19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1597 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 december 2012

In het Regeerakkoord van 29 oktober 2012 is opgenomen dat langdurig in Nederland verblijvende kinderen en alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s), onder voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning. Daartoe wordt een definitieve regeling getroffen, met als onderdeel daarvan een overgangsregeling. Met deze brief informeer ik u over de hoofdpunten van de regelingen alsmede over de inwerkingtreding. Daarnaast doe ik met deze brief enkele toezeggingen1 gestand. In de bijlage bij deze brief treft u de volledige uitwerking van beide regelingen aan.

Doel en achtergrond van de regelingen

Er zijn in Nederland kinderen, die hier al vele jaren verblijven, zonder zicht op een verblijfsvergunning. De lange duur van het verblijf is te wijten aan procedures die in het verleden soms lang duurden, het niet meewerken aan vertrek en het stapelen van procedures door ouders, of een combinatie van deze factoren.

Om te voorkomen dat deze jongeren hiervan de dupe worden, is door dit kabinet besloten een definitieve regeling en een overgangsregeling te treffen op grond waarvan deze jongeren, onder bepaalde voorwaarden, alsnog in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning.

De overgangsregeling verleent duidelijkheid aan kinderen met een asielachtergrond, die reeds langdurig in Nederland verblijven. De definitieve regeling moet voorkomen dat er in de toekomst opnieuw discussies ontstaan over lang in Nederland verblijvende kinderen en de rol en verantwoordelijkheid van de overheid ten opzichte van deze, veelal uitgeprocedeerde, vreemdelingen. Door de invoering van de definitieve regeling komt er beleid waaraan deze verantwoordelijkheid van de overheid, alsmede de verantwoordelijkheid van de ouders, objectief kan worden getoetst.

De verbeterde asielprocedure, die in juli 2010 in werking trad, heeft tot belangrijke veranderingen geleid. Zo krijgen asielzoekers sneller duidelijkheid over hun verblijfsperspectief, omdat procedures zijn versneld. Met het Programma Stroomlijning Toelatingsprocedures (PST) zet dit kabinet in op verdere verbeteringen door nog sneller duidelijkheid te bieden en het stapelen van procedures verder tegen te gaan. Bovendien wordt er maximaal ingezet op terugkeer wanneer bescherming niet aan de orde is en er geen recht is op verblijf. Ik verwacht dat daardoor in de toekomst nauwelijks meer situaties zullen ontstaan van langdurig in Nederland verblijvende vreemdelingen en hun kinderen, zonder verblijfsrecht. De medewerking van de vreemdeling aan terugkeer blijft hierbij overigens essentieel.

In de overgangsregeling en de definitieve regeling wordt rekening gehouden met de bijzondere belangen van kinderen, en gezinsbanden worden daarbij, indien aanwezig, in acht genomen. De beoordeling van de aanvraag vindt plaats in de context van het gezin, met uitzondering van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. In specifieke situaties kunnen de gedragingen van de gezinsleden consequenties hebben voor het kind dat in het kader van de regeling als hoofdpersoon wordt beschouwd.

Voorwaarden beide regelingen

Voor beide regelingen geldt dat, overeenkomstig het Regeerakkoord, in beginsel een verblijfsvergunning kan worden verleend aan (alleenstaande minderjarige) vreemdelingen die ten minste vijf jaar voor het bereiken van de meerderjarigheid in Nederland een asielverzoek hebben ingediend, gedurende die tijd ten minste vijf jaar in Nederland hebben verbleven, en zich in die periode niet meer dan drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de Rijksoverheid2.

Gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling, die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd en aan wie een vergunning wordt verleend, komen in beginsel eveneens in aanmerking voor een verblijfsvergunning, tenzij de gezinsband is verbroken3. Wanneer er wordt overgegaan tot vergunningverlening, ontvangt de vreemdeling een reguliere verblijfsvergunning. Een beroep op de regelingen biedt geen recht op opvang.

Wanneer de vreemdeling en/of één van zijn gezinsleden een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, wordt er geen vergunning verleend op grond van deze regelingen, tenzij de gezinsband is verbroken. Een gevaar voor de openbare orde wordt aangenomen als er sprake is van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag of van een veroordeling tot een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf ten minste één maand bedraagt4.

Indien criminele antecedenten van één van de gezinsleden niet aan alle gezinsleden zouden worden tegengeworpen, dan zou het gezinslid met criminele antecedenten na verstrekking van de verblijfsvergunning aan de overige familieleden een beroep kunnen doen op artikel 8 EVRM om verblijf in Nederland te verkrijgen. Dit is onwenselijk.

In het geval dat de gezinsband met het gezinslid met criminele antecedenten verbroken is, bijvoorbeeld omdat het gezag over de hoofdpersoon (het minderjarige kind) niet meer bij dat gezinslid (de ouder) ligt of omdat de afhankelijkheidsrelatie van het meerderjarige kind aantoonbaar en definitief is beëindigd, kan de vreemdeling met criminele antecedenten geen beroep meer doen op artikel 8 EVRM.

Specifiek voor amv’s geldt dat indien bij de beoordeling van de aanvraag blijkt dat door de amv onjuiste gegevens zijn verstrekt met betrekking tot zijn ouders, er geen vergunning wordt verleend. Wanneer de betreffende amv inmiddels een verblijfsvergunning heeft gekregen op grond van deze regeling en er blijkt dat door de amv onjuiste gegevens zijn verstrekt met betrekking tot zijn ouders kan dat leiden tot intrekking van zijn verblijfsvergunning, bijvoorbeeld op het moment dat er een verzoek wordt gedaan tot gezinshereniging.

Vreemdelingen die op grond van één van deze regelingen een vergunning krijgen, kunnen te zijner tijd alleen naturaliseren op grond van de identiteit (waaronder tevens begrepen de nationaliteit) waarop de verblijfsvergunning nu wordt verleend. Daartoe dienen op het moment van naturalisatie, een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig paspoort te kunnen worden overgelegd.

Specifieke voorwaarden overgangsregeling

In aanvulling op de algemeen geldende voorwaarden, kent de overgangsregeling nog enkele specifieke voorwaarden.

Zo geldt voor de overgangsregeling dat de vreemdeling jonger dient te zijn dan 21 jaar op 29 oktober 2012 (de startdatum van de peilperiode). Indien de vreemdeling tussen deze datum en de datum van inwerkingtreding 21 wordt, is de vreemdeling niet uitgesloten van de regeling.

Voor houders van enkele tijdelijke verblijfsvergunningen is het mogelijk om éénmalig een aanvraag in te dienen tot wijziging van de vergunning in een verblijfsvergunning op grond van deze regeling, mits aan de overige voorwaarden van de overgangsregeling wordt voldaan. Het gaat hierbij om vergunningen die zijn verleend in het verlengde van een asielaanvraag of specifiek betrekking hebben op de doelgroep jongeren.5

Verder geldt voor de overgangsregeling dat aan vreemdelingen die één keer een identiteit hebben opgegeven waarover twijfel bestaat, eenmalig de gelegenheid wordt geboden om gedurende de aanvraagperiode van drie maanden alsnog de juiste identiteitsgegevens naar voren te brengen, niet zijnde de identiteit waaraan is getwijfeld. Op deze wijze kan op basis van de juiste identiteitsgegevens een vergunning worden verleend.

In de overige gevallen is identiteitsherstel niet aan de orde.

Specifieke voorwaarden definitieve regeling

In aanvulling op de algemeen geldende voorwaarden, kent de definitieve regeling nog enkele specifieke voorwaarden.

De aanvraag op grond van de definitieve regeling moet ingediend worden voordat de vreemdeling 19 jaar wordt.

Verder geldt voor de definitieve regeling dat de vreemdeling en/of zijn gezinsleden dienen te hebben meegewerkt aan terugkeer en dat de identiteit dient te zijn aangetoond, onder meer door het overleggen van documenten en/of consistent en naar waarheid verklaren en antwoorden.

Huisvesting

Ik zal in goed overleg met de VNG zorg dragen voor zorgvuldige en adequate huisvesting van de vreemdelingen aan wie op grond van de overgangsregeling of de definitieve regeling een vergunning wordt verleend. Zij worden gehuisvest op basis van de huidige systematiek. De taakstelling voor 2013 wordt daartoe opgehoogd. Voor de huisvesting van deze doelgroep hoeft daarmee naar verwachting niets wezenlijk anders of aanvullends te worden georganiseerd. De omvang van de ophoging van de taakstelling is afhankelijk van de definitieve omvang van de doelgroep.

Inburgering

Gezien het gegeven dat de vreemdelingen op grond van de regelingen een reguliere vergunning krijgen, geldt het reguliere inburgeringsvereiste. Dit houdt in dat minderjarige kinderen niet inburgeringsplichtig zijn, omdat zij onder de leerplicht vallen, maar volwassenen wel. Per 1 januari 2013 treedt de gewijzigde Wet inburgering in werking. Op grond van deze wet wordt het in beginsel mogelijk om de verblijfsvergunning in te trekken van vreemdelingen die verwijtbaar niet hebben voldaan aan hun inburgeringsplicht.

Inwerkingtreding

De overgangsregeling wordt één dag na publicatie van de regeling in de Staatscourant van kracht. Gelet op de benodigde voorbereidingstijd voor de uitvoeringsorganisaties, verwacht ik dat de regeling eind januari 2013 in werking kan treden. De vreemdelingen die tussen 29 oktober 2012 (de datum van de presentatie van het Regeerakkoord) en het moment van inwerkingtreding voldoen aan de voorwaarden van de overgangsregeling, kunnen vanaf het moment van inwerkingtreding een beroep doen op deze regeling. De aanvraag kan tot drie maanden na inwerkingtreding van de overgangsregeling bij de IND worden ingediend.

De definitieve regeling, die gelijktijdig met de overgangsregeling wordt gepubliceerd, wordt eveneens één dag na publicatie in de Staatscourant van kracht. De vreemdelingen die voldoen aan de voorwaarden van de definitieve regeling kunnen vanaf dat moment een beroep doen op deze regeling. Vervolgens zal deze definitieve regeling worden opgenomen in het Vreemdelingenbesluit.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

Bijlage Uitwerking overgangsregeling en definitieve regeling

1. De overgangsregeling

a. Voorwaarden

Op grond van deze regeling wordt een vergunning verleend aan de vreemdeling:

  • die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode6;

  • die ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en sinds die tijd ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

  • die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA en/of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de opgelegde meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, tevens van voogdijinstelling Nidos;

  • die, voor zover toepasselijk, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.

b. Contra-indicaties

Naast deze voorwaarden gelden voor de hoofdpersoon en de gezinsleden de volgende contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag geconstateerd worden:

  • de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de nationale veiligheid;

  • de vreemdeling is onderdaan van een lidstaat van de EU/EER;

  • de vreemdeling of één van zijn gezinsleden heeft een onjuiste identiteit (waaronder tevens begrepen de nationaliteit) opgegeven;

  • de vreemdeling heeft de Europese Unie aantoonbaar verlaten;

  • de vreemdeling is reeds houder van een verblijfsvergunning, anders dan een bij deze regeling genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Indien een gezinslid al houder is van een verblijfsvergunning, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor dat gezinslid.

c. Identiteit

Voor de overgangsregeling geldt dat aan vreemdelingen die één keer een identiteit hebben opgegeven waarover twijfel bestaat, eenmalig de gelegenheid wordt geboden om gedurende de aanvraagperiode van drie maanden alsnog de juiste identiteitsgegevens naar voren te brengen, niet zijnde de identiteit waaraan is getwijfeld. Op deze wijze kan op basis van de juiste identiteitsgegevens een vergunning worden verleend.

In de overige gevallen is identiteitsherstel niet aan de orde.

Ten behoeve van het identiteitsherstel dienen primair documenten overgelegd te worden waaruit de identiteit blijkt. Indien de vreemdeling zijn identiteit niet door middel van documenten kan aantonen, zal hij in de gelegenheid worden gesteld om een verklaring af te leggen en de schriftelijke vastlegging hiervan te ondertekenen. Indien op enig moment blijkt dat de op deze wijze door de vreemdeling naar voren gebrachte identiteit niet juist is, kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken.

d. Houders van een verblijfsvergunning

Vreemdelingen die voldoen aan de voorwaarden van de overgangsregeling en in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van een beleid van categoriale bescherming danwel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op medische gronden, B9, alleenstaande minderjarige vreemdeling, vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken of het volgen van studie, kunnen éénmalig een aanvraag indienen tot wijziging van de vergunning in een verblijfsvergunning op grond van deze regeling.

2. De definitieve regeling

a. Voorwaarden

Op grond van deze regeling wordt een vergunning verleend aan de vreemdeling:

  • die jonger is dan 19 jaar op het moment van aanvraag;

  • die ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend bij de IND en die sinds die tijd ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

  • die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan drie maanden heeft onttrokken aan het zicht van IND, DT&V, COA en/of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de opgelegde meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, tevens van voogdijinstelling Nidos;

  • die, voor zover toepasselijk, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.

b. Contra-indicaties

Naast deze voorwaarden gelden voor de hoofdpersoon en de gezinsleden de volgende contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag geconstateerd worden:

  • de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de nationale veiligheid;

  • de vreemdeling is onderdaan van een lidstaat van de EU/EER;

  • de vreemdeling heeft de identiteit niet kunnen aantonen door ondermeer het overleggen van documenten en/of consistent en naar waarheid verklaren en antwoorden;

  • de vreemdeling heeft niet meegewerkt aan zijn vertrek, of

  • de vreemdeling heeft de Europese Unie aantoonbaar verlaten;

  • de vreemdeling is reeds houder van een verblijfsvergunning. Indien een gezinslid al houder is van een verblijfsvergunning, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor dat gezinslid.

c. Identiteit

Voor de definitieve regeling geldt dat de vreemdeling de identiteit dient te hebben aangetoond, onder meer door het overleggen van documenten en/of consistent en naar waarheid verklaren en antwoorden.

d. Meewerken aan vertrek

In dit kader gelden dezelfde voorwaarden als voor de reguliere verblijfsvergunning voor de vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

3. Beide regelingen

a. Gezinsleden

Gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling, die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd en aan wie een vergunning wordt verleend, komen in beginsel eveneens in aanmerking voor een verblijfsvergunning, tenzij de gezinsband inmiddels is verbroken. Onder gezinsleden wordt verstaan:

  • ouders;

  • minderjarige broer(s) en/of zus(sen);

  • en/of meerderjarige broer(s) en/of zus(sen) die nog onderdeel vormen van het gezin.

En indien de feitelijke gezinsband met bovenstaanden is verbroken en de hoofdpersoon inmiddels een eigen gezin heeft:

  • de vreemdeling van achttien jaar of ouder die een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt met de hoofdpersoon of die een naar Nederlands recht, waaronder het in Nederland toe te passen internationaal privaatrecht, geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan;

  • het minderjarige kind van wie de hoofdpersoon de biologische en/of juridische ouder is en mits er feitelijke invulling aan het gezinsleven wordt gegeven.

Voor de overgangsregeling geldt voor de beoordeling van het bovenstaande de startdatum van de peilperiode. Voor de definitieve regeling geldt het moment van aanvraag.

b. Niet langdurig onttrokken aan het toezicht van de Rijksoverheid

Niet langdurig onttrokken aan het toezicht van de Rijksoverheid wordt aangenomen indien de vreemdeling en zijn eventuele gezinsleden sinds 27 juli 20107 bekend zijn bij de IND, DT&V, COA, VP (in het kader van de opgelegde meldplicht), of in het geval van amv’s voogdijinstelling Nidos, en niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld zijn geweest.

De periode waarover de toets plaatsvindt, gaat in op het moment dat uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen niet meer op straat mochten worden gezet (uitspraak 27 juli 2010, aanleiding voor de gezinslocaties).

Uitzondering hierop vormt aantoonbaar vertrek buiten de Europese Unie. Dat wordt altijd tegengeworpen, ook als het vertrek vóór 27 juli 2010 heeft plaatsgevonden. De verblijfsvergunning wordt in dat geval niet verleend. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om uitzetting of door IOM gefaciliteerd vertrek.

c. Intrekken van lopende procedures

De vreemdeling en eventuele gezinsleden dienen voorafgaand aan vergunningverlening schriftelijk aan te gegeven dat lopende procedures onvoorwaardelijk worden ingetrokken bij vergunningverlening op grond van de regeling. Er zal daarbij geen restitutie van eventueel reeds betaalde leges of griffierechten plaatsvinden.

d. Gevaar voor de openbare orde

De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling en/of eventuele gezinsleden een gevaar vormen voor de openbare orde. Dit is het geval indien

  • wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf(fen) of maatregel(en) in totaal ten minste één maand bedraagt,

  • bij beschikking artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.

In die gevallen dat sprake is van een lopend onderzoek naar gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, wordt dit onderzoek afgerond alvorens een beoordeling in het kader van de regeling plaats zal vinden.

In geval van een veroordeling tot een taakstraf wegens drugs-, zeden- dan wel geweldsmisdrijven wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen bij de beoordeling. Bij de berekening of er sprake is van een straf of maatregel van ten minste één maand, worden meerdere veroordelingen bij elkaar opgeteld. Het is niet vereist dat de uitspraak waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden.

Strafbare feiten die in het buitenland zijn gepleegd of bestraft, worden eveneens bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde betrokken, doch slechts voor zover het gaat om strafbare feiten die naar Nederlands recht misdrijven zijn. Dat geldt ook indien het strafbare feit naar buitenlands recht een overtreding, maar naar Nederlands recht een misdrijf is. Of het feit naar Nederlands recht een misdrijf is, wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht of de bijzondere Nederlandse strafwetten.

Wanneer er sprake is van openbare ordeaspecten van één van de gezinsleden dan wordt aan het gehele gezin een vergunning onthouden.

Indien criminele antecedenten van (een van de gezinsleden) niet zouden worden tegengeworpen, dan zou het gezinslid met criminele antecedenten na verstrekking van de verblijfsvergunning aan de overige familieleden een beroep kunnen doen op artikel 8 EVRM om rechtmatig verblijf in Nederland te verkrijgen. Dit is onwenselijk. Dit is slechts anders indien de gezinsband met het gezinslid met criminele antecedenten verbroken is, bijvoorbeeld omdat het gezag over de hoofdpersoon (het minderjarige kind) niet meer bij dat gezinslid (de ouder) ligt of omdat de afhankelijkheidsrelatie van het meerderjarige kind aantoonbaar en definitief is beëindigd. In dat geval kan de vreemdeling met criminele antecedenten immers geen beroep meer doen op artikel 8 EVRM.

Indien gezinnen het betreffende gezinslid niet opnemen bij het indienen van de aanvraag, vormt dit een contra-indicatie.

Mocht dit eerst bij de beoordeling door de IND niet naar voren zijn gekomen, en probeert het betreffende gezinslid later in het kader van gezinshereniging/ artikel 8 EVRM een vergunning te krijgen, dan zal deze aanvraag worden afgewezen en vormt dit bovendien een intrekkingsgrond voor de vergunning van de overige gezinsleden.

Verjaring

Een eens gepleegd misdrijf wordt – gelijk het staande beleid inzake eerste toelating – niet blijvend tegengeworpen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven enerzijds en overige misdrijven anderzijds. Ingeval van een veroordeling wegens drugs-, zeden- dan wel geweldsmisdrijven bedraagt de termijn, gedurende welke de veroordeling een contra-indicatie vormt voor vergunningverlening, tien jaren. Ingeval van een veroordeling wegens een ander misdrijf bedraagt die termijn vijf jaren. De termijn vangt aan op de dag van de invrijheidstelling na tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel. De termijn van vijf, onderscheidenlijk tien jaren, is niet van toepassing indien sprake is van het bij herhaling plegen van misdrijven of van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Voor de beoordeling of sprake is van verjaring met het oog op de overgangsregeling is de datum van inwerkingtreding het bepalende toetsmoment. Voor de definitieve regeling is dit de datum waarop de vergunning wordt aangevraagd. Indien na deze datum sprake is van verjaring in het kader van de openbare orde zal daaruit geen aanspraak kunnen voortvloeien in het kader van deze regeling.

Gevaar voor de nationale veiligheid

De verblijfsvergunning wordt voorts niet verleend indien de vreemdeling en/of eventuele gezinsleden mogelijk een gevaar vormen voor de nationale veiligheid. Hiervoor is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling mogelijk een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en

Veiligheidsdienst. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.

e. Identiteit

Wanneer de vreemdeling zich na vergunningverlening in de GBA inschrijft met andere gegevens, dan vormt dit voor beide regelingen een grond voor intrekking.

De doelgroep kan te zijner tijd alleen worden genaturaliseerd op de identiteit waarop het verblijfsrecht nu wordt verleend. Daartoe dienen dan een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig paspoort te kunnen worden overgelegd.

f. Procedurele bepalingen

Aanvraagprocedure

De verblijfsvergunning op grond van de regeling wordt op aanvraag verleend. Ten aanzien van de overgangsregeling geldt dat een aanvraag binnen drie maanden na inwerkingtreding van de regeling ingediend moet zijn. De vreemdeling moet eerst telefonisch een afspraak maken met de IND alvorens de aanvraag in persoon, met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier, in te dienen bij een IND-loket. De IND beoordeelt op grond van de aanvraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf. Er vindt vrijstelling plaats van het paspoortvereiste, de inkomenseis, en -indien aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan- van het mvv-vereiste. Voor het indienen van de aanvraag zijn geen leges verschuldigd.

Het kind, dat in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd, kan bij zijn aanvraag tevens verblijf aanvragen voor zijn gezinsleden, tenzij de gezinsband inmiddels is verbroken.

Voor de overgangsregeling geldt voor de beoordeling van de gezinsband de startdatum van de peilperiode.

Beperking en arbeidsmarktaantekening

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking «overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen» of wel onder de beperking «definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen». De arbeidsmarktaantekening luidt: «Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist», wat inhoudt dat de betreffende

vreemdelingen vrij zijn op de arbeidsmarkt en er geen tewerkstellingsvergunning nodig is. Op het verblijfsdocument zal daarom worden vermeld: «verblijf onder beperking cf. beschikking staatssecretaris. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.»

Ingangsdatum en geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

De verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen. De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van een jaar.

Aan vreemdelingen die gedurende één jaar houder zijn geweest van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking «overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen», respectievelijk «definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen», wordt – behoudens contra-indicaties – ingevolge artikel 3.52 van het Vreemdelingenbesluit ambtshalve een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdende met voortgezet verblijf dan wel na invoering van het moderne migratiebeleid, een verblijfsvergunning niet-tijdelijk humanitair voor de periode van vijf jaar verleend.

Aard van het verblijfsrecht

De verblijfsvergunning regulier onder de beperking «overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen» respectievelijk «definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen» betreft een niet-tijdelijk verblijfsrecht, als bedoeld in artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit 2000.

g. Inburgering

Voor minderjarige kinderen geldt de leerplicht, dus eventuele inburgeringverplichtingen strekken zich niet tot deze groep uit. Op grond van het huidige recht en het recht zoals dat geldt vanaf 1 januari 2013 worden de volwassenen aan wie op grond van de overgangsregeling en de definitieve regeling een vergunning wordt verleend wel inburgeringsplichtig. In individuele gevallen kan een ontheffing verleend worden op grond van medische omstandigheden of kan de vreemdeling worden vrijgesteld (als hij bijvoorbeeld al een opleiding in Nederland heeft genoten).

Per 1 januari 2013 treedt de gewijzigde Wet inburgering in werking. Vreemdelingen zijn vanaf die datum geheel zelf verantwoordelijk voor hun inburgering. Dit betekent dat zij op grond van de Wet inburgering geen aanbod krijgen van gemeenten en dat hen geen maatschappelijke begeleiding wordt aangeboden.

Vreemdelingen kunnen gebruik maken van een leenstelsel op grond waarvan maximaal € 5 000 kan worden geleend ten behoeve van een officieel erkende inburgeringscursus.

Per 1 januari 2013 wordt het mogelijk om de verblijfsvergunning in te trekken van vreemdelingen die verwijtbaar niet voldaan hebben aan hun inburgeringsplicht, voor zover Europese en internationale regelgeving zich daartegen niet verzet.


X Noot
1

Toezeggingen gedaan in begrotingsbehandeling Veiligheid en Justitie november 2011 om de Kamer rond de jaarwisseling te informeren over de uitwerking van de regeling voor langverblijvende kinderen en daarbij ook in te gaan op de openbare orde criteria.

X Noot
2

Zie de bijlage voor de definitie van «niet langdurig onttrokken aan het toezicht van de Rijksoverheid».

X Noot
3

Zie de bijlage voor de uitgebreide definitie van gezinsleden.

X Noot
4

Zie de bijlage voor de nadere uitwerking van de contra-indicatie «gevaar voor de openbare orde».

X Noot
5

Zie bijlage voor de vergunningen die in dit kader worden bedoeld.

X Noot
6

Indien de vreemdeling tussen 29 oktober 2012 en de datum van inwerkingtreding 21 wordt, is deze niet uitgesloten van de regeling.

X Noot
7

uitspraak 27 juli 2010, aanleiding voor de gezinslocaties

Naar boven