsbeleid ten aanzien van vreemdelingen en hun gezinsleden die artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen hebben gekregen. Deze leden zijn van mening dat Nederland in grote lijnen een afgewogen 1F-beleid heeft, dat zorgvuldig toetst of er verdenkingen van oorlogsmisdaden zijn. De gespecialiseerde 1F-unit van de IND draagt bij aan de professionalisering van dit beleid. Zij zijn nog altijd verheugd dat er in 2008 een regeling voor de gezinsleden van 1F-ers is gekomen waardoor zij een vergunning hebben kunnen krijgen. Desalniettemin zien deze leden nog een aantal blijvende knelpunten in het beleid. Zij krijgen regelmatig signalen van langdurig in Nederland verblijvende gezinnen waarvan vaak de vader een 1F-status heeft en de gezinsleden een verblijfsvergunning hebben. Deze gezinnen leven regelmatig in langdurige, voortdurende onzekerheid, zonder perspectief op duidelijkheid over de toekomst. Sterker nog, een scheiding tussen gezinsleden hangt voortdurend als een zwaard van Damocles boven deze gezinnen. De terugkeer van de betreffende 1F-er is bovendien vaak niet op korte termijn en soms duurzaam onmogelijk.

De leden van de PvdA-fractie voelen mee met deze gezinnen, zeker ook omdat het bijna altijd 1F-ers betreft jegens wie geen nader onderzoek of vervolging is ingesteld en bij wie het soms om een relatief lichte dan wel betwiste categorie van verdachte feiten gaat. Voornoemde leden horen graag de opvatting van de Staatssecretaris over deze problematiek, waar ook vele burgemeesters zich betrokken bij hebben getoond. Zij willen ook meer duidelijkheid over de invulling van de voorwaarden voor zeer lang verblijvende 1F-ers teneinde in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning. Het betreft gevallen waarbij artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting en het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Wanneer wordt aan de criteria voldaan en in welke gevallen is in dit kader sprake van een uitzonderlijke situatie? Deze leden merken op dat de bedoeling van de in 2008 ingevoerde humanitaire clausule was om tijdsverloop te kunnen laten leiden tot een andere waardering van de feiten, maar constateren dat dit tot nu toe zelden in een individuele zaak is aangenomen. Wat is hier de oorzaak van? Hoeveel aanvragen zijn er gedaan, waarin een beroep op deze humanitaire clausule is gedaan? Deelt de Staatssecretaris de mening dat dit speciale beleid vrijwel betekenisloos is als het nooit wordt toegepast? Zij zouden graag zien dat dit uitzonderingsbeleid beter gaat functioneren. Ook zouden deze leden graag zien dat de IND en de Dienst Terugkeer en Vertrek in individuele zaken op eigen initiatief regelmatig onderzoeken doen of er nog uitzettingsbelemmeringen zijn vanwege strijdigheid met artikel 3 EVRM. De Staatssecretaris heeft een extra verantwoordelijkheid in zaken waar terugkeer en verblijf duurzaam onmogelijk lijken, namelijk het regelmatig actief te bezien of wel een duurzame oplossing kan worden gevonden. Deelt de Staatssecretaris deze mening?

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brieven. Zij vragen of de Staatssecretaris de visie deelt dat Nederland geen vrijhaven mag zijn voor oorlogscriminelen en terroristen. Zo ja, is de Staatssecretaris bereid het EVRM op te zeggen, op grond waarvan 1F-ers vaak niet kunnen worden uitgezet? Hoeveel 1F-ers vallen onder de bescherming van artikel 3 EVRM? Wat wordt gedaan teneinde de vertrekplicht van deze 1F-ers toch te bekrachtigen? Hoeveel vreemdelingen zijn tot op heden aangemerkt als 1F-er en hoeveel daarvan hebben Nederland aantoonbaar al of niet gedwongen verlaten? Kan worden aangegeven of en zo ja hoeveel 1F-ers momenteel opvang dan wel woonruimte krijgen en/of een bijstandsuitkering dan wel bijzondere bijstand ontvangen? Kan de Staatssecretaris dit tegengaan? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PVV-fractie vragen of kan worden gegarandeerd dat aan geen enkele Afghaan, die thans is aangemerkt als 1F-er, verblijfsrecht wordt toegekend? Zo nee, waarom niet? Hoeveel Syrische asielzoekers zijn aangemerkt als 1F-er en hoeveel daarvan verblijven nog in Nederland? Wat doet de Staatssecretaris teneinde te voorkomen dat deze groep, net als het geval is met veel Afghaanse 1F-ers, in Nederland blijft?

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brieven. Zij waarderen de algemene inzet van de Staatssecretaris straffeloosheid tegen te gaan en een actief beleid te voeren op het gebied van internationale misdrijven. Deze leden hebben echter nog een aantal zeer kritische kanttekeningen over de praktische toepassing van het 1F-beleid en de effecten hiervan.

De leden van de D66-fractie signaleren verschillende problemen inzake toepassing van het 1F-beleid. Zij willen graag voorop stellen dat zij het uitgangspunt delen dat diegenen die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige misdaden geen bescherming moeten krijgen in Nederland. Ook achten zij het onwenselijk als slachtoffers oog in oog komen te staan met de daders uit hun land van herkomst. Genoemde leden vrezen echter dat het huidige beleid contraproductief kan werken, omdat vreemdelingen worden beschuldigd van oorlogsmisdaden maar niet strafrechtelijk worden vervolgd. Daarnaast constateren voornoemde leden dat de IND enkele 1F-ers niet gedwongen uit mag zetten op grond van artikel 3 van het EVRM, maar deze mensen wel ongewenst verklaard worden of een inreisverbod opgelegd krijgen, waardoor zij hun rechten op sociale voorzieningen verliezen. Sommigen personen bevinden zich al 14 jaar in deze gecreëerde illegaliteit.

De leden van de D66-fractie lezen in de rapportagebrief dat «de gedachte achter het barrièremodel is dat alle mogelijke instrumenten moeten worden ingezet om te voorkomen dat daders van internationale misdrijven Nederland binnen komen, dat zij zich hier vestigen en dat zij straffeloos blijven voor de gepleegde misdrijven.» Deze leden menen dat de genoemde onuitzetbare 1F-ers in een grijs juridisch gebied vallen, hetgeen door verschillende internationale organisaties is bekritiseerd. Daarnaast worden deze vermeende plegers van ernstige misdrijven niet vervolgd. Hierdoor blijven zij dus straffeloos en lopen slachtoffers alsnog het risico hun vermeende daders tegen het lijf te lopen.

De leden van de D66-fractie lezen dat Nederland betrokken is bij de revisie van «Guidelines on the exclusion clauses Article 1F» van het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de VN (de UNHCR). Wat is de inzet van Nederland met betrekking tot deze revisie? Wat voor input heeft de Staatssecretaris geleverd en wat waren de beoogde uitkomsten? Kan de voortgang van deze revisie worden gedeeld met de Kamer?

De leden van de D66-fractie constateren dat de vraag of er sprake is van ernstige redenen zoals genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag sinds 2001 wordt beantwoord door de «personal en knowing participation test». In artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag staat dat vreemdelingen waarbij ernstige redenen zijn te veronderstellen dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden worden uitgesloten van de vluchtelingenstatus. De term «ernstige redenen» is nader uitgewerkt in de «personal and knowing participation test». Naar aanleiding van een voorstel van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) is in 2001 de «personal and knowing participation test» ingevoerd in Nederland. Dit systeem is gebaseerd op Canadese Jurisprudentie. Deze leden constateren dat Nederland nog één van de weinige landen is ter wereld die dit systeem gebruikt. Onlangs is Canada na een uitspraak van de Supreme court of Canada gestopt met dit systeem omdat het systeem niet zou voldoen aan de individuele toetsing van een vreemdeling (Ezokola v. Canada (Citizenship and Immigration), 2013 SCC 40). Voornoemde leden vragen waarom dit systeem nog wel voldoet aan de maatstaven van Nederland, naar eigen zeggen internationaal een voortrekker op het gebied van internationale misdrijven.

De leden van de D66-fractie constateren dat in het Vluchtelingenverdrag niet nader wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden een vreemdeling onder artikel 1F valt. In paragraaf 149 van het UNHCR Handboek is wel uitgewerkt wanneer een vreemdeling onder artikel 1F valt. Zo is het niet noodzakelijk dat iemand strafrechtelijk veroordeeld is. Zoals eerder vermeld is het asielrecht ervoor bedoeld de vreemdeling te beschermen die vlucht voor onrecht, niet de vreemdeling die vlucht voor gerechtigheid. De laatste groep vreemdelingen mag internationale strafrechtelijke vervolging niet ontlopen. In het strafrecht moet een strafbaar feit door de aanklager worden bewezen, er is sprake van een onschuldpresumptie. In het bestuursrecht ligt dit anders. Zo geeft artikel 1F aan dat er sprake moet zijn van een ernstige reden. Het verschil in de bewijsmaatstaf tussen het strafrecht en het bestuursrecht heeft ertoe geleid dat er in Nederland slechts vijf 1F-ers strafrechtelijk zijn veroordeeld. Daarnaast is van belang op te merken dat de bestuursrechter enkel een marginale toets toepast. De burgerlijke rechter en de strafrechter toetsen inhoudelijk en zelfstandig de feiten en omstandigheden. De bestuursrechter toetst enkel procedureel de manier waarop het bestuursorgaan de feiten heeft vastgesteld en heeft toegepast. Daarom vragen voornoemde leden of het mogelijk is in 1F-zaken te kiezen voor een restrictievere uitleg en de term «ernstige redenen» te veranderen in «een redelijk vermoeden van schuld». Hierdoor zou een 1F-dossier kunnen worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek. Deze aanpassing wordt door het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) en de UNCHR aanbevolen. Kan de Staatssecretaris hierop ingaan?

De leden van de D66-fractie constateren dat bij vreemdelingen die vallen onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet meer getoetst wordt aan artikel 1A van dit Verdrag. Om die reden zijn er vreemdelingen met een asielgrond die niet in Nederland mogen verblijven omdat hun asielgrond niet getoetst wordt. Omdat artikel 3 van het EVRM in Nederland een absolute werking heeft kan deze groep mensen niet terug naar het land van herkomst. Deze leden vragen daarom of het niet wenselijker is 1F-ers te toetsen aan artikel 1A van het Verdrag. Indien een 1F-er wel degelijk een asielgrond heeft dan kan Nederland de vreemdeling in sommige omstandigheden niet uitzetten, bijvoorbeeld indien artikel 3 van het EVRM van toepassing is.

De leden van de D66-fractie merken op dat de medewerking van de vreemdeling des te meer van belang is in zaken waar artikel 3 van het EVRM aan uitzetting naar het land van herkomst in de weg staat, omdat in dat geval van de vreemdeling wordt verlangd inspanningen te verrichten om te vertrekken naar een derde land. Deze leden vragen hoe dit in de praktijk tot uitwerking komt. Hoeveel onuitzetbare 1F-ers zijn er in het verleden al vertrokken naar derde landen? Welke derde landen zijn er bereid gevonden onuitzetbare 1F-ers toe te laten? Waarom zouden deze derde landen niet de 1F uitsluiting tegenwerpen of betreft dit derde landen die het VN Vluchtelingenverdrag niet hebben geratificeerd? Deze leden vragen of dit beleid impliceert dat Nederland niet restrictief genoeg is met het tegenwerpen van de 1F uitsluiting en dat derde landen hier een ruimere interpretatie aan geven. Voornoemde leden hebben onlangs vernomen dat bijvoorbeeld Duitsland uitgeprocedeerde 1F-ers een verblijfsvergunning geeft. Dit vermeldt de nationale ombudsman ook in zijn rapport van 2 oktober 2013 (2013/143). Is de Staatssecretaris hiervan op de hoogte?

De leden van de D66-fractie constateren dat in een rapportage van de ACVZ uit 2008 ervoor wordt gewaarschuwd dat de zogenaamde duurzaamheids- en proportionaliteitstoets voor 1F-ers in de praktijk een dode letter (b)lijkt te zijn. Deze leden willen graag weten hoe vaak het sinds 2008 is voorgekomen dat personen die ooit op basis van artikel 1F van asiel zijn uitgesloten, op basis van de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets een verblijfsvergunning hebben verkregen.

De leden van de D66-fractie merken op dat uit de jurisprudentie (bijvoorbeeld LJN BX9999) volgt dat de IND in het kader van de duurzaamheids- en proportionaliteitseis bij de beoordeling van de (dis)proportionaliteit van de situatie van de aanvrager een vergelijking maakt met de situatie van andere langdurig niet uitzetbare 1F-ers. Alleen wanneer de consequenties van het onthouden van een verblijfsvergunning voor de aanvrager in vergelijking met andere langdurige niet uitzetbare 1F-ers disproportionele consequenties heeft, komt deze in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Deze leden willen graag weten op basis van welke informatie de rechter een inschatting kan maken van de situatie van langdurig niet uitzetbare 1F-ers in algemene zin. Ook vragen deze leden of de Staatssecretaris een goed beeld heeft van de psychische, fysieke en/of financiële situatie van langdurig niet uitzetbare 1F-ers in algemene zin. Zo ja, kan die situatie worden omschreven? In welke zin wijkt de situatie van diegenen die tot nu toe op basis van de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets een verblijfsvergunning hebben gekregen af van de situatie van andere langdurig niet uitzetbare 1F-ers?

De leden van de D66-fractie constateren dat in landen als het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen 1F-ers die vanwege artikel 3 van het EVRM niet uitzetbaar zijn een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen. Kan de Staatssecretaris uiteenzetten waarom Nederland niet ditzelfde beleid voert? Kan worden onderzocht hoe dit beleid in de genoemde landen werkt en wat de effecten daarvan zijn?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de brieven. Zij constateren met teleurstelling dat het Nederlandse 1F-beleid zich nog altijd niet verdraagt met de uitgangspunten van een humaan asielbeleid.

Met betrekking tot het Nederlandse 1F-beleid in het algemeen, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de Staatssecretaris het voornemen heeft wijzigingen aan te brengen in het 1F-beleid om het zodoende humaner te maken. Is de Staatssecretaris van mening dat er (zo nodig tijdelijk) meer capaciteit moet worden uitgetrokken teneinde verdachten voor de rechter te brengen? Is een periode van twee jaar waarin alles op alles wordt gezet bewijsmateriaal te verzamelen en vervolging mogelijk te maken, redelijk? Is de Staatssecretaris voorts van mening dat, indien strafrechtelijke vervolging binnen deze termijn niet mogelijk is, daarna de 1F status opgeheven dient te worden? Zo nee, waarom niet? Welke termijn wordt wel redelijk geacht? Is de Staatssecretaris bereid de eis te laten vallen dat 1F-ers zelf moeten aantonen dat ze onschuldig zijn? Kan duidelijk worden aangegeven waarom de Nederlandse positie hierin zoveel afwijkt van andere lidstaten binnen de Europese Unie?

2. Kinderen en 1F-beleid

De leden van de D66-fractie constateren dat het beleid dat na tien jaar verblijf aan een kind van een 1F-er niet meer de 1F-status van de ouder wordt tegengeworpen, alleen nog maar te vinden is in het asielbeleid, niet meer in het reguliere migratiebeleid. Dat betekent dat kinderen van een 1F-ouder nooit succesvol een andere dan een asielvergunning kunnen aanvragen. De wijziging is ingevoerd bij het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2013/5, een grootschalige herziening van de Vreemdelingencirculaire met twee doelen: de Wet modern migratiebeleid en niet-inhoudelijke wijzigingen die een redactionele verbetering beogen. Deze leden zijn van mening dat de achteruitgang van de positie van kinderen van 1F-ouders onder geen van deze doelen valt. Is dit een bewuste, fundamentele aantasting van de rechtspositie van een kwetsbare groep of is het slechts een redactionele fout? Voornoemde leden vragen hoe de wijziging zich verhoudt tot de motivering van de beleidswijzing uit 2008, waaraan dwingende juridische argumenten aan ten grondslag lagen. In het tweede geval dient de beleidswijzing uiteraard zo snel mogelijk te worden aangepast.

De leden van de D66-fractie zijn ook bezorgd over de positie van kinderen met 1F-ouders in relatie tot het kinderpardon. De kinderen met een 1F-ouder zijn uitgesloten voor de Regeling langdurig verblijvende kinderen. In feite worden kinderen hiermee gestraft voor mogelijke daden van hun ouders. Deze leden menen dat dit zich niet verhoudt tot artikel 2, tweede lid van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waarin is bepaald dat kinderen niet bestraffend of discriminerend mogen worden behandeld op basis van de status of activiteiten van hun ouders. Graag ontvangen deze leden een reactie van de Staatssecretaris.

3. Internationale Hoven en Tribunalen en 1F-beleid

De leden van de D66-fractie zijn tevens benieuwd naar de verhouding tussen het 1F-beleid en de internationale hoven en tribunalen die in Nederland gevestigd zijn. Als verdachten worden vrijgesproken door een internationaal strafhof of tribunaal en asiel in Nederland aanvragen, kan aan hen dan nog steeds de 1F uitsluiting tegengeworpen worden? Zo ja, acht de Staatssecretaris dat een 1F tegenwerping de rechtsmacht van het een internationaal hof of tribunaal ondermijnt? Zij vragen hoe hier politiek mee omgegaan zal worden door de Staatssecretaris.

4. Het ambtsbericht in het kader van het 1F-beleid

De leden van de PvdA-fractie willen nog een aantal punten aan de orde stellen, allereerst de rol van het ambtsbericht over de Afghaanse veiligheidsdiensten. Op basis van dat ambtsbericht zijn jegens vele Afghanen aan wie artikel 1F is tegengeworpen ernstige vermoedens van oorlogsmisdaden aangenomen. Voor velen van hen geldt dat zij nooit zijn vervolgd. Verschillende belangenorganisaties hebben vraagtekens geplaatst bij dit ambtsbericht, onder andere omdat het niet op openbare bronnen is gebaseerd. Kan de Staatssecretaris aangeven of er reeds openbare bronnen zijn die de informatie uit het ambtsbericht bevestigen? Is de Staatssecretaris bereid bij voorkeur en zo veel mogelijk individuele informatie aan de basis te leggen van beslissingen omtrent de tegenwerping van artikel 1F aan vreemdelingen? Deze leden horen graag van de Staatssecretaris welke mogelijkheden er zijn voor vreemdelingen de tegenwerping van 1F te ontkrachten. Welke voorbeelden van bewijsmiddelen kunnen deze vreemdelingen overleggen teneinde succesvol op te komen tegen de op een collectief ambtsbericht gebaseerde verdenking?

De leden van de SP-fractie willen weten of het klopt dat een aantal bronnen van het ambtsbericht 2000 van de Minister van Buitenlandse Zaken geheim is, waardoor tegenbewijs lastig is. Op welke manier kan een Afghaanse 1F-er aantonen dat het roulatiesysteem niet heeft bestaan of dat hij zich niet aan oorlogsmisdaden heeft schuldig gemaakt als zijn of haar curriculum vitae niet te checken is in Afghanistan?1 Wat acht de Staatssecretaris acceptabel tegenbewijs voor Afghaanse 1F-ers en kunnen daar praktische voorbeelden van worden gegeven? Erkent de Staatssecretaris dat de discussie over het 1F-beleid voor onderofficieren en officieren die werkzaam zijn geweest bij de KhAD/WAD (de staatsinlichtingendienst van Afghanistan) tot een eind kan worden gebracht door een nieuw ambtsbericht? Zo nee, waarom niet? Afghanistan is immers op dit moment veel toegankelijker dan in 2000 en staat hiervoor open2, waardoor nader onderzoek naar dat ambtsbericht makkelijker is. Bovendien is destijds gebruik gemaakt van informatie van de Pakistaanse veiligheidsdienst, die een fel tegenstander was en is van de KhAD/WAD. Erkent de Staatssecretaris dat dit laatste de geloofwaardigheid niet ten goede komt? Kan in dit licht worden gereageerd op het artikel «Vervolg ons dan», waarin wordt gesteld dat informanten aan het betreffende ambtsbericht hebben gewerkt die er alles aan hebben gedaan medewerkers van de KhAD/WAD, onschuldig of niet, zwart te maken?3

De leden van de SP-fractie willen voorts een reactie op het antwoord van de voormalig directeur van de Afghaanse veiligheidsdienst de heer Saleh op de vraag of iedere KhAD/WAD medewerker aan foltering deed, namelijk: «Wel op de verhoorafdeling, maar daar werkten maar een paar honderd mensen die ook niet eens allemaal betrokken zijn geweest bij folteringen en oorlogsmisdaden.» En op de bewering van dezelfde oud-directeur «dat iedereen bij KhAD/WAD zich schuldig heeft gemaakt meer een mythe dan realiteit is.» Zijn dergelijke bronnen gebruikt bij het opstellen van betreffend ambtsbericht? Zo nee, waarom niet? Is de Staatssecretaris alsnog bereid in gesprek te gaan met National Directorate of Security over deze discussie? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris voorts een reactie te geven op de petitie die dinsdag 4 februari jl. aan de vaste Kamercommissie van Veiligheid & Justitie is aangeboden door de Stichting 1F.

De leden van de D66-fractie constateren dat de inhoud van ambtsberichten een grote rol speelt in het gebruiken van de 1F-tegenwerping. Op grond van het ambtsbericht betreffende de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan van 29 februari 2000 is aan de groep (onder)officieren van de KhAD/WAD collectief 1F tegengeworpen. Er wordt in dat ambtsbericht melding gemaakt van een rotatiesysteem waardoor alle (onder)officieren persoonlijk betrokken zouden zijn geweest bij mensenrechtenschendingen. Deze conclusies uit het ambtsbericht maken het voor deze groep die asiel heeft gezocht in Nederland bijna onmogelijk de 1F-tegenwerping te weerleggen. Dit ambtsbericht is tot stand gekomen op basis van anonieme bronnen. Deze leden vragen de Staatssecretaris of ambtsberichten voortaan op transparantere wijze tot stand gebracht kunnen worden. Ook vragen zij het ambtsbericht betreffende de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan van 29 februari 2000 op objectiviteit en juistheid te herzien. Wat zijn de voor- en nadelen van het instellen van een staatscommissie die de Afghaanse 1F-ers in Nederland opnieuw kan toetsen?

5. Gelijkheidsbeginsel en artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht(Awb)

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 augustus 2012. Eiser in die zaak had bij zijn vervolgaanvraag een lijst met namen van 48 personen overgelegd onder vermelding van de rang die de betrokken personen binnen de KhAD/Wad hadden bekleed. Deze 48 personen hebben een verblijfsvergunning. Eiser deed een beroep op het gelijkheidsbeginsel en de rechtbank veroordeelde de regering tot een onderzoek. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft uitspraak gedaan. Het hoger beroep is afgewezen: de betreffende asielzoeker had de lijst eerder moeten overleggen. Nu dat te laat was gedaan, werd de zaak afgewezen, gebruik makend van artikel 4:6 Awb. Deze leden hebben ook vernomen dat de rechtbank Rotterdam, wijzend op de uitspraak van 8 augustus 2012 en overwegend dat de regering zich in het geheel niet heeft ingespannen het beroep op het gelijkheidsbeginsel inhoudelijk te toetsen, het beroep van een andere klager gegrond heeft verklaard. Ook in die zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam is in stand gebleven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is daar dus wel gehonoreerd. Hoe wordt dat verschil verklaart en hoe werkt dat door in het beleid van de Staatssecretaris?

6. De Taskforce Internationale Misdrijven

De leden van de SP-fractie willen weten wat de Taskforce Internationale Misdrijven kan en zal betekenen voor 1F-ers die wegens een uitzetbeletsel niet in het land van herkomst kunnen worden vervolgd. Zullen alle zaken van in Nederland verblijvende 1F-ers, die niet uitgezet dan wel uitgeleverd kunnen worden, nogmaals tegen het licht worden gehouden teneinde te beoordelen of alsnog vervolging kan worden ingesteld? Zo nee, waarom niet? Is er genoeg capaciteit bij politie, OM en Taskforce teneinde een strafrechtelijk onderzoek te starten naar alle 1F-ers die niet terug kunnen naar het land van herkomst?

De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat de prioriteiten van de Taskforce meer liggen op het onthouden of ontnemen van een verblijfsvergunning c.q. Nederlanderschap in plaats van op strafrechtelijk onderzoek en vervolging? Zo nee, waarom niet? Waar ligt in het Nederlandse 1F-beleid de focus: op waarheidsvinding en eventueel vervolging of op uitzetting? Graag ontvangen deze leden een toelichting van de Staatssecretaris.

7. Aanpak Rwanda

De leden van de SP-fractie willen graag een reactie op het voorbeeld dat Amnesty International schetst in de brief van 31 januari 2014 over samenwerking op justitieel terrein met Rwanda, namelijk de zaak van de Rwandese oppositieleidster Victoire Ingabire, waardoor twijfel is ontstaan of de Rwandese rechtspraak wel aan de internationale standaarden voldoet.4 Kan worden toegelicht wat wordt bedoeld als de kwaliteit van de Rwandese rechtspraak inmiddels op een dusdanig niveau is gebracht dat deze voldoet aan de internationale standaarden volgens onder meer het International Criminal Tribunal for Rwanda en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)?

De leden van de SP-fractie vernemen graag of het klopt dat de strafbaarstelling voor oorlogsmisdrijven pas in 2012 in Rwanda is ingevoerd, terwijl retroactieve strafbaarstelling volgens de Rwandese Grondwet is uitgesloten en alleen voor genocide en misdrijven tegen de menselijkheid op deze regel een uitzondering lijkt te zijn gemaakt.5 Voor die tijd lijkt de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor oorlogsmisdaden niet in de nationale wetgeving te zijn vastgelegd. Wat betekent dit alles voor de rechtsmacht als het gaat om oorlogsmisdrijven? Kan bij het eventueel ontbreken van de rechtsmacht nog wel worden uitgeleverd? Graag ontvangen deze leden een uitgebreide toelichting en onderbouwing van de Staatssecretaris. Wat kan Nederland betekenen voor de vervolging van dergelijke misdaden?

Welke waarde hecht de Staatssecretaris voorts aan het boek van Reyntjens, waarin de wijze wordt beschreven waarop in Rwanda de rechtspleging wordt misbruikt teneinde onschuldige tegenstanders te elimineren en ook schuldige medestanders te sparen?6

De leden van de SP-fractie vragen waarom de Staatssecretaris gedwongen terugkeer van 1F-ers naar Rwanda mogelijk acht, als hij tegelijkertijd in de brief d.d. 31 januari 2014 stelt dat terugkeer pas aan de orde is als na gerechtelijke procedures onherroepelijk vast is komen te staan dat geen sprake is van een artikel 3 EVRM beletsel. Er is immers hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag d.d. 20 december 2013.7 Is de Staatssecretaris derhalve bereid niet uit te zetten totdat na de gerechtelijke procedures onherroepelijk is vast komen te staan dat betrokkenen geen risico lopen op schending van artikel 3 EVRM? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie willen tevens een reactie van de Staatssecretaris op de suggestie van de rechtbank Den Haag het proces in Rwanda te laten waarnemen en te bedingen dat deze zich kan laten bijstaan door een buitenlandse advocaat. Erkent de Staatssecretaris dat de rechtbank Den Haag eigenlijk stelt dat geen sprake is van mogelijke schending van artikel 3 EVRM, maar dat er wel aanvullende waarborgen nodig zijn? Zo nee, waarom niet? Indien deze uitspraak standhoudt, gaat de Staatssecretaris de suggestie van de rechter dan vastleggen in aanvullende afspraken met Rwanda? Zo nee, waarom niet? Is de Staatssecretaris voornemens voortaan het proces van alle uitgezette Rwandese 1F-ers waar te laten nemen en rechtsbijstand te laten bedingen door een buitenlandse advocaat? Zo nee, waarom niet? Erkent de Staatssecretaris dat het Rwanda-tribunaal dezelfde twijfels heeft als de rechtbank Den Haag over de rechtspleging in Rwanda, omdat er wordt gevraagd om een extra safeguard?8 Welke waarde hecht de Staatssecretaris aan deze extra safeguard?

De leden van de SP-fractie willen vervolgens weten van hoeveel mensen sinds 2008 alsnog op grond van artikel 1F besloten is de vergunning in te trekken. Is tegen deze 1F-ers direct een strafrechtelijk onderzoek gestart? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel van hen is alsnog berecht en bestraft of is vervolging ingesteld?

De leden van de PVV-fractie vernemen graag hoe het mogelijk is dat de Rwandees Jean Baptiste Mugimba, die een zeer belangrijke rol heeft gespeeld in de Rwandese genocide, aanvankelijk in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Welke knelpunten zijn er in het screeningsproces en hoe wordt daarmee omgegaan?

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de samenwerking op vreemdelingrechtelijk terrein met Rwanda en begrijpen dat er op basis van het Memorandum of Understanding meer gedwongen uitzettingen naar Rwanda moeten gaan plaatsvinden, ook van Rwandese burgers met een 1F-status. De rechtbank Den Haag heeft onlangs bepaald dat er voor terugkeer naar Rwanda geen artikel 3 EVRM beletsel is. Er is hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Deze leden gaan er vanuit dat de Staatssecretaris pas zal beginnen met gedwongen uitzettingen als dit hoger beroep ongegrond is verklaard. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat er pas gedwongen uitzettingen zullen plaatsvinden als dit hoger beroep ongegrond verklaard is?

Daarnaast hebben voornoemde leden vooralsnog twijfels over de mensenrechtensituatie in Rwanda. Is de Staatssecretaris bereid als er na uitlevering of gedwongen uitzetting een proces gestart wordt tegen deze personen, deze te laten monitoren, al dan niet door een EU monitoring mission? Wat zal de Staatssecretaris doen als tijdens de strafprocessen in Rwanda zou blijken dat er geen sprake is van een eerlijk proces of wanneer andere ernstige mensenrechtenschendingen plaatsvinden?

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de Staatssecretaris tevreden is met de kwaliteit van de Rwandese rechtspraak en dat deze inmiddels voldoet aan de internationale standaarden. Zonder deze verbeteringen in twijfel te trekken, vragen deze leden hoe deze positieve berichten zich verhouden tot de ernstige zorgen die internationale mensenrechtenorganisaties nog altijd uiten. Zo geeft onder meer Human Rights Watch (HRW) aan dat de praktijk van willekeurige arrestaties, detenties, executies, martelpraktijken, verdwijningen en intimidaties, vooral tegen politieke tegenstanders en critici, nog altijd voortduurt. Ook claimt HRW dat politieke tegenstanders en critici ook buiten de landsgrenzen van Rwanda, tot in Europa aan toe, worden lastiggevallen, bedreigd en geïntimideerd. Bovendien kunnen dergelijke personen lang niet altijd rekenen op een eerlijk proces. Kan de Staatssecretaris aangeven of hij zich in dat beeld herkent? Kent de Staatssecretaris ook de wijze waarop de Rwandese autoriteiten zijn omgegaan met Mutabazi? Is hij zich er bijvoorbeeld van bewust dat de Rwandese autoriteiten weigeren te erkennen of Mutabazi toegang heeft tot een advocaat? Kan de Staatssecretaris reageren op de bevindingen van Amnesty Internationaal aangaande het proces van Victoire Ingabire: «The accused was not treated in a fair and impartial way».9

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering een Memorandum of Understanding heeft ondertekend. Is de Staatssecretaris bereid dit Memorandum integraal, zo nodig vertrouwelijk, te delen met de Kamer en kenbaar te maken in hoeverre dit garanties bevat ten aanzien van de mensenrechten en rechtsgang, in het bijzonder voor personen die in Rwanda worden verdacht van strafbare feiten en worden uitgezet.

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat in de recente brief van de Staatssecretaris wordt aangegeven dat, naar aanleiding van een screening, in een aantal gevallen een 1F-status is tegengeworpen. Kan worden aangegeven in hoeveel gevallen dit is voorgekomen, van hoeveel genaturaliseerde Rwandezen het Nederlanderschap is ingetrokken en voor hoeveel personen het voornemen bestaat het Nederlanderschap in te trekken? De Staatssecretaris geeft aan dat Nederland «niet het eerste noch het enige land» is wat zich heeft voorgenomen verdachten van internationale misdrijven uit te leveren aan Rwanda. Kan worden aangegeven welke landen niet overgaan tot dergelijke uitleveringen en welke motieven zij hiervoor hebben? Kan voorts worden ingegaan op hoe de Staatssecretaris rechten, zoals neergelegd in artikelen 3 en 6 van het EVRM, weegt voor de personen die hij wenst uit te zetten? De regering Staatssecretaris maakt verder melding van het feit dat Rwanda de garantie heeft afgegeven dat personen die door Nederland worden uitgeleverd zullen worden gedetineerd in de Mpanga-gevangenis. Geldt deze garantie voor de volledige periode dat iemand gedetineerd wordt? Kan de Staatssecretaris aangeven welke andere garanties hij heeft bedongen?

II. Reactie van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag dat de leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie hebben uitgebracht. De vragen, opmerkingen en beschouwingen over het beleid en de geagendeerde kamerbrieven geven mij gelegenheid om de inhoud en strekking ervan te verduidelijken.

Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (hierna: Vlv) gaat over vreemdelingen aan wie betrokkenheid kan worden verweten bij oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, ernstige niet-politieke misdrijven (zoals moord, marteling, terrorisme), misdrijven tegen de vrede en/of handelingen in strijd met de doelstellingen en beginselen van de VN (hierna wordt als verzamelterm gebruikt: internationale misdrijven). Het gaat bij 1F dus zonder uitzondering om zeer ernstige misdrijven.

Deze mensen komen op grond van het Vluchtelingenverdrag niet in aanmerking voor bescherming. Dit is internationaal en Europees recht: bescherming is voor de slachtoffers, niet voor de daders.

De toepassing van artikel 1F Vlv is inherent aan het waarborgen van de integriteit van het systeem van vluchtelingenbescherming.

Uitgangspunt van het Nederlandse 1F-beleid is dat Nederland geen vluchthaven wil zijn voor vreemdelingen die in het herkomstland betrokken zijn geweest bij internationale misdrijven. In Nederland hebben we een zorgvuldige procedure om die betrokkenheid vast te stellen, inclusief rechterlijke waarborgen.

De bewijslast voor het tegenwerpen van artikel 1F Vlv is een bijzondere bewijslast en de maatstaf ligt hoog. Uitgangspunt is dat de IND moet aantonen «ernstige redenen» te hebben om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1F Vlv valt. Iedere zaak wordt uitvoerig en zorgvuldig op zijn individuele merites onderzocht door een gespecialiseerde afdeling van de IND, de unit 1F. De vreemdeling wordt uitgebreid in de gelegenheid gesteld om zijn kant van het verhaal naar voren te brengen. Vervolgens kan de vreemdeling het besluit van de IND voorleggen aan een onafhankelijke rechter, in beroep en hoger beroep.

Als de conclusie is dat een vreemdeling weet heeft gehad van en betrokken is geweest bij internationale misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vlv is het beleid duidelijk: 1F’ers krijgen hier geen verblijf en moeten uit Nederland vertrekken. Dit geldt ook voor 1F’ers ten aanzien van wie is vastgesteld dat zij niet kunnen terugkeren naar het land van herkomst vanwege artikel 3 EVRM. Of artikel 3 EVRM nog van toepassing is wordt regelmatig herbeoordeeld. Wanneer artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen terugkeer naar het land van herkomst voorziet het beleid in een toets om te voorkomen dat een vreemdeling in een zeer uitzonderlijke schrijnende situatie kan komen te verkeren (duurzaamheids- en proportionaliteitstoets).

Het Nederlandse 1F-beleid maakt deel uit van het bredere Nederlandse streven om geen vluchthaven te zijn en straffeloosheid van plegers van internationale misdrijven tegen te gaan. In de Rapportagebrief Internationale Misdrijven stel ik uw Kamer jaarlijks op de hoogte van de ontwikkelingen en resultaten van deze alomvattende aanpak die ziet op het vreemdelingenterrein, het strafrecht en ook het buitenlands beleid. Nederland vervult hierin internationaal een voortrekkersrol.

Een belangrijk deel van de vragen van de fracties houdt verband met de relatie tussen de bestuursrechtelijke/vreemdelingrechtelijke 1F-procedure en de strafrechtelijke opsporing en vervolging van internationale misdrijven. In dat kader acht ik het van belang om enkele relevante achtergronden te schetsen die noodzakelijk zijn om mijn beantwoording van de afzonderlijke vragen van de leden goed te begrijpen.

Zoals gezegd is artikel 1F Vlv van toepassing als er «ernstige redenen» zijn om aan te nemen dat een vreemdeling een internationaal misdrijf heeft gepleegd. Anders dan in het strafrecht is niet vereist dat «wettig en overtuigend bewezen wordt geacht» dat betrokkene zich aan bepaalde gedragingen schuldig heeft gemaakt. Een strafrechtelijke vervolging of veroordeling is voor het tegenwerpen van artikel 1F Vlv niet nodig. Artikel 1F Vlv gaat namelijk niet om strafrecht (vergelding), maar om de vraag welke vreemdelingen wij in Nederland bescherming bieden en toelaten tot alle in Nederland geldende voorzieningen. Zoals hieronder uiteengezet is dit ook om andere redenen begrijpelijk. Het strafrecht en het vreemdelingenrecht zijn namelijk wezenlijk verschillende rechtsgebieden: strafrechtelijk onderzoek en vervolging kan om tal van redenen uitgesloten, onhaalbaar of niet opportuun zijn, terwijl desalniettemin op goede gronden van (zeer) sterke aanwijzingen – genoemde «ernstige redenen» – in de zin van artikel 1F Vlv kan worden gesproken. Strafvorderlijke beslissingen van het OM zeggen dan ook zelden iets over de validiteit van de 1F-beslissing. Het strafrecht is geen hoger beroepsinstantie van de bestuursrechter. Dit is in de jurisprudentie van zowel de straf-10 als de bestuursrechtspraak erkend.11 Om de leden van de verschillende fracties een voorbeeld te geven: een vreemdeling die betrokken is geweest bij folteringen van politieke tegenstanders begin jaren ’80 kan zonder meer artikel 1F Vlv worden tegengeworpen. Opsporing en vervolging zijn echter uitgesloten, omdat foltering pas in 1989 strafbaar is gesteld in Nederland. Dit is slechts één van de vele potentiële beletselen voor het starten van een opsporingsonderzoek.

Het is onjuist en onwenselijk om artikel 1F Vlv alleen maar tegen te werpen in geval van een (succesvolle) strafrechtelijke vervolging.

Het strafrechtelijk vervolgen van daders van internationale misdrijven is uiterst complex, tijdrovend en (ook voor slachtoffers/getuigen) ingrijpend. Dat tonen niet alleen de procedures in Nederland, maar ook de processen bij de internationale tribunalen en in andere nationale jurisdicties. Het gaat om feiten die vaak lang geleden zijn gepleegd in andere landen en culturen en in de context van een gewapend conflict. Door het tijdsverloop en de vernietigende werking van zo’n gewapend conflict zijn getuigen, documentair en forensisch bewijs vaak schaars en zeer moeilijk op te sporen. De getuigen zijn niet zelden getraumatiseerd en willen niet zelden de gebeurtenissen achter zich laten. Velen vrezen bovendien voor hun veiligheid als hun naam bekend wordt. Ze zijn dan ook niet altijd bereid en in staat om de zware taak als getuige in een jaren durende strafzaak op zich te nemen. Ook zijn er maar zelden insiders te vinden die als getuige in een strafproces een boekje willen opendoen.

In Nederland zijn nu 14 verdachten van internationale misdrijven vervolgd (10 strafzaken) in een periode van ongeveer 10 jaar. Het ging om zaken uit onder meer Democratische Republiek Congo, Rwanda, Afghanistan, Liberia en Sri Lanka. Een elfde strafzaak, tegen een Afghaanse militair, kwam vorig jaar tot een einde door het overlijden van de verdachte, een twaalfde zaak is in afwachting van planning op een zitting door de rechtbank. In drie zaken zijn uitleveringsprocedures gestart. Daarmee behoort Nederland wereldwijd tot de koplopers waar het gaat om de strafrechtelijke aanpak van oorlogsmisdadigers.12 Andere landen en mensenrechtenorganisaties beschouwen Nederland als voorbeeld: kwantitatief, maar ook kwalitatief. De deskundigheid, diversiteit aan zaken en samenwerking met tribunalen, ngo’s en slachtoffers wordt geprezen.

Met de Taskforce Internationale Misdrijven en de in dat kader ontwikkelde programmatische aanpak bouwt Nederland voort op die rol. Ik hoop dat de fracties van de Tweede Kamer deze inzet (blijven) ondersteunen.

In het navolgende zal ik ingaan op de door de leden van de fracties gestelde vragen.

1. Het 1F-beleid

Omdat de vragen van de leden van de fracties zijn onder te verdelen in de categorieën «cijfermatige gegevens», «toepassing en bewijsmaatstaf 1F-beleid», «verschil vreemdelingenrecht en strafrecht», «strafrechtelijke vervolging» en «UNHCR/beleid andere landen» is ten behoeve van het overzicht ervoor gekozen de beantwoording aldus te bundelen.

Cijfermatige gegevens vreemdelingenrecht

Alle fracties hebben gevraagd naar cijfermatige gegevens over het aantal 1F-tegenwerpingen.

De leden van de PVV fractie zouden graag vernemen aan hoeveel vreemdelingen in totaal artikel 1F Vlv is tegengeworpen.

De eerste tegenwerping van artikel 1F Vlv vond plaats in 1992. In totaal is sindsdien t/m 2013 aan ongeveer 870 vreemdelingen artikel 1F Vlv tegengeworpen.

De leden van de PvdA fractie hebben gevraagd naar het aantal 1F-tegenwerpingen in de laatste 10 jaar, dus van 2004 t/m 2013.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA kan ik melden dat dit ongeveer 330 is. Van deze groep vond de 1F-tegenwerping ongeveer 320 keer plaats in het kader van een asielaanvraag, dan wel in het kader van intrekking van een verblijfvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd. In ongeveer 10 resterende zaken van deze groep vond de 1F-tegenwerping plaats in het kader van een reguliere aanvraag, dan wel in het kader van het intrekken van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde of onbepaalde tijd.

De leden van de PvdA fractie hebben verder gevraagd het aantal tegenwerpingen van de afgelopen 10 jaar uit te splitsen naar asielzoekers en andere vreemdelingen aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen. In onderstaande tabel staan de cijfers over de afgelopen 10 jaar, uitgesplitst per jaar:

Jaar

Totaal aantal vreemdelingen 1F-tegenwerping

In het kader van (intrekken) vva-(on)bep (asiel)

In het kader van (intrekken) andere aanvraag (niet-asiel)

2004

70

70

<10

2005

20

20

Geen

2006

20

20

Geen

2007

40

40

<10

2008

30

30

Geen

2009

30

30

Geen

2010

20

20

Geen

2011

30

30

<10

2012

40

40

<10

2013

30

30

Geen

TOTAAL1

330

320

10

X Noot
1

Bron: IND. Door de afronding op tientallen kan het totaal afwijken van de optelsom van de cijfers per jaar. De cijfers van minder dan 5 zijn weergegeven als <10.

De leden van de SP fractie op hun beurt hebben gevraagd naar cijfermatige gegevens sinds 2008.

Sinds 2008 is in totaal aan ongeveer 180 vreemdelingen artikel 1F Vlv tegengeworpen, in het kader van een aanvraag voor een verblijfsvergunning (asiel of regulier), dan wel in het kader van het intrekken van een verblijfvergunning asiel of regulier voor bepaalde of onbepaalde tijd. Sinds 2008 is het ongeveer 50 keer voorgekomen dat er sprake was van een intrekking van de verblijfsvergunning (asiel of regulier) in een zaak waarin een 1F-onderzoek heeft plaatsgevonden. Hoewel het voor de hand ligt dat artikel 1F Vlv in deze zaken de oorzaak is van de intrekking, kan dit niet één op één zo worden gesteld, aangezien de IND niet registreert wat de reden van de intrekking is geweest.

De leden van de PVV willen voorts graag weten welke nationaliteiten 1F’ers hebben. Tot op heden is artikel 1F Vlv tegengeworpen aan vreemdelingen met meer dan 50 verschillende nationaliteiten. De top 5 nationaliteiten betreft Afghanen, Irakezen, Turken, Angolezen en Iraniërs.

Wat betreft de vraag van de leden van de PvdA fractie naar het aantal gezinsleden van 1F’ers dat op grond van het «tienjarenbeleid» een vergunning heeft gekregen, merk ik op dat men geen vergunning krijgt op grond van de tien jaren regel. Gezinsleden krijgen een vergunning op een van de verblijfsgronden van de Vreemdelingenwet, waarbij op grond van deze regeling artikel 1F Vlv niet meer als contra-indicatie wordt tegengeworpen. Aangezien het enkel de betreffende verblijfsgrond uit de Vreemdelingenwet is die wordt geregistreerd, zijn geen cijfers beschikbaar.

Zowel de leden van de PvdA fractie als die van D66 hebben gevraagd naar het aantal keer dat een beroep op de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets heeft geleid tot vergunningverlening aan een 1F’er met een artikel 3 EVRM beletsel tot terugkeer naar zijn herkomstland.

Tot nu toe is dit in ongeveer 10 zaken het geval geweest. Het aantal zaken waarin een beroep is gedaan op de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets is onbekend aangezien dit niet wordt geregistreerd.

Het antwoord op de vraag van de leden van de PvdA fractie in hoeveel procent van de 1F-zaken door de IND gebruik wordt gemaakt van individuele ambtsberichten kan ik evenmin geven, omdat dit niet wordt geregistreerd.

De leden van de PvdA fractie hebben voorts gevraagd naar verscheidene percentages met betrekking tot terugkeer.

Vanaf 2009 bestaat er registratie naar welk land een vreemdeling is vertrokken. Van 1 januari 2009 tot 1 maart 2014 zijn circa 250 vreemdelingen, die door de IND als 1F’er stonden geregistreerd, uit de caseload van de DT&V aantoonbaar dan wel niet aantoonbaar vertrokken. Hiervan zijn ongeveer 50 vreemdelingen (circa 19%) naar het land van herkomst teruggekeerd en ongeveer 20 vreemdelingen (circa 7%) naar een derde land, inclusief overdrachten in het kader van Dublin. Ongeveer 190 vreemdelingen (circa 74%) zijn niet aantoonbaar vertrokken. Van de ongeveer 250 vertrokken vreemdelingen waren circa 70 niet uitzetbaar naar het land van herkomst omdat artikel 3 EVRM van toepassing was.13

In antwoord op de vraag van de leden van de PVV fractie naar het totaal aantal 1F’ers ten aanzien van wie een artikel 3 EVRM beletsel tot terugkeer naar het land van herkomst is aangenomen, merk ik het volgende op.

Vanaf 2007 wordt bijgehouden hoeveel vreemdelingen als 1F’er zijn geregistreerd, hoeveel daarvan vallen onder de bescherming van artikel 3 EVRM en of er vertrek heeft plaatsgevonden. Van de circa 630 vreemdelingen die vanaf 2007 tot en met december 2013 tot de caseload van de DT&V hebben behoord of nog behoren en door de IND als 1F’er stonden geregistreerd, is ten aanzien van circa 180 vreemdelingen sprake van een beletsel tot terugkeer naar het land van herkomst op grond van artikel 3 EVRM.

De leden van de D66 fractie hebben gevraagd naar het vertrek van 1F’ers met een artikel 3 EVRM terugkeerbeletsel naar derde landen.

Van 1 januari 2009 tot 1 maart 2014 zijn minder dan 10 vreemdelingen, die door de IND als 1F’er stonden geregistreerd en waarbij artikel 3 EVRM van toepassing is, aantoonbaar naar een derde land vertrokken.14

De fractieleden van de PVV hebben gevraagd of, en zo ja hoeveel 1F’ers momenteel opvang dan wel woonruimte krijgen en/of een bijstandsuitkering dan wel bijzondere bijstand ontvangen.

Deze informatie is niet uit de systemen te halen. Op grond van de geldende regelgeving komen 1F’ers niet in aanmerking voor sociale voorzieningen.

De leden van de PVV fractie hebben voorts gevraagd hoeveel Syrische vreemdelingen als 1F’er zijn aangemerkt.

Vanaf de start van het 1F beleid tot en met 2013 is aan een enkele Syrische vreemdeling artikel 1F Vlv tegengeworpen. Recent, in 2014, is aan enkele Syrische vreemdelingen artikel 1F Vlv tegengeworpen. Ten aanzien van deze Syrische vreemdelingen is een artikel 3 EVRM beletsel voor terugkeer naar het land van herkomst aangenomen. Voorts lopen er op dit moment een aantal 1F onderzoeken ten aanzien van vreemdelingen met de Syrische nationaliteit.

Tot slot hebben de fractieleden van de PVV gevraagd naar het aantal 1F’ers dat aantoonbaar al of niet gedwongen Nederland heeft verlaten. Van de circa 630 vreemdelingen die vanaf 2007 tot en met december 2013 door de IND als 1F’er stonden geregistreerd en tot de caseload van de DT&V behoren of behoord hebben, hebben circa 100 vreemdelingen Nederland aantoonbaar verlaten.

Cijfermatige gegevens strafrecht

De leden van de PvdA fractie hebben gevraagd naar het aantal vervolgingen van 1F’ers.

Het vervolgen van daders van internationale misdrijven is juridisch en praktisch uiterst complex en tijdrovend. Dat bewijzen ook de processen bij de internationale tribunalen en in andere nationale jurisdicties. In Nederland zijn in de afgelopen tien jaar veertien personen vervolgd voor betrokkenheid bij internationale misdrijven. Daarmee is Nederland toonaangevend en koploper in de wereld wat betreft nationale vervolging van internationale misdrijven. In zes gevallen was sprake van een vreemdeling aan wie ook artikel 1F Vlv is tegengeworpen, in vier gevallen heeft de vervolging tot een veroordeling geleid.15 Daarnaast zijn twee 1F’ers aangehouden ter fine van uitlevering; de uitleveringsprocedures in deze zaken zijn nog gaande. In beide gevallen had het Landelijk Parket zelf (ook) een strafrechtelijk onderzoek opgestart.

Toepassing en bewijsmaatstaf 1F-beleid

Het verheugt mij dat de leden van de PvdA van mening zijn dat Nederland in grote lijnen een afgewogen 1F-beleid heeft, dat zorgvuldig toetst of er verdenkingen van oorlogsmisdaden zijn en dat de gespecialiseerde 1F-unit van de IND hieraan bijdraagt.

Zoals ik in mijn inleiding al heb gemeld is het 1F-beleid van belang voor de integriteit van het systeem van vluchtelingenbescherming. Vanwege de consequenties die een 1F-tegenwerping met zich meebrengt, is een restrictieve en zorgvuldige toepassing van dit beleid evenzo belangrijk. Bescherming is voor de slachtoffers, niet voor de daders.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA naar het bijhouden van de zwaarte van het vermoeden van 1F-misdrijven in een individuele zaak door de IND, kan ik benadrukken dat iedere 1F tegenwerping plaatsvindt op individuele gronden, na zorgvuldig onderzoek. Ik hecht eraan op te merken dat er binnen het 1F-beleid niet zoiets bestaat als een «lichtere categorie van verdachte feiten». De bewijsstandaard is (altijd) ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen zoals omschreven in artikel 1F Vlv. De ernstige redenen die worden tegengeworpen moeten goed onderbouwd zijn en zorgvuldig (kenbaar) gemotiveerd worden in het besluit. De IND houdt geen aparte registratie bij op welke individuele gronden artikel 1F Vlv is tegengeworpen.

De unit 1F is enkel betrokken bij vreemdelingrechtelijke (vervolg) procedures, inclusief nieuwe verblijfsprocedures die volgen na een afwijzing op grond van artikel 1F Vlv. Voor zover de vraag van de PvdA fractieleden naar de rol van de unit 1F ziet op strafrechtelijke vervolging, geldt dat de unit 1F hier geen rol in heeft. De vraag of het OM al dan niet tot vervolging over gaat, dan wel eventueel onderzoek in dat kader verricht, is zuiver een aangelegenheid van het OM.

De fractieleden van de PvdA en D66 hebben gevraagd om verduidelijking van de invulling van het beleid voor 1F’ers van wie is vastgesteld dat zij vanwege een artikel 3 EVRM beletsel duurzaam niet kunnen terugkeren naar het herkomstland. De leden van de PvdA zouden graag vernemen wanneer sprake is van een uitzonderlijke situatie op grond waarvan het blijvend onthouden van een vergunning aan deze 1F’ers disproportioneel wordt geacht. In het verlengde hiervan vragen de leden van de D66 fractie in hoeverre ik bekend ben met de psychische, fysieke en/of financiële situatie van langdurig niet-uitzetbare 1F’ers in algemene zin, en die situatie kan omschrijven.

Zoals de leden van de verschillende fracties al aangeven geldt de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets alleen voor vreemdelingen aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen en ten aanzien van wie eveneens is geoordeeld dat zij niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst vanwege artikel 3 EVRM. Deze vreemdelingen bevinden zich in de situatie dat hen geen verblijfstitel wordt verleend, maar dat zij evenmin worden uitgezet naar het land van herkomst. Door middel van de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets wordt beoordeeld of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst, en zo ja, of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Van een duurzaam uitzetbeletsel is sprake als een vreemdeling zich tien jaar zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij vanwege artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst, als er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie, en als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat vertrek naar een derde land niet mogelijk is. Pas als sprake is van een duurzaam uitzetbeletsel wordt toegekomen aan de proportionaliteitstoets. In dit verband wordt getoetst of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het blijvend onthouden van een vergunning disproportioneel is. In geval van disproportionaliteit wordt de vreemdeling uitgenodigd om een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier in te dienen en krijgt hij een tijdelijk verblijfsrecht.

Wat betreft de invulling van de proportionaliteitstoets is het de combinatie van alle omstandigheden van het individuele geval die het uitzonderlijke maakt in de situatie van diegenen die tot nu toe op basis van de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets een vergunning hebben gekregen.

Anders dan de leden van de PvdA constateren, is met de invoering van de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets geen andere waardering van de feiten beoogd, maar een andere weging van de met die feiten gemoeide belangen. In de omstandigheid dat niet lichtelijk tot vergunningverlening wordt overgegaan komt die weging tot uiting: vanwege de ernst van de verweten gedragingen wordt op voorhand aan de belangen van de Staat groot gewicht toegekend. Het gaat bij artikel 1F Vlv immers zonder uitzondering om zeer ernstige misdrijven. Telkens dient een afweging te worden gemaakt tussen de aard en ernst van de artikel 1F Vlv tegenwerping en de individuele belangen en bijzondere situatie waarin de 1F’er verkeert. Alle elementen worden daarin meegenomen, dus ook medische en sociale factoren, zoals de vraag of het gezinsleven buiten Nederland uitgeoefend kan worden (wanneer gezinsleden van een 1F’er rechtmatig verblijf hebben, betekent dit namelijk niet dat tevens aan de 1F’er verblijf moet worden toegestaan). In de zaken waarin een vergunning op grond van duurzaamheid en disproportionaliteit is verleend, heeft zo’n belangenafweging plaatsgevonden en is geoordeeld dat de individuele zaken dusdanig uitzonderlijk (schrijnend) en onderscheidend waren om disproportionaliteit aan te nemen. Het gegeven dat er in voorkomende gevallen een vergunning kan en wordt verleend, maakt dat deze beleidsregel betekenis heeft. Dat dit beleid streng wordt toegepast en dat slechts in zeer uitzonderlijke (schrijnende) gevallen disproportionaliteit wordt aangenomen, is zoals eerder aangegeven gerechtvaardigd vanwege de aard en ernst van de artikel 1F Vlv tegenwerping.

De fractieleden van de PvdA hebben aangegeven graag te zien dat IND en DT&V regelmatig onderzoeken of er nog uitzettingsbelemmeringen zijn. Dit is staand beleid: zaken waarin een artikel 3 EVRM belemmering is aangenomen worden al regelmatig daarop herbeoordeeld. Daarbij is het niet zo dat op dat moment ook wordt bezien of verstrekking van een verblijfsvergunning in de rede ligt. Dit gebeurt in beginsel slechts in het kader van een openstaande procedure.

De fractieleden van de PVV merken terecht op dat Nederland geen vrijhaven mag zijn voor oorlogscriminelen en terroristen. Ik sta evenwel voor dit op andere manieren na te streven dan deze leden suggereren. In de Rapportagebrief Opsporing en Vervolging Internationale Misdrijven informeer ik de Tweede Kamer jaarlijks over deze inzet door middel van de Taskforce Internationale Misdrijven en de geboekte resultaten.

Gevraagd naar wat wordt gedaan om de vertrekplicht van 1F’ers met een artikel 3 EVRM terugkeerbeletsel toch te bekrachtigen, geldt dat de DT&V alle 1F-zaken in de caseload scherp in beeld heeft. Bij zaken waarop artikel 3 EVRM van toepassing is voert de DT&V eens per half jaar een gesprek met de vreemdeling, waarbij de vreemdeling gewezen wordt op zijn plicht om Nederland te verlaten. Van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij inspanningen pleegt om uit Nederland te vertrekken naar een ander land dan het land van herkomst. Door de IND wordt regelmatig herbeoordeeld of het uitzetbeletsel op grond van artikel 3 EVRM nog van toepassing is. In die gevallen waarin de IND aangeeft dat artikel 3 EVRM niet langer aan de orde is, wordt overgegaan tot het opstarten van de vertrekprocedure teneinde het vertrek naar het land van herkomst, dan wel een derde land, te realiseren. Daarnaast wordt opnieuw aan artikel 3 EVRM getoetst wanneer een vreemdeling op wie artikel 3 EVRM van toepassing is een nieuwe procedure in gaat, bijvoorbeeld wanneer deze opnieuw asiel aanvraagt, of een inreisverbod of ongewenstverklaring krijgt opgelegd.

De leden van de PVV fractie vragen voorts of kan worden gegarandeerd dat aan geen enkele Afghaanse 1F’er een verblijfsrecht wordt toegekend. Zoals gemeld wordt er zeer terughoudend omgegaan met het alsnog verlenen van verblijfsrecht aan vreemdelingen aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen. Dit wordt slechts overwogen in zeer uitzonderlijke gevallen bij vreemdelingen die in een uitzonderlijke (schrijnende) situatie verkeren en waarbij het nog langer onthouden van verblijf ondanks de tegenwerping van artikel 1F Vlv disproportioneel zou zijn.

In antwoord op de vraag van de PVV fractieleden wat ik doe om te voorkomen dat Syrische 1F’ers in Nederland blijven, merk ik op dat de ervaring leert dat niet kan worden uitgesloten dat onder de Syriërs die we nu toelaten zich personen kunnen bevinden waarvan op een later moment mogelijk belastende informatie bekend wordt. Alsdan zal de IND conform het staande 1F-beleid onderzoeken of dat aanleiding geeft om een verleende vergunning in te trekken. Met de situaties betreffende Afghanistan en Rwanda nog scherp in het geheugen, vraagt de situatie in Syrië om een (proactieve) benadering van de IND om daders zo snel mogelijk te detecteren en hen verblijf in Nederland te ontzeggen, dan wel om hen ter verantwoording te roepen. Binnen de unit 1F van de IND is daarom een project opgestart met het doel om informatie en documentatie over de Arabische lente, waaronder ook Syrië, te verzamelen en te ontsluiten. Daarnaast wordt kennis en expertise geborgd en het (inter)nationale netwerk uitgebreid en versterkt. Ook wordt er geïnvesteerd in een goede voorlichting aan de IND-medewerkers die Syrische zaken behandelen.

Voor vreemdelingen die zijn aangemerkt als 1F’er geldt dat zij niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning en Nederland dienen te verlaten. Dit geldt ook voor Syrische vreemdelingen aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen. De feitelijke situatie in Syrië maakt evenwel dat het thans niet mogelijk is om gedwongen terugkeer naar Syrië te realiseren. De regievoerders van de DT&V voeren eens per half jaar een gesprek met de betreffende vreemdelingen om te blijven werken aan vertrek en dit ter hand te kunnen nemen zodra gedwongen terugkeer weer mogelijk blijkt.

De leden van D66 fractie hebben inzake de knowing and personal participation-toets verwezen naar Canadese jurisprudentie.

Allereerst zij opgemerkt dat de knowing and personal participation-toets of een inhoudelijk vergelijkbare beoordeling door meerdere landen wordt gehanteerd (bijvoorbeeld België en Verenigd Koninkrijk). De Canadese uitspraak waarnaar de leden hebben verwezen, in de zaak Ezokola, zag specifiek op de wijze waarop in zaken van leden van bepaalde organisaties de betreffende toets door de Canadese overheid werd uitgevoerd. Naar aanleiding van de uitspraak is de Canadese toets aangepast. Het oordeel van het Supreme Court zag erop dat enkel lidmaatschap als zodanig niet afdoende basis is om artikel 1F Vlv tegen te werpen. In het Nederlandse beleid en de uitvoering is dit al niet als zodanig het geval; de Nederlandse praktijk is wat dat betreft al restrictiever dan de in de uitspraak aangehaalde Canadese praktijk. In de Nederlandse praktijk vindt er altijd een toets plaats aan de hand van de specifieke feiten van het concrete geval of iemand individueel (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor door de betreffende organisatie gepleegde misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vlv. Dit is in overeenstemming met de individuele toets zoals die door het Hof van Justitie van de EU is voorgeschreven.16

Ten aanzien van de opmerkingen van de fractieleden van D66 aangaande de toets aan het Vlv verwijs ik graag naar mijn inleiding en reactie op de vragen van de leden van de verschillende (andere) fracties over de uitvoering en de bewijslast van het 1F-beleid.

Wat betreft de vraag naar het mogelijke verschil in uitvoering van het Vlv door verschillende EU lidstaten merk ik op dat binnen de EU de artikelen 12 en 17 van de EU Kwalificatierichtlijn (2004/83) – welke artikelen grotendeels overeenkomen met artikel 1F Vlv – de lidstaten verplichten om een vreemdeling uit te sluiten van de in deze richtlijn beschreven internationale bescherming (vluchtelingenbescherming en subsidiaire bescherming) als sprake is van ernstige redenen om aan te nemen dat de vreemdeling betrokken is geweest bij de genoemde ernstige misdrijven. De richtlijn biedt wel ruimte om aan 1F’ers die niet kunnen terugkeren naar het herkomstland vanwege artikel 3 EVRM een vorm van nationale bescherming te verlenen, zolang die niet kan worden verward met genoemde internationale bescherming in de zin van de Kwalificatierichtlijn. Te denken valt aan nationale bescherming op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden. Net als in Nederland geldt in een aantal EU lidstaten dat een 1F’er dient te vertrekken, eventueel naar een derde land. Voorts kennen enkele lidstaten de mogelijkheid om een 1F'er een tijdelijke verblijfstatus te verlenen, veelal op basis van discretie, al dan niet gecombineerd met toezichtmaatregelen, en soms met beperkte rechten. In het Nederlandse beleid biedt de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets een voldoende waarborg dat een 1F'er die wegens artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst, niet kan komen te verkeren in een uitzonderlijke humanitaire situatie. Een nader beleid voor deze groep is op dit moment niet aan de orde.

De fractieleden van de CU hebben eveneens gevraagd naar de bewijslast en eventuele verschillen met andere lidstaten van de EU.

Zoals ik heb aangestipt is het Nederlandse 1F-beleid conform internationale en Europese regelgeving (Kwalificatierichtlijn). Deze regelgeving stelt dat een asielzoeker aannemelijk moet maken dat hij in aanmerking komt voor vluchtelingenbescherming c.q. internationale bescherming (ex artikel 3 EVRM). Omdat artikel 1F Vlv restrictief moet worden toegepast geldt in 1F-zaken dat de Nederlandse staat moet aantonen dat artikel 1F Vlv van toepassing is. De bewijslast ligt dan bij de Staat. Het Nederlandse 1F-beleid verschilt op dit punt niet van dat van andere lidstaten.

Verschil vreemdelingenrecht en strafrecht

In mijn inleiding heb ik uiteengezet dat in strafvorderlijke beslissingen van het OM (het wel of niet instellen van een opsporingsonderzoek, wel of niet vervolgen, seponeren etc.) geen inhoudelijke waardering van de 1F-beslissing van de IND en het oordeel van de rechtbank en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag worden gezien. De vraag of op juiste gronden artikel 1F Vlv is tegengeworpen is een andere dan de vraag of strafrechtelijke vervolging mogelijk en wenselijk is.17 Om die reden is het onwenselijk en onjuist om artikel 1F Vlv enkel tegen te werpen in geval van een (succesvolle) strafrechtelijke vervolging. Mijn toelichting in de paragraaf «strafrechtelijke vervolging 1F’ers» zal dit evenzo uitwijzen.

De fractieleden van de PvdA achten het vanuit rechtstatelijk oogpunt zeer onbevredigend dat vreemdelingen aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen niet worden vervolgd.

Dat dit in voorkomende gevallen niet kan, vloeit voort uit de wezenlijke verschillen tussen het vreemdelingenrecht en strafrecht. Strafrechtelijke vervolging van internationale misdrijven staat los van het 1F-beleid op grond van het Vluchtelingenverdrag en Europese asielregelgeving. Ik breng de leden graag in herinnering dat de legitimiteit van het 1F-beleid is gelegen in het Vluchtelingenverdrag en het daarin neergelegde systeem van vluchtelingenbescherming. De toepassing van artikel 1F Vlv is inherent aan de integriteit van dit systeem: bescherming is er voor de slachtoffers niet voor de daders die de vluchtelingenstromen hebben veroorzaakt. Hiervoor geldt de specifiek voor dit kader opgestelde bewijslast, die in Nederland wordt getoetst in een zorgvuldige met gerechtelijke waarborgen omklede procedure. Het gevolg van toepassing van artikel 1F Vlv is dat de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning (of om Nederlander te worden) wordt afgewezen, of dat zijn verblijfsvergunning of Nederlanderschap door de IND wordt ingetrokken. Deze procedure staat los van een eventuele beslissing om de vreemdeling strafrechtelijk te vervolgen. Omgekeerd heeft de beslissing van het OM om al dan niet over te gaan tot vervolging niet automatisch gevolgen voor de tegenwerping van artikel 1F Vlv.18 Voor de rechtsstatelijkheid is doorslaggevend of (de behandeling van) een individuele procedure voldoet aan de binnen het betreffende rechtsgebied geldende wettelijke kaders.

Wat betreft de vragen van de fractieleden van D66 naar de bewijsmaatstaf in het vreemdelingenrecht in vergelijking tot andere rechtsgebieden merk ik allereerst op dat in alle rechtsgebieden geldt dat de rechter toetst aan de specifieke omstandigheden van de voorliggende zaak en het in het betreffende rechtsgebied geldende wettelijk kader. Het is een misvatting dat de bestuursrechter ten aanzien van de artikel 1F Vlv tegenwerping slechts een marginale toets toepast. De rechter toetst vol of op goede gronden artikel 1F Vlv is toegepast. Voorts hecht ik eraan op te merken dat niet alleen het verschil in de bewijsmaatstaf de oorzaak is van het feit dat tot nu toe in enkele zaken strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden. Zoals ik eerder in mijn beantwoording op de vragen van verschillende fracties heb aangegeven, is de vraag of al dan niet tot strafrechtelijke vervolging kan worden overgegaan afhankelijk van tal van factoren, bijvoorbeeld het ontbreken van rechtsmacht en (juridische) opportuniteitsoverwegingen. Hoewel het cijfer van het aantal strafvervolgingszaken van internationale misdadigers gering lijkt, is Nederland wereldwijd koploper, zowel in het aantal zaken als in doorlooptijden. Dergelijke zaken kosten veel capaciteit van zowel politie, OM als de rechterlijke macht. Het bewijs ligt voor het grootste gedeelte niet in Nederland, maar in het land waar de feiten gepleegd zijn. Het betreft zonder uitzondering complexe onderzoeken en processen met tientallen getuigen die vaak over de hele wereld moeten worden gevonden. Het heeft dan ook mijn voorkeur dat dergelijke zaken worden afgedaan in het land waar de feiten zijn gepleegd.

Wat betreft de bewijsmaatstaf «ernstige redenen» geldt dat deze direct voortvloeit uit de redactie van het Vluchtelingenverdrag. In de richtlijnen van de UNHCR voor de toepassing van artikel 1F Vlv staat dat voor de invulling van dit criterium niet hoeft te worden voldaan aan de strafrechtelijke bewijsstandaard. Aansluiting zoeken bij het strafrechtelijke criterium «redelijk vermoeden van schuld» miskent de wezenlijke verschillen tussen het vreemdelingenrecht en strafrecht evenals binnen deze afzonderlijke rechtsgebieden geldende wettelijke kaders.

Strafrechtelijke vervolging

Alvorens ik inga op de afzonderlijke vragen over de strafrechtelijke vervolging van 1F’ers en internationale misdrijven19, hecht ik eraan voorafgaand nog het volgende toe te lichten.

Zoals onder meer ook in de jaarlijkse Rapportagebrieven Internationale Misdrijven aan uw Kamer is bericht, komt informatie over internationale misdrijven – behalve uit 1F-dossiers – uit veel verschillende bronnen zoals: mensenrechtenorganisaties, slachtoffers, open bronnen, internationale tribunalen, buitenlandse collega’s en Interpol. Voor 1F-informatie geldt: als de IND een persoon artikel 1F Vlv heeft tegengeworpen, wordt het Landelijk Parket daarvan op de hoogte gesteld en wordt het dossier ter beschikking gesteld.

Alle informatie die binnenkomt – dus ook alle 1F-dossiers – wordt geanalyseerd, gebundeld en gewogen (het oriënterend onderzoek) om na te gaan of er grond is voor opsporing en vervolging. Het volgende is daarbij relevant.

Ten eerste: of en wanneer informatie uit 1F-dossiers en andere bronnen leidt tot een kansrijk en opportuun strafrechtelijk onderzoek hangt af van talloze juridische, tactische en praktische factoren. Voorbeelden zijn rechtsmachtskwesties, rechtshulpverdragen, beschikbaarheid en gezondheid van getuigen, oude verjaringsregelingen, immuniteiten, bereikbaarheid van getuigen, veiligheid van getuigen, beschikbaarheid en bereikbaarheid van ander bewijsmateriaal (archieven, plaats delict, forensisch bewijs etc.), veiligheid van Nederlands politie- en justitiepersoneel, de algehele informatiepositie over een conflict en medewerking van andere autoriteiten aan de uitvoering van rechtshulpverzoeken, om er maar een paar te noemen. De meeste van deze factoren kunnen met het verstrijken der jaren veranderen: bijvoorbeeld de veiligheidssituatie, de mogelijkheid om (na enige wederopbouw) in post-conflict gebieden strafrechtelijk significant onderzoek te kunnen doen, de (algemene) informatiepositie (bijv. door het verschijnen van VN-rapporten, door het beschikbaar komen van classified material van de tribunalen etc.), de mogelijkheden om getuigen te beschermen, de (geestelijke) gezondheidstoestand van getuigen, aanpassingen van wetgeving etc. De ervaring leert dat dit jaren kan duren. Om te voorkomen dat oorlogsmisdadigers van deze realiteit profiteren en straffeloos blijven, heeft de wetgever in de vernieuwde Wet internationale misdrijven bewust geregeld dat deze delicten niet verjaren. Dit is ook de reden dat jaarlijks een deel van de 1F-dossiers opnieuw wordt gescreend om te bezien of strafrechtelijk onderzoek of uitlevering alsnog tot de mogelijkheden behoort.20

Ten tweede: de informatie in 1F-dossiers – en ditzelfde geldt voor informatie die langs andere wegen binnenkomt – is lang niet altijd geschikt om een strafrechtelijk onderzoek mee te starten, zonder dat dit ook maar iets zegt over de kwaliteit van die informatie. Een journalist of ngo kan goede bronnen hebben die voldoende zijn voor een gedegen publicatie over een oorlogsmisdadiger, maar op basis van diezelfde bronnen is een strafrechtelijk onderzoek nog lang niet altijd mogelijk. Evenzo kan de IND goede gronden hebben voor een 1F-tegenwerping, gronden die door de bestuursrechter in stand gelaten worden, zonder dat aarmee gezegd is dat een strafrechtelijk onderzoek tot de mogelijkheden behoort.

De werkwijze van het Landelijk Parket (hierna: LP) na ontvangst van een 1F-dossier is als volgt.

1F-dossiers waarin niet direct een onderzoek wordt gestart, worden in beginsel «opgelegd» door het LP. Dat wil zeggen dat ze gevoegd worden bij de overige informatie, waarmee later wellicht alsnog een onderzoek kan worden begonnen. Vervolgens wordt gemonitord of er relevante nieuwe informatie beschikbaar komt, bijvoorbeeld over landen, conflicten, martelcomplexen en personen, en of andere omstandigheden wijzigen. 1F-dossiers worden op deze manier op gezette tijden opnieuw gescreend (herscreening).

Indien er een permanent beletsel is geconstateerd voor een succesvol opsporingsonderzoek (bijvoorbeeld het absoluut ontbreken van rechtsmacht21) worden de zaken gesloten. Indien bij het TIM en/of LP informatie bekend zou worden die strijdig is met de gronden die onder de 1F-beslissing liggen, wordt dit aan de IND gemeld. In voorkomende gevallen kan dit voor de IND aanleiding zijn om de tegenwerping van artikel 1F Vlv te herbeoordelen.

Van de zaken die na het oriënterend onderzoek of herscreening geschikt lijken voor verdere opsporing en vervolging, wordt vervolgens besloten op welke zaken een volledig opsporingsonderzoek wordt opgestart en wordt vervolgd. Dit gebeurt op basis van o.m. beschikbare opsporingscapaciteit, spreiding van capaciteit over verschillende soorten zaken, landen en daders etc.

Ik zal nu ingaan op de door de fracties gestelde vragen.

In mijn inleiding en het vorengaande ben ik reeds ingegaan op de vraag van onder meer de leden van de PvdA en D66 naar het onderzoek van 1F-dossiers en het opstarten van strafrechtelijke vervolging.

Over de samenwerking in internationaal verband wil ik opmerken dat er nauw wordt samengewerkt met de tribunalen22, met buitenlandse collega’s (o.m. binnen de kaders van een vast EU-netwerk en Eurojust) en andere derde partijen. Ook de kanalen van Interpol worden optimaal benut. Voor Europol geldt dat internationale misdrijven (nog) niet tot de taakgebieden behoren.

De fractieleden van de CU hebben gevraagd naar het koppelen van strafvorderlijke beslissing aan de vreemdelingenrechtelijke tegenwerping van artikel 1F Vlv. Uit mijn inleiding en vorengaande paragraaf volgt dat ik het onjuist en onwenselijk acht om (het handhaven van) de artikel 1F Vlv tegenwerping te koppelen aan de strafvorderlijke keuzes en beslissingen van het Openbaar Ministerie: ten eerste duurt het vaak jaren voor strafrechtelijke opsporing en vervolging van internationale misdrijven tot de mogelijkheden behoort. Juist om te voorkomen dat plegers van dit soort delicten kunnen profiteren van deze realiteit heeft de wetgever in 2003 besloten de verjaringstermijnen op te heffen. Een voorgestelde vooraf vastgestelde termijn «waarin alles op alles wordt gezet om bewijsmateriaal te verzamelen en vervolging mogelijk te maken» zou de opsporing en vervolging van internationale misdrijven ernstig frustreren en straffeloosheid in de hand werken. Ten tweede, zoals reeds meerdere malen aangegeven, zeggen strafvorderlijke beslissingen zelden iets over de validiteit van de 1F-beslissing en het oordeel van de bestuursrechter daarover.

Wat betreft de vraag van de fractieleden van de CU of meer capaciteit moet worden uitgetrokken, verwijs ik naar mijn brief aan uw Kamer van 31 januari 2014. Hoewel het enerzijds logischerwijs zo is dat er een relatie bestaat tussen het aantal opsporingsonderzoeken en vervolgingen en de beschikbare capaciteit, volgt anderzijds uit de specifieke modaliteiten van strafrechtelijke opsporing en vervolging zoals hiervoor uiteengezet dat met uitbreiding van de capaciteit nooit alle 1F’ers zullen kunnen worden vervolgd. De lange duur van onderzoeken valt vooral toe te schrijven aan de complexiteit ervan, en niet zozeer een tekort aan capaciteit

UNHCR/andere landen

De leden van D66 hebben gevraagd naar de Nederlandse inzet met betrekking tot de herziening door de UNHCR van diens richtlijnen voor de toepassing van artikel 1F Vlv.

Nadat tijdens verschillende internationale overleggen door de vertegenwoordigers van de UNHCR de aanwezige landen werden uitgenodigd om aandachtspunten en suggesties aan te dragen voor de revisie van deze richtlijnen, heeft Nederland het initiatief genomen om in het kader van de Intergovernmental Consultations on Migration, Asylum and Refugees (IGC) eventuele aandachtspunten van de IGC-lidstaten te inventariseren en gebundeld aan de UNHCR te doen toekomen. De verzamelde input dient als achtergrond voor de UNHCR van wat er bij de betreffende lidstaten leeft inzake artikel 1F Vlv en de interpretatie van de huidige UNHCR richtlijnen. Het is aan de UNHCR om hier al dan niet iets mee te doen, bijvoorbeeld door in de herziening bepaalde onderdelen uitgebreider toe te lichten. Volgens de UNHCR Global Appeal 2014–2015 is het streven de revisie in die periode af te ronden. De herziene richtlijnen worden alsdan gepubliceerd op de internetpagina van de UNHCR.

Voornoemde fractieleden hebben verder gevraagd naar het bericht dat Duitsland uitgeprocedeerde 1F’ers een verblijfsvergunning zou geven. Zoals ik in mijn inleiding heb aangestipt is het Nederlandse 1F-beleid conform internationale en Europese regelgeving. Op grond van de EU Kwalificatierichtlijn is het de lidstaten van de EU niet toegestaan om een asielvergunning (internationale bescherming) te verlenen aan 1F’ers. Wat dat betreft zij opgemerkt dat de suggestie die wordt gewekt in de uitzending van EenVandaag van 29 juni 2013 – naar aanleiding waarvan uw Kamer mij heeft gevraagd om nadere informatie – dat een van de geïnterviewde Afghanen in Duitsland een asielvergunning zou hebben gekregen, niet juist is.

Nederland is binnen Europa voorloper waar het gaat om expertise en ervaring met de toepassing van artikel 1F Vlv. Nederland is een van de eerste Europese landen die een gespecialiseerde 1F unit heeft ingesteld en die ook alert is op artikel 1F Vlv in reguliere verblijfsprocedures. Meerdere Europese landen zijn de afgelopen jaren gevolgd met het oprichten van een gespecialiseerde unit, bijvoorbeeld Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk. België werkt met een 1F-coördinator en gespecialiseerde medewerkers, en in andere Europese landen is veelal sprake van zaakbehandeling door ervaren/getrainde medewerkers (bijv. in Frankrijk, Polen en Luxemburg). Vanwege de voorloperrol is Nederland betrokken bij het (verder) ontwikkelen van de trainingsmodule «Exclusion» van het EASO Training Curriculum (ETC, voorheen EAC). Op internationaal niveau investeert Nederland in de samenwerking met de UNHCR, bijvoorbeeld door het op verzoek van de UNHCR geven van trainingen aan medewerkers van de organisatie in het veld. Nederland onderschrijft het uitgangspunt dat artikel 1F Vlv restrictief dient te worden toegepast. Dit standpunt is niet anders dan dat van de UNHCR en de andere lidstaten van de EU.

Dat de artikel 1F Vlv tegenwerping in andere Europese landen niet als gevolg heeft dat een reguliere verblijfsvergunning wordt onthouden, kan, naast de omstandigheid dat nog niet alle Europese landen even ver zijn met het (breed) ontwikkelen van hun 1F beleid, verschillende oorzaken hebben. Die variëren van de uitvoeringspraktijk bij invoer en/of controle van signaleringssystemen, tot de omstandigheid dat betrokkene bij een verblijfsaanvraag in een andere lidstaat niet altijd kenbaar maakt dat hij in een lidstaat al een (asiel)procedure heeft doorlopen welke mededeling aanleiding zou zijn tot navraag. Ook kan soms zoiets simpels als een andere naamweergave er de oorzaak van zijn dat bij controle van de systemen geen signaal naar voren komt.

In reactie op de vraag van de fractieleden van D66 naar de praktijk van het VK en Noorwegen met betrekking tot 1F’ers met een artikel 3 EVRM terugkeerbeletsel, merk ik op dat een van de uitgangspunten van het Nederlandse beleid is dat Nederland geen vluchthaven wil zijn voor 1F’ers. Iedere vergunningverlening aan een 1F’er doet afbreuk aan dat uitgangspunt. Daarom wordt van iedere 1F’er, ongeacht de omstandigheid dat artikel 3 EVRM van toepassing is geacht, verlangd om inspanningen te verrichten om uit Nederland te vertrekken. Het is mij bekend dat Noorwegen en het VK tijdelijke vergunningen verstrekken die iedere zes maanden moeten worden verlengd en herbeoordeeld wat betreft het artikel 3 EVRM vertrekbeletsel. Zoals ik eerder in deze beantwoording van schriftelijke vragen heb opgemerkt worden zaken waarin een artikel 3 EVRM belemmering is aangenomen regelmatig herbeoordeeld. Daarbij is het niet zo dat op dat moment ook wordt bezien of verstrekking van een verblijfsvergunning in de rede ligt, dit gebeurt in beginsel slechts in het kader van een openstaande procedure.

Ook ten aanzien van 1F’ers met een artikel 3 EVRM terugkeerbeletsel geldt onverkort het beleidsuitgangspunt dat Nederland geen vluchthaven wil zijn voor vreemdelingen van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan internationale misdrijven.

2. Kinderen en 1F-beleid

De leden van de D66 fractie hebben gevraagd naar het beleid voor gezinsleden van 1F’ers waarin na tien jaar – onder voorwaarden – de contra-indicatie artikel 1F Vlv kan komen te vervallen als een gezinslid (niet zijnde de 1F’er) een aanvraag indient voor een verblijfsvergunning. De omstandigheid dat het betreffende beleid is opgenomen in de asielparagraaf van de Vreemdelingencirculaire inzake het 1F-beleid (waarin al het 1F-gerelateerde beleid is gebundeld) doet niet af aan de gelding in het geval een beroep wordt gedaan op deze regeling in het kader van een reguliere verblijfsaanvraag. Er is geen sprake van een wijziging.

De fractieleden van D66 hebben verder gevraagd hoe de uitsluiting van kinderen met een 1F-ouder voor de Regeling langdurig verblijvende kinderen zich verhoudt tot artikel 2, tweede lid van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Het kinderpardon is een begunstigende regeling voor langdurig verblijvende kinderen, mede ingegeven door het belang van het kind. Het belang van het kind dient hierbij te worden afgewogen tegen andere maatschappelijke belangen, met name het belang van bescherming van de openbare orde. Dat betekent dat er geen vergunning wordt verleend in het geval van openbare orde aspecten of langdurig illegaal verblijf buiten het zicht van de Rijksoverheid. Ik zie dus geen strijdigheid met het IVRK.

Als criminele antecedenten van de ouder niet zouden worden tegengeworpen, dan zou de ouder met criminele antecedenten – na verstrekking van de verblijfsvergunning aan de overige familieleden – in voorkomende gevallen met een beroep op artikel 8 EVRM verblijf in Nederland kunnen vragen en krijgen. Dit acht ik onwenselijk.

3. Internationale Hoven en Tribunalen en 1F-beleid

De leden van de D66 fractie hebben gevraagd of door een internationaal strafhof vrijgesproken verdachten die asiel in Nederland aanvragen artikel 1F Vlv kan worden tegengeworpen. Het antwoord op die vraag luidt bevestigend.

De vreemdelingrechtelijke tegenwerping van artikel 1F Vlv door Nederland staat los van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof of tribunaal.

Ter toelichting verwijs ik naar mijn reactie op de gestelde vragen over het verschil tussen het vreemdelingenrecht en het strafrecht. Kern daarvan is dat een één op één vertaling van vreemdelingrechtelijke 1F-zaken naar strafzaken en vice versa niet mogelijk is. Of de strafrechtelijke procedure is gevoerd ten overstaan van een nationale rechter of een internationaal strafhof of tribunaal maakt in dat opzicht geen verschil en is niet relevant.

4. Het ambtsbericht in het kader van het 1F-beleid

De leden van de PvdA fractie hebben gevraagd naar openbare bronnen die de informatie uit het ambtsbericht van 29 februari 2000 inzake de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan (1978–1992) bevestigen. De leden spreken over «de informatie» uit het ambtsbericht. Ik ga er hier vanuit dat wordt bedoeld de informatie aangaande (onder)officieren van de KhAD/WAD en het roulatiesysteem. Het ambtsbericht van 29 februari 2000 is gebaseerd op bronnen die deels openbaar en deels vertrouwelijk zijn. Naar aanleiding van informatie van de UNHCR uit 2008 is de Minister van Buitenlandse Zaken in contact getreden met de UNHCR en heeft zelf ook nader onderzoek gedaan. Dit heeft geresulteerd in de conclusie van de Minister van Buitenlandse Zaken dat de informatie van de UNHCR de informatie in het ambtsbericht niet weerlegt (brieven aan de Tweede Kamer in 2009 en 2010). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is eveneens tot het oordeel gekomen dat de informatie van de UNHCR geen aanleiding biedt tot twijfel aan het ambtsbericht KhAD/WAD en het daarop gebaseerde 1F-beleid.Er zijn sindsdien geen ontwikkelingen geweest die tot nieuwe inzichten leiden.

Het verzoek van de leden om zoveel mogelijk individuele informatie aan de basis van 1F-beslissingen te leggen, is reeds staand beleid. Een artikel 1F Vlv tegenwerping gebeurt altijd op individuele gronden. Zoals in mijn inleiding al aangestipt, is de bewijsmaatstaf voor 1F-zaken dat er ernstige redenen moeten zijn om te veronderstellen dat iemand misdrijven heeft begaan. De Nederlandse Staat moet dit aantonen. In een enkel geval is over een bepaalde categorie personen, bijvoorbeeld onderofficieren en officieren van de KhAD/WAD, zodanig veel belastende informatie voorhanden inzake betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen dat de verantwoordelijk bewindspersoon kan besluiten dat ten aanzien van die categorie de bewijslast kan worden verlegd. Aan de gebruikelijke bewijslast die bij de Staat ligt om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen aan te nemen, is voor die categorie personen door genoemde belastende informatie al voldaan. Aan hen wordt dan in beginsel artikel 1F Vlv tegengeworpen, en het is dan aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de belastende informatie niet voor hem/haar geldt (zgn. significante uitzondering). Een en ander is dus vooral afhankelijk van de specifieke positie van een vreemdeling en de informatie die daar verder over bekend is. Juist om die reden vindt altijd een individuele toets plaats, ook waar het vreemdelingen betreft waarvan in het beleid is bepaald dat zij behoren tot een categorie personen op wie in beginsel artikel 1F Vlv van toepassing is.

Welke informatie kunnen de vreemdelingen dan aandragen, vragen de leden verder. Dit kan ik illustreren aan de hand van het KhAD/WAD beleid. Uit de informatie in het ambtsbericht volgt onder meer dat bij de KhAD/WAD systematisch mensen werden mishandeld en mensenrechten geschonden door onderofficieren en officieren. De bronnen van het ambtsbericht stellen dat het domweg niet mogelijk was dat onderofficieren of officieren bij de KhAD/WAD hieraan niet deelgenomen hadden. Dit omdat er binnen de KhAD/WAD gerouleerd werd, zowel om de macht van individuele medewerkers te beperken als om loyaliteit bij de medewerkers te kweken. De verplichte roulatie maakte het onmogelijk om bijvoorbeeld alleen in een administratieve functie werkzaam te zijn. Voor zover dit in een individueel geval (toch) anders is geweest, heeft de vreemdeling de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat zijn geval een uitzondering op die gang van zaken betreft. Een significante uitzondering wordt in het beleid in beginsel aangenomen indien wordt voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden. Allereerst, de vreemdeling is als zij-instromer als officier bij de KhAD/WAD binnen gekomen. Ten tweede heeft hij niet gerouleerd. Tot slot, hij is niet bevorderd tijdens zijn diensttijd. Verder kan de vreemdeling ook andere verweren indienen waardoor hij gevrijwaard kan worden van artikel 1F Vlv. Denk dan aan het handelen onder dwang of zelfverdediging.

De leden van de SP fractie hebben eveneens gevraagd naar de bewijsmogelijkheden voor Afghaanse 1F’ers in het kader van het KhAD/WAD beleid. Zoals hiervoor is aangegeven, kan de vreemdeling op individuele gronden aannemelijk maken dat de belastende informatie uit het KhAD/WAD ambtsbericht niet op hem van toepassing is dan wel dat er sprake is van vrijwaringsgronden. Ten aanzien van de juistheid en rechtmatigheid van het KhAD/WAD ambtsbericht in het algemeen, wordt opgemerkt dat de inhoud al jarenlang wordt betwist. Rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en ook enkele Kamerleden, hebben inzage gehad in de vertrouwelijke bronnen van het ambtsbericht. Ik wil benadrukken dat in de rechtspraak bij herhaling is geoordeeld dat de informatie in het ambtsbericht wordt gedragen door de daaraan ten grondslag liggende stukken. Er is geen grond gevonden dat de bronnen partijdig en niet objectief zouden zijn.

In 2008 heeft de UNHCR een notitie uitgebracht over de organisatiestructuur van de KhAD/WAD. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft deze informatie onderzocht en is met de UNHCR in gesprek gegaan. Op basis hiervan werd geconcludeerd dat de informatie van de UNHCR niets afdeed aan het ambtsbericht uit 2000. Dat is ook aan Uw Kamer gemeld. Ook hierover heeft de Raad van State inmiddels meerdere malen geoordeeld dat de informatie van de UNHCR geen aanleiding geeft tot twijfel aan het ambtsbericht. De juistheid van het KhAD/WAD ambtsbericht staat daarom niet ter discussie, slechts op grond van individuele omstandigheden kan geoordeeld worden dat er sprake is van een significante uitzondering waardoor artikel 1F Vlv niet van toepassing is. Wat die significante uitzondering in kan houden, is hiervoor al aangegeven.

De leden van de SP-fractie hebben verder gevraagd naar de vertrouwelijke bronnen in het ambtsbericht in relatie tot bewijsvoering in de asielprocedure.

Rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben inzage gehad in de onderliggende vertrouwelijke bronnen van het ambtsbericht. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft als hoogste rechterlijke instantie bij herhaling geoordeeld dat die bronnen de conclusies in het ambtsbericht dragen. Er is geen grond gevonden dat de bronnen partijdig en niet objectief zouden zijn.

Naar aanleiding van eerdere discussie over het ambtsbericht Khad/WAD heeft de Minister van Buitenlandse Zaken in een brief aan uw Kamer van 7 januari 2010 alle leden van de toenmalige vaste Kamercommissie uitgenodigd tot vertrouwelijke inzage van de onderliggende stukken van het met de UNHCR gevoerde overleg en het door BZ verrichte aanvullende onderzoek. Nadat de toenmalige bewindspersonen deze uitnodiging tijdens het debat op 24 maart 2010 hadden herhaald, hebben enkele leden vertrouwelijke inzage gehad in de onderliggende stukken.

Anders dan de leden van de SP-fractie ben ik van mening dat een nieuw ambtsbericht over dit onderwerp geen eind zal maken aan de discussie. Ik zie ook geen reden voor een nieuw ambtsbericht over dit onderwerp. Ik wil benadrukken dat de Raad van State bij herhaling heeft geoordeeld dat de informatie in het ambtsbericht wordt gedragen door de daaraan ten grondslag liggende stukken. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen die aanleiding geven tot nieuw onderzoek.

Verder stuit onderzoek van het ambtsbericht van februari 2000 en hiermee opstellen van een nieuw ambtsbericht op de volgende bezwaren:

  • De betrouwbaarheid en objectiviteit van thans te raadplegen terzake kundige bronnen kan niet afdoende worden gegarandeerd aangezien het Nederlandse beleid (ten aanzien van Afghaanse asielzoekers die verdacht worden van mensenrechtenschendingen, dat o.a. gedragen wordt door dit ambtsbericht), internationaal bekend is;

  • Daarnaast maakt het verstrijken van de tijd betrouwbaar onderzoek steeds moeilijker.

Genoemde bezwaren voor onderzoek naar het ambtsbericht zullen onverkort gelden voor een (eventuele) staatscommissie waaraan de leden refereren. Verder is de vraag wat de staatscommissie dan verder zou moeten onderzoeken, aangezien talloze rechters – in eerste en hoogste instantie – zich over deze zaken hebben uitgesproken. Het zou hoogst merkwaardig zijn als de Kamer zou verlangen dat een dergelijke commissie alle zaken, inclusief het gespecialiseerde werk van de IND en de rechtspraak daarin, over moet doen.

In reactie op door de leden van de SP fractie aangehaalde uitspraken van de heer Saleh, het volgende. In het ambtsbericht wordt het volgende aangegeven over betrokkenheid bij mishandeling en schending van mensenrechten: «Bij de Khad/WAD werden mensen systematisch mishandeld en mensenrechten geschonden door onderofficieren en officieren.» Het gaat hier dus niet om iedere KhAD/WAD medewerker.

Het onderzoek voor het ambtsbericht van 29 februari 2000 (gericht onderzoek gedaan naar de organisatie van de veiligheidsdiensten, naar de wijze van rekrutering, opleiding en het vervolgens regelmatig wisselen van werkzaamheden binnen de organisatie) is verricht door de Nederlandse ambassade in Pakistan, omdat we toen geen ambassade in Afghanistan hadden. De Taliban waren op dat moment aan de macht in Afghanistan. De toenmalige Afghaanse veiligheidsdienst is niet bevraagd. De NDS waar de heer Saleh voormalig directeur van is, bestond toen niet. Zoals ik in mijn vorenstaande beantwoording heb aangegeven is een nieuw ambtsbericht over dit onderwerp niet aangewezen, noch doelmatig of wenselijk.

De leden van de SP hebben tot slot gevraagd om een reactie op de petitie die in februari 2014 is aangeboden aan de vaste Kamercommissie. Aangezien met de vragen van de leden van de verschillende fracties alle onderwerpen worden aangekaart die ook in de petitie worden genoemd, volsta ik met een verwijzing naar mijn beantwoording dienaangaande.

5. Gelijkheidsbeginsel en artikel 4: 6 Algemene wet bestuursrecht(Awb)

De leden van de D66 fractie hebben gevraagd naar de jurisprudentie inzake door verschillende vreemdelingen ingebrachte beroepen op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar een lijst met namen. Zij willen graag weten wat het verschil verklaart en of dit gevolgen heeft voor het door mij gevoerde beleid. Wat het laatste betreft kan ik kort zijn: voor het beleid heeft het verschil tussen deze uitspraken geen betekenis.

Zoals de fractieleden weten doet de rechter uitspraak op grond van alle omstandigheden van het individuele geval. Dit betekent in zijn algemeenheid dat twee (of meer) vreemdelingen weliswaar een beroep kunnen doen op hetzelfde rechtsbeginsel (in deze: het gelijkheidsbeginsel) onder verwijzing naar dezelfde informatie (in deze: namenlijst), maar dat het afhankelijk is van de specifieke aangevoerde beroepsgrond en de onderbouwing daarvan evenals alle overige omstandigheden van de individuele zaken of dit ook kan leiden tot eenzelfde oordeel van de rechter.

Tussen genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam en die van Roermond is al een eerste verschil dat in de zaak van rechtbank Roermond sprake was van een herhaalde aanvraag, en daarin is geoordeeld dat de vreemdeling de lijst met namen eerder had kunnen overleggen. In de zaak van rechtbank Rotterdam was sprake van een intrekking en derhalve een eerste artikel 1F Vlv beoordeling, waardoor niet gold dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel eerder had kunnen en moeten worden ingebracht. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft in die zaak volgens de rechtbank en Afdeling kunnen slagen vanwege een gebrekkige motivering. Het betreffende besluit is vernietigd en de IND is opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarin beter moet worden gemotiveerd waarom een beroep op het gelijkheidsbeginsel in de betreffende zaak niet kan slagen.

Nu het hier een lopende procedure betreft, kan inhoudelijk niet op de zaak worden ingegaan. Wel kan ik melden dat genoemde lijst die in de zaak van rechtbank Roermond door de vreemdeling zou zijn overgelegd en waarnaar in de Rotterdamse uitspraak is verwezen, namen en andere gegevens zou bevatten van Afghaanse vreemdelingen die allen als (onder)officier werkzaam zijn geweest voor de KhAD/WAD en die desondanks in het bezit zijn gesteld van een verblijfstitel. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat het gaat om meerdere lijsten, in verschillende verschijningsvormen, die op verschillende momenten tijdens de procedure te Roermond zijn ingebracht. De IND heeft de lijsten waarop een beroep wordt gedaan bestudeerd en zal deze beoordeling betrekken bij het besluit in de nog lopende procedure.

6. De Taskforce Internationale Misdrijven

De fractieleden van de SP hebben gevraagd of de zaken van 1F’ers die niet uitgezet kunnen worden, kunnen worden herbeoordeeld op mogelijkheden tot strafrechtelijke vervolging.

Zoals is beschreven in de paragraaf «strafrechtelijke vervolging» worden alle zaken van in Nederland verblijvende 1F’ers periodiek tegen het licht gehouden, waarbij gekeken wordt naar de mogelijkheden van uitlevering/overlevering evenals vervolging. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een veranderde veiligheidssituatie in een land of om het beschikbaar komen van nieuwe informatie. Er wordt geen vaste tijdslimiet gesteld voor herbeoordeling, omdat het hier gaat om de vraag of en zo ja in hoeverre een situatie is veranderd.

De lange duur van onderzoeken valt dan ook vooral toe te schrijven aan de complexiteit ervan, en niet zozeer een tekort aan capaciteit, zoals de leden lijken te suggereren. Daarnaast verwijs ik naar hetgeen ik heb gemeld in antwoord op de vragen van de CU betreffende capaciteit in de paragraaf «strafrechtelijke vervolging».

De leden van de SP fractie vragen voorts naar de prioriteiten van de Taskforce internationale misdrijven. Zoals gemeld in de Rapportagebrief 2012 heeft de Taskforce als belangrijkste taak het ondersteunen van de programmatische aanpak van internationale misdrijven op basis van het barrièremodel. Dit houdt in dat alle mogelijke instrumenten worden ingezet om te voorkomen dat plegers van internationale misdrijven Nederland binnenkomen, zich hier vestigen en straffeloos blijven voor de gepleegde misdrijven.

Zoals tevens gemeld in de Rapportagebrief over 2012 zien de doelstellingen op zowel vreemdelingrechtelijke processen, strafrechtelijke processen als ook processen in het kader van rechtstaatopbouw van landen van herkomst. De doelstellingen bestaan naast elkaar en kennen geen prioriteitstelling.

7. Aanpak Rwanda

De fractieleden van de SP willen weten wat wordt bedoeld met de passage over de kwaliteit van de Rwandese rechtspraak in de brief aan uw Kamer van 31 januari 2014.23 Bedoeld wordt dat de kwaliteit van de Rwandese rechtspraak inmiddels op een dusdanig niveau is gebracht dat deze voldoet aan de internationale standaarden volgens onder meer het International Criminal Tribunal for Rwanda (hierna: ICTR) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) en deze niet meer aan uitlevering in de weg hoeft te staan. Zoals in de brief aan uw Kamer van 31 januari 2014 uiteen is gezet, hebben zowel het EHRM als het ICTR (meermalen) geoordeeld dat personen konden worden uitgeleverd dan wel overgedragen ter berechting in Rwanda en dat uitlevering niet strijdig hoeft te zijn met de artikelen 3 en 6 EVRM. Overigens wordt in de uitleveringsprocedure nog altijd getoetst of de uitlevering in concreto kan plaatsvinden zonder een inbreuk op de artikelen 3 of 6 EVRM te maken jegens de opgeëiste persoon. Indien wordt aangevoerd dat sprake is van een reëel risico op een schending van de in het EVRM genoemde rechten, wordt daarnaar onderzoek gedaan.

In reactie op de vragen van de leden van de SP fractie naar de geldende Rwandese wetgeving inzake oorlogsmisdrijven kan ik melden dat in de gevallen waarin Rwanda geen rechtsmacht heeft, Rwanda geen vervolging zal kunnen instellen en dus evenmin zal worden overgegaan tot het uitvaardigen van een uitleveringsverzoek. Ik beschik niet over aanwijzingen dat in Rwanda het ontbreken van rechtsmacht leidt tot het opleggen van zaken.24 Voor wat betreft de gevolgen van de retroactieve strafbaarstelling is van belang dat artikel 7 lid 2 van het EVRM het uitdrukkelijk mogelijk maakt dat een persoon wordt vervolgd en berecht zonder dat het strafbare feit onder nationaal recht strafbaar was, indien het een feit betreft dat ten tijde van het handelen of nalaten een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de beschaafde volken worden erkend. Genocide valt onder dergelijke feiten.

Zoals ik u heb laten weten in mijn brief aan uw Kamer van 31 januari 2014 (Kamerstuk 33 750 VI/19 637, nr. 108) is wereldwijd overeenstemming dat internationale misdrijven, zoals genocide en misdrijven tegen de menselijkheid, zoveel mogelijk berecht moeten worden in het land waar zij zijn gepleegd. Uitgangspunt van Nederland is dan ook dat berechting primair plaats zou moeten vinden in het land waar de delicten zijn gepleegd. Daar bevindt zich het bewijs, daar spreken procespartijen de taal en kennen ze de cultuur, en daar bevinden zich de slachtoffers. Hiermee verdient, waar mogelijk, uitlevering de voorkeur boven eigen berechting. Pas wanneer een land niet zelf een vervolging instelt en/of uitlevering niet mogelijk is, zullen de Nederlandse politie en het OM dergelijke zaken ter hand proberen te nemen.

De leden vragen voorts naar het boek van de heer Reyntjens waarin wordt gesproken van misbruik van de rechtspleging in Rwanda om onschuldige tegenstanders te elimineren en ook schuldige medestanders te sparen.

Ik heb van deze stelling kennisgenomen, maar ik kan uw Kamer melden dat uitlevering niet zal worden toegestaan in gevallen waarin het vermoeden bestaat dat de persoon in kwestie zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze wordt getroffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging. In dergelijke gevallen verbiedt de Uitleveringswet nadrukkelijk om tot uitlevering over te gaan.

Wat betreft de vraag van de fractieleden van de SP en D66 naar de mogelijkheid van gedwongen terugkeer naar Rwanda merk ik op dat niets erop wijst dat de situatie in Rwanda zodanig is dat iedere vreemdeling bij terugkeer te vrezen heeft voor een onmenselijke behandeling. Gelet hierop is gedwongen terugkeer naar Rwanda mogelijk. Het ligt aan de individuele omstandigheden van het geval of terugkeer voor een specifieke vreemdeling gevaar kan opleveren. Het besluit van de IND dienaangaande kan door de betreffende vreemdeling worden voorgelegd ter toetsing door de rechter. Wanneer de rechtbank heeft vastgesteld dat er geen sprake is van artikel 3 EVRM beletselen kan uitzetting plaatsvinden. Een ingediend hoger beroep schort het vertrek in beginsel niet op. De vreemdeling heeft echter wel de mogelijkheid om een voorlopige voorziening in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien de Afdeling in het kader van de voorlopige voorziening oordeelt dat de vreemdeling het hoger beroep niet in Nederland mag afwachten, dan wel onherroepelijk oordeelt dat er geen sprake is van een artikel 3 EVRM-beletsel tot terugkeer, kan uitzetting (alsnog) plaatsvinden.

De leden van de SP fractie hebben voorts verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag. In de door deze leden aangehaalde uitspraak (AWB 13/6260) wordt, anders dan de leden stellen, door de rechtbank nergens de suggestie gedaan om een (eventueel) proces te laten waarnemen na terugkeer naar Rwanda. De rechtbank Den Haag oordeelde dat niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene bij terugkeer naar Rwanda een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM vanwege de detentieomstandigheden en de procesgang in Rwanda. Zoals bekend worden vreemdelingen na terugkeer naar hun land van herkomst niet gemonitord. Ook in dit specifieke geval zie ik geen aanleiding voor monitoring of andere aanvullende waarborgen.

De fractieleden van de SP en CU kan worden gemeld dat het in totaal tot en met 2013 ongeveer 10 keer is voorgekomen dat er sprake was van een intrekking van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) in een Rwandese zaak waarin een artikel 1F Vlv onderzoek heeft plaatsgevonden. Hoewel het voor de hand ligt dat artikel 1F Vlv in deze zaken de oorzaak is van de intrekking, kan dit niet één op één zo worden gesteld, nu de IND niet registreert wat de reden van de intrekking is geweest.

Er zijn op dit moment enkele zaken van Rwandese personen waarbij een procedure loopt om het Nederlanderschap in te trekken. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan in meer zaken een procedure tot intrekking Nederlanderschap worden opgestart. Er is op dit moment nog niet bekend of er nog meer personen zijn ten aanzien van wie een procedure opgestart kan worden om het Nederlanderschap in te trekken.

Wat betreft de vraag van de leden van de SP fractie of tegen deze 1F’ers een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld verwijs ik graag naar de procedure die is beschreven in de inleiding. Specifieke informatie over het aantal Rwandezen tegen wie artikel 1F Vlv is ingeroepen en tegen wie een strafrechtelijk onderzoek is gestart, kan ik niet verstrekken om de reden dat niet alle personen naar wie onderzoek wordt gedaan daarvan op de hoogte zijn. Indien personen vermoeden dat gericht onderzoek wordt gedaan, kan dit voor hen aanleiding zijn om te vluchten alvorens zij zich hebben kunnen verantwoorden voor de rechter. Wel kan ik u melden dat twee Rwandezen die na 2008 artikel 1F Vlv tegengeworpen hebben gekregen, zijn aangehouden ter fine van uitlevering; de uitleveringsprocedures in deze zaken zijn nog gaande. In beide gevallen had het Landelijk Parket zelf (ook) een strafrechtelijk onderzoek opgestart.

De leden van de PVV fractie willen graag vernemen hoe het kan dat de Rwandees Jean-Baptiste M. aanvankelijk in het bezit is gesteld van een vergunning tot verblijf.

Zoals in mijn inleiding gemeld, beoordeelt de IND alle verblijfsaanvragen zorgvuldig aan de hand van hetgeen de betrokken persoon aanvoert en de informatie die verder bekend is. Dit kan leiden tot afwijzing of inwilliging van een aanvraag, waarbij in het laatste geval een vergunning wordt verleend. Het komt voor dat op een later moment informatie bekend wordt op grond waarvan het vermoeden ontstaat dat een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend, betrokken is geweest bij mensenrechtenschendingen in het land van herkomst. In dat geval wordt een zaak verwezen naar de unit 1F voor nader onderzoek. Naar aanleiding van informatie die pas op een later moment na de vergunningverlening bekend is geworden, heeft de IND de verblijfsvergunning van Jean Baptiste M. ingetrokken. Aangezien op dit moment bij de rechtbank nog het beroep loopt tegen de beslissing van de IND, ga ik niet verder op de zaak in.

De omstandigheid dat pas later informatie bekend wordt op grond waarvan eventuele artikel 1F Vlv indicaties aan het licht kunnen komen, is overigens iets dat altijd zal blijven bestaan. De ervaring leert immers dat in geval van gewapende conflicten vaak pas jaren later aan de hand van alle verschillende informatiebronnen een goed beeld kan worden gevormd van een conflict en de rol van de betrokken partijen daarin, op grond waarvan blijkt dat een andere beoordeling in het kader van artikel 1F Vlv is aangewezen (en eerder verleende vergunningen niet terecht blijken). Juist ook vanwege de eerdere ervaring met bijvoorbeeld Afghanistan en Rwanda wordt aandacht besteed aan het vroegtijdig inzetten op informatievergaring en analyse van de huidige (lopende) conflicten, zoals nu ook gebeurt met betrekking tot Syrië.

De leden van de D66 fractie hebben gevraagd naar de mogelijkheid van monitoring indien na uitlevering of gedwongen uitzetting tegen een vreemdeling een proces wordt gestart.

Alvorens ik inga op de vraag van de leden hecht ik eraan op te merken dat er een verschil is tussen uitleveren (strafrecht) en uitzetten (vreemdelingenrecht). Uitlevering vindt plaats in het kader van een uitleveringsverzoek afkomstig van een vreemde staat in verband met een strafrechtelijke vervolging of veroordeling aldaar. Uitzetting vindt plaats indien een vreemdeling in Nederland geen rechtmatig verblijf (meer) heeft en is geoordeeld dat een vreemdeling moet terugkeren naar zijn herkomstland. Overeenkomst is dat in beide gevallen Nederland zich te houden heeft aan de (internationale) verdragen die het heeft ondertekend, waaronder ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

In het kader van uitzetting geldt dat Nederland vreemdelingen niet monitort na terugkeer. Nederland kent een zorgvuldige asielprocedure, waarin beoordeeld wordt of een vreemdeling bij terugkeer een risico loopt op schending van het EVRM. De mensenrechtensituatie in landen van herkomst wordt nauwlettend gevolgd en indien de situatie wijzigt, wordt dit meegenomen in het beleid. De asielprocedure kent een onafhankelijke rechterlijke toets. Indien er geen sprake is van een mogelijke schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer, dan kan de terugkeer naar het land van herkomst plaatsvinden.

Wat betreft uitlevering geldt dat wanneer de uitlevering aan Rwanda wordt toegestaan, reeds is getoetst of een schending dreigt van de artikelen 3 en 6 EVRM. Indien dat niet het geval is, vertrouwt Nederland erop dat er een eerlijk proces zal plaatsvinden. Pas bij twijfel worden garanties gevraagd aan het land dat om uitlevering vraagt. In die garanties kunnen toezeggingen worden gedaan over naleving van de mensenrechten. Slechts in een dergelijk uitzonderlijk geval is monitoring van het proces een mogelijkheid. Ik acht het niet dienstig vooruit te lopen op het eventueel niet naleven van garanties door de Rwandese autoriteiten.

De fractieleden van de CU hebben gevraagd naar de door internationale mensenrechtenorganisaties geuite zorgen over de Rwandese rechtspraak. Ik acht het niet gepast dat ik treed in de Rwandese rechtsgang in deze zaken. Zoals ik evenwel reeds heb aangegeven wordt de rechtsgang in Rwanda naar het oordeel van het EHRM, het ICTR en de Nederlandse uitleveringsrechter niet als intrinsiek strijdig met artikel 6 EVRM aangemerkt. Ook in die zaken zijn het proces in eerste aanleg tegen Ingabire en de genoemde rapporten uitvoerig aan de orde geweest en heeft dit niet geleid tot een weigering van het overdragen van de strafprocedure dan wel uitlevering aan Rwanda. In de zaak Mutabazi heeft geen samenwerking plaatsgevonden tussen Nederland en Rwanda, zodat ik uit dien hoofde niet op de hoogte ben van het verloop van dat onderzoek. Evenmin zie ik reden om hier navraag naar te doen.

De leden van de CU fractie hebben voorts gevraagd naar het met de Rwandese autoriteiten afgesloten Memorandum of Understanding (MoU) betreffende de bestrijding van illegale migratie en het vergemakkelijken van de terugkeer van Rwandezen die niet in Nederland mogen blijven. In mijn brief van 31 januari jl. aan de Tweede Kamer heb ik gemeld dat het MoU onder meer werkafspraken bevat over de samenwerking op het terrein van migratie, in het bijzonder aangaande de wederzijdse terugname van onderdanen op basis van de bestaande internationale verplichtingen. Nederland en Rwanda zullen de afspraken in het MoU uitvoeren binnen de kaders van de eigen nationale wetgeving. Ik benadruk dat de samenwerkingsafspraken enkel betrekking hebben op de wederzijdse terugname van onderdanen zonder rechtmatig verblijf en op praktische samenwerking op het terrein van migratie. In verband met het verzoek van deze leden om – zo nodig vertrouwelijke – kennisneming van de inhoud van het memorandum hecht ik er aan het volgende op te merken. Een MoU is een samenwerkingsconvenant; het betreft een algemene intentieverklaring die een appel doet op de goede wil van partijen en is niet bindend. Partijen kunnen hierbij afspreken dat de inhoud vertrouwelijk van aard is en daarom niet integraal openbaar wordt gemaakt. Als in weerwil van dergelijke afspraken de inhoud van deze convenanten toch (telkens) wordt gedeeld, kan dit – ondanks de mogelijke vertrouwelijke aard van kennisname door uw Kamer – de reputatie van Nederland als betrouwbare partner schaden en bestaat het risico dat landen geen samenwerkingsafspraken meer willen maken. Het betreft immers een voor sommige landen van herkomst precair onderwerp. Zo mogelijk zou dit moeten worden voorkomen. Met Rwanda is afgesproken dat de inhoud van het samenwerkingsconvenant vertrouwelijk van aard is. Om die reden gaat mijn voorkeur er naar uit de inhoud van het convenant niet integraal openbaar te maken. Indien uw Kamer niettemin graag van de inhoud daarvan kennis wenst te nemen, zal ik het (alsnog) ter vertrouwelijke kennisneming aan u doen toekomen.

De fractieleden van de CU willen voorts vernemen van de praktijk van andere landen.

Ik ben op de hoogte van de inspanningen van o.a. Noorwegen, Denemarken en Zweden om personen uit te leveren aan Rwanda ter berechting. Noorwegen heeft inmiddels een persoon uitgeleverd aan Rwanda. Het is mij verder bekend dat het Hof van Cassatie in Frankrijk heeft geoordeeld dat niet kan worden uitgeleverd aan Rwanda omdat Rwanda genocide in 1994 niet strafbaar had gesteld. Hierbij is van belang te weten dat de Nederlandse regering de mogelijkheid van artikel 7 lid 2 EVRM erkent om terugwerkende kracht te verlenen aan het misdrijf genocide.25 Over meer informatie over landen die niet overgaan tot uitlevering aan Rwanda en hun motieven, beschik ik niet.

In reactie op de vraag van deze fractieleden naar de toets aan artikel 3 en 6 van het EHRM in asielzaken, verwijs ik naar hetgeen ik ook de leden van de D66 fractie heb geantwoord. Nederland kent een zorgvuldige asielprocedure, waarin wordt beoordeeld of een vreemdeling bij terugkeer een risico loopt op schending van het EVRM. De asielprocedure kent voorts een onafhankelijke rechterlijke toets. Al hetgeen een vreemdeling aanvoert, zo ook het betoog dat sprake zal zijn van een schending van artikel 3 en/of 6 EVRM, wordt hierin meegenomen en leidt uiteindelijk tot een in rechte vaststaand besluit over de vraag of de vreemdeling naar zijn herkomstland kan terugkeren.

Met betrekking tot de vragen van de leden van de CU fractie over met Rwanda afgesproken garanties met betrekking tot de detentieomstandigheden in de uitleveringszaken, merk ik op dat de uitleveringszaken momenteel nog onder de rechter zijn. Ik acht het daarom niet wenselijk om op dit moment in te gaan op eventuele garanties die worden gevraagd aan Rwanda. Wel kan ik u meegeven dat de uitlevering slechts zal plaatsvinden wanneer de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling, maar ook in de periode voorafgaande aan de uitspraak, gedurende zijn voorlopige hechtenis, zal mogen verblijven in een detentiefaciliteit die aan de internationale standaarden voldoet.


X Noot
1

Uitspraken medewerker IND 1F-unit tijdens werkbezoek vaste Kamercommissie V&J begin 2013.

X Noot
4

Trouw, 8 januari 2014, blz. 9, «Teeven mag Rwandezen gedwongen uitzetten».

X Noot
5

Artikel 20 Constitution of the Republic of Rwanda, 4 juni 2013, Official Gazette of the Republic of Rwanda, 17 juni 2010, p. 10.

X Noot
6

Professor Filip Reyntjens, «Political Governance in Post-Genocide Rwanda», december 2013.

X Noot
7

AWB 13/6260.

X Noot
8

Zaak Ahorugeze – Zweden, 37075/09, 27 oktober 2011, par. 127.

X Noot
9

Justice in Jeapardy: the first instance trial of Victoire Ingabire, Amnesty International, 2013, P. 26.

X Noot
10

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 17 oktober 2012, ongepubliceerd, volgnummer K11/0301. waarin een persoon aan wie artikel 1F is tegengeworpen strafvervolging eiste om de onjuistheid van de 1F-beslissing aan te tonen: «(...) dat het strafrecht in het Nederlandse rechtsstelsel niet kan worden ingezet ter correctie van een uitspraak in een administratiefrechtelijke procedure...».

X Noot
11

Zie uitspraak Afdeling bestuursrecht Raad van State van 27 juni 2005 in zaak nr. 200410057/1 (JV 2005/375): de vraag of een dossier voldoende aanknopingspunten biedt om een vreemdeling als verdachte van een misdrijf aan te merken [wordt] beantwoord aan de hand van andere criteria dan de vraag of de inhoud van dat dossier, bezien in samenhang met hetgeen overigens over het land van herkomst bekend is, de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van «personal and knowing participation» ter zake van een misdrijf of misdrijven.

X Noot
12

Zie artikel Joseph Rikhof, Fewer places to hide: The impact of domestic war crimes prosecutions on international impunity. Officiële publicatie is uit 2009, maar Nederland is nog steeds koploper.

X Noot
13

Bron cijfers: DT&V. De DT&V-cijfers zijn gegenereerd tot en met februari 2014. De cijfers zijn afgerond op tientallen.

X Noot
14

Bron: Caseload DT&V. DT&V-cijfers die kleiner zijn dan 5, worden weergegeven als minder dan 10.

X Noot
15

Van de overige twee is in één geval de verdachte overleden voordat een rechter zich had uitgesproken over de zaak en in één geval is de vervolging geëindigd in een vrijspraak.

X Noot
16

Arrest van 9 november 2010, Duitsland tegen B. en D., zaken C-57/09 en C-101/09, (www.curia.europa.eu ) inzake prejudiciële vragen over de toepassing van artikel 12 van de EU Kwalificatierichtlijn 2004/83, welk artikel is gebaseerd op artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Zie ook uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 oktober 2012 (kenmerk 201100646/1/V1) waarin de Afdeling bevestigt dat ook het (bijzondere) 1F-beleid ten aanzien van bepaalde door de bewindspersoon aangewezen categorieën vreemdelingen aan de door het HvJEU voorgeschreven individuele toets voldoet.

X Noot
17

Zie voor een uitgebreidere toelichting over de redenen waarom de 1F tegenwerping en strafrechtelijke vervolging niet logischerwijs in elkaars verlengde liggen: Van der Vlught en Van Zadelhoff, «Artikel 1F Vluchtelingenverdrag en de vervolging van internationale misdrijven in Nederland», Strafblad, juli 2013, p. 179–187.

X Noot
18

Het is niet zo dat een strafrechtelijke vervolging nooit gevolgen voor de 1F-beslissing kan hebben: als in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan dat de vreemdeling bepaalde concrete feiten en gedragingen die bij de tegenwerping van artikel 1F zijn genoemd, niet heeft gepleegd, zal een herbeoordeling van artikel 1F plaatsvinden.

X Noot
19

De opsporing en vervolging van daders van internationale misdrijven is in Nederland in handen van het Landelijk Parket (cluster internationale misdrijven) en de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie (team internationale misdrijven, TIM).

X Noot
20

Zie ook de jaarlijkse Rapportagebrieven aan de Tweede Kamer, waarin staat vermeld hoeveel zaken het betreffende jaar zijn herbeoordeeld door het LP en het Team Internationale Misdrijven.

X Noot
21

Bijvoorbeeld: misdrijven tegen de menselijkheid gepleegd voor 2003, foltering gepleegd voor 1989, zeer zware commune delicten gepleegd buiten Nederland tegen niet-Nederlandse slachtoffers etc.

X Noot
22

Onder meer: International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY), International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR), International Criminal Court (ICC).

X Noot
23

Kamerstuk 33 750 VI, nr. 108.

X Noot
24

Inzake «opleggen», zie toelichting in paragraaf «strafrechtelijke vervolging».

X Noot
25

Zie hierover de memorie van toelichting bij de Wet verruiming mogelijkheden tot opsporing en vervolging van internationale misdrijven, Kamerstuk 32 475, nr. 3, p. 4–5.