Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201219637 nr. 1547

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1547 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL EN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2012

Tijdens de Regeling van werkzaamheden op 19 april 2012 heeft het lid Schouw (D66) mij verzocht om een reactie op het bericht dat Afghanistan Nederland oproept om onderzoek te doen naar Afghaanse asielzoekers die door Nederland worden gezien als oorlogsmisdadigers (Handelingen II, 2011/12, nr. 79, item 8, blz. 35). Voorts heeft het lid Gesthuizen (SP) mij naar aanleiding van hetzelfde bericht schriftelijke vragen gesteld (kenmerk 2012Z08593, ingezonden 20 april 2012). Met deze brief doe ik samen met de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mede namens de minister van Buitenlandse Zaken, beide verzoeken gestand.

De berichtgeving die aanleiding heeft gegeven tot de verzoeken betreft een uitzending van het NOS journaal op 18 april 2012 en het bijbehorende artikel op de NOS internetpagina. In deze berichtgeving is gesteld dat Afghanistan wil dat Nederland serieus onderzoek gaat doen in Afghanistan naar vreemdelingen aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen vanwege hun werkzaamheden als onderofficier en/of officier bij de KhAD/WAD tijdens het communistische regime in Afghanistan.

Het standpunt van de Nederlandse overheid is bij de Afghaanse autoriteiten bekend. In het navolgende treft u naar aanleiding van de gestelde vragen een uiteenzetting hiervan.

Aantal Afghaanse 1F’ers in Nederland

Het lid Gesthuizen heeft gevraagd hoeveel Afghaanse vluchtelingen zich in Nederland bevinden, die om reden van hun werkzaamheden als (onder)officier bij de KhAD/WAD de 1F-status hebben gekregen; bij hoeveel van deze 1F’ers de procedure nog loopt; hoeveel Afghaanse 1F’ers zijn uitgeprocedeerd en zich nog in Nederland bevinden; evenals hoeveel daarvan wegens een uitzetbeletsel niet terugkeren kunnen naar land van herkomst en hoe lang zij zich gemiddeld in Nederland bevinden.

In de geautomatiseerde systemen van de IND is slechts geregistreerd of aan een vreemdeling artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegen geworpen. Hieruit kunnen geen gegevens worden gegenereerd over de grond waarop aan een vreemdeling artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.

In Nederland bevinden zich ongeveer 190 personen met de Afghaanse nationaliteit aan wie artikel 1F is tegengeworpen. Dit betreft zowel personen aan wie vanwege hun werkzaamheden voor de KhAD/WAD, als personen aan wie op andere gronden artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Ten aanzien van ongeveer 40 van deze Afghaanse vreemdelingen is sprake van een nog lopende procedure. Ruim 20 hebben er (nog) rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning; aan hen werd een vergunning verstrekt op grond van de discretionaire bevoegdheid of is op dit moment een procedure tot intrekking aanhangig.

Ongeveer 130 Afghaanse vreemdelingen aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen (1F’ers) zijn uitgeprocedeerd en bevinden zich onrechtmatig in Nederland. Bij ongeveer 45 van hen is sprake van een beletsel tot uitzetting vanwege een reëel risico op een behandeling als bedoel in artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar het land van herkomst. In minder dan vijf gevallen staat een procedure op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 aan uitzetting in de weg. Voorts heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in ongeveer 30 zaken van Afghaanse 1F’ers een voorlopige maatregel opgelegd die tot gevolg heeft dat de betreffende vreemdelingen voor de duur van deze maatregel niet kunnen worden uitgezet. De Afghaanse 1F’ers ten aanzien van wie op dit moment een uitzettingsbeletsel geldt, verblijven gemiddeld 13 jaar in Nederland.

Ambtsbericht 29 februari 2000

Het lid Gesthuizen heeft gevraagd om een reactie op de uitspraken dat er geen enkel bewijs is dat alle officieren en onderofficieren van de veiligheidsdienst zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden. Zij vraagt voorts of het waar is dat het ambtsbericht uit 2000 is gebaseerd op onderzoek dat is gedaan door de Nederlandse ambassade in Pakistan en wat mijn reactie is op de uitspraak van een onderzoeker die stelt dat deze bron niet te vertrouwen was.

Het 1F-beleid ten aanzien van de categorie onderofficieren en officieren van de KhAD/WAD is gestoeld op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 inzake de Veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan (1978–1992). In de periode tot het uitbrengen van het ambtsbericht heeft de minister van Buitenlandse Zaken gericht onderzoek gedaan naar de organisatie van de veiligheidsdiensten, naar de wijze van rekrutering, opleiding en het vervolgens regelmatig wisselen van werkzaamheden binnen de organisatie. Zie ook het gestelde in de brief aan de Tweede Kamer van 7 januari 2010 (TK 2009–2010, 27 925, nr. 377).

De verschillende bronnen die aan het ambtsbericht ten grondslag liggen hebben herhaaldelijk aangegeven, dat het onvermijdelijk is dat zowel onderofficieren als officieren van de KhAD/WAD op actieve wijze betrokken zijn geweest bij schendingen van de mensenrechten. Dit is opgenomen in het ambtsbericht. Het was ook voor onderofficieren niet mogelijk binnen de KhAD/WAD te functioneren indien men niet deel wenste te nemen aan de systematische mishandelingen en schendingen van de mensenrechten die binnen deze dienst werden uitgevoerd. Veel van de gebruikte bronnen stelden dat het niet mogelijk was dat personen werkzaam bij de KhAD/WAD geen weet hadden van de mensenrechtenschendingen. Dit omdat er binnen de KhAD/WAD gerouleerd werd, zowel om de macht van individuele medewerkers te beperken als om loyaliteit bij de medewerkers te kweken.

Het gerichte onderzoek dat destijds is gedaan voor het ambtsbericht uit 2000 is verricht door de Nederlandse ambassade in Pakistan. Nederland had destijds geen ambassade in Afghanistan. De gebruikte bronnen, allen geraadpleegd in Pakistan, zijn personen met een grondige kennis van de situatie in Afghanistan. De verschillende bronnen zijn onafhankelijk van elkaar geraadpleegd. Elk onderwerp dat aan de KhAD/WAD is gerelateerd, is afzonderlijk aan hen voorgelegd. De verklaringen van bronnen stemden met elkaar overeen.

Naar aanleiding van informatie van UNHCR van 9 mei 2008 over de organisatiestructuur van de KhAD/WAD in de «Note on the Structure and Operation of the KhAD/WAD in Afghanistan 1978–1992» is de minister van Buitenlandse Zaken in 2008 in contact getreden met UNHCR om over de onderliggende bronnen van deze notitie te spreken. Gelijktijdig heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken vertrouwelijk onderzoek naar reeds bestaande aanvullende bronnen gedaan met betrekking tot de organisatiestructuur van de KhAD/WAD. Dit heeft geresulteerd in de conclusie van de minister van Buitenlandse Zaken dat de informatie van UNHCR de informatie van het ambtsbericht niet weerlegt. Aldus heeft de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken ook aan de Tweede Kamer bericht in zijn brieven van 2 oktober 2009 en 7 januari 2010 (respectievelijk TK 2009–2010, 27 925 en 19 637, nr. 363, en TK 2009–2010, 27 925, nr. 377).

Gelet hierop ziet de minister van Buitenlandse Zaken geen reden om zijn standpunt te wijzigen en delen van het ambtsbericht uit 2000 te herzien.

Rechtbanken, maar ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben inzage gehad in de onderliggende vertrouwelijke bronnen van het ambtsbericht. De Afdeling heeft bij herhaling geoordeeld dat de informatie in het ambtsbericht wordt gedragen door de daaraan ten grondslag liggende stukken. De Afdeling heeft overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de verklaringen van de gebruikte informanten een partijdig en niet objectief beeld geven over de werkwijze van de KhAD/WAD (uitspraak 30 november 2004, 200404008/1). De Afdeling is eveneens tot het oordeel gekomen dat de informatie van UNHCR geen aanleiding biedt tot twijfel aan het ambtsbericht (uitspraken 24 september 2009, 200901907/1, en 13 april 2012, 20110699/1 en 201100658/1).

Het parlement is in het verleden in de gelegenheid gesteld om vertrouwelijk inzage te hebben in onderliggend bronnenmateriaal van het ambtsbericht.

(Bijzonder) 1F-beleid op grond van het ambtsbericht 2000

Op grond van de informatie in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 heeft de toenmalige bewindspersoon geconcludeerd dat in het vreemdelingenbeleid ten aanzien van personen die behoren tot de categorie onderofficieren en officieren van de KhAD/WAD wetenschap van en betrokkenheid bij gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangenomen (TK 1999–2000, 19 637, nr. 520). In afwijking van het standaard 1F-beleid geldt ten aanzien van hen het (bijzondere) beleid dat in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag zal worden tegengeworpen. Daarbij wordt de betreffende vreemdeling wel uitgebreid in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering. Nadien zijn elkaar opeenvolgende bewindspersonen niet van dit standpunt afgeweken, nu de nieuwe informatie de conclusies van het ambtsbericht 2000 niet heeft weerlegd.

Het lid Gesthuizen heeft mij gevraagd om voorbeelden te noemen waarmee een Afghaanse vluchteling kan bewijzen geen oorlogsmisdadiger te zijn, ondanks zijn functie als officier dan wel onderofficier bij KhAD/WAD.

In de bijlage bij de brief van de toenmalige bewindspersonen van het ministerie van Justitie aan uw kamer van 9 juni 2008 is uiteengezet hoe (onder)officieren van de KhAD/WAD in de gelegenheid worden gesteld om verweren in te brengen en/of om aan te tonen dat zij zich in weerwil van de inhoud van het voornoemde ambtsbericht niet (mede)verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen (TK 2007–2008, 31 200 VI, nr. 160).

Indien wordt voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden kan in beginsel worden aangenomen dat er sprake is van een significante uitzondering:

  • 1. de vreemdeling is als zij-instromend officier bij de KhAD/WAD terechtgekomen (het is aannemelijk dat de officiersopleiding niet is doorlopen);

  • 2. de vreemdeling heeft niet gerouleerd (dit is bijvoorbeeld aannemelijk vanwege een korte aanstelling);

  • 3. de vreemdeling is niet bevorderd tijdens de diensttijd bij de KhAD/WAD (volgens het ambtsbericht van 29 februari 2000 was het alleen mogelijk te worden bevorderd bij gebleken loyaliteit).

Daarnaast wordt de betreffende vreemdeling in de gelegenheid gesteld om andere verweren in te brengen op grond waarvan hij gevrijwaard zou zijn van zijn individuele verantwoordelijkheid. Voorbeelden hiervan zijn het handelen onder dwang, zelfverdediging, etc.

Dit is nog immer staand beleid.

Strafrechtelijke vervolging Afghaanse 1F’ers

Alle dossiers waarin artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen worden gezonden aan het Openbaar Ministerie (OM). Het OM beoordeelt ten aanzien van elk dossier of strafrechtelijke vervolging mogelijk is. Dat geldt ook voor de Afghaanse 1F-zaken.

In de meeste gevallen ontbreken aanknopingspunten voor een strafrechtelijk onderzoek: de misdrijven hebben ver weg plaatsgevonden, het is vaak lang geleden gebeurd en getuigen zijn moeilijk te vinden. Daarnaast kunnen ook andere redenen dan het ontbreken van bewijs ertoe leiden dat geen (verdere) vervolging plaatsvindt, bijvoorbeeld het ontbreken van rechtsmacht en opportuniteitsoverwegingen. Om te bezien of er na enig tijdsverloop mogelijkheden zijn voor onderzoek die zich eerder niet voordeden, streven het OM en het KLPD/Dienst Nationale Recherche ernaar alle dossiers na enige tijd opnieuw te beoordelen.

Het lid Gesthuizen heeft gevraagd hoeveel Afghaanse officieren en onderofficieren die in Nederland de 1F-status hebben gekregen alsnog succesvol zijn vervolgd de afgelopen tien jaar.

In totaal zijn de afgelopen tien jaar in Nederland twee Afghaanse officieren aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen onherroepelijk veroordeeld door de strafrechter.

De stand van zaken van de strafrechtelijke aanpak van internationale misdrijven, waar artikel 1F-zaken onderdeel van uitmaken, wordt door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en mij jaarlijks uiteengezet in de «Rapportagebrief opsporing en vervolging internationale misdrijven».

Tot slot hecht ik eraan te benadrukken dat de vreemdelingrechtelijke toets of artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is, los moet worden gezien van de strafrechtelijke beoordeling van een zaak. Het gaat om nadrukkelijk verschillende toetsingskaders.

De bewijsmaatstaf voor 1F-zaken is dat er «ernstige redenen» moeten zijn «om te veronderstellen» dat een vreemdeling de misdrijven heeft begaan. Dit criterium vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en de Europese Kwalificatierichtlijn (2004/83). De «ernstige redenen om te veronderstellen» moeten goed worden onderbouwd en zorgvuldig gemotiveerd, bijvoorbeeld op grond van eigen verklaringen van betrokkene, documentatie van mensenrechten- en andere organisaties, persartikelen en/of andere bronnen. In de UNHCR richtlijnen voor de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag staat dat voor de invulling van het 1F-criterium niet hoeft te worden voldaan aan de strafrechtelijke bewijsstandaard.

Het 1F-criterium betreft een criterium dat ziet op bescherming c.q. toelating en het ziet niet op het handhaven van strafrechtelijke bepalingen door middel van leedtoevoeging – wat het strafrecht tot doel heeft. In het strafrecht gaat het er om of sprake is van een stafrechtelijk houdbare verdenking die wettig en overtuigend moet worden bewezen, waarbij – zoals hierboven vermeld – ook om andere redenen dan bewijs van strafrechtelijke vervolging kan worden afgezien.

Alleen al vanwege de verschillende toetsingskaders is een één-op-één vertaling van 1F-dossiers naar strafzaken niet mogelijk.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G. B. M. Leers

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven