Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201419637 nr. 1767

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1767 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 december 2013

Het Europese Hof van Justitie (hierna: het Hof) heeft arrest gewezen naar aanleiding van prejudiciële vragen die waren gesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over de toepassing van de Kwalificatierichtlijn (2004/83/EG) bij homoseksuele asielzoekers. Het ging om zaken die betrekking hadden op vreemdelingen uit verschillende Afrikaanse landen. De uitspraak van het Hof is grotendeels in lijn met het huidige Nederlandse beleid. Ik ben nog in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in de zaken die aanleiding waren tot het stellen van prejudiciële vragen. Na de uitspraak van de Afdeling zullen de consequenties voor het beleid worden bezien.

Het is voor mij wel al duidelijk dat het beleid in die zin moet worden aangepast dat terughoudendheid bij het uiten van de seksuele gerichtheid in het land van herkomst niet bij de beoordeling van de aanvraag kan worden betrokken.

In het genoemde arrest oordeelt het Hof het volgende:

  • a. homoseksuelen moeten worden geacht een specifieke sociale groep als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en artikel 10, lid 1, sub d van de Kwalificatierichtlijn (hierna: de richtlijn) te vormen;

  • b. gevangenisstraf voor homoseksuele handelingen kan worden geacht een daad van vervolging in de zin van de richtlijn te zijn, mits deze straf daadwerkelijk wordt toegepast;

  • c. bij de beoordeling van een asielverzoek mogen autoriteiten niet verwachten dat de asielzoeker, ter vermijding van het risico van vervolging, in zijn land van herkomst zijn seksuele gerichtheid geheim houdt of zich bij de invulling van zijn seksuele gerichtheid terughoudend opstelt.

Betekenis voor het Nederlandse beleid

Ad a. Het door het Hof gestelde dat, indien sprake is van het bestaan van strafrechtelijke bepalingen, homoseksuelen moeten worden geacht een specifieke sociale groep te vormen als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en artikel 10, lid 1, sub d van de Kwalificatierichtlijn, hoeft niet te leiden tot aanpassing van het Nederlandse beleid. Nederland gaat er van uit dat LHBT’s, ongeacht de strafrechtelijke bepalingen, een «sociale groep» vormen in het kader van het Vluchtelingenverdrag.

Ad b. Het gestelde onder b bevestigt het Nederlandse beleid, dat enkele strafbaarstelling van LHBT’s in het land van herkomst niet voldoende is om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Het Nederlandse beleid houdt in dat tot vervolging en dientengevolge vergunningverlening wordt geconcludeerd als «in het land van herkomst strafbepalingen op grond van de seksuele gerichtheid door de autoriteiten actief ten uitvoer worden gelegd en sprake is van een zeker gewicht van de maatregel». Het moet daarbij gaan om meer dan (geïsoleerde) incidenten. Het arrest geeft geen duidelijkheid over welke zwaarte de straf precies moet hebben om te spreken van vervolging. Wel is duidelijk dat, in geval sprake is van bepalingen die een gevangenisstraf opleggen aan LHBT’s en deze bepalingen ook ten uitvoer worden gelegd in het land van herkomst, moet worden geconcludeerd dat sprake is van een daad van vervolging. Het is aan de nationale autoriteiten om alle revelante feiten in verband met dat land van herkomst te onderzoeken. Mogelijk zal vaker onderzoek nodig zijn naar het strafrechtelijk vervolgingsbeleid in landen van herkomst.

Ad c. Ten slotte is het in het geldende Nederlandse beleid niet zo dat van LHBT’s wordt verwacht dat zij bij terugkeer naar hun land van herkomst hun LHBT-zijn verborgen houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn gerichtheid wel verborgen heeft gehouden. In het huidige beleid geldt dat enige mate van terughoudendheid wordt verwacht bij het uiting geven aan de gerichtheid, mits er nog een betekenisvolle invulling aan de gerichtheid kan worden gegeven. Nu het Hof heeft geoordeeld dat niet kan worden verwacht dat een homoseksuele vreemdeling zich, ter vermijding van vervolging, in zijn land van herkomst bij de invulling van zijn seksuele gerichtheid terughoudend opstelt, is het, zoals hierboven reeds aangegeven, duidelijk dat het beleid hieromtrent moet worden aangepast

Het Hof lijkt een verband te leggen met de uitingen die heteroseksuelen aan hun geaardheid kunnen geven in het land van herkomst. Het Hof heeft overwogen dat van een homoseksueel niet mag worden verlangd dat hij zich terughoudender opstelt dan een heteroseksueel. De algemene in het land van herkomst geldende normen en waarden, voor zover eveneens van toepassing op heteroseksuelen, kunnen derhalve bij de besluitvorming in individuele zaken worden betrokken.

Naar de mening van het kabinet brengt dit met zich mee dat niet altijd verwacht kan worden dat de seksuele gerichtheid in landen van herkomst op vergelijkbare wijze geuit kan worden als in Nederland of andere westerse landen.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven