Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 19637 nr. 147 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 19637 nr. 147 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 11 december 1995
Conform mijn toezegging tijdens het algemeen overleg met de vaste commissie voor Justitie en de algemene commissie voor de Rijksuitgaven van 6 december jongstleden (19 637/24 440 nr. 148), zal ik hierbij de nog openstaande vragen beantwoorden. Deze heb ik per onderwerp gegroepeerd.
a. De heer van Oven heeft gevraagd of er een alternatief is voor de oplossing van de instroom 1994 anders dan de maatregel van een «generaal pardon». Ook zou er naar zijn mening op dit punt een plan van aanpak zijn aangekondigd dat echter niet terug te vinden zou zijn in het stappenplan.
De heer De Hoop Scheffer heeft gevraagd hoe kan worden voorkomen dat de drie-jaarstermijn een rol gaat spelen bij de afdoening van de instroom 1994. Verder vroeg hij zich af of de drie positieve ontwikkelingen uit het stappenplan van de directie Beleid niet een te magere oplossing vormen voor het wegwerken van de instroom 1994.
De voorraad ontstaan door de hoge instroom van asielzoekers in 1994, beweegt zich langzaam door het systeem en veroorzaakt daarbij ernstige vertraging in de afdoening. Asielzoekers verblijven hierdoor lang in de opvangvoorzieningen. Zoals ook een aanvraag uiteindelijk slechts kan worden ingewilligd of niet ingewilligd, kent dit probleem slechts twee oplossingsrichtingen. Dit zijn of een (versnelde) inhoudelijke afdoening of een eenmalige maatregel in de zin van een «generaal pardon». Een eenmalige maatregel in de vorm van afwijzen is immers in strijd met de relevante verdragen en resulteert per definitie in vervolgprocedures die het systeem blijven belasten.
Een «generaal pardon» heeft grote nadelen. Deze oplossing levert alleen verlichting voor de korte termijn. Door de overduidelijke aanzuigende werking zal de maatregel op lange termijn meer gaan kosten dan hij op korte termijn zal opleveren. Daarnaast zal een beroep op het beginsel van rechtsgelijkheid in de procedures voor grote problemen zorgen. Bovendien is het de vraag of er voldoende draagvlak is voor een dergelijke maatregel. Tenslotte is nog de vraag of de gemeenten grote aantallen statushouders snel regulier kunnen huisvesten.
Een «generaal pardon» heeft daarnaast ook voordelen. De asielzoekers hebben snel duidelijkheid en het systeem wordt aanzienlijk ontlast.
Afweging van de voor- en nadelen leidt tot de conclusie dat een «generaal pardon» een laatste redmiddel is. Naar de mening van het Kabinet noopt de huidige situatie daar niet toe.
De oplossing moet komen van een versnelling in de afdoening. Het hele stappenplan is juist hier op gericht. Los daarvan kan alleen al door de daling van de instroom bij het handhaven van de huidige personeelssterkte meer capaciteit worden ingezet op het wegwerken van de achterstanden. Tenslotte kunnen door meer terugkeermogelijkheden meer zaken worden afgerond.
Met betrekking tot de individuele asielzoeker vormt het 3-jarenbeleid een harde grens. Een vreemdeling die langdurig in onzekerheid verkeert omtrent zijn toelating en die de uitkomst van zijn procedure in Nederland mag afwachten, wordt op grond van de op die onzekerheid gebaseerde klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf zonder beperking, mits het voornamelijk of uitsluitend op effecten van bestuurlijk beleid is terug te voeren dat betrokkene lange tijd na binnenkomst nog geen definitieve beslissing op zijn verzoek om toelating heeft gekregen. Daaronder valt bijvoorbeeld niet de situatie dat sprake is van criminele antecedenten, of de situatie dat de asielzoeker is medegedeeld dat hij de uitkomst van zijn procedure niet in Nederland mag afwachten, of dat hem in verband met externe factoren uitstel van vertrek wordt verleend of de behandeling van diens voorlopige voorziening in verband met externe factoren wordt aangehouden (zoals de omstandigheid dat hijzelf of een Ambassade niet meewerkt aan de vaststelling van de identiteit).
b. De heer Verhagen heeft gevraagd of de achterstand in de afdoening van zaken in eerste aanleg inmiddels is weggewerkt.
Per 1 december jl. moest er nog op 11 681 verzoeken in eerste aanleg worden beslist. Een normale werkvoorraad bedraagt 2690. Op een groot aantal asielverzoeken kan echter niet worden beslist, zoals met betrekking tot 1193 verzoeken van asielzoekers uit voormalig Joegoslavië en 311 verzoeken van asielzoekers uit Algerije. Dit brengt met zich dat per 1 december jl. de achterstand ca. 6000 bedraagt.
Hierbij moet worden opgemerkt dat pas sinds kort, 2 november jl., weer kan worden beslist op verzoeken van Iraanse asielzoekers. Per 1 december jl. moest er nog op 2153 Iraanse verzoeken worden beslist.
In mindere mate geldt dit ook voor verzoeken van Somalische asielzoekers, op welke verzoeken vanaf mei dit jaar tot augustus niet kon worden beslist. Op 1132 Somalische verzoeken moest per 1 december jl. nog een beslissing worden genomen. Na de rechterlijke uitspraak op 8 december jl. inzake Somalië kan de afdoening van deze zaken weer ter hand worden genomen.
c. De heer Rijpstra heeft gevraagd of er overleg met de Rechterlijke Macht mogelijk is over meer zittingen en tijdelijke detachering van personen. De heer Dittrich heeft gevraagd waarom niet alle beschikbare plaatsen bij de Rechterlijke Macht feitelijk zijn ingevuld. De heer v.d. Berg heeft gevraagd of de problemen bij de Rechterlijke Macht niet eerder dan in 1997 kunnen worden opgelost.
Aan de rechterlijke organisatie zijn tot en met juni 1995 225 fte's ter beschikking gesteld. Dit betreft zowel ondersteuning als personeel RM. Voor de fte's geldt een middensom van f 78 000,– (exclusief materiële component). Op grond van de gehanteerde normen kan hiermee een produktie worden gehaald van 28 500 zaken op jaarbasis. Dat is vastgelegd in een management-afspraak tussen de Dienst Rechtspleging (DRP) en de rechtbanken. Dit aantal zaken is bepalend, niet het aantal fte's dat de rechtbanken hiervoor inzetten. Hoe de invulling daadwerkelijk plaatsvindt wordt door de rechtbanken bepaald.
De stand van zaken ten aanzien van de personele inzet per 1 oktober jl. is als volgt.
Een gedeelte van de toewijzing is gebruikt voor de gebruikelijke overhead (8%). Dit betreft 19 fte's. 6 fte's zijn ingezet in het stafbureau ten behoeve van de rechtseenheidskamer. Het resterende budget is ingezet voor het primaire proces, 30 fte's rechterlijke macht en 150 fte's in de ondersteuning. Er bestaan nog slechts enkele vacatures. Gebleken is dat uiteindelijk minder fte's kunnen worden ingezet dan 225 omdat gekozen is voor de inzet van hoger gekwalificeerde ondersteuning. Hiervoor ligt de middensom hoger dan f 78 000,–. In augustus jl. zijn opnieuw 20 fte's toegewezen. De werving en selectie hiervoor is begonnen.
Overleg met de RM over het eventueel beschikbaar stellen van extra zittingscapaciteit bij toename van het aantal zaken zal worden gevoerd. Daarbij moet wel worden aangetekend, dat dit alleen kan worden gerealiseerd door het onttrekken van capaciteit aan andere zaken. Bovendien leidt het vergroten van de zittingscapaciteit niet automatisch tot vermindering van de werkvoorraden. Van belang hierbij is het tijdstip waarop zaken zittingsrijp zijn, de capaciteit van de IND ten aanzien van het aanleveren van dossiers en de capaciteit van de Landsadvocaat en de unit procesvertegenwoordiging van de IND.
Ook tijdelijke detachering van personeel of het inschakelen van rechters-plaatsvervangers biedt hierbij geen of weinig soelaas. Vreemdelingenrecht is een heel specifieke materie waarin men goed thuis moet zijn. Dit kan niet of nauwelijks met plaatsvervangers of tijdelijk personeel worden opgevangen. Dit blijkt ook iedere keer wanneer nieuw personeel moet worden ingewerkt.
Wanneer deze mogelijkheid wordt gebruikt in andere sectoren kan eventueel iets worden geschoven in de bezetting. Ook dit zal echter maar een marginale oplossing bieden. De huidige capaciteit van de rechtbanken is echter toereikend om hetgeen thans door de IND wordt aangeboden te verwerken.
d. Zowel de heer van Oven als de heer Dittrich hebben gevraagd of er apart aandacht kan worden besteed aan de achterstand van de Raad van State.
Er liggen momenteel ongeveer 4500 zaken bij de Raad van State. Op 31 december 1995 zal in alle zaken waarin de Raad van State heeft gevraagd om een verweerschrift schriftelijk verweer zijn uitgebracht door de Staat. De Raad van State heeft verder een convenant gesloten met de Minister van Binnenlandse Zaken op grond waarvan de Raad van State tot 1 januari 1998 de tijd krijgt om de zaken betreffende vreemdelingen af te doen. Ik zal met de Minister van Binnenlandse Zaken in contact treden om mogelijkheden van bespoediging hiervan na te gaan. De IND zal gedurende deze periode capaciteit beschikbaar moeten houden voor de vertegenwoordiging ter zitting.
Zowel de heer Dittrich als mevrouw Sipkes hebben gevraagd waarom de IND een terughoudend vvtv-beleid voert.
De heer Dittrich heeft verder gevraagd waarom in oktober jl. geen standpunt kenbaar is gemaakt over het vvtv-beleid. Daarnaast heeft hij gevraagd of ik bereid ben het terughoudend vvtv-beleid terug te draaien.
Mevrouw Sipkes heeft verder gevraagd waarom ik niet het advies van Berenschot volg om vvtv's snel toe te kennen. Daarnaast heeft mevrouw Sipkes gevraagd of toegelicht kan worden wat bedoeld wordt met de kentering ten aanzien van gedoogden hetgeen resulteert in minder vvtv's.
Haar vraag daarbij was of dit uitsluitend het gevolg was van de verbetering van de situatie in het land van herkomst.
De heer Verhagen heeft in dit verband gevraagd om een toelichting van de opmerking in het stappenplan van de Directie Beleid dat de IND zaken kan gaan afdoen waar ze tot voor kort weinig mee kon.
Met de inwerkingtreding van de wijziging van de Vreemdelingenwet per 1 januari 1994 is de mogelijkheid geopend tot het verlenen van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf aan zogenaamde ontheemden en gedoogden. Van de mogelijkheid om aan gedoogden een vvtv te verlenen is zeer terughoudend gebruik gemaakt. In mijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 9 november 1994 (Tweede Kamer 1994–1995, 19 637 nr. 115) heb ik de noodzaak van deze terughoudendheid toegelicht. Zoals uit genoemde brief blijkt, heb ik destijds met instemming van het Kabinet besloten tot een terughoudend vvtv-beleid vanwege, kort samengevat, het risico dat Nederland door vvtv-verlening op grote schaal uit de pas zou gaan lopen bij de ons omringende landen hetgeen ongetwijfeld een aanzuigende werking tot gevolg zou hebben gehad. Alvorens tot vvtv-verlening op grotere schaal zou kunnen worden overgegaan diende uitgebreid onderzocht te worden of er verwijderingsmogelijkheden ten aanzien van betrokkenen bestonden. Zoals ook in de brief van 9 november 1994 al werd aangegeven, vergt zo 'n onderzoek tijd. Het feit dat de IND een relatief gering aantal vvtv's heeft verleend, is derhalve geenszins het gevolg van een eigen interpretatie van de IND, maar vloeit direct voort uit het door het Kabinet geaccordeerde beleid.
Vervolgens heeft zich medio dit jaar een kentering voorgedaan ten gunste van de beleidsmatige mogelijkheden tot terugkeer. Ten aanzien van een groot deel van de asielzoekers die voorheen als beleidsmatig moeilijk verwijderbaar moesten worden aangemerkt, bleken inmiddels geen beleidsmatige belemmeringen tegen de terugkeer meer te bestaan. Van verlening van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf kon vanaf dat moment uiteraard geen sprake meer zijn. Deze kentering is in algemene zin in de memorie van toelichting bij de Justitie-begroting aan de Kamer toegelicht en is ten aanzien van enkele specifieke landen door middel van diverse brieven toegelicht: 25 januari 1995 (lran, kenmerk 472922/94/IND), 25 april 1995 (Sri Lanka, Tweede Kamer 1994–1995, 19 637, nr. 128) 9 juni 1995 (Angola, kenmerk 478694/95/IND) en 23 augustus 1995 (Somalië, Tweede Kamer 1995–1996, 19 637 nr. 134). De opmerking in het stappenplan dat de IND nu een aantal zaken kan gaan afdoen waar ze voorheen weinig mee kon, moet in het licht van deze kentering worden gezien.
Er resteren thans slechts drie landen (Bosnië, Irak en Afghanistan) waar de algemene situatie zo slecht is dat vvtv-verlening nog steeds aan de orde zou kunnen zijn. Beoordeling van asielaanvragen van asielzoekers afkomstig uit Bosnië en Irak resulteerde echter meestal op inhoudelijke gronden in toelating als vluchteling of verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Dat aan asielzoekers uit deze landen vrijwel geen vvtv's werden verleend hield dus geen verband met het terughoudend vvtv-beleid, maar met het feit dat hun verzoeken voor inwilliging in aanmerking kwamen. Zoals in mijn brief aan uw Kamer van 1 december jongstleden, inzake de gevolgen van het vredesakkoord van Dayton voor de Bosnische vluchtelingen, is beschreven ligt verlening van een A-status aan asielzoekers uit Bosnië thans weer minder voor de hand en verlening van een gedoogden-vvtv des temeer.
Uit het bovenstaande moge blijken dat het relatief geringe aantal verleende vvtv's in eerste instantie is voortgevloeid uit het gevoerde terughoudend vvtv-beleid, en vervolgens uit de gewijzigde omstandigheden in diverse landen.
a. De heren van Oven, Verhagen, Rijpstra en Dittrich hebben gevraagd of het niet mogelijk is dat Ter Apel reeds voor september 1996 geopend wordt.
Wat betreft de voortgang en de planning van de bouw van het centrum in Ter Apel verwijs ik in de eerste plaats naar mijn antwoorden van 12 oktober 1995 op de Kamervragen van de leden Dittrich en Rijpstra (518082/95/IND), waarin uitvoerig wordt ingegaan op de vertraging. Zoals ik reeds meldde tijdens het algemeen overleg van 6 december jl. dient de uitslag van het milieu-onderzoek te worden afgewacht, die volgens planning eind januari 1996 beschikbaar zal zijn.
Voor het bouwrijp maken van de grond, de sanering daarvan en het verkrijgen van de noodzakelijke vergunningen is de periode van januari tot augustus 1996 nodig. Het asielzoekerscentrum zal rond september/oktober 1996 gereed zijn, maar vooruitlopend daarop wordt een voorlopige voorziening getroffen voor 100 personen.
Wat het realiseren van het Huis van Bewaring betreft spelen de aanzienlijk zwaardere gebouwelijke eisen van de Rijksgebouwendienst (RGD) een voorname rol. De normale bouwtijd van een Huis van Bewaring is ongeveer 1,5 jaar. In overleg met de RGD zal echter worden bekeken of een scenario ontwikkeld kan worden waardoor snellere oplevering mogelijk is. Ter overbrugging zijn overigens vanaf eind mei plaatsen voor vreemdelingenbewaring beschikbaar in de nieuwe penitentiare inrichtingen in Zoetermeer (48 plaatsen) en Alphen aan den Rijn (144 plaatsen).
b. De heer van Oven heeft gevraagd of het aantal niet-verwijderbare vreemdeling inderdaad geraamd wordt op 13 000 personen.
Op 1 januari 1995 was het aantal beleidsmatig moeilijk verwijderbare asielzoekers inderdaad 13 000 personen. Inmiddels is die situatie veranderd. Het aantal nog niet verwijderde asielzoekers met afgesloten procedures bedraagt thans ongeveer 16 800. Hiervan zijn ongeveer 2300 asielzoekers moeilijk verwijderbaar om beleidsmatige redenen en ongeveer 2750 asielzoekers moeilijk verwijderbaar wegens een gebrek aan medewerking van de asielzoeker of van de autoriteiten van het land van herkomst. Het resterende aantal nog niet verwijderde asielzoekers bestaat voornamelijk uit asielzoekers afkomstig uit Angola, Iran, Somalië en Zaïre. Ten aanzien van asielzoekers uit deze landen, wier asielverzoek is afgewezen, is in de loop van dit jaar vastgesteld dat er in algemene zin geen beleidsmatige belemmeringen meer zijn voor het hervatten van verwijderingen.
c. De heer van Oven heeft verder gevraagd of het plan van aanpak van de IND inzake verwijdering niet eerder dan in juni 1996 beschikbaar kan komen.
Thans zijn er al diverse maatregelen in gang gezet teneinde het aantal verwijderingen te kunnen intensiveren, waaronder het bouwen van AZC en huis van bewaring te Ter Apel en daarop vooruitlopend de beschikbare capaciteit in het huis van bewaring te Alphen aan de Rijn.
Ook de afspraken met de vreemdelingendiensten, zoals gemaakt in de convenanten ter intensivering van het binnenlands vreemdelingentoezicht maken hier onderdeel van uit. Aangezien het de bedoeling is dat het plan van aanpak mede gebaseerd zal zijn op ervaringsgegevens van de betrokken organisaties, moeten de resultaten van de diverse maatregelen eerst worden afgewacht. Hierover zal in april 1996 voldoende bekend zijn om het plan van aanpak op te stellen.
Inmiddels is per 1 november jl. de opleiding gestart voor de medewerkers van de terugkeerunit van de IND: 37 personen in ter Apel en 13 personen bij de centrale unit verwijderingscoördinatie van de INd in Den Haag. Dit opleidingstraject duurt drie maanden, dus de terugkeerunit zal met ingang van 5 februari 1996 operationeel zijn.
d. De heer De Hoop Scheffer heeft gevraagd naar de rol van de IND bij het plan van aanpak van de directie Beleid.
Bij de geïntegreerde aanpak van de terugkeerproblematiek door Justitie, Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, zoals vermeld in het stappenplan van de directie Beleid, wordt de IND nadrukkelijk betrokken. De geïntegreerde aanpak bestaat uit twee componenten: enerzijds stimuleren van vrijwillige terugkeer, maar daarnaast intensiveren van gedwongen terugkeer voor diegenen die niet vrijwillig willen terugkeren of daar om redenen van openbare orde niet voor in aanmerking komen.
Dit laatste is bijvoorbeeld het geval bij vreemdelingen die zich onttrekken aan maatregelen van toezicht, zoals de meldingsplicht, of bij vreemdelingen die zelf te kennen geven niet vrijwillig te willen terugkeren. Het plan van aanpak voor verwijderingen van de IND vormt een wezenlijke component van de geïntegreerde aanpak.
e. Mevrouw Sipkes heeft gevraagd of de intensivering van het verwijderingsbeleid alleen betrekking heeft op technisch niet verwijderbaren of ook op beleidsmatig niet verwijderbaren.
De intensivering van het terugkeerbeleid is gericht op de technisch moeilijk verwijderbare vreemdelingen. Aangezien beleidsmatige terugkeerbeletselen gelegen zijn in de slechte algemene situatie in het land van herkomst, zal het duidelijk zijn dat daarop geen directe invloed kan worden uitgeoefend. Wel kan thans, door een frequentere rapportage van de Minister van Buitenlandse Zaken, eerder worden ingespeeld op een verbetering van de situatie in landen van herkomst.
f. De heer van Oven heeft gevraagd naar het regeringsstandpunt over het scheiden van het stellen van diagnose en toedienen van medicatie ingeval van uitzetting met medische begeleiding.
Inmiddels is met het bureau uitzettingen van de Koninklijke Marechaussee afgesproken dat alle uitzetting met medische begeleiding bij de IND worden gemeld. Met de heer Van Oven ben ik van mening dat het stellen van de diagnose en het toedienen van de medicatie gescheiden behoren te zijn. Ik zal een daartoe strekkende instructie doen uitgaan.
g. De heer De Hoop Scheffer heeft gevraagd of ik bereid ben na te denken over het voorstel van zijn fractie om aan de Zuid- en Oostgrens inrichtingen voor vreemdelingenbewaring te creëren.
Vreemdelingen die in het kader van het mobiel toezicht vreemdelingen door de Koninklijke Marechaussee worden staande gehouden in de grensstreek kunnen voor verder onderzoek worden overgedragen aan de vreemdelingendienst, indien wordt geconstateerd dat zij niet rechtmatig in Nederland verblijven. Waar nodig worden ze in vreemdelingenbewaring gesteld, in afwachting van hun verwijdering uit Nederland. Indien overplaatsing naar een Huis van Bewaring noodzakelijk is, kan daarvoor in de zuidelijke provincies gebruik worden gemaakt van het Huis van Bewaring in Tilburg. In de oostelijke provincies kan in de toekomst gebruik gemaakt worden van het Huis van Bewaring in Ter Apel. Het creëren van nieuwe, specifieke inrichtingen voor vreemdelingenbewaring aan de oost- en zuidgrens acht ik daarom weinig zinvol.
h. De heer Rijpstra heeft gevraagd of aan de Koninklijke Marechaussee meer bevoegdheden kunnen worden toebedeeld voor a) het inbewaringstelling van vreemdelingen en b) het geven van stoptekens aan voertuigen bij het uitoefenen van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen.
In het Koninklijk Besluit van 26 november 1976, dat op 29 april 1994 is gewijzigd, worden ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee belast met het binnenlands toezicht op vreemdelingen. In gevolge artikel 82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit kunnen ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie zijn het bevel tot bewaring, in gevolge artikel 26 van de Vreemdelingenwet, geven. Thans zie ik geen aanleiding de gronden tot inbewaringstelling, waarop de heer Rijpstra kennelijk doelt, te verruimen.
Het geven van een stopteken aan bestuurders van voertuigen teneinde het toezicht op vreemdelingen te effectueren vloeit voort uit de bevoegdheid van ambtenaren belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen om personen staande te mogen houden, onder meer ter vaststelling van de identiteit, zoals bepaald in artikel 19, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Ook op dit punt zie ik geen aanleiding de gronden voor het mogen staande houden en dus het doen stoppen van bestuurders van voertuigen uit te breiden.
Overigens wil ik erop wijzen dat in de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (AWB), die thans bij uw Kamer in behandeling is, de toezichthoudende bevoegdheden in algemene zin worden geregeld. Bij de aanpassingswetgeving in het kader van de AWB zal ook aandacht worden besteed aan de verhouding tussen de algemene toezichthoudende bevoegdheden en de specifieke bevoegdheden voor het uitoefenen van het vreemdelingentoezicht.
a. De heer Middel heeft gevraagd welke criteria gelden voor de vaststelling wat een humaan maar sobere vorm van opvang is.
Het karakter van de sobere maar humane opvang komt in materiële zin tot uitdrukking in bijvoorbeeld de hoogte van het zakgeld (f 20,– per week) en het kleedgeld (f 10,– per week en eenmalig bij binnenkomst f 80,–). Ook ten aanzien van de accommodaties waarin de opvang wordt geboden gelden normen, die zijn vastgelegd in een programma van eisen dat door het COA gehanteerd wordt bij de verwerving van nieuwe centra. Voor de immateriële opvang zijn inmiddels in de zogenaamde Kaderbrief ten behoeve van de opvangcentra normen vastgesteld. Enkele voorbeelden zijn: in de OC's dient ten aanzien van alle asielzoekers een medische intake en een TBC-keuring te worden verricht en dienen omstandigheden te zijn gecreëerd om alle leerplichtige asielzoekers te kunnen laten deelnemen aan het reguliere onderwijs. Asielzoekers krijgen de mogelijkheid om per kwartaal aan minimaal 6 recreatieve activiteiten deel te nemen die buiten het centrum georganiseerd worden. Alle asielzoekers moeten actief geïnformeerd worden over de in de centra geldende rechten en plichten.
Asielzoekers verrichten per kwartaal gemiddeld minimaal 50 uur taken in het kader van zelfwerkzaamheid en het centrum dient een kader te scheppen voor overleg tussen de centrumdirectie en de bewoners. De naleving van de normen wordt door de Internal Audit van het COA gecontroleerd. In 1996 zullen de normen geëvalueerd worden en zonodig, in overleg met de Directie Beleid van het kerndepartement, worden aangepast.
b. De heren Middel, Rijpstra, Stellingwerf en van de Berg alsmede mevrouw Sipkes hebben gevraagd of ik bereid ben serieus te kijken naar maatschappelijk initiatieven om een zinvolle dagbesteding voor asielzoekers mogelijk te maken.
Het COA heeft een opzet gemaakt voor een programma zinvolle dagstructurering. Het programma zinvolle dagstructurering beoogt mensen zelfstandig en actief te houden, zodat zij verantwoordelijkheid kunnen (blijven) dragen voor zichzelf en zo hun eigen weg kunnen vinden, in de Nederlandse samenleving of in het land van herkomst. Naast Nederlandse taal en maatschappij-oriëntatie wordt de mogelijkheid geboden om zelfwerkzaamheidsklussen te verrichten (à f 1,– per uur) en vindt gefaseerde invoer van zelf koken plaats. Ook bij de invulling van het programma zinvolle dagstructurering geldt dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van reguliere instanties. Maatschappelijke initiatieven die kunnen bijdragen aan een zinvolle dagstructurering zullen dus zeker worden betrokken bij dit programma. De positie van de asielzoeker vereist evenwel dat voorzichtig wordt omgegaan met activiteiten op het terrein van zelfwerkzaamheid. Voorkomen moet worden dat verwachtingen worden gewekt of rechten worden opgebouwd die botsen met de positie van de asielzoeker. Anderzijds moet worden voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de bereidheid van asielzoekers om onbetaald of tegen een zeer geringe vergoeding werk te verrichten, dat niet strikt gezien kan worden als vrijwilligerswerk. Zoals reeds mondeling is toegelicht, zal ik dit laatste onderwerp in het kabinet nader bespreken.
c. De heer Middel heeft gevraagd of de voordelen kunnen worden aangegeven van het samenbrengen van het COA en de IND onder de verantwoordelijkheid van één departement.
Het onder verantwoordelijkheid van één departement brengen van het toelatings- en opvangbeleid heeft naar mijn inzicht geleid tot een aantal belangrijke verbeteringen in de samenwerking. Wellicht hadden deze verbeteringen ook tot stand kunnen komen in de oude situatie, maar naar mijn stellige overtuiging heeft de samenvoeging van de verantwoordelijkheden voor toelating en opvang, deze processen in hoge mate versneld. De betere samenwerking en afstemming is ook door Berenschot beschreven en kan worden geïllustreerd door bijvoorbeeld het overleg dat op gang is gekomen op directieniveau voor praktische afstemming in de uitvoering en de planning. Ook de instelling en produktiviteit van gezamenlijke projectgroepen of task forces verloopt thans gemakkelijker dan voorheen. De voorgenomen aansluiting van de informatie-systemen van de IND en het COA zal een belangrijke verbetering in de communicatie en informatie-uitwisseling betekenen, wat een belangrijke bijdrage aan het optimaliseren van de bedrijfsprocessen kan leveren. Over deze aansluiting werd al geruime tijd overleg gevoerd tussen het toenmalige Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en Justitie, maar dankzij de overheveling van de verantwoordelijkheid voor de opvang is een aantal belangrijke barrières die aan realisatie in de weg stonden opgeheven. Ook op regionaal niveau is de samenwerking tussen IND en COA (en de VD) verbeterd door de invoering van een systeem van contactpersonen.
De beleidsmatige aansturing van beide processen is door de samenvoeging van de verantwoordelijkheid evenwichtiger geworden. In een vroeg stadium kunnen (voorgenomen) ontwikkelingen op het ene terrein worden bezien op hun consequenties voor het andere terrein en kan een afgewogen beslissing worden genomen.
d. De heer Middel heeft gevraagd of er bij de uitplaatsing van statushouders meer rekening kan worden gehouden met de wensen van betrokkenen zelf met het oog op inburgering in Nederland.
Bij de uitplaatsing van statushouders wordt desgewenst rekening gehouden met de volgende criteria:
1. het woonachtig zijn van familie in de eerste of tweede graad in een bepaalde plaats;
2. medische indicatie ten behoeve van een bepaalde plaats;
3. het reeds hebben van werk in een bepaalde plaats of gebonden zijn aan een plaats in verband met een te volgen studie of opleiding.
Het komt in de praktijk slechts sporadisch voor dat het derde criterium medebepalend moet zijn voor de uitplaatsing. Nu in alle gemeenten inburgeringstrajecten voor nieuwkomers kunnen worden aangeboden is er geen aanleiding om naast bovengenoemde criteria een verdere verfijning aan te brengen met het oog op de inburgeringsmogelijkheden van betrokkenen.
e. De heer Middel heeft verder gevraagd of er gebruik wordt gemaakt van de aanwijzingsbevoegdheid van de Provincie.
Tot nog toe is er geen aanleiding geweest voor de Provincies om gebruik te maken van hun aanwijzingsbevoegdheid.
f. De heer Rijpstra heeft gevraagd of er een gerichter doorplaatsingsbeleid mogelijk is van AC naar OC en vervolgens naar AZC.
De doorplaatsing van asielzoekers binnen de beschikbare opvang is een proces van nauwkeurige matching. Hierbij wordt het COA in haar flexibiliteit om asielzoekers te plaatsen beperkt door de beschikbare totale capaciteit en door de eisen die een eerlijke, gelijke, behandeling van alle asielzoekers in verband met de beheersbaarheid van de centra stellen. Binnen deze marges probeert het COA bij de plaatsing zoveel mogelijk rekening te houden met de wensen van de IND in verband met een efficiënte behandelingswijze van het asielverzoek. In het algemeen wordt door het COA in voortdurend overleg met de IND een vervoersplan voor de doorplaatsing van asielzoekers van AC 's naar OC 's opgesteld. Mits de beschikbare capaciteit het toelaat, wordt hierbij rekening gehouden met de wens om asielzoekers die via Schiphol ons land binnenreizen te plaatsen in de OC 's in Haarlem en Leiden. Daarnaast worden asielzoekers voor wie vanuit het AC-Zevenaar een Schengenclaim is ingediend in principe doorgeplaatst naar het OC Luttelgeest en asielzoekers voor wie een Schengenclaim is ingediend in het AC-Rijsbergen naar het OC Gilze-Rijen. Thans wordt bezien of verdergaand rekening gehouden kan worden met doorplaatsing binnen bepaalde regionale grenzen. Hierbij moet echter bedacht worden dat iedere verfijning van de criteria een grotere inflexibiliteit tot gevolg heeft.
a. De heer van Oven heeft gevraagd of er tot op heden gebruik is gemaakt van het instrument tot het instellen van cassatie in belang der wet. Verder heeft hij gevraagd of ik bereid ben hierover een passage op te nemen in de brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer over het hoger beroep.
Tot op heden heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden nog geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid een vreemdelingenzaak voor te dragen voor cassatie in belang der wet.
In de brief over de hoofdlijnen van het hoger beroep in vreemdelingenzaken die u rond de jaarwisseling tegemoet kunt zien zal ik ingaan op de consequenties die introductie van een appelinstantie heeft voor de overige voorzieningen die zijn getroffen toen destijds werd afgezien van het opnemen van hoger beroep, zoals cassatie in belang der wet.
b. Zowel de heer Dittrich als de heer van de Berg hebben gevraagd of ik bereid ben om vooruitlopend op de wijziging van de Vreemdelingenwet met betrekking tot het invoeren van hoger beroep de wet reeds op enkele onderdelen te wijzigen, zoals ten aanzien van het mvv-vereiste.
Zoals in het Stappenplan van de Directie Wetgeving is aangegeven en zoals in de brief van 18 september 1995 inzake het hoger beroep in vreemdelingenzaken reeds is opgemerkt, ligt het voor de hand eerst de inspanningen erop te richten dat de huidige wetgeving beter wordt uitgevoerd. Eventuele kleinere noodzakelijke wijzigingen zullen worden bevorderd in samenhang met het wetsvoorstel betreffende het hoger beroep. Het is in het bijzonder voor de uitvoering onwenselijk en onnodig belastend om steeds te worden geconfronteerd met incidentele wijzigingen, waardoor het zicht op het geheel verloren gaat. Ten aanzien van het mvv-vereiste is door leden van de fractie van het CDA reeds een initiatief-ontwerp ingediend.
a. De heer van Oven heeft opgemerkt dat er in het stappenplan van de IND ten aanzien van de integrale taakstelling een invoerdatum van 1 oktober 1996 is opgenomen terwijl hierover nog geen standpunt is bepaald. De heer Verhagen heeft gevraagd waarom er niet nu reeds een beslissing kan worden genomen over de integrale taakstelling.
Berenschot adviseert de integraliteit te beperken, waarbij het in de rede ligt om separate organisatorische eenheden te vormen voor asiel- en reguliere zaken. ln de praktijk wordt ook al niet meer strak de hand gehouden aan de integrale taakstelling. Er is al een splitsing tussen medewerkers en zaken: reguliere zaken, asielzaken, naturalisatiezaken en andere zaken. Dit neemt niet weg dat de integrale taakstelling nog steeds een wezenlijk element van de organisatiestructuur van de IND vormt.
Een besluit over een eventuele wijziging hiervan dient zorgvuldig te worden voorbereid. Daarom is besloten de integrale taakstelling in de maanden januari tot en met maart 1996 grondig te evalueren. Afhankelijk van de uitkomsten van deze evaluatie kunnen eventuele maatregelen, die kunnen variëren van relatief eenvoudige bijstellingen tot een formele reorganisatie, worden ingevoerd. Omdat de evaluatie dus ook zou kunnen leiden tot een formele reorganisatie is er een uiterste termijn van 1 oktober 1996 in het stappenplan van de IND opgenomen.
b. De heer Middel heeft gevraagd of de resultaten van de Aanmeldcentra naar verwachting zijn.
Doel van de AC 's is een sneller onderscheid maken tussen kansrijke en kansloze asielzoekers.
Dit zal tevens een ontmoedigend effect hebben op vreemdelingen die overwegen in Nederland asiel aan te vragen zonder daarvoor een gegronde reden te hebben. Het huidige aantal afdoeningen in de AC 's ligt rond de 12%, wat zonder meer tegemoet komt aan de verwachtingen.
c. De heer Rijpstra heeft gevraagd of de resultaten kunnen worden aangegeven van het busvervoer vanuit Schiphol naar de Aanmeldcentra.
Vanaf 20 november jl. worden asielzoekers die op Schiphol aankomen met een bus vervoerd naar de AC 's in Rijsbergen of Zevenaar. Inmiddels zijn er in totaal 357 personen vervoerd (Zevenaar 247 en Rijsbergen 110). Direct na de invoering van dit systeem is een daling opgetreden in de instroom van asielzoekers via Schiphol: in de derde week bedroeg dit aantal 65 personen minder dan in de eerste week dat met het busvervoer is gestart. Voorzichtig kan geconcludeerd worden dat de maatregel effect sorteert.
d. De heer De Hoop Scheffer heeft gevraagd welke initiatieven in Europees verband worden genomen om mensensmokkel te bestrijden.
De bestrijding van mensensmokkel staat hoog op de agenda in diverse internationale gremia, zowel binnen de Europese Unie als daarbuiten.
Informatie-uitwisseling over wet- en regelgeving op dit gebied, over patronen van illegale immigratie en mensensmokkel en over maatregelen om deze verschijnselen te bestrijden, vormen een belangrijke component in het internationale overleg. Daarnaast krijgt ook de praktische, internationale samenwerking tussen immigratie- en grensbewakingsdiensten bij de bestrijding van mensensmokkel langzamerhand steeds meer gestalte.
e. De heer De Hoop Scheffer heeft gevraagd hoe de tegenstrijdigheden kunnen worden opgelost met betrekking tot cijfers, normen, informatiesystemen en cliënt-definities.
De heer Verhagen heeft gevraagd of niet eerder dan in de zomer van 1995 een standpunt kan worden bepaald over regionalisering en cliëntdefinities.
In het Stappenplan van DFEZ is voorzien dat een extern bureau de normen toetst die zijn gehanteerd bij de opstelling van de ramingen. Op grond van de resultaten ter zake, zullen uiterlijk eind februari nieuwe, geactualiseerde normen zijn vastgesteld. Naar aanleiding daarvan wordt bezien in hoeverre de produktiecijfers een aanpassing behoeven.
Om de informatie-systemen op elkaar te kunnen afstemmen, is thans een regulier overleg op gang gebracht. Om te komen tot een eenduidige cliëntdefinitie tussen IND en COA enerzijds en de Vreemdelingendiensten en de rechterlijke macht anderzijds, zal een werkgroep worden ingesteld waarin de betrokken partijen zitting hebben. Hierbij wordt de afstemming van de districtsindelingen meegenomen. Ik zeg toe deze stap te zullen versnellen en streef er derhalve naar in het voorjaar van 1996 met een afgerond standpunt te komen.
f. Zowel de heer De Hoop Scheffer als mevrouw Sipkes hebben gevraagd of de ambtsberichten met een grotere regelmaat kunnen verschijnen en worden geactualiseerd.
Daarnaast heeft de heer De Hoop Scheffer als ook de heer Rijpstra gevraagd of coördinatie van ambtsberichten in Schengen- en EU-verband mogelijk is.
Tenslotte heeft de heer Rijpstra gevraagd welke werkafspraken er zijn gemaakt tussen BZ en Justitie over een alerte en tijdige rapportage over de situatie in landen van herkomst.
lk kan u mededelen dat met Buitenlandse Zaken de volgende werkafspraken zijn gemaakt.
Algemene ambtsberichten zullen voortaan als regel halfjaarlijks worden geactualiseerd. Concreet kan het daarbij, afhankelijk van de ontwikkelingen in het land van herkomst, gaan om een eenvoudige bevestiging dat het vorige bericht nog geldt, dan wel om een aanvulling of een integrale aanpassing van het vorige bericht. Voorts wordt bij bijzonder gevoelige situaties (denk bijvoorbeeld aan Sri Lanka) zo nodig vaker gerapporteerd om een evaluatie te geven van belangrijke gebeurtenissen (denk in casu bijvoorbeeld aan de consequenties van het beleg van Jaffna voor de veiligheid van terug te zenden uitgeprocedeerde asielzoekers naar Colombo). Hetzelfde geldt voor de belangrijkste landen van herkomst van asielzoekers en landen die in verband met de intensivering van het terugkeerbeleid bijzondere aandacht behoeven.
Deze afspraken zijn reeds in uitvoering genomen. Voor de precieze afstemming op de informatiebehoefte in het kader van de asielprocedure, zowel naar aard als timing, vindt geregeld werkoverleg plaats tussen vertegenwoordigers van het Bureau Asielzaken van Buitenlandse Zaken, de IND en de Sector vreemdelingenbeleid van het Ministerie van Justitie. Hierbij wordt rekening gehouden met datgene wat door asielzoekers uit bepaalde landen naar voren wordt gebracht, alsmede met vragen die bij het gebruik van ambtsberichten rijzen in de verschillende stadia van de procedure bij de IND, de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken en de Vreemdelingenkamers. Het betreft expertoverleg gericht op regio's en landen (ongeveer tweemaandelijks), coördinatie-overleg in verband met de uitvoering van het verwijderingsbeleid (wekelijks) en coördinatie-overleg gericht op de juridische procedure (wekelijks). Het algemene afstemmingsoverleg, dat ongeveer eens per kwartaal plaatsvindt, zal voortaan op maandelijkse basis worden gehouden.
Ten aanzien van de mogelijkheid van coördinatie van ambtsberichten in het kader van Schengen en de EU kan ik u mededelen dat hier tot op zekere hoogte sprake van is in het kader van het Centrum voor Informatie, Beraad en Gegevensuitwisseling over Asielaangelegenheden (CIBGA), een «clearing house» binnen de Derde Pijler van de Europese Unie, dat beter bekend is onder de Engelse en Franse naam CIREA. Daarbinnen vindt overleg plaats op basis van de gemeenschappelijke landenrapportages uit de Tweede Pijler van de Europese Unie. De desbetreffende rapportages zijn over het algemeen minder specifiek op de nationale informatiebehoefte gericht en dragen vaak de sporen van het compromis dat men heeft gezocht om het over de tekst eens te worden. De Regering hecht niettemin aan het goede functioneren van CIREA en zal daaraan naar vermogen blijven bijdragen.
Voorts kan ik in dit verband melden dat Buitenlandse Zaken zijn ambtsberichten systematisch checkt met de Duitse rapporten en regelmatig nagaat hoe bepaalde aspecten (bijvoorbeeld verwijderingsmogelijkheden) van landen van herkomst door andere Lid-Staten van de EU worden ingeschat.
g. Mevrouw Sipkes heeft gevraagd of er bij de beoordeling van asielaanvragen naast ambtsberichten ook gebruik wordt gemaakt van andere rapportages zoals van Amnesty International?
Zoals bekend beschrijven de ambtsberichten die aspecten van het land van herkomst die van belang zijn voor de beoordeling van personen uit dat land.
Ambtsberichten beogen niet een volledig beeld van de politieke en mensenrechtensituatie te geven. Ambtsberichten stoelen op gegevens uit openbare en niet openbare bronnen. Ook publikaties van Amnesty International en andere instellingen worden in het eindoordeel zorgvuldig meegewogen.
h. De heer Rijpstra heeft gevraagd wanneer de rapportage is te verwachten over de inzet van de immigratie-medewerkers.
De immigratiemedewerkers, die momenteel zijn gestationeerd in Nairobi, New Delhi en Istanbul, rapporteren met vaste regelmaat. Mede naar aanleiding van deze rapportages vindt overleg plaats met de Minister van Buitenlandse Zaken over eventuele uitbreiding naar andere landen. Het resultaat van dit overleg alsmede de toegezegde evaluatie wordt nog voor de jaarwisseling aan de Kamer toegezonden.
i. De heer Rijpstra heeft gevraagd of een meer centrale aansturing van de vreemdelingendienst mogelijk is door bijvoorbeeld detachering van politie-ambtenaren bij de IND.
Thans vindt op diverse manieren aansturing van de vreemdelingendiensten plaats, zoals periodiek overleg tussen de IND en de portefeuillehouder vreemdelingenzaken van de raad van hoofdcommissarissen. Ook vindt er overleg plaats tussen de Districten en de vreemdelingendiensten. Verder zijn mede met het oog op de afstemming de grenzen van de Districten gelijk getrokken met die van de politieregio 's. Overigens vindt er inmiddels een inzet van IND-personeel plaats bij vreemdelingendiensten teneinde aldaar IND-werkzaamheden te verrichten. Het is overigens mijn voornemen om in overleg te treden met de Minister van Binnenlandse Zaken en het Korpsbeheerdersberaad om de mogelijkheid van sterkere sturing na te gaan.
j. Naar aanleiding van een vraag van de heer van Oven over de resultaten van de OC-experimenten kan ik u het volgende mededelen.
Uit de mij beschikbare tussenevaluatie is gebleken dat het aantal bezwaarprocedures is verminderd met 28% en het aantal voorlopige voorzieningen is gedaald met 18%. De proceduretijd in de eerste aanleg- fase is ongeveer 45 dagen (ruim zes weken). Het aantal verleende statussen in eerste aanleg bedraagt 51%. Op landelijk niveau wordt in eerste aanleg in 28% van de verzoeken een status verleend, welk percentage na bezwaar in totaal 44% bedraagt. Het hogere percentage in de betrokken OC's is deels te verklaren doordat in het experiment een grotere instroom van nationaliteiten is geweest die verhoudingsgewijs meer statussen opleveren.
Om te kunnen zien in hoeverre dit in bezwaar en beroep nog extra statussen zal opleveren, is besloten het experiment tot 1 mei 1996 te verlengen. Voor een compleet beeld is het immers nodig deze bezwaarzaken en beroepszaken te behandelen, waarna een definitief besluit over de invoering kan worden genomen. Wel is al duidelijk dat het overleg dat in eerste aanleg plaatsvindt tussen de IND en rechtshulp meer tijd vergt dan bij de «normale» wijze van werken. Een andere verklaring voor het verschil in het toekennen van statussen in eerste aanleg tussen de experimenten en het landelijk gemiddelde kan tevens worden gezocht in het overlegmodel. Immers daardoor is het mogelijk dat van zowel de zijde van de IND als rechtshulp de argumenten in volle omvang naar voren kunnen worden gebracht.
7. Alleenstaande minderjarige asielzoekers
a. De heer Middel heeft opgemerkt dat het naar zijn mening niet nodig is om een leeftijdsonderzoek in te voeren omdat er ook andere manieren zijn om achter de leeftijd te komen, bijvoorbeeld meer informatie uit gesprekken tussen hulpverleners en ama's.
Een leeftijdsonderzoek is geïndiceerd als er serieuze twijfel bestaat omtrent de minderjarigheid van een asielzoeker. Op dit moment staan mij geen alternatieven voor dit onderzoek voor ogen waarmee de leeftijd effectief kan worden vastgesteld en derhalve misbruik kan worden tegengegaan. Ik ben, zoals ik ook heb toegezegd in het algemeen overleg van 6 december jl., wel bereid om naar alternatieve methoden te kijken. Het voorstel van de heer Middel om via informatie van hulpverleners vast te stellen dat een asielzoeker meerderjarig is, wordt zo mogelijk reeds in de praktijk toegepast maar is onvoldoende effectief gebleken. Het is in elk geval geen mogelijkheid om binnen een korte periode twijfels omtrent de leeftijd weg te nemen. Als er echt sprake is van misbruik acht ik het echter noodzakelijk dat hier zo spoedig mogelijk tegen opgetreden wordt.
b. Verder heeft de heer Middel gevraagd of ik meer informatie kan geven op basis van welke criteria terugzending kan plaatsvinden.
Terugzending kan plaatsvinden als er adequate opvang in het land van herkomst aanwezig is. Naast opvang door ouders en/of familieleden kunnen als adequaat ook andere vormen van opvang worden aangemerkt. In vele landen van herkomst zijn al dan niet van overheidswege diverse instanties actief die zich bezighouden met de opvang van alleenstaande minderjarigen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan instanties als bijvoorbeeld Unicef, Unhcr, Caritas, particuliere weeshuizen etc. Van dergelijke opvangende instanties moet de verzekering worden gekregen dat uitgezette ama's bij hun terugkeer onder hun hoede zullen worden genomen. De opvang moet op een naar lokale omstandigheden aanvaardbaar niveau zijn, wat minimaal inhoudt: een bed, voedsel en – indien gewenst – hulp bij het traceren van familieleden.
Als sprake is van vrijwillige terugkeer kan hulp worden geboden bij reïntegratie in de maatschappij aldaar.
De opvangende instantie wordt vooraf over de daadwerkelijke terugkeer van de ama geïnformeerd, zodat kan worden zorggedragen voor doorgeleiding naar het opvangadres. De Nederlandse vertegenwoordiging ter plaatse kan hierbij behulpzaam zijn.
c. De heer Verhagen heeft gevraagd waarom een ama die nog niet drie jaar in Nederland is bij het bereiken van 18 jaar de AMA-vtv behoudt.
Voor alle ama's geldt de hoofdregel dat er in de eerste drie jaar verblijf in Nederland slechts sprake is van tijdelijk verblijf. Pas na drie jaar verblijf kan de ama-vtv worden omgezet in een vtv zonder beperking. Dit geldt dus ook voor ama's die in de eerste drie jaar 18 jaar worden. Een wijziging van deze hoofdregel zou betekenen dat er ten aanzien van een 18-jarige ama een herbeoordeling moet plaatsvinden over het verblijfsrecht. Deze herbeoordeling die in het individuele geval moet plaatsvinden acht ik zowel voor de ama als het apparaat te belastend en levert naar mijn mening niet het gewenste resultaat op. In elk geval in het verblijf berusten van 18-jarige ama's levert een reëel risico op van aanzuigende werking en werkt misbruik in de hand. In elk geval niet langer in het verblijf berusten is niet wenselijk aangezien er sprake kan zijn van reeds langer verblijf in Nederland zodat dit in het individuele geval moet worden meegewogen.
d. De heer Rijpstra heeft gevraagd of ik meer informatie kan geven over het beleid in andere Europese landen.
Voor een uitvoerige beschrijving van het beleid in andere Europese landen wil ik u graag verwijzen naar het WODC-rapport «toelating en opvang van ama's» (1994). In dit verband wil ik daarom slechts de hoofdlijnen van het beleid in andere landen aangeven. In alle landen geldt dat ama's net als meerderjarige asielzoekers in aanmerking kunnen komen voor een vluchtelingenstatus.
In België bestaat geen specifiek beleid voor ama's. De minderjarigen worden gelijk behandeld als meerderjarigen. De minderjarige die niet als vluchteling wordt erkend mag in de meeste gevallen in België verblijven op humanitaire gronden.
In Duitsland voeren de verschillende deelstaten een eigen beleid. De ama in Duitsland is gebonden aan de voorzieningen zoals vastgelegd in de Vreemdelingenwet en zijn daarnaast afhankelijk van welzijnswerk. Tot 16 jaar kan een asielzoeker niet zelfstandig een asielverzoek indienen maar dient eerst in de voogdij te worden voorzien. Opvang van ama's gebeurt zoveel mogelijk bij verwanten en kinder- en jeugdtehuizen.
In Frankrijk bestaat geen specifiek beleid voor ama's. De ama kan pas een asielaanvraag indienen als hij een wettelijk vertegenwoordiger heeft. De procedure voor ama's is dezelfde als die voor volwassenen. Als de ama geen vluchtelingenstatus krijgt, kan hij worden teruggestuurd naar het land van herkomst indien daar opvang mogelijk is. Is opvang niet mogelijk, dan kan de ama worden gedoogd op humanitaire gronden.
In Groot-Brittannië zijn de lokale sociale diensten verantwoordelijk voor ama's. De ama's moeten zelf een asielverzoek indienen. Door de vluchtelingenraad wordt aan iedere ama een adviseur toegekend. Voor de opvang wordt gezorgd door non-gouvernementele organisaties.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelt onderzoek in naar opvangfaciliteiten in het land van herkomst.
In Denemarken geldt een speciale procedure voor ama's. Ama's komen in aanmerking voor een voorlopig verblijfsrecht. Ten aanzien van ama's van 15–18 jaar wordt zoveel mogelijk dezelfde procedure als voor volwassenen gevolgd. Ama's worden in speciale centra opgevangen.
e. De heer Dittrich heeft gevraagd of er snel duidelijkheid kan worden gegeven over een oplossing van de knelpunten bij ama 's van 18 jaar en ouder.
Het overleg hierover met andere betrokken departementen is nog niet afgerond. Ik zal de Tweede Kamer hier zo spoedig mogelijk over informeren.
f. Zowel de heer Dittrich als mevrouw Sipkes hebben gevraagd of er voldoende mogelijkheden zijn voor de behandeling van ama 's met trauma's.
De opvang c.q. de vervolgopvang van de ama's en de eventuele noodzakelijk behandeling van psychische of psychiatrische problematiek in verband met traumatische ervaringen dienen van elkaar te worden onderscheiden. In de opvangvoorzieningen vindt geen behandeling plaats. Voor zover er de noodzaak is van behandeling zijn er voldoende mogelijkheden. Er kan onder meer een beroep worden gedaan op gespecialiseerde deskundigheid van de Stichting Pharos in Utrecht. Deze instelling is gespecialiseerd in de (geestelijke) gezondheidszorg voor vluchtelingen en asielzoekers. Ook een deel van de RIAGG's heeft deskundigheid op dit gebied opgebouwd.
Slechts in incidentele gevallen komt het voor dat er behoefte is aan intramurale behandeling. Dan kan een beroep worden gedaan op jeugdpsychiatrische klinieken.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-147.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.