Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201119637 nr. 1397

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1397 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 februari 2011

Op 21 januari jl. heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, Straatsburg) uitspraak gedaan in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. Beknopt gezegd, gaat het in die zaak om een asielzoeker die door België is overgedragen aan Griekenland in het kader van de Dublin-verordening (343/2003/EG). Het Hof oordeelt dat een Dublin-overdracht aan Griekenland onder de huidige omstandigheden in het kader van het EVRM niet aanvaardbaar is. Dit in verband met de slechte detentie- en leefomstandigheden voor asielzoekers in Griekenland en het niveau van de Griekse asielprocedure. Hoewel het hier gaat om een zaak tegen België en Griekenland, heeft deze ook gevolgen voor andere Europese landen, waaronder Nederland. De Nederlandse Staat zal deze uitspraak vanzelfsprekend respecteren.

Dit heeft tot gevolg dat de groep van ongeveer 1950 asielzoekers, die hier al verblijft en ten aanzien van wie eerder is vastgesteld dat volgens de criteria van de Dublin-verordening Griekenland verantwoordelijk is, zal worden opgenomen in onze nationale asielprocedure voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek.

Om de inhoudelijke behandeling van deze circa 1950 asielaanvragen efficiënt en zorgvuldig te laten verlopen, zullen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de overige partners in de vreemdelingenketen goede afspraken worden gemaakt.

De wijze waarop deze asielzoekers terugstromen in de asielprocedure, wordt in belangrijke mate bepaald door de stand van hun huidige «Dublin»-procedure. Daarbij is leidend of de eerdere beschikking waarin is geoordeeld dat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek reeds in rechte is komen vast te staan.

Voor de asielzoekers die de nationale rechtsmiddelen (beroep en hoger beroep) hebben uitgeput en nog in de Nederlandse opvang verblijven in afwachting van hun feitelijke overdracht aan Griekenland en/of de uitkomst van hun klachtprocedure bij het EHRM, geldt dat zij een nieuwe asielaanvraag moeten indienen. Zij zullen (via hun gemachtigde) op deze mogelijkheid worden gewezen. Degenen van wie de nieuwe asielaanvraag vervolgens wordt afgewezen in de algemene asielprocedure behouden opvang tot vier weken na bekendmaking van het besluit op de asielaanvraag Hiermee wordt voorkomen dat hun positie, ten opzichte van asielzoekers met een eerste asielaanvraag, minder gunstig zou zijn.

Voor asielzoekers die nog in afwachting zijn van een uitspraak in beroep of hoger beroep tegen het eerder genomen besluit dat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van hun aanvraag, geldt dat de IND in goed overleg met de rechtbanken en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) zal bezien hoe deze zaken terugvloeien in de asielprocedure.

De categorie asielzoekers ten aanzien van wie een terug- of overname verzoek is verzonden aan Griekenland, maar aan wie nog geen beschikking is uitgereikt waarin formeel is beslist dat Griekenland verantwoordelijk is voor hun aanvraag, kan in plaats van een Dublin-besluit een inhoudelijke beoordeling tegemoet zien.

Onvoorzien fluctuaties in de instroom daargelaten, is het uitgangspunt dat de IND na een omsteltijd van ongeveer een maand, binnen ongeveer zes maanden een beslissing zal nemen op de 1950 asielaanvragen. In individuele zaken kan deze termijn langer zijn, indien nader onderzoek nodig is om tot een zorgvuldig besluit te komen.

Toekomstige gevallen waarin normaliter op grond van de criteria in de Dublin-verordening een terug- over overnameverzoek aan Griekenland zou worden gericht, kunnen eveneens worden opgenomen in onze nationale asielprocedure, tenzij overdracht aan een andere lidstaat dan Griekenland op grond van de Dublin-verordening of andere internationale overeenkomsten in de rede ligt. Deze handelwijze is in lijn met de aanpak van onder andere Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Zweden, België, Noorwegen en Denemarken. Ook die lidstaten hebben aangegeven voorlopig af te zien van het overdragen van asielzoekers naar Griekenland en over te gaan tot het inhoudelijk behandelen van desbetreffende asielverzoeken.

In de omstandigheid dat de komende periode geen Dublin-overdrachten naar Griekenland zullen plaatsvinden, is aanleiding om de detachering van de Nederlandse Dublin Liaison Officer (DLO) te beëindigen. De taak van deze ambtenaar was onder andere om op de luchthaven van Athene aanwezig te zijn bij de aankomst van Dublinclaimanten.

Om te bewerkstelligen dat overdrachten aan Griekenland zo spoedig mogelijk kunnen worden hervat, zet de Nederlandse regering er tegelijkertijd op in dat de Europese Unie samen met de Europese Commissie, UNHCR en andere EU-landen, Griekenland ondersteunt om hun grensbewaking en asielprocedure, met inbegrip van de opvang van asielzoekers en de centra voor vreemdelingendetentie, op het vereiste niveau te brengen, zodat asielzoekers ook in Griekenland kunnen rekenen op adequate omstandigheden en bescherming en Griekenland zijn Europese en internationale verplichtingen weer kan nakomen. De plannen die Griekenland heeft gepresenteerd in het «National Action Plan on the Reform of the Asylum System and on Migration» zien er op zichzelf goed uit en zijn een goede eerste aanzet, maar het is nu van belang dat deze plannen ook in de praktijk worden gebracht. Daarbij geldt dat het aanbod tot operationele steun en samenwerking, op geen enkele wijze afbreuk mag doen aan het uitgangspunt dat Griekenland zelf primair en volledig verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de noodzakelijke en toegezegde aanpassingen in de Griekse asielprocedure. Op de JBZ-raden zal ik, naast de urgentie van samenwerking, de Griekse autoriteiten op deze eigen verantwoordelijkheid blijven aanspreken.

De minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers