Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 december 2013
Tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Veiligheid en Justitie op
21 november jl. (Handelingen II 2013/14, nr. 27) heb ik toegezegd uw Kamer te informeren
over de uitkomst van mijn gesprekken met de burgemeester van Amsterdam over oplossingsrichtingen
voor de situatie van de groep uitgeprocedeerde vreemdelingen die verbleven in een
gekraakt pand aan de Weteringschans (Vluchtschans). Met deze brief doe ik deze toezegging
gestand.
De Rijksoverheid biedt uitgeprocedeerde vreemdelingen vele mogelijkheden om hun terugreis
te organiseren, in de vorm van tijdelijk onderdak in Nederland en ondersteuning in
natura én financieel bij de terugkeer, en na de terugkeer. Daarmee bestaat in Nederland
een goede balans tussen wat illegalen krijgen aan ondersteuning van de Rijksoverheid
en het belang van een goed functionerend vreemdelingenbeleid, inclusief de handhaving
van de terugkeerverplichting. Dat heb ik uitgebreid toegelicht in mijn brief1 aan uw Kamer van 5 november jl. Het bewaren van deze balans betekent ook dat uitgeprocedeerde
vreemdelingen en illegalen die er bewust voor kiezen geen gebruik te maken van hetgeen
hen wordt geboden door de Rijksoverheid, daarvan zelf de consequenties moeten dragen.
De afhankelijkheid van de houding van de vreemdeling zelf, zeker daar waar gedwongen
terugkeer (op korte termijn) niet tot de mogelijkheden behoort, heeft soms tot gevolg
dat er toch vreemdelingen bij gemeenten op de stoep staan, ondanks de ondersteuningsmogelijkheden
die de Rijksoverheid biedt. Als een gemeente dan besluit om, gelet op de specifieke
lokale situatie, maatwerk te bieden waaraan ook een vorm van tijdelijk onderdak is
gekoppeld, kan ik daar gezien de soms zeer specifieke omstandigheden begrip voor opbrengen.
Maar het spreekt voor zich dat dit besluit niet zover kan gaan dat hiermee de uitvoering
en handhaving van het vreemdelingenbeleid wordt belemmerd. Dit uitgangspunt zie ik
ook terug in de beslissing van de gemeente Amsterdam.
Door de Rijksoverheid is tijdelijk een Rijksgebouw, namelijk een voormalige penitentiaire
inrichting, in gebruik gegeven aan de gemeente Amsterdam ten behoeve van de winteropvang
van dak- en thuislozen. De gemeente Amsterdam heeft vervolgens besloten om dit als
bed, bad en brood-voorziening te gebruiken voor die groep bewoners die in de Vluchtschans
verbleef en die is geïndividualiseerd na eerder in de «Vluchtkerk» te hebben verbleven.
De bed, bad en brood-voorziening wordt aan deze groep ter beschikking gesteld voor
een periode van zes maanden. Tegelijk koppelt de gemeente Amsterdam er ook een duidelijke
voorwaarde aan. Binnen deze zes maanden moeten de vreemdelingen onder begeleiding
van vrijwilligers en professionals, zoals bijvoorbeeld medewerkers van de Dienst Terugkeer
en Vertrek en ngo’s met terugkeerprojecten, werken aan een oplossing voor de eigen
situatie. Deze oplossing zal in de regel bestaan uit werken aan terugkeer.
Daarmee heeft de burgemeester van Amsterdam een oplossing op maat gevonden voor een
bijzondere lokale realiteit die nog steeds recht doet aan de uitgangspunten van het
vreemdelingenbeleid en die zowel de rol van de gemeente als de rol van de Rijksoverheid
respecteert vanuit een wederzijds vertrouwen in elkaars handelen. Door de focus in
beginsel op terugkeer te houden sluit de boodschap van de gemeente richting deze vreemdelingen
aan bij de boodschap van de Rijksoverheid. Bijzonder positief is ook dat de burgemeester
van Amsterdam het terugnemen van eigen onderdanen zal aankaarten in zijn diplomatieke
contacten met bijvoorbeeld ambassadeurs.
Daarmee past deze oplossing op maat ook binnen het kader van het Bestuursakkoord met
de Vereniging van de Nederlandse gemeenten van 25 mei 2007 dat onverkort van kracht
blijft. De Rijksoverheid spant zich maximaal in om het vertrek van vreemdelingen zonder
rechtmatig verblijf te faciliteren en te realiseren. Een sluitende aanpak is daarbij
echter niet mogelijk, gelet op onder meer de afhankelijkheid van de bereidheid van
de vreemdeling zelf om zijn vertrek te organiseren. Gemeenten onthouden zich van het
zonder meer bieden van opvang aan vreemdelingen met onrechtmatig verblijf omdat dit
een verkeerd signaal geeft richting deze vreemdelingen.
Het initiatief van de gemeente Amsterdam past in de reeks van lokale initiatieven
die van de Rijksoverheid de ruimte krijgen om de zelfstandige terugkeer te vergroten.
Hierover heb ik uw Kamer nader geïnformeerd in mijn brief2 van 13 september 2013. Soms ervaren uitgeprocedeerde vreemdelingen immers druk en
weerstand als de Rijksoverheid hen probeert te helpen bij terugkeer en hebben lokale
initiatieven een gunstige impact op de terugkeerbereidheid. Dit soort initiatieven
kan dus net voldoende drempelverlagend werken om de blik op terugkeer te richten.
Tot slot wijs ik erop dat niemand in Nederland ermee is gediend dat uitgeprocedeerde
vreemdelingen pand na pand kraken. Ook voor de betreffende vreemdelingen vormt dit
een bron van onrust hetgeen hen belemmert om de blik op terugkeer te richten. Ik zal
blijven zoeken naar bestendige oplossingen. Wat werkt, werkt.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
F. Teeven