Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 december 2013
Het Europese Hof van Justitie (hierna: het Hof) heeft arrest gewezen naar aanleiding
van prejudiciële vragen die waren gesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State (hierna: de Afdeling) over de toepassing van de Kwalificatierichtlijn
(2004/83/EG) bij homoseksuele asielzoekers. Het ging om zaken die betrekking hadden
op vreemdelingen uit verschillende Afrikaanse landen. De uitspraak van het Hof is
grotendeels in lijn met het huidige Nederlandse beleid. Ik ben nog in afwachting van
de uitspraak van de Afdeling in de zaken die aanleiding waren tot het stellen van
prejudiciële vragen. Na de uitspraak van de Afdeling zullen de consequenties voor
het beleid worden bezien.
Het is voor mij wel al duidelijk dat het beleid in die zin moet worden aangepast dat
terughoudendheid bij het uiten van de seksuele gerichtheid in het land van herkomst
niet bij de beoordeling van de aanvraag kan worden betrokken.
In het genoemde arrest oordeelt het Hof het volgende:
-
a. homoseksuelen moeten worden geacht een specifieke sociale groep als bedoeld in het
Vluchtelingenverdrag en artikel 10, lid 1, sub d van de Kwalificatierichtlijn (hierna:
de richtlijn) te vormen;
-
b. gevangenisstraf voor homoseksuele handelingen kan worden geacht een daad van vervolging
in de zin van de richtlijn te zijn, mits deze straf daadwerkelijk wordt toegepast;
-
c. bij de beoordeling van een asielverzoek mogen autoriteiten niet verwachten dat de
asielzoeker, ter vermijding van het risico van vervolging, in zijn land van herkomst
zijn seksuele gerichtheid geheim houdt of zich bij de invulling van zijn seksuele
gerichtheid terughoudend opstelt.
Betekenis voor het Nederlandse beleid
Ad a. Het door het Hof gestelde dat, indien sprake is van het bestaan van strafrechtelijke
bepalingen, homoseksuelen moeten worden geacht een specifieke sociale groep te vormen
als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en artikel 10, lid 1, sub d van de Kwalificatierichtlijn,
hoeft niet te leiden tot aanpassing van het Nederlandse beleid. Nederland gaat er
van uit dat LHBT’s, ongeacht de strafrechtelijke bepalingen, een «sociale groep» vormen
in het kader van het Vluchtelingenverdrag.
Ad b. Het gestelde onder b bevestigt het Nederlandse beleid, dat enkele strafbaarstelling
van LHBT’s in het land van herkomst niet voldoende is om in aanmerking te komen voor
een verblijfsvergunning. Het Nederlandse beleid houdt in dat tot vervolging en dientengevolge
vergunningverlening wordt geconcludeerd als «in het land van herkomst strafbepalingen
op grond van de seksuele gerichtheid door de autoriteiten actief ten uitvoer worden
gelegd en sprake is van een zeker gewicht van de maatregel». Het moet daarbij gaan
om meer dan (geïsoleerde) incidenten. Het arrest geeft geen duidelijkheid over welke
zwaarte de straf precies moet hebben om te spreken van vervolging. Wel is duidelijk
dat, in geval sprake is van bepalingen die een gevangenisstraf opleggen aan LHBT’s
en deze bepalingen ook ten uitvoer worden gelegd in het land van herkomst, moet worden
geconcludeerd dat sprake is van een daad van vervolging. Het is aan de nationale autoriteiten
om alle revelante feiten in verband met dat land van herkomst te onderzoeken. Mogelijk
zal vaker onderzoek nodig zijn naar het strafrechtelijk vervolgingsbeleid in landen
van herkomst.
Ad c. Ten slotte is het in het geldende Nederlandse beleid niet zo dat van LHBT’s
wordt verwacht dat zij bij terugkeer naar hun land van herkomst hun LHBT-zijn verborgen
houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit
het land van herkomst zijn gerichtheid wel verborgen heeft gehouden. In het huidige
beleid geldt dat enige mate van terughoudendheid wordt verwacht bij het uiting geven
aan de gerichtheid, mits er nog een betekenisvolle invulling aan de gerichtheid kan
worden gegeven. Nu het Hof heeft geoordeeld dat niet kan worden verwacht dat een homoseksuele
vreemdeling zich, ter vermijding van vervolging, in zijn land van herkomst bij de
invulling van zijn seksuele gerichtheid terughoudend opstelt, is het, zoals hierboven
reeds aangegeven, duidelijk dat het beleid hieromtrent moet worden aangepast
Het Hof lijkt een verband te leggen met de uitingen die heteroseksuelen aan hun geaardheid
kunnen geven in het land van herkomst. Het Hof heeft overwogen dat van een homoseksueel
niet mag worden verlangd dat hij zich terughoudender opstelt dan een heteroseksueel.
De algemene in het land van herkomst geldende normen en waarden, voor zover eveneens
van toepassing op heteroseksuelen, kunnen derhalve bij de besluitvorming in individuele
zaken worden betrokken.
Naar de mening van het kabinet brengt dit met zich mee dat niet altijd verwacht kan
worden dat de seksuele gerichtheid in landen van herkomst op vergelijkbare wijze geuit
kan worden als in Nederland of andere westerse landen.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
F. Teeven